CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Bestemmingsplan (Verbeelding-Toelichting-Regels)

Raadsvergadering 10 april 2024, gemeente GoudaBij agendapunt: Bestemmingsplan Jan Ligthartlocatie23.335 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.4

Bodem

5.4.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming een (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Gouda beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

26 gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (meldpuntbodemkwaliteit.nl). 5.4.2

Onderzoek

Voor de locatie zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Gehele locatie Door IDDS is een verkennend bodem- en asbestonderzoek en actualiserend bodemonderzoek, opgesteld (zie Bijlage 2) Het onderzoek is uitgevoerd vanwege de voorgenomen bouw van appartementen en bestaat uit drie deellocaties: terrein school, ondergrondse tank en parkeerterrein. Onderstaand de beoordeling per deellocatie. Deellocatie 1: Terrein School Zintuiglijk zijn in de bodem sterke bijmengingen met hydrokorrels, matig slakken, zwak tot matig metselpuin, sporen tot zwakke bijmenging met baksteen en resten aardewerk aangetroffen. Drie boringen zijn gestaakt op een onbekende laag. Uit de chemische analyses blijkt dat in de bovengrond lichte verontreinigingen met kwik en PCB aanwezig zijn. De ondergrond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood, molybdeen, zink, PAK en PCB. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium en vinylchloride geconstateerd. Asbestonderzoek Er is een asbestanalyse (fractie 0,5-20mm) uitgevoerd. Er zijn vier mengmonsters samengesteld. In een van de mengmonsters is een gewogen concentratie aangetoond van 0,6 mg/kg ds. (serpentijn). Uit de asbestanalyses blijkt dat er geen asbestvezels zijn aangetoond. Deellocatie 2: Ondergrondse tank Deze deellocatie is alleen onderzocht op minerale olie in de grond en het grondwater en op vluchtige aromaten in het grondwater.

Tijdens het veldwerk zijn zintuiglijk in de bodem brokken baksteen aangetroffen. Uit de chemische analyses blijkt dat in de ondergrond lichte verontreinigingen met minerale olie aanwezig zijn. In het grondwater zijn geen verontreinigingen met minerale olie en vluchtige aromaten geconstateerd. Deellocatie 3: Parkeerterrein Op deze deellocatie is een actualiserend onderzoek uitgevoerd naar de toplaag. Op de locatie heeft in 2012 een sanering plaatsgevonden waarbij een scheidingsdoek en afdeklaag zijn aangebracht. Tijdens het veldwerk zijn zintuiglijk in de bodem onder de afdeklaag sporen, brokken en resten baksteen aangetroffen. Plaatselijk zijn in de bodem een matige bijmengingen met puin/slakken waargenomen. Uit de chemische analyses blijkt dat in de bovengrond geen verontreinigingen met de parameters uit het standaard analysepakket aanwezig zijn. Schoolterrein Voor het schoolterrein is door Van Oort Bodemonderzoek B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 3) in april 2013. Uit dit onderzoek blijkt dat bij één boring, B7, een matige puinbijmenging is aangetroffen. In de bovengrond zijn geen verhoogde gehaltes aangetoond. In de ondergrond zijn lood en zink licht verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde. In het grondwater is barium licht verhoogd aangetoond.

Verder is er door IDDS een verkennend onderzoek asbest van de grond onder de voormalige bebouwing uitgevoerd ter plaatse van het schoolterrein (Bijlage 4) in maart 2021. Hieruit blijkt dat er analytisch geen asbest is onder het gebouw van de voormalige school aan de Snoystraat 2-4 in Gouda aangetoond. Parkeerterrein Door IDDS is er in juni 2011 een verkennend bodemonderzoek aan Westerkade 1/1a en Prins Hendrikstraat 137/141 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt In de bovengrond zijn plaatselijk bijmengingen met puin aangetroffen. Er zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. De bovengrond is matig tot sterk verontreinigd met zink en plaatselijk matig verontreinigd met koper. Er zijn lichte "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

27 verontreinigingen met de overige zware metalen, molybdeen, PCB en PAK aangetoond. In de ondergrond bevinden zich plaatselijk bijmengingen puin. Er zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. De ondergrond is licht verontreinigd met zware metalen en PAK. In het grondwater bevinden zich lichte verontreinigingen met barium en xylenen. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging zink in de bovengrond. Daarna is er in september 2011 een BUS-melding gedaan voor de sanering van zink. De sanering betreft het aanbrengen van een duurzame aaneengesloten afdeklaag van klinkers, waarna een parkeerplaats wordt gerealiseerd op de locatie. In april 2012 een BUS-evaluatieverslag aangeleverd (Bijlage 5). Het terrein is geëgaliseerd. Na het egaliseren is er een worteldoek aangelegd waarna er 35 cm schoon zand is opgebracht. Er is een duurzame aaneengesloten afdeklaag aangelegd van klinkers. De sanering is uitgevoerd zoals beschreven in de BUS-melding. In januari 2021 is door IDDS een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). Het onderzoek omvat het zuidelijkdeel van het parkeerterrein. Er zijn lichte verontreinigingen met zware metalen en PCB aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De aangetoonde lichte verontreinigingen geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Asbest is analytisch en visueel niet aangetoond.

In mei 2021 is BUS-melding immobiel gedaan. Na de sanering in 2012 zijn er restverontreinigingen achtergebleven onder de folie op een diepte vanaf 0,35 m-mv. Op de locatie worden woningen zonder tuin, infrastructuur en openbaar groen gerealiseerd. Gekozen is voor een leeflaag van een meter en een duurzame afdeklaag voor de appartementen/woningen en/of bestrating. Het bevoegd gezag heeft ingestemd met de BUS-melding op 20 mei 2021. De BUS-melding van 2021 is echter komen te vervallen omdat niet binnen een jaar is gestart met de bodemsanering. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning in kader van de bouw zal een nieuwe BUS-melding moeten gebeuren. 5.4.3

Conclusie

De locatie is voldoende onderzocht. De verontreinigingssituatie is voldoende in beeld gebracht. Er zijn hooguit lichte verontreinigingen aanwezig ter plaatse van het voormalige schoolgebouw. Ter plaatse van de voormalige parkeerplaats is een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink aanwezig. Deze is in 2012 gesaneerd d.m.v. een afdeklaag. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning in kader van de bouw zal alsnog een nieuwe BUS-melding moeten gebeuren. Het bestemmingsplan wordt gelet op de bodemverontreiniging echter uitvoerbaar geacht.

5.5

Externe veiligheid

5.5.1

Wettelijk kader

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan de afstand tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

28 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijd ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer. De hoogte van het GR wordt door middel van een bestuurlijke afweging verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. 5.5.2

Onderzoek

Omgevingsdienst Midden-Holland heeft onderzocht of er risicobronnen zijn die binnen of nabij het plangebied liggen die hierop van invloed zijn. Mogelijke risicobronnen zijn bedrijven (inrichtingen), waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of transportmodaliteiten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals (spoor)wegen en buisleidingen. Inrichtingen Binnen en nabij het plangebied liggen geen externe veiligheid relevante inrichtingen. Externe veiligheid relevante inrichtingen liggen alleen op grotere afstand: LPG tankstation aan de Industriestraat en het bedrijf Croda (Buurtje). Door de grote afstand tot het plangebied levert dit geen beperkingen op voor het plangebied. In het plangebied ligt een trafohuisje (en ondergrondse kabels) en in het kavelpaspoort is te zien dat men daar wel direct tegenaan wil bouwen. Er is voor trafohuisjes (net als voor alle andere onderdelen van het elektriciteitsnetwerk, waaronder hoogspanningslijnen en ondergrondse kabels) geen directe wetgeving over magneetvelden en gezondheid. Maar anders dan voor bovengrondse hoogspanningslijnen is er voor trafohuisjes ook geen specifiek beleidsadvies vanuit het Rijk.

Wel heeft de Gezondheidsraad in 2018 geadviseerd aan de staatsecretaris om in overweging te nemen om het voorzorgsbeleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uit te breiden naar andere onderdelen van het elektriciteitsnetwerk, waaronder trafohuisjes en ondergrondse kabels. Er zijn gemeenten die ook voor ondergrondse kabels en trafohuisjes het jaargemiddelde van 0,4 microtesla magneetveld aanhouden als grens om daarbinnen geen nieuwe situaties toe te staan waar kinderen langdurig verblijven. Ook de GGD adviseert in zijn algemeenheid om langdurig verblijf van kinderen in een magneetveld sterker dan 0,4 microtesla zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden. Transport gevaarlijke stoffen per buisleiding In de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die relevant zijn voor externe veiligheid. Dit levert dus geen belemmeringen op voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen aanwezig die relevant zijn voor externe veiligheid. Dit levert dus geen belemmeringen op voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Over het spoor Rotterdam-Gouda worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Dit spoor ligt op ruim 900 meter afstand van het plangebied. In de Visie externe veiligheid van Gouda is voor het spoor een planologisch kader opgenomen die geldt in een zone tot 200 meter van het spoor.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen op grotere afstand dan 200 meter kan voor de verantwoording van het groepsrisico worden verwezen naar paragraaf 6.2 uit de Visie externe veiligheid. Uit paragraaf 6.2 van de Visie externe veiligheid blijkt dat op deze afstand alleen het scenario waarbij mensen worden blootgesteld aan giftige gassen relevant is. Als enige relevante maatregel wordt genoemd om de woningen uit te voeren met mechanische ventilatie die met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld. Dit voorkomt dat bij een incident in de omgeving giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit kan al bereikt worden door de stekker van de mechanische ventilatie op een makkelijk bereikbare plek te plaatsen. Onder de Omgevingswet wordt dit een standaard bouweis (lid 4 art. 4.124 Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl). Om dit te borgen wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen . "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

29

5.5.3

Conclusie

In de nabijheid van het plangebied zijn geen relevante risicobronnen gelegen voor externe veiligheid. Zoals in de Visie externe veiligheid van Gouda opgenomen moet de mechanische ventilatie in de woningen worden uitgevoerd met de mogelijkheid om deze met een druk op de knop uit te kunnen schakelen. Dit wordt geborgd in de planregels.

5.6

Flora en fauna

5.6.1

Wettelijk kader

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft.

Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. De Nederlandse natuurbescherming kent twee subaspecten waaraan nieuwe ontwikkelingen in het kader van ecologie (flora en fauna) getoetst dienen te worden, te weten gebieds- en soortbescherming. 5.6.2

Quickscan flora en fauna

IDDS heeft de Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 7 bijgesloten. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Zie onderstaande afbeelding voor de onderzoeksresultaten. Wel moet rekening worden gehouden met het broedseizoen voor vogels. De werkzaamheden moeten in verband met verstoring van broedvogels buiten het broedseizoen uitgevoerd worden. Wel kan gestart worden voor het broedseizoen en doorgewerkt worden in het broedseizoen wanneer continue verstoring plaatsvindt. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

30

Afbeelding Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied 5.6.3

Aanvullend onderzoek

Watersnip heeft ter voorbereiding van de sloopwerkzaamheden een uitgebreide bouwkundige inspectie verricht in het plangebied. Hierbij werd met name gelet op het voorkomen van mogelijkheden voor jaarrond beschermde nesten van Huismus en Gierzwaluw en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Daarnaast is ook gekeken naar de verschillende biotopen binnen het plangebied. Deze zijn beoordeeld met betrekking tot potentieel voorkomende beschermde soorten. Het rapport is bijgesloten als Bijlage 8. Uit de bouwkundige inspectie is gebleken dat het gebouw van de voormalige Jan Ligthartschool geen mogelijkheden heeft voor jaarrond beschermde nesten van Huismus en Gierzwaluw. De aanwezigheid van deze nesten kan worden uitgesloten. Tevens is het plangebied niet geschikt voor andere soorten met een jaarrond beschermd nest, zoals uilen en/of roofvogels. Uit de bouwkundige inspectie is gebleken dat het gebouw van de voormalige Jan Ligthartschool geen mogelijkheden heeft als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. Gezien het moment van het veldbezoek zijn er geen broedende vogels aangetroffen in de aanwezige bomen. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen.

Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. 5.6.4

Bomeninspectie

Op woensdag 11-januari-2023 is het veldbezoek uitgevoerd door Watersnip. Hierbij is de gehele bomenrij is geïnspecteerd. Het veldverslag van de bomeninspectie is toegevoegd aan de bijlage als Bijlage 9. Tijdens het veldbezoek waren algemene vogelsoorten als, Spreeuw, Kauw en Ekster aanwezig in en om de bomenrij. Door de omvang van de bomen is het mogelijk voor vogels hier een nest in te bouwen. Echter is nestindicerend gedrag hier niet waargenomen. Tevens zijn in de bomen geen nesten aangetroffen. Op de bomen zijn meerdere knoesten aanwezig. Deze zijn allemaal dichtgegroeid en bieden daardoor geen ruimte waar vogels of vleermuizen gebruik van kunnen maken. Er zijn ook geen andere holtes of scheuren in de bomen aangetroffen De aanwezigheid van nesten van vogels en verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen kan worden uitgesloten. De mogelijk te kappen boom kan gebruikt worden als nestlocatie voor vogels. Echter is er geen aanleiding dat dit tot op heden wordt gedaan. Nesten en verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen zijn niet aanwezig in de bomen. Het kappen van de boom staat daarom niet in strijd met de Wet Natuurbescherming. Omdat de bomen wel gebruikt kunnen worden als nestlocatie dient het mogelijk kappen van de boom uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

31

5.6.5

Stikstof

Hedgehog Company B.V. heeft voor het planvoornemen een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 10. Uit deze rapportage blijkt dat het aspect stikstof geen belemmering vormt bij de realisatie van het voorgenomen initiatief. Er is geen sprake van significant negatieve effecten door een toename stikstofdepositie. 5.6.6

Conclusie

Er wordt vanuit de Wnb niet verwacht dat er belemmeringen zijn voor de uiteindelijke herbestemming van het gebied. Echter dienen de werkzaamheden met betrekking tot het kappen van bomen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Op basis van de uitgevoerde AERIUS-berekening, kunnen significant negatieve (indirecte) effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling, worden uitgesloten.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1

Wettelijk kader

In 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, door deze wet zijn de luchtkwaliteitseisen verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierin staat dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de grenswaarden en richtwaarden die in de wet zijn opgenomen. De belangrijkste stoffen zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2), omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden in de regel niet overschreden. De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel: grenswaarden Wet luchtkwaliteit Stof

Jaargemiddeld Uurgemiddel 24-uurgemiddeld opmerkingen e de e

Stikstofdioxide (NO2)

40 µg/m3

200 µg/m3

n.v.t.

Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden

Fijn stof (PM10)

40 µg/m3

n.v.t.

50 µg/m3

24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Fijn stof (PM2,5)

25 µg/m3

n.v.t.

n.v.t.

Deze toetsing is niet voor alle ruimtelijke plannen verplicht. Artikel 5.16 lid 1 van de Wm geeft aan wanneer een project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Zoals hierboven gemeld is voor bepaalde plannen bekend dat zij niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. In het ‘Besluit niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) is vastgelegd dat een bijdrage van meer dan 3% van de grenswaarde moet worden getoetst. De Regeling NIBM geeft voor specifieke projecten kwantitatieve grenzen. Zo is een nieuwbouwproject met maximaal 1500 woningen bij 1 ontsluitingsweg per definitie NIBM, (3000 woningen bij 2 ontsluitingswegen). Ditzelfde geldt voor kantoren met 100.000 m2 kantooroppervlakte bij 1 ontsluitingsweg. Daarnaast geldt voor ruimtelijke projecten ook het principe van een goede ruimtelijke ordening.

Voor luchtkwaliteit betekent dit: de meest kwetsbare groep op de minst vervuilde plek. Dus ook als een project NIBM is, moet er sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit moet omdat ook als aan "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

32 grenswaarden wordt voldaan, er gezondheidseffecten kunnen zijn. De gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging (kinderen, ouderen, zieken) moet worden meegewogen bij een besluit. In het verlengde van een goede ruimtelijke ordening is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Dit is gericht op functies voor gevoelige groepen voor langdurig verblijf, denk hierbij aan zorginstellingen, kinderopvang, scholen en bejaardentehuizen. Deze functies mogen niet gerealiseerd worden in gebieden met overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden door provinciale en rijkswegen. Er wordt ook geadviseerd zeer terughoudend te zijn met het realiseren van gevoelige bestemmingen bij drukke gemeentelijke wegen. Samengevat moet een project worden getoetst aan de toename van concentraties door het toevoegen van het project, en de blootstelling die er al is ter plaatse van het plan. 5.7.2

Onderzoek

De ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 28 woningen, dit is onder de getalsmatige grens van de regeling NIBM. Hierdoor draagt de ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit blijkt uit de monitoringtool van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Hieruit blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) met een waarde van 19, 17 en 9 ìg/m3 ruimschoots onder de grenswaarden uit de wetgeving liggen. 5.7.3

Conclusie

Er is vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8

Milieueffectrapportage

5.8.1

Wettelijk kader

De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b.

De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

33 Besluit m.e.r.. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiervoor hoeft geen raadpleging plaats te vinden en het besluit hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatcourant. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.. 5.8.2

Onderzoeken en resultaten

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) heeft als doel om negatieve milieueffecten van activiteiten bij plannen en besluiten af te wegen. De verplichting voor het opstellen van een m.e.r. is vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. zijn respectievelijk activiteiten vastgelegd welke direct m.e.r-plichtig zijn en voor welke een m.e.r-beoordeling verricht dient te worden. Hierbij zijn in kolom 2 (gevallen) indicatieve drempelwaarden opgenomen. Met het plan wordt de bouw van 24 woningen en een multifunctionele accommodatie (350m2 bvo) gerealiseerd. De ontwikkeling is onder te brengen onder onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: D11.2. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde voor dergelijke activiteiten wordt gegeven in kolom 2: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen activiteit beneden de drempelwaarde blijft. Activiteiten die de drempelwaarden van onderdeel D niet overschrijden, dienen eveneens te worden onderworpen aan een m.e.r.-beoordeling.

Voor activiteiten die de drempelwaarden niet overschrijden, zijn desalniettemin geen vormvereisten van toepassing en is derhalve sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van de vormvrije m.e.r. wordt beoordeeld of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Er dient aandacht te worden besteed aan de criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Deze vormvrije m.e.r. dient aan het bevoegd gezag te worden aangeboden in de vorm van een aanmeldingsnotitie. In de aanmeldingsnotitie m.e.r. is informatie opgenomen op basis waarvan bepaald kan worden of al dan niet de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Daarbij is aangesloten bij de beoordelingscriteria van bijlage III bij de Europese richtlijn. De aanmeldingsnotitie voor voorliggend plan is als bijlage 11 toegevoegd. 5.8.3

Conclusie

Het doorlopen van een m.e.r. procedure en/of formele m.e.r. beoordelingsprocedure is niet nodig. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd een m.e.r. beoordelingsbesluit te nemen waarin wordt afgezien van het opstellen van een milieueffectrapportage, ofwel het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure.

5.9

Ontplofbare oorlogsresten

Uit ervaring blijkt dat circa 10 à 15% van de tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte munitie niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Dit kan gevaar opleveren bij werken in de bodem. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Indien nodig gevolgd door een nader onderzoek, indien nodig gevolgd door opsporing van ontplofbare oorlogsresten of andere passende maatregelen. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

34

5.10

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld 5.10.1 Verkeer Voor het planvoornemen is de verkeersgeneratie bepaald op basis van de kencijfers van de CROW-publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. In Gouda geldt een stedelijkheidsgraad van "Zeer sterk stedelijk" en voor deze locatie geldt de zone "Schil centrum". Het staat nog niet vast dat er sprake zal zijn van een gelijkblijvend aantal verkeersbewegingen of een toename. De onduidelijkheid komt voort uit het feit dat de berekening vooraf is uitgevoerd, op basis van aannames en kentallen die voor deze specifieke situatie kunnen worden genuanceerd. Het streven is om een oudere doelgroep in de nieuwe woningen te huisvesten (maar dit staat niet vast en kan dus nog wijzigen). Als de 24 woningen uitsluitend aan ouderen worden toegekend dan is zowel het autobezit als de verkeersgeneratie veel lager dan bij een andere doelgroep. Er zal dan ten opzichte van de vroegere situatie (met de school) een kleine toename zijn van het theoretisch berekende aantal verkeersbewegingen per etmaal.

De MFA is een wijkvoorziening, dus de activiteiten zijn bestemd voor de buurt- en wijkbewoners. Gezien de kleinschaligheid van de accommodatie is het aannemelijk dat bezoekers uit de directe omgeving komen. Het is echter in de praktijk niet uit te sluiten dat de bezoekers met de auto komen (en ook niet dat er bezoekers zullen zijn van buiten de wijk). Er is een denkbare worst-case situatie waarbij in theorie veel meer verkeersbewegingen worden berekend door de gebruikelijke normen die van toepassing zijn voor woningen en voor een multifunctionele voorziening. Er worden dan veel meer verkeersbewegingen berekend voor de MFA. Dit heeft te maken met de aanname in de normen dat bezoekers niet uitsluitend uit de directe omgeving komen maar van grotere afstanden. Hierdoor is de kans aanwezig dat bezoekers met de auto komen. In dat geval zal de verkeersgeneratie in theorie met 175 verkeersbewegingen per etmaal (of 18 mtv/uur in de spits, drukste uur) toenemen. In een denkbare best-case situatie zal het aantal verkeersbewegingen veel lager zijn. Dit kan tot een reductie van (205- 110 =) 95 verkeersbewegingen zijn. In dat geval is er sprake van een toename van (175-95 =) 80 verkeersbewegingen per etmaal (of 8 motorvoertuigen per uur).

Deze aantallen, zowel worst-case als best-case, kunnen de Prins Hendrikstraat en Snoystraat echter zonder problemen aan en zullen nauwelijks effect hebben op de verkeersveiligheid en de huidige verkeerssituatie. De bereikbaarheid van de nieuwe parkeerplaats gaat via de Eerste Schoolstraat. Dit is een smalle straat met weinig ruimte tussen de woningen en de rijbaan. De verwachte verkeerstoename in deze straat kan nadelige gevolgen hebben voor de hierin liggende woningen. Om deze nadelige gevolgen tegen te gaan, gaat het plan uit van het verleggen van de Eerste Schoolstraat: richting de nieuwbouw, weg van de woningen. In de situatietekening bij 3.3 is de beoogde nieuwe situatie ingetekend. 5.10.2 Parkeren Het uitgangspunt van het gemeentelijk beleid met betrekking tot parkeren is dat het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Hierbij wordt gebruik gemaakt van door de gemeente vastgestelde parkeernormen. De historische situatie wordt buitenwege gelaten omdat deze ook voorzag in eigen parkeergelegenheid op terrein v.w.b. de school. De parkeerplaatsen op de hoek van de Prins Hendrikstraat en Westerkade waren tijdelijk aangelegd na de sloop van de panden langs de Prins Hendrikstraat. Daarbij is de school "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

35 al enige tijd gesloopt. Voor de berekening van de benodigde parkeergelegenheid zijn de parkeernormen van het "Parkeerplan Gouda 2020" gebruikt. 24 woningen tussen 55 en 85 m2 x norm 1,6 pp = 38,4 pp, Multifunctionele accommodatie, 350 m2 GBO x norm pp (2pp/100 m2 ) = 350/100 x 2 = 7 pp, bestaande parkeerplaatsen Eerste Schoolstraat = 7 pp. Totaal van bovenstaande maakt 52,4 = 53 parkeerplaatsen. Minus de bestaande 7 parkeerplaatsen zijn er dan 46 nieuwe parkeerplaatsen nodig. Op basis van dat benodigde aantal en andere eisen met betrekking tot de inrichting is er een schetsmatige verkenning gedaan van de toekomstige inrichting (zie onderstaande afbeelding). Hieruit is gebleken dat de benodigde 46 nieuwe parkeerplaatsen inderdaad kunnen worden gerealiseerd (ook met inachtneming van de groeneis). De conclusie is dus dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is gelet op de benodigde parkeergelegenheid (en de benodigde groene voorzieningen). Verder wordt opgemerkt dat er nu formeel 3 parkeerplekken aan de Prins Hendrikstraat zijn ingericht en hier in het nieuwe plan 8 plekken bijkomen. Omdat er geen parkeerverbod in de straat geldt werden auto's altijd op de stoep geplaatst t.h.v. het project.

Formeel kunnen de 8 nieuwe plekken aan de Prins Hendrikstraat dus niet worden meegerekend, maar de nieuwe situatie zorgt wel voor een volwaardige parkeerinrichting waardoor beter en veiliger geparkeerd kan worden. Tevens verbetert dit de verkeerssituatie van de Prins Hendrikstraat. Het bestemmingsplan regelt echter niet de eindsituatie. Het bestemmingsplan wordt nog uitgewerkt in een bouwplan en een inrichtingsplan, waarvoor uiteindelijk een omgevingsvergunning moet worden verleend. Het is wenselijk en gebruikelijk om in het bestemmingsplan enige ruimte (flexibiliteit) over te laten voor die uitwerking. Daarbij is van belang dat er de wens/ ambitie is om méér openbaar groen te realiseren dan minimaal noodzakelijk is volgens de groeneis (zie ook paragraaf 5.12). Op basis van de participatie is hier ook draagvlak voor. En de GGD adviseerde dit ook in een vooradvies. Deze ambitie gaat dan hoogstwaarschijnlijk ten koste van een aantal parkeerplaatsen. Ook daar is een schetsmatige verkenning voor gemaakt (zie onderstaande afbeelding). Hieruit blijkt dat er dan 38 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning zal worden bezien en dus nader moeten worden onderbouwd of dit aantal ook voldoet aan het dan geldende gemeentelijke beleid.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

36

Schetsmatige verkenning waarbij er 46 nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd ('Grijs')

Sche tsmatige verkenning waarbij er 38 nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd ('Groen')

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

37

5.11

Water

5.11.1 Algemeen Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Met het oog op de watertoets is een waterparagraaf opgesteld, waarin de voor dit plan relevante waterhuishoudkundige aspecten zijn beschreven. Deze waterparagraaf is hieronder opgenomen. 5.11.2 Relevant beleid De afweging van de diverse waterbelangen is geborgd in diverse plannen, wetten en beleidsdocumenten. De belangrijkste plannen en wetten op Rijksniveau en Europees niveau zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Op provinciaal niveau zijn dit het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland, de Verordening Ruimte en het Actieprogramma Water. Voorts is relevant het beleid en de Keur van het hoogheemraadschap. Op gemeentelijk niveau staan relevante regels in gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) en het geactualiseerde Waterplan Gouda.

5.11.3 Watertoets De hoogheemraadschappen zijn het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheren de hoogheemraadschappen rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het proces van ruimtelijke planvorming hebben de hoogheemraadschappen een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen een regelgevende rol. De gemeente Gouda heeft te maken met twee hoogheemraadschappen. Het hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer ten oosten van de Gouwe en ten noorden van de Hollandse IJssel. Ten westen van de Gouwe en ten zuiden van de Hollandse IJssel ligt het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Bij transformatie of herontwikkeling mag het verharde oppervlak uit de oude situatie worden ingezet als compensatie. Daarbij geldt de voorwaarde dat de verharding maximaal 5 jaar voor de afgifte van de melding moet zijn verwijderd. 5.11.4 Planbeschrijving en conclusie IDDS heeft de watertoets opgesteld. Het rapport is als Bijlage 12 bijgesloten. Berging en infiltratie (wateroverlast) Door de ontwikkeling is er een afname van het verhard oppervlak van circa 863 m2 ten opzichte van de huidige situatie. Er is voor de voorgenomen planontwikkeling geen noodzaak tot watercompensatie.

Riolering Door de gemeente is aangegeven dat men voornemens is om het gemeentelijke riool ter plaatse van de Snoystraat en de Prins Hendrikstraat op termijn te vervangen. Voor de nieuwbouw ter plaatse van de Jan Ligthartlocatie dient te worden uitgegaan van een gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Door de gemeente is aangegeven is dat het wenselijk is om vooraf overleg te hebben zodat enerzijds de herontwikkeling Jan Ligthartlocatie en anderzijds de vervanging gemeentelijk riool op elkaar kunnen worden afgestemd / er in de planvorming rekening gehouden kan worden. Grondwateroverlast / drooglegging De toekomstige peilen dienen nog te worden vastgesteld. De peilen van het toekomstige maaiveld zijn "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

38 (mede) afhankelijk van de maaiveldniveaus van de omliggende terreinen. Aanbevolen wordt om in de toekomstige situatie te zorgen voor voldoende drooglegging teneinde wateroverlast en problemen door optrekkend bodemvocht te voorkomen. Geadviseerd wordt drooglegging van minimaal 0,9 m / een toekomstig peil van minimaal -1,49 m NAP. Bodemdaling De planlocatie ligt in een gebied waar sprake is van bodemdaling. Teneinde bodemdaling te helpen beperken kan onder andere worden gekozen om de maaiveldbelasting in de nieuwe situatie te minimaliseren. Bijvoorbeeld door het toepassen van lichtere bouwmaterialen en/of het toepassen lichter materiaal voor de aan te brengen maaiveldverhardingen. Grondwaterbescherming Momenteel is er geen chemische belasting / verontreiniging van het grondwater. Verontreiniging van het grondwater kan wel ontstaan door het gebruik van verontreinigende stoffen in het bouwwerk. De toe te passen materialen voor gebouwen en verharding dienen derhalve zo weinig mogelijk uitlogende stoffen te bevatten. Oppervlaktewaterkwaliteit, beheer en onderhoud In zowel de huidige als in de toekomstige situatie is er binnen het plangebied geen sprake van permanent oppervlaktewater en zijn er geen waterhuishoudkundige voorzieningen aanwezig die onderhouden moeten worden.

Klimaatadaptatie Aanbevolen wordt om in de planontwikkeling te acteren op de klimaatproblematiek, waarbij rekening dient te worden gehouden met korte periodes met extreme neerslag en anderzijds hittestress van de bodem door periodes met extreme droogte. Conclusie Gelet op het feit dat het verhard oppervlak zal afnemen geldt dat het plan een positieve impact heeft op de waterhuishouding ter plaatse en dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5.12

Duurzaamheid, klimaatadaptatie en groen

5.12.1 Beleidskader Het gemeentelijk beleid met betrekking tot duurzaamheid en klimaatadaptatie is opgenomen in verschillende beleidsnota's die soms ook betrekking hebben op beleidsthema's die in de vorige paragrafen zijn beschreven, zoals water en groen. Relevant zijn de Structuurvisie Groen, het Gemeentelijk Rioleringsplan, het Convenant Klimaatadaptatief Bouwen, de Klimaatadaptiestrategie en de Maatlat Klimaatadaptatie. Het Kavelpaspoort beschrijft de specifieke ruimtelijke criteria voor de beoogde herontwikkeling. 5.12.2 Planspecifiek De gevolgen van klimaatverandering, hitte, droogte, hevige neerslag, zijn bekend en vragen om aanpassingen en maatregelen. Van het projectgebied van de Jan Ligthart nieuwbouw wordt hierin via klimaatadaptieve maatregelen een bijdrage verwacht.. Vanuit het "Convenant Klimaatadaptief Bouwen" komen thema's en doelen die onderligger worden bij verdere uitwerking en realisatie van de bouwplannen en de inrichting openbaar gebied.

Hevige neerslag Waar mogelijk het dak van de gebouwen voorzien van een groen dak voor een eerste buffering van regenwater. "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

39 Bestrating waterdoorlatend aanleggen. Bestrating parkeerplaatsen funderen op substraat (ook t.b.v. plantplaatsverbetering te planten bomen). Infiltratieriool wanneer passend bij gemeentelijk beleid voor dit gebied. Droogte De aanleg van de plantvakken aanleggen tot net in de grondwaterspiegel, hierdoor ontstaat capillaire werking vanuit grondwater naar de bovenlaag. Infiltratie in de groenvakken en de open bestrating. Hitte Toevoegen van nieuwe bomen om schaduwoppervlak te creëren (en zorgen voor goede condities om boomgroei te bevorderen, zie maatregel bij funderen parkeerplaatsen). Het bouwkundig ontwerp voorkomt zo veel mogelijk de opwarming van de woningen. Wanneer aanvullende maatregelen nodig zijn dit realiseren via zonwering, zonwerend glas of bijvoorbeeld de koelfunctie van een warmtepomp. Bodemdaling en biodiversiteit Aanbrengen van voorbelasting. Bodemaanvullingen uitvoeren met lichte ophoogmaterialen (ook in relatie met het borgen van goede plantvakken en effectieve infiltratie). Maatregelen in/om het gebouw zorgen voor habitat voor gebouw bewonende diersoorten. Overstromingen Vloerpeil ruim hoger leggen dan bestrating, rekening houdend met maatregelen voor goede toegankelijkheid voor rollators, scootmobielen en rolstoelen. De Leidraad Klimaatadaptief Bouwen vraagt om een integrale aanpak van dit onderwerp.

Gezien de beperkte omvang van de locatie is integraliteit in dit plan nog belangrijker. Op een klein gebied moeten maatregelen goed ingepast kunnen worden, effectief zijn voor diverse klimaatthema's en bijdragen aan een goede ruimtelijke ordening. Daarom is er, net zoals de schetsmatige verkenning t.b.v. het parkeren en groen (5.10.2), ook een verkenning gedaan op het onderdeel van de Klimaatadaptatie. Hieruit volgt dat de locatie kans en ruimte biedt om de groeneis te realiseren en veel van de maatregelen uit de Leidraad Klimaatadaptief Bouwen in te passen. De groeneis houdt in dat een oppervlakte van 15% van het totale plangebied (3.505 m2) als openbaar groen op het maaiveld wordt gerealiseerd en in stand gehouden moet worden. In het onderhavige geval bedraagt de groeneis 526 m2. Dit is als een harde eis opgenomen in de regels, zie hiervoor artikel 5.3.2 Voorwaardelijke verplichting - groeneis Dat dit uitvoerbaar is, blijkt uit de schetsmatige verkenningen. Bij variant ‘Grijs’ komt er 645 m2 plantvak en 145 m2 gazon, in totaal 790 m2. Bij variant ‘Groen’ komt er 730 m2 plantvak en 125 m2 gazon, in totaal 855 m2. En hierbij zijn de reeds bestaande en de nieuwe bomen nog niet meegeteld. Hoe de daadwerkelijke inrichting eruit komt te zien wordt vastgesteld in het (nog op te stellen) inrichtingsplan.

Dit is verwerkt in een Themakaart (zie onderstaande afbeelding) waarin de maatregelen concreet staan benoemd.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

40

Themakaart

5.12.3 Conclusie Het plan voldoet aan de betreffende eisen draagt bij aan de ambities.

5.13

Bezonningsstudie

Door Venster Architecten is een bezonningsstudie uitgevoerd naar de effecten van zon- en schaduwwerking door de beoogde nieuwbouw. Het rapport is als Bijlage 15 bijgesloten. Door de situering van de gebouwen valt de schaduw vooral op de openbare ruimte en het parkeerterrein achter de nieuwbouw. De effecten voor de bezonning op de (tuinen van) de bestaande woningen is beperkt. 5.13.1 Conclusie Vanuit de gedane bezonningsstudie, kan geconcludeerd worden dat de effecten voor de bezonning ten gevolge van de nieuwbouw voor de bestaande woningen beperkt zijn.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

41

Hoofdstuk 6

Planopzet

In dit hoofdstuk wordt in het kort ingegaan op de opbouw en inhoud van de regels van het bestemmingsplan Jan Ligthartlocatie. In de voorgaande hoofdstukken is het beleid beschreven en zijn de ruimtelijke en functionele opzet van het plangebied toegelicht. De regels zijn een juridische vertaling van de gemaakte keuzes voor dit plangebied.

6.1

Feitelijke planopzet

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een geografische plaatsbepaling (verbeelding), regels en een toelichting. De geografische plaatsbepaling en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Het bestemmingsplan is opgesteld conform het (wettelijke) model Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) versie 2012. Hierdoor is het plan geschikt voor interactieve uitwisseling via het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO) 2012. De toelichting heeft in beginsel geen rechtskracht. Niettemin vormt zij een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het plan ten grondslag liggen. Daarbij is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Methodiek Voor de opzet van het bestemmingsplan is het Handboek Digitale Bestemmingsplannen van de Gemeente Gouda aangehouden. Zowel de verbeelding, de regels als de toelichting zijn opgezet aan de hand van dit handboek. Voor de regels is daarnaast gebruik gemaakt van de Standaardregeling van de gemeente. In het bestemmingsplan hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming toegewezen gekregen.

Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plangebied gelegen gronden zijn toegekend. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak; lijn- en puntbestemmingen komen niet voor.

6.2

Juridische planopzet

Alle functies zijn apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen en aanduidingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksregels alsmede de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden te vinden. Bestemmingsvlakken In dit plan wordt gebruikgemaakt van bestemmingsvlakken. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied dat op de plankaart is aangeven en waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Aanduidingen Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen. Bestemmingsregelingen De regels bestaan uit verschillende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat inleidende regels. Die bestaan uit omschrijvingen van enkele in de regels voorkomende begrippen en de wijze van meten, bijvoorbeeld hoe de oppervlakte van een bouwwerk gemeten moet worden. "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

42

Hoofdstuk 2 behelst de bestemmingsregels, die in de paragraaf hierna uitgebreid aan de orde komen. Hoofdstuk 3 bevat de anti-dubbeltelbepaling, voorgeschreven op grond van het Besluit ruimtelijke ordening, en algemene bouw- en afwijkingsbevoegdheden. De antidubbeltelbepaling voorkomt dat grotere bouwmogelijkheden ontstaan door grond dubbel te tellen bij de toetsing aan het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 behelst het overgangsrecht. Ook van dit artikel staat de redactie vast. Het is gebaseerd op het Besluit ruimtelijke ordening. De slotregel is de titel van het bestemmingsplan. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 2.1, lid 1c) staat het algemene verbod om de gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming te gebruiken. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit.

6.3

Toelichting op de regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012.

Artikel 3 Groen Een deel van het plangebied bestaat uit groen. Binnen de groenbestemming worden naast groenvoorzieningen, onder meer de realisatie van straatmeubilair zoals speel- en nutsvoorzieningen, voet- en fietspaden en water mogelijk gemaakt. Er zijn geen gebouwen toegestaan.

Artikel 4 Verkeer - Verblijf De bestemming 'Verkeer - Verblijf' is opgenomen voor de erftoegangswegen. Binnen deze bestemmingen zijn tevens pleinen, voets- en fietspaden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, groen- en watervoorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan.

Artikel 5 Wonen De bestemming 'Wonen' bevat de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de realisatie van de gebouwen met de woonfunctie. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, parkeer-, nuts,en groenvoorzieningen, bergingen en water. Hoofdgebouwen mogen enkel binnen het bouwvlak worden gerealiseerd en zijn alleen toegestaan in de vorm van gestapelde woningen (appartementen). Daarnaast is het mogelijk om een multifunctionele accommodatie toegestaan op de begane grond binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - multifunctionele accommodatie' met een maximale oppervlakte van 350m2. De multifunctionele accommodatie is bedoeld als maatschappelijke ruimte die complementair is aan de bestaande wijkvoorzieningen. Er zijn drie voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Op basis van de Structuurvisie Groen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te voldoen aan de groeneis van 15%. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen aangaande de geluidseis binnenwaarde m.b.t. wegverkeerslawaai conform Activiteitenbesluit. Een derde voorwaardelijke verplichting is opgenomen vanwege de mogelijke geluidshinder van de multifunctionele accommodatie op de woningen eveneens conform Activiteitenbesluit.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

43

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer. Op grond van artikel 6.12 stelt de raad hiertoe een exploitatieplan op. Alternatieve mogelijkheid is dat kostenverhaal op alternatieve wijze wordt verzekerd. In dat geval dient een en ander te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met de eigenaar. Voor dit plan geldt dat een overeenkomst is afgesloten tussen Mozaïek Wonen met de gemeente Gouda om uitvoering mogelijk te maken. In deze overeenkomst is vastgelegd dat de plankosten deels voor rekening van Mozaïek Wonen en deels voor de gemeente komen. Tevens is er een subsidie vanuit de provincie beschikbaar gesteld. Voorts zijn afspraken gemaakt dat eventuele planschade voor rekening komt van Mozaïek Wonen. Daarmee zijn de kosten gezekerd en is het plan economisch uitvoerbaar. Er hoeft zodoende geen exploitatieovereenkomst te worden opgesteld.

7.2

Handhaving

De doelstellingen van het ruimtelijk beleid zoals verwoord in het bestemmingsplan kunnen slechts worden verwezenlijkt, indien de regels van het bestemmingplan worden nageleefd. De gemeente dient op de eerste plaats zelf haar regels na te leven en er vervolgens voor zorg te dragen dat anderen deze regels naleven. Hiertoe zullen regelmatig controles uitgevoerd moeten worden. In het plan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de regels. Bepalingen waarvan op voorhand bekend is dat de controle op de naleving een probleem vormt zijn vermeden. Tevens zijn vage formuleringen geweerd ter voorkoming van verschillende interpretaties. Duidelijke en inzichtelijke formulieren geven zowel de ambtenaren belast met handhaving als de burgers houvast. Wanneer het gebruik van een multi-interpretabel begrip niet kan worden voorkomen, is in de begripsomschrijving duidelijk gemaakt welke interpretatie of definitie in dit bestemmingsplan gehanteerd wordt.

7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk worden de uitkomsten van het bestuurlijke vooroverleg (conform artikel 3.1 Bro) met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van de provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn. Het genoemde overleg zal plaatsvinden aan de hand van het voorontwerp bestemmingsplan. De eventuele inspraakreacties en zienswijzen zullen in dit hoofdstuk verwoord worden. 7.3.1

Participatie

In het najaar van 2020 was er een eerste participatie met de omwonenden over het toen ingediende bouwinitiatief van 32 appartementen. De reacties daarop hadden veelal betrekking op een (te) zwaar bouwprogramma (aantal woningen) en het ontbreken van de maatschappelijke functie die de voormalige Jan Ligthartschool invulde. Vanuit de gemeente is toen in overleg met Mozaiek Wonen het planvoorstel on-hold gezet en is er het voorstel gedaan om het programma te wijzigen naar minder woningen en om een (multifunctionele) ruimte op te nemen voor gebruik vanuit sport en gezondheid in relatie tot sociale veiligheid. De nieuwe ontwikkelrichting is verwoord in een kavelpaspoort. In december 2021 is een informatieavond georganiseerd voor de omwonenden en overige geïnteresseerden. Het kavelpaspoort is toegelicht en er is uitleg gegeven over de verdere planuitwerking en de bijbehorende communicatie en participatie. "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

44

Vervolgens is in het voorjaar van 2022 een klankbordgroep opgericht waarmee gemeente Gouda en Mozaiek Wonen de planuitwerking bespreken. De klankbordgroep kan hierover gevraagd en ongevraagd advies geven. Naast de klankbordgroep wordt de planvorming periodiek besproken met het Wijkteam Korte Akkeren en Woonpartners Midden-Holland (als eigenaar van de naastgelegen woningen aan de Eerste Schoolstraat). In oktober 2022 was er een inloop- en informatieavond voor omwonenden en geïnteresseerden. Men kon kennis nemen van de bouwmodelvarianten die op basis van het kavelpaspoort waren ontwikkeld. Tevens zijn de ideeën en aandachtspunten voor de inrichting van de openbare ruimte op het plangebied getoond. Medewerkers van gemeente, Mozaiek Wonen en de architect waren aanwezig om het gesprek met de bezoekers aan te gaan en vragen te beantwoorden. Naast het gesprek, boden presentatieborden de mogelijkheid om via het plakken van "geeltjes" input te geven op de modellen en de inrichting van het openbaar gebied. De volgende inloop- en informatieavond is dit najaar (2023) gepland. Bezoekers krijgen dan uitleg over de (belangrijkste onderdelen van) het nieuwe bestemmingsplan en over de procedure.

Net zoals de vorige inloopavond is de opzet van de avond dusdanig dat er niet alleen en eenzijdig uitleg wordt gegeven, maar dat het tot gesprek komt tussen bezoekers en medewerkers van gemeente en Mozaiek Wonen. Overig: Er is een communicatie- en participatieplan is opgesteld, Er worden geregeld nieuwsbrieven over de planontwikkeling en aanverwante zaken verstuurd. 7.3.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Door de gemeente is met diverse partijen het wettelijk verplichte vooroverleg gevoerd. De Provincie Zuid-Holland heeft aangegeven dat het plan niet ter beoordeling hoefde te worden opgestuurd. De partijen waarvan een reactie is ontvangen zijn: de GGD, het hoogheemraadschap van Rijnland en de veiligheidsregio Hollands Midden. Hieronder een beknopte samenvatting van de door deze partijen geleverde adviezen. Advies GGD Er is geadviseerd over de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. Er is geadviseerd te werken met een gecumuleerde geluidsbelasting en te streven naar 50 dB(A) Lden en 40 dB(A) Lnight op de gevel en een binnenniveau van maximaal 33 DB(A) Lden. Voor het binnenniveau is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in dit bestemmingsplan. Ook is er geadviseerd over het binnenmilieu en hitte. Voor het binnenmilieu is er in dit bestemmingsplan ruimte geboden aan burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan de ventilatie. Verder zijn er verschillende aanbevelingen gedaan die worden meegenomen in een vervolgfase (uitwerking). Advies hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap heeft geen bezwaar tegen het plan. Wel wordt opgemerkt dat voor de compensatie van verhard oppervlak de bestaande/vroegere verharding mag worden opgevoerd als compensatie tot maximaal 5 jaar voor de afgifte van de melding. Dit is vermeld in de toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=8b1cb47b-8680-437a-bf04-1235c86ee3cb