CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Bestemmingsplan (Verbeelding-Toelichting-Regels)

Raadsvergadering 10 april 2024, gemeente GoudaBij agendapunt: Bestemmingsplan Jan Ligthartlocatie23.335 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

k r r k

r

E 6476 E 6472

144-166

k

E 6144 k k r

k

142

E 5995

k

E 6143 k

G

E 3056

08

4 2/ 2-

bk

W

k r

k

r

Plangebied

k

140

E 3057

Jan Ligthartlocatie

k

138 k

Enkelbestemmingen

14,5

af k

136

(sm-ma)

k

r

134

E 4504

k

r k

7 E 3306 k

k

W

Wonen

E 6437

r

E 3059

k

3,5

9 E 3307

132

11,5

5 E 3305

E 4505

r

Verkeer - Verblijf

r

E 2993

de

ka er st

We

k

V-VB E 5956

3 k

Groen

G

k

r k

k

E 130

Functieaanduidingen

k

E 3304 4a

k

specifieke vorm van maatschappelijk - multifunctionele accommodatie

(sm-ma)

11 E 3308

wl

4b

E 6474

k

13

Bouwvlakken

E 6440

15

129

129

k

bouwvlak

17 k k

114-128

k

19

r

af r

k

E213067

bk

k

cai

E 3063

Maatvoeringen

E 3064

af

E 6439

k

E 5893

23

E 3065 E 3069

E 3068

k

af

maximum bouwhoogte (m)

10

98-112

af af k k

k

E 3066

k

af

E 4714r

25

r

af

k

W

V-VB k

k

af

SPT

k

k

SPT

k

27

E 6438

cai

gas

k

r

10

29

r k r

1 k

k

af

SPT

31

Verklaring

17

PLK

gas 33 k

k

96

E 2836 12

r

10

r

15

k

k

e

eed aat

af

13

18

af k

af

k

11 16 af Ee rs

bk

bk k

tra

ols at

k

k r

2-

af

12

92

k

af k

plannaam

k

k

locatie

gas

8 k

k

af

1 6

de ho

Sc

k

ols

af

at

tra

1b 4

NL.IMRO.0513.JanLigthartlocatie-DF01

status

Vastgesteld

statusdatum

februari 2024

schaal en formaat

1:500 - A3

getekend door

J.P. Jansen

5

-12

115

E 6064

k

11

E 6216

IMRO idn k

ee

Tw

k

13

Jan Ligthartlocatie

af

3

15

BESTEMMINGSPLAN

r

10

r

plantype

tekening

a 1-1

vb

af

5 r

GEMEENTE GOUDA

k

4

7

E 2836

overheid 94

ho Sc

9

14

plan

k wl af

k

te

k

a 94

G

af

6215

str ool Sch

13

r

17

6

Tw

k

r

BGT ondergrond 12 januari 2023

8

15

k

3

6 2

k

k

k

5 8

revisie

bk

9

E 6332

vb

k

7 k

r

10 7

k

E 6333

wl

9

21-06-2023

gewijzigd door JK

12

r

11

E 6065

tek.nr.

r

5

revisiedatum

k

0603.33-B-01

E 6334 k

k

r

4

2-

werkelijke maten zijn vastgelegd in het GML-bestand!

www.wissing.nl

Bestemmingsplan Toelichting

Jan Ligthartlocatie Vastgesteld

afdeling ruimtelijk beleid en advies gouda, 16 Februari 2024

NL.IMRO.0513.JanLigthartlocatie-DF01

Jan Ligthartlocatie

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

2

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding planherziening 1.2 Ligging, begrenzing en juridische status van het plangebied 1.3 Bij het plan behorende stukken 1.4 Leeswijzer

4 4 4 6 6

Hoofdstuk 2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur

7 7 8

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 3.2 Ruimtelijke hoofdopzet 3.3 Planaspecten

9 9 9 9

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid

11 11 12 14

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 5.1 Archeologie 5.2 Akoestiek 5.3 Bedrijven en milieuzonering 5.4 Bodem 5.5 Externe veiligheid 5.6 Flora en fauna 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 Milieueffectrapportage 5.9 Ontplofbare oorlogsresten 5.10 Verkeer en parkeren 5.11 Water 5.12 Duurzaamheid, klimaatadaptatie en groen 5.13 Bezonningsstudie

19 19 22 23 25 27 29 31 32 33 34 37 38 40

Hoofdstuk 6 Planopzet 6.1 Feitelijke planopzet 6.2 Juridische planopzet 6.3 Toelichting op de regels

41 41 41 42

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Handhaving 7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43 43 43 43

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

3

Toelichting

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

4

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding planherziening

Het voorliggend bestemmingsplan 'Jan Ligthartlocatie' is opgesteld om een nieuwe ontwikkeling mogelijk te maken op de voormalige locatie van de Jan Ligthartschool. Er is in Gouda grote vraag naar sociale huurwoningen. Naast nieuwe locaties, zoals de Spoorzone en Westergouwe, is ook (her)ontwikkeling van binnenstedelijke locaties belangrijk om het aantal sociale huurwoningen te vergroten waarbij via sloop/nieuwbouw ruimte wordt gemaakt voor meer sociale huurwoningen. Het planvoornemen houdt in dat er op het terrein van de oude Jan Ligthartschool 24 levensloopbestendige sociale huurwoningen en een multifunctionele accommodatie worden gerealiseerd, verdeeld over 2 gebouwen. Omdat deze sloop-nieuwbouw niet past in het vigerende bestemmingsplan, wordt er een bestemmingsplan opgesteld om dit mogelijk te maken.

1.2

Ligging, begrenzing en juridische status van het plangebied

Het plangebied betreft de locatie van de voormalige Jan Ligthartschool en wordt begrensd door de Westerkade, Prins Hendrikstraat, Snoystraat en Eerste Schoolstraat in de wijk Korte Akkeren. Zie onderstaande afbeelding voor begrenzing.

Afbeelding luchtfoto

Het vigerende bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Korte Akkeren" dat op 27 februari 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad. Er gelden de volgende bestemmingen: Maatschappelijk Verkeer - Verblijf Wonen Tuin

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

5

Afbeelding vigerend bestemmingsplan "Korte Akkeren"

Er zijn bouwvlakken met maatvoeringsaanduidingen opgenomen, waarbij de bestemming Wonen ook de aanduiding "detailhandel" heeft. In het plangebied zijn geen dubbelbestemmingen of andere aanduidingen aanwezig. De bestemming Maatschappelijk staat wonen niet toe. Daarnaast past een van de twee gebouwen niet binnen het bouwvlak van de bestemming Wonen. De woningbouwontwikkeling van 24 woningen en een multifunctionele accommodatie is strijdig met het vigerend bestemmingsplan. Het beoogd initiatief kan mogelijk gemaakt worden door middel van een bestemmingsplanprocedure. Onderhavig bestemmingsplan dient daartoe. Verder gelden ter plaatse drie parapluplannen, "Parapluherziening Parkeren" d.d. 21 november 2018, "Parapluplan Wonen" d.d. 1 juni 2022 en "Parapluplan Darkstores" d.d. 12 april 2023. De twee eerstgenoemde parapluplannen worden verwerkt in dit bestemmingsplan voor zover dat nodig is.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

6

1.3

Bij het plan behorende stukken

Voorliggend bestemmingsplan Jan Ligthartlocatie bestaat uit een geografische plaatsbepaling (verbeelding), regels en een toelichting. De geografische plaatsbepaling en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan is opgebouwd conform het (wettelijke) model Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) en de binnen de gemeente Gouda gehanteerde standaard. Van deze toelichting gaan hoofdstuk 1 tot en met 4 in op de huidige situatie, het relevante beleid en de gebiedsaspecten. Vanaf hoofdstuk 5 tot en met hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de voorgenomen ontwikkelingen en op welke wijze deze in het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

7

Hoofdstuk 2

Gebiedsbeschrijving

2.1

Ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke structuur

2.1.1

Gouda algemeen

Gouda is ontstaan op de plaats waar de rivier de Gouwe uitmondde in de Hollandsche IJssel. De huidige loop van de Hollandsche IJssel is in de Romeinse tijd gevormd, over de Gouwe is minder bekend. De ondergrond van Gouda bestaat uit een dik veenpakket, plaatselijk meer dan 10 meter dik. Over het veenpakket is door de rivieren een kleilaag afgezet, naar het noorden wordt deze laag steeds dunner. Vanaf ongeveer 1200 is er, met name in de binnenstad, regelmatig opgehoogd, waardoor een bewoningspakket met een dikte van (plaatselijk) 4 meter is ontstaan. In 1272 kreeg Gouda stadsrechten. De stad groeide daarna uit naar de omvang van de huidige binnenstad (gebied binnen de singels). Deze grootte behield het lange tijd, totdat in de tweede helft van de negentiende eeuw een begin werd gemaakt met de uitbreiding van de stad buiten de singels. De eerste grote stadsuitbreidingen dateren van na 1901. Na de Tweede Wereldoorlog wordt Gouda zowel in zuidwestelijke richting als noordelijke richting verder uitgebreid (onder andere de buurten Korte Akkeren-Nieuw en Ouwe Gouwe). Daarna volgen de buurten Vreewijk en Oosterwei in het oosten. Eind jaren zestig start de bouw van Bloemendaal en de Sportbuurt. In de jaren zeventig en tachtig volgen Plaswijck en de Slagenbuurt. In de jaren negentig wordt ten oosten van Sportbuurt de wijk Goverwelle gebouwd.

Sinds de afronding van Goverwelle ontbreekt het de stad aan uitbreidingsmogelijkheden. Met de start van de bouw van Westergouwe in 2015 komt hierin verandering. 2.1.2

Gebiedsspecifiek

Het plangebied ligt van oorsprong in een veengebied. De naam Korte Akkeren komt het eerst voor in 1375; een verwijzing naar de korte percelen tuinland die waren ontstaan bij de ontginning en het rooien van het Goudse Bos. Door de toename van watervrachtverkeer en het tonnage moest men de oorspronkelijke binnenstedelijke grachten, die als vaarroute gebruikt werden, verruilen voor een nieuw te graven vaarroute. De Turfsingel maakte al in de 14e eeuw deel uit van deze nieuwe ontwikkeling, waarlangs zich in de loop der jaren vele bedrijven vestigden. Na de komst van onder meer de kaarsenfabriek in 1858 en de Goudsche Machinale Garenspinnerij in 1861 is met de bouw van de wijk Korte Akkeren begonnen. Korte Akkeren is de eerste uitbreidingswijk buiten de historische binnenstad. De westgrens van het plangebied wordt bepaald door het Gouwekanaal, dat in de jaren '30 van de vorige eeuw werd aangelegd om de eerder genoemde vaarroute opnieuw te vergroten. Op basis van historische kaarten is bekend dat in het noordelijke deel van het plangebied in ieder geval in de vroege 19e eeuw bebouwing aanwezig was. Het gaat hier om een groot erf (erven Ary Bloed) met boerderij, schuur en opstallen. Om het erf ligt een watering 'Hoek', dit betreft een aftakkend water op de Mallegats Wije dat in een hoek het huis, erf en schuur omgrensde.

Mogelijk bevond zich hier ook in de vroege 17e eeuw al een structuur. Er geldt daarom een hoge verwachting voor archeologische waarden uit de Nieuwe Tijd in het noordelijke deel van het plangebied, de Spidilocatie. De rest van het plangebied was, afgaande op het kaartmateriaal, in gebruik als weiland tot aan de stadsuitbreiding in de vroege 20e eeuw. Door de invoering van de Woningwet in 1901 werd er planmatig en gestructureerd gebouwd. Woningen werden niet langer in het wilde weg neergezet, maar in blokken met een stratenplan. In de jaren dertig van de 20e eeuw werd er als gevolg van de economische crisis weinig gebouwd. Alleen in de wijk Korte Akkeren verrees nieuwbouw: de Jacob van Lennepkade met de kerk van het Allerheiligst Sacrament. De omgeving van de Burgemeester Gaarlandtsingel, de Koningin Wilhelminaweg en de Vogelbuurt worden rond de oorlogsjaren gebouwd en het Weidebloemkwartier tussen 1950 en 1953. Sinds 1968 werden diverse woningcomplexen gerenoveerd en midden jaren '70 werden de eerste woningen gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Daarna volgden nog meerdere sloop-nieuwbouwprojecten. "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

8

Een volgende sloop-nieuwbouwproject betreft het planvoornemen op de planlocatie. Een deel van de planlocatie is gebruikt door een onderwijsinstelling. Ter plaatse van dit gedeelte van de planlocatie was een schoolgebouw aanwezig met een gymzaal en een schoolplein. Deze onderdelen zijn inmiddels gesloopt. Het noordelijke deel van de planlocatie is eerder in gebruik geweest als woonlocatie met op de begane grond commerciële functies. In deze bebouwing is ook ooit een afhaal pizzeria 'Spidi' gevestigd geweest. Dit gedeelte van de planlocatie wordt in de volksmond ook nog wel de spidi-locatie genoemd. De bebouwing van dit gedeelte is al rond 2011 gesloopt en is sindsdien in gebruik geweest als (tijdelijk) parkeerterrein.

2.2

Functionele structuur

De planlocatie is op dit moment vrijwel geheel braakliggend. Wel is er een transformatorgebouw dat behouden blijft en is het streven de volwassen bomen op de planlocatie te behouden.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

9

Hoofdstuk 3 3.1

Planbeschrijving

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

Het planvoornemen draagt bij aan de invulling van de behoefte aan sociale huurwoningen in de gemeente Gouda. Doel van het plan is een comfortabele woon- en leefomgeving te creëren. Gelet op de ligging in een overwegende woonomgeving en de beperkte afstand tot de voorzieningen in het centrum van de stad is woningbouw goed inpasbaar op deze locatie. De multifunctionele accommodatie biedt tevens ruimte voor activiteiten voor de buurt. Met de nieuwbouw wordt ook ingezet op een verduurzaming van de planlocatie. Er wordt groen toegevoegd t.o.v. de bestaande situatie en er wordt gestreefd naar behoud van de bestaande bomen. Ook wordt er ingezet op waterdoorlatende bestrating bij parkeerplaatsen. Er is een Kavelpaspoort opgesteld (bijgevoegd als Bijlage 13) dat beschrijft aan welke specifieke ruimtelijke, programmatische en kwalitatieve criteria de herontwikkeling moet voldoen.

3.2

Ruimtelijke hoofdopzet

Het plan voorziet in de realisatie van 24 levensloopbestendige, sociale huurwoningen en een multifunctionele accommodatie (ruimte) voor op de wijk gerichte maatschappelijke voorzieningen, waaronder dienstverlening en een wijksportvoorziening. Dit programma is onderverdeeld in twee gebouwen. Het noordelijke gebouw staat op de spidi-locatie en vormt als het ware een kopblok. Dit gebouw is tot 4 bouwlagen hoog en markeert de hoek van de Westerkade en de Prins Hendrikstraat. Het zuidelijke gebouw staat meer op de locatie van het oude schoolgebouw en heeft 3 bouwlagen. Dit gebouw staat aan een groene ruimte met de bestaande bomen aan de Snoystraat. Achter dit gebouw liggen, zoveel mogelijk uit het zicht, de meeste parkeerplaatsen die nodig zijn t.b.v. de realisatie van de nieuwbouw.

3.3

Planaspecten

Het plan bestaat uit maximaal 24 sociale huurwoningen en een multifunctionele accommodatie verdeeld over twee gebouwen. Tezamen vormen zij een ensemble van gebouwen, ingepast in de context (inpassing). Aandacht in de planontwikkeling zal er ook zijn voor de aansluiting op de woningen aan de Westerkade. Daarbij wordt ook rekening gehouden met achterpaden achter de bestaande achtertuinen en tussen de bestaande woningen en de nieuwbouw naar de Westerkade toe. Op de hoek aan de Snoystraat en aan de Prins Hendrikstraat wordt, rondom de bestaande bomen meer groen gerealiseerd. Dat groen draagt bij aan de opgaven op het gebied van klimaatadaptatie in deze buurt. Het benodigde parkeren wordt voorzien op een parkeerterrein achter de woningen en aan de Prins Hendrikstraat.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

10

Meest recente situatietekening nieuwbouw (N.B. geen eindbeeld)

Impressie afkomstig uit een eerdere studie (N.B. geen eindbeeld)

Impressie afkomstig uit een eerdere studie (N.B. geen eindbeeld)

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

11

Hoofdstuk 4

Beleidskader

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale omgevingsvisie

Het Rijk heeft op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. De trek naar de stad zal de komende decennia aanhouden, waar dus een groot deel van de vraag plaatsvindt. Dat betekent dat we de huidige steden moeten verdichten. Het Rijk wil iedereen de mogelijkheid bieden om betaalbaar in de stad te wonen, zonder dat dit de kwaliteit, leefbaarheid en identiteit van onze steden wezenlijk aantast. Natuurlijk geldt deze uitdaging niet alleen voor de grote steden. Een groot deel van de woningvraag komt de komende periode van ouderen en jonge gezinnen, die soms voorkeur hebben voor een woning in een middelgrote of kleine gemeente.

Ook daar zal een deel van de woningbehoefte moeten worden gerealiseerd, en ook daar geldt dat dit niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de leefomgeving. Met nieuwe stedenbouwkundige concepten kunnen we woonmilieus creëren die prettiger zijn om in te leven dan nu, ook al wonen er meer mensen. Er is genoeg ruimte voor dergelijke nieuwe stedelijke gebieden, bijvoorbeeld rondom mobiliteitsknooppunten en aan de randen van de bestaande bebouwde omgeving, waar wonen, werk en voorzieningen samenkomen. 4.1.2

Besluit ruimtelijke ordening / Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze Ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. De Ladder schrijft niet voor wanneer en waar wel of niet gebouwd mag worden, maar vraagt om een goede afweging van belangen, zodat onder andere voorkomen wordt dat er voor leegstand wordt gebouwd. Doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Gouda en wordt derhalve beschouwd als bestaand stedelijk gebied. Vanwege de toevoeging van meer dan 11 woningen, wordt de ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling gezien. Derhalve dient de behoefte aan de nieuwe functie te worden aangetoond. De regio Midden-Holland heeft samen met de provincie Zuid-Holland en het Rijk afspraken gemaakt over het realiseren van woningen waarbij 2/3e van de nieuwbouwwoningen betaalbaar moeten zijn. Vanuit de regionale woningbouwprogramma van Midden-Holland dienen er in de periode 2022 t/m 2030 worden ca. 19.800 nieuwbouwwoningen toegevoegd. Hiervan staan er ca. 5.250 gepland in de sociale huur. De woningcorporaties geven aan 3.600 sociale huurwoningen in de planning te hebben.

In de regionale agenda wonen 2019 wordt aangegeven behoefteprognose is om vanaf 2015 tot 2030 2.500 sociale huurwoningen aan de woningvoorraad toevoegen van de regio Midden- Holland. De gemeente hebben afgesproken dat de gemeente Gouda hiervan 1010 woningen realiseert. De toevoeging van nieuwe woningen is noodzakelijk om te voorzien in de behoefte. Dit wordt ook onderschreven in het rapport "Schaarste in Gouda" onderbouwing voor de huisvestingsverordening. "Naar de goedkopere sociale huur en duurdere particuliere huur was potentieel minder vraag op basis van woonwensen van woningzoekenden. Echter, laten indicatoren uit de praktijk "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

12 ook een druk zien in deze sectoren. In de sociale huursector neemt het aantal actief woningzoekenden sterk toe, terwijl het aanbod gelijk blijft. Daardoor is de slaagkans is laag. Daarom is het vinden van een woning in deze sector een moeilijke opgave."

4.2

Provinciaal beleid

Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn op 1 april 2023 geconsolideerd. 4.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving In het programma Ruimte zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het aangewezen bestaand stads- en dorpsgebied. In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied.

Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen, zie hiervoor paragraaf 4.1.2. 4.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat concrete regels die bij de ruimtelijke ontwikkelingen in acht moeten worden genomen. Relevant voor het planvoornemen zijn de regels aangaande stedelijke ontwikkelingen (art. 6.10) en ruimtelijke kwaliteit (art 6.9). Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan (of een ruimtelijk plan als is aangevraagd) voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

13 ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Planspecifiek Bij het planvoornemen is er sprake van een ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Er is geen sprake van een wijziging op structuurniveau: het plan past qua aard en schaal bij de omgeving en voldoet ook aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Verder valt het hogere accent samen de stedelijke structuur aan de noordwestzijde van het planvoornemen met de bestaande hogere bebouwing in de omgeving. Daarbij draagt het plan bij aan de versterking van de omgeving doordat er groen wordt toegevoegd en de bestaande bomen blijven, zoveel mogelijk, behouden.

Stedelijk ontwikkeling De artikelen die van toepassing zijn op het gebied van de stedelijke ontwikkeling bedragen artikel 6.10, artikel 6.10b, en artikel 6.10d. Artikel 6.10 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. Planspecifiek De ladder van duurzame verstedelijking is doorlopen, zie hiervoor paragraaf 4.1.2. Hierin is aangegeven dat er voldoende behoefte is naar de te realiseren woningen.

Artikel 6.10b 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in het realiseren van sociale huurwoningen. Gemeente Gouda heeft eigen parkeerbeleid wat onder andere vastgelegd is in de "Parapluherziening Parkeren Gouda". Hierdoor wordt niet gebruik gemaakt van een andere parkeernorm. Zie paragraaf 5.10 Verkeer en parkeren voor de onderbouwing van parkeren.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

14

Artikel 6.10d Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Planspecifiek In paragraaf 5.10 Verkeer en parkeren wordt ingegaan op de bereikbaarheid / verkeersgeneratie van het planvoornemen.

Conclusie Resumerend kan worden geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de hierboven genoemde artikelen van de Omgevingsverordening. Het plan voorziet in het inpassen van een binnenstedelijke ontwikkeling en voorziet in woningen voor een specifieke doelgroep. Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Gouda

De Omgevingsvisie Gouda is vastgesteld door de gemeenteraad van Gouda op 23 februari 2022. De Omgevingsvisie geeft de langetermijnvisie van de gemeente op de toekomstige ontwikkeling van de stad weer. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Gouda liggen en op welke manier daarmee wordt omgegaan. Gouda staat voor grote opgaven, nu en in de toekomst. Veranderingen maken dat de stad ook zal veranderen. De vijf Gouda Opgaven vormen hierin een rode draad, welke elk een aantal deelopgaven heeft: 1. 2. 3. 4. 5.

Historische stad doorgeven aan de volgende generaties Gouda duurzaam ontwikkelen: Prettig en veilige woon- en leefomgeving voor iedereen maken Gezonde mensen door een gezonde en veilige leefomgeving: Gouda heeft een blijvend sterke economie en regionale positie

Tegelijk wordt er ook aandacht gehouden voor de bestaande stad die niet verandert: daar dient de kwaliteit behouden te worden waar die is en verbeterd te worden waar dat nodig is. Daarbij is het nodig om nieuwe ontwikkelingen in samenhang te beschouwen en tevens rekening te houden met de bestaande ontwikkelingen van de stad. Dit is uitgewerkt in vijf onderwerpen: Florerende stad: Focus op de economisch gezonde stad met voldoende werk en voldoende en prettige en gevarieerde woonruimte, en sterke en uiteenlopende voorzieningen voor Gouda en omgeving, in de context van onze grote historische kwaliteiten. Een hoge kwaliteit van bebouwing en de openbare ruimte draagt bij een prettige leefomgeving. Deze Keuze heeft vooral een link met Goudse Opgaven 1, 3 en 5. Duurzame mobiliteit: Focus op de verduurzaming van de wijze waarop we ons binnen en buiten de stad bewegen, met een verschuiving naar nog meer fietsen, wandelen en openbaar vervoer, en met ruimte voor nieuwe mobiliteitsdiensten. Door afname van autoverkeer is het mogelijk verhardingsoppervlak en parkeerruimte te reduceren. Deze Keuze heeft vooral een link met Goudse Opgaven 2 en 4.

Gezonde groene stad: Focus op het stimuleren van onze gezondheid, door hier bij de inrichting van de stad rekening mee te houden: een aantrekkelijker en groenere openbare ruimte, met gevarieerd groen, veel biodiversiteit, aandacht voor duurzaamheid, bescherming van de cultuurhistorische linten en groenstructuren, en zorgvuldig gekozen transitie- of ontwikkellocaties. Aandacht voor beperken van geluidhinder en zorg voor schone lucht speelt daarbij een grote rol. Deze Keuze heeft vooral een link met Goudse Opgaven 3 en 4. Energietransitie: Focus op duurzame transitie van onze energie, niet alleen in keuze van de bron (duurzame opwekking) maar ook hoe we dit onderling afstemmen, zodat we elkaar niet (onder- of "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

15 bovengronds) in de weg zitten met de systemen. Deze Keuze heeft vooral een link met Goudse Opgave 2. Sterke wijken: Focus op onze woonwijken, waar het gewoon fijn leven is en/of nog fijner gaat worden! Voldoende woningen en de juiste, kwalitatief goede woningen, met een goed ingerichte openbare ruimte die uitnodigt tot ontmoeten en gezond gedrag, waarbij iedereen mee kan doen! Deze Keuze heeft vooral een link met Goudse Opgaven 3 en 4. De omgevingsvisie onderscheid een zestal deelgebieden waarvoor in meer detail wordt beschreven waar de ambities voor de toekomst liggen. Het plangebied behoort niet tot zo'n deelgebied. Planspecifiek Het plan draagt bij aan diverse van de genoemde opgaven en onderwerpen uit de Omgevingsvisie zoals opgave 2, 3 en 4. de duurzame stedelijke ontwikkeling omdat de herontwikkeling van binnenstedelijke locatie bedraagt. Daarbij worden diverse duurzame en klimaatadaptieve maatregelen uitgevoerd. Zie paragraaf 5.12 voor verder uitleg; bevorderen van een prettig woon- en leefklimaat. In Hoofdstuk 5 worden de omgevingsaspecten onderbouwd. Daarnaast wordt een leegstaand gebouw / braakliggende grond omgezet naar woningbouw met een multifunctionele accommodatie. 4.3.2

Structuurvisie Groen

In december 2017 heeft de gemeenteraad de Beleidsnotitie Groen, groener, Gouda vastgesteld. Daarin is opgenomen dat Gouda bij planontwikkelingen randvoorwaarden wil meegeven voor te realiseren groen. Het doel is het vergroten van openbaar groen; het doel vanuit klimaatadaptie is het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten, en wateroverlast en hittestress te verminderen. Daarnaast heeft de gemeenteraad op 6 maart 2019 de Structuurvisie Groen vastgesteld. In de Structuurvisie Groen legt de gemeente Gouda haar visie vast voor behoud en aanleg van (openbaar) groen in de gemeente. Doel is dat bestaand openbaar groen en water behouden blijft en dat bij nieuwe planontwikkelingen 15% openbaar groen gerealiseerd dient te worden. De structuurvisie beschrijft de wijze waarop deze doelstellingen bereikt kunnen worden. In de structuurvisie zijn de volgende regels opgenomen: 1. De oppervlakte bestaand openbaar groen en water en het aantal bestaande bomen worden ten minste behouden. 2. Bij planontwikkelingen dient een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden. Het project is als volgt gedefinieerd: het totale oppervlakte waar een planontwikkeling plaatsvindt en waar bouwwerken, wegen (openbaar en privaat), groen (openbaar en privaat) en water (openbaar en privaat) onderdeel van uitmaken. 3.

Als het niet haalbaar lijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen. dan is het mogelijk om binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen. 4. Voor iedere niet gerealiseerde of gecompenseerde vierkante meter openbaar groen is een compensatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd van € 250,- per m2 (prijspeil 2019). Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de Grond-, weg- en waterbouwindex uit het Meerjarenperspectief Grondexploitaties. 5. Het college heeft de bevoegdheid te besluiten tot ontheffing of afwijking van de beleidsregels 2, 3 en 4, indien toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Planspecifiek In paragraaf 5.12 wordt uiteengezet dat het plan voldoet aan de betreffende groeneis (d.w.z. de beleidsregel 2 m.b.t. minimaal 15%) en dat het de ambities is dit percentage te vergroten. "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

16

4.3.3

Woon(zorg)visie

De woon(zorg)visie Wonen in Gouda in 2030, Aangenaam stedelijk wonen voor iedereen, met oog voor zorg is door de gemeenteraad vastgesteld op 31 augustus 2021. Er wordt ingezet op het volgende: Bouwen voor een gevarieerd woon- en leefmilieu 1. Woningvoorraad in overeenstemming met huishoudensprognoses 2. Ontwikkelen nieuwe locaties 3. Regievoering op het woningbouwprogramma, met voldoende sociale huur en aanbod in middensegment Gemengde wijken 1. Inclusieve wijken 2. Gezamenlijke opgave voor volkshuisvestelijke doelen 3. Tegengaan van overlast en ongewenste ontwikkelingen Verduurzamen woningvoorraad tot een toekomstbestendige voorraad 1. Toewerken naar energie- en klimaatneutraal Gouda 2. Tegengaan energiearmoede 3. Duurzame mobiliteit en wonen verbinden 4. Toekomstbestendige woningvoorraad Wonen voor iedereen 1. Schaarste op de woningmarkt verdelen 2. Recht doen aan huisvestingbehoefte voor specifieke doelgroepen 3. Ruimte bieden voor alternatieve woonvormen Langer zelfstandig thuis en een plek voor mensen in een kwetsbare positie Planspecifiek Door de herontwikkeling van binnenstedelijke locatie en het toevoegen van 24 levensloopbestendige sociale huurwoningen (100% sociaal) sluit het planvoornemen aan bij de thema's uit de woonvisie. 4.3.4

Mobiliteit

Het Mobiliteitsplan 2017-2026 is op 20 september 2017 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit plan geeft een antwoord op hoe Gouda in de toekomst als stad in beweging kan blijven. In de nota wordt geconstateerd dat Gouda zich in de komende jaren zal ontwikkelen als regionaal centrum in de Zuidvleugel van de Randstad. Het aantal woningen en voorzieningen zal toenemen. Deze veranderingen gaan gepaard met een toename van verkeer naar en binnen de stad. Belangrijke aandachtspunten bij deze toenemende verplaatsingsbehoefte zijn méér ruimte voor de fiets, betere bereikbaarheid en doorstroming, versterken van leefbaarheid en duurzaamheid. Om onvoldoende bereikbaarheid tegen te gaan en om de kwaliteit van de leefbaarheid en verkeersveiligheid te waarborgen, zijn maatregelen nodig. In het Mobiliteitsplan komen verschillende manieren van vervoer aan bod met als doel om mensen te verleiden tot verantwoord mobiliteitsgedrag. Door het stimuleren van onder andere de fiets en het openbaar vervoer wil de gemeente overbelasting van de infrastructuur voorkomen waardoor ruimte blijft bestaan voor belangrijk economisch verkeer. Deze doelstelling is in het plan verder uitgewerkt in een aantal strategische keuzes. Ook is aangegeven wat nodig is om het autogebruik tot 2026 op verantwoorde wijze te verwerken en welke maatregelen verder onderzocht moeten worden.

Planspecifiek In paragraaf 5.10 Verkeer en parkeren worden de aspecten verkeer en parkeren nader toegelicht.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

17

4.3.5

Welstandsnota 2020 en beeldkwaliteit

De Welstandsnota 2020 geldt als formeel toetsingskader voor de beoordeling van de beeldkwaliteit van de bouwplannen van de Jan Ligthartlocatie. De locatie valt binnen gebied 17 'De Korte Akkeren' van de Welstandsnota. Voor bouwplannen vanaf 100.000 euro geldt er beperkt welstandstoezicht (D) op basis van de 'algemene welstandscriteria (F2)' van de Welstandsnota. Daarbij beoordeelt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (AOK) of deze voldoen aan de gestelde criteria en daarmee aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast is er een Kavelpaspoort voor de herontwikkeling van de locatie opgesteld (zie bijlage). In aanvulling op de Welstandsnota zijn hierin een globale beschrijving en enkele inspiratiebeelden voor de gewenste uitstraling van de bebouwing en de buitenruimte opgenomen. De Welstandsnota 2020 en het Kavelpaspoort bieden daarmee houvast voor de beoordeling van de beeldkwaliteit van deze kleinschalige ontwikkeling in de bestaande omgeving. De bouwplannen worden in overleg met de AOK verder uitgewerkt. 4.3.6

Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. Regenbuien worden steeds heviger, zomerse dagen heter en periodes van droogte langer. Door de broeikasgassen en intensivering van het ruimtegebruik is er minder biodiversiteit, dat houdt in dat vele planten- en insectensoorten al zijn verdwenen. Verder hebben verschillende gebieden last van bodemdaling. Dit heeft gevolgen voor de leefomgeving. Het veranderde klimaat en de grote vraag naar woningen vormen de komende jaren grote uitdagingen voor de ruimtelijke ordening in Nederland. Daarom moet bij de eerste plannen van een nieuwbouwproject rekening gehouden worden met onderwerpen zoals extreme wateroverlast, hittestress, bodemdaling, biodiversiteit, overstromingen en droogte. Deze ambitie is vastgesteld in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen, die vanaf 1 januari 2020 in de gemeente gehanteerd wordt. De principes zijn vastgelegd in een programma van eisen (pve) voor klimaatadaptief bouwen. Het doel van het pve is het stellen van doelen voor de thema's neerslag, droogte, hitte, bodemdaling, overstromingen en biodiversiteit en het geven van praktische eisen die partijen kunnen gebruiken om klimaatbestendig te ontwikkelen. Het uitgebreide pve is te vinden op de website www.bouwadaptief.nl te vinden, maar hieronder een samenvatting: 1.

Een groot deel van de neerslag van een korte hevige bui wordt op het terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd en er treedt in het plangebied geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreme neerslag. 2. De inrichting van het gebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte en er wordt 50% van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd. 3. Er moet veel schaduw in het plangebied gecreëerd worden en 40% van alle oppervlakken wordt warmtewerend/verkoelend ingericht. Koeling van gebouwen mag niet leiden tot opwarming. 4. Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kosteneffectief zijn over de levensduur van 60 jaar worden in het ontwerp opgenomen. 5. Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met het aanwezige groen en blauw in de omgeving ingericht en creëert een habitat voor diverse soorten dieren. 6. Voor overstromingen met verschillende waterdiepte wordt rekening gehouden, zo mag er tot 20 cm treedt geen schade op aan gebouwen op en blijven hoofdwegen begaanbaar en moeten er maatregelen getroffen worden dat inwoners tot een waterdiepte van 200 cm veilig kunnen schuilen. Door samen te werken met de gemeente en de klimaatthema's van begin af aan mee te nemen worden er andere keuzes gemaakt.

Je kunt hierbij denken aan waterdoorlatende verharding, groene erfafscheidingen, natuurvriendelijke oevers, sedum daken, de aanleg van wadi's, het plaatsen van nestkasten, het gebruik van lichte materialen en bouwmaterialen die minder CO2 uitstoten. Op de website www.bouwadaptief.nl staan voorbeeldprojecten waarbij het convenant vanaf het begin af aan is meegenomen. Maatregelen per klimaatthema en bodemsoort worden ook beschreven. "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

18

Naast het convenant heeft de raad een klimaatadaptatiestrategie en uitvoeringsagenda vastgesteld waarin onder andere aandachtsgebieden zijn aangewezen op het gebied van hitte, droogte, wateroverlast en overstroming. Deze aandachtsgebieden zijn te vinden via de volgende link: https://gis.gouda.nl/viewer/app/Klimaatatlas. Valt het plangebied in een aandachtsgebied? Dan wordt daar extra aandacht aan besteed. Planspecifiek In paragraaf 5.12wordt uiteengezet hoe de betreffende eisen en ambities in de planvorming worden meegenomen.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

19

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

5.1

Archeologie

5.1.1

Wettelijk kader

Erfgoedwet (2017) De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels voor de afgifte van bouw- en omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze regels kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (2017) De provincie beschikt over een Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS). Deze kaart kent drie verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Plannen ter plaatse van de gebieden met cultuurhistorische waarden vereisen een nadere analyse en afweging. De terreinen waarvan de archeologische waarde bekend is, staan aangegeven op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) staat de zogenaamde verwachtingswaarde aangegeven. De provincie gebruikt de kaarten en de CHS bij advisering en beoordeling van (wijziging van) bestemmingsplannen en vergunningen. Gouda heeft zelf een beleidskaart ontwikkeld, waarin de gegevens van de AMK, IKAW, en CHS zijn verwerkt en verfijnd.

De Goudse beleidskaart dient daarom als basis voor het archeologisch beleid in Gouda. Gemeentelijke Erfgoedvisie Met deze visie zet de gemeente in op het behoud van de archeologische waarden. Naast fysieke bouwwerken zijn deze archeologische waarden ook in de ondergrond te vinden. Ergo het bovengrondse behoud van gebouwd erfgoed en landschappelijk erfgoed is een bescherming voor het archeologische erfgoed. Met de Erfgoedvisie streeft Gouda naar een gezonde toekomst voor dit Goudse erfgoed. Verordening Fysieke leefomgeving / Erfgoedverordening De gemeente heeft op 28 oktober 2020 de Verordening Fysieke Leefomgeving vastgesteld. Deze is in 2023 geactualiseerd met aanpassingen met betrekking tot archeologie. In deze verordening is de omgang met de archeologische waarden vastgelegd (zie artikel 3.12). In bijlage III van de verordening is de Archeologische basiskaart opgenomen. Op de kaart is te vinden welke beleidscategorie een bepaald gebied valt en wat dan de te nemen maatregelen zijn. De regels uit de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn gebaseerd op de Erfgoedverordening 2017. Gemeentelijke Archeologische basiskaart Op de gemeentelijke archeologische basiskaart (ABK) is aangegeven in welke gebieden archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. In die gebieden is een omgevingsvergunning voor de activiteit archeologie vereist bij bodemverstorende werkzaamheden.

In het beleid is opgenomen in welke situaties vrijstelling geldt van deze verplichting. Hoogwaardige locatie met bijzondere waarde: Behoud in situ door het voorkomen van bodemverstorende ingrepen is hier uitgangspunt. Alleen als het écht niet anders kan, mag hier worden gegraven. Bij alle bodemverstorende ingrepen is een omgevingsvergunning activiteit archeologie nodig. De aanvraag daarvan dient beoordeeld te worden. Er is geen vrijstelling in diepte of omvang. Hoogwaardige locatie: Behoud in situ door het voorkomen van bovenverstorende ingrepen is hier het uitgangspunt. Bij alle bodemverstorende ingrepen groter dan 25 m2 die bovendien dieper gaan dan 0,5 m –mv is een omgevingsvergunning activiteit archeologie nodig. Hoogwaardige locatie, - verstoord tot 1,5 m –mv.: Streven naar behoud in situ van het bodemarchief vanaf 1,5 m -mv en dieper. Bij alle bodemverstorende ingrepen groter dan 50 m2 die bovendien "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

20 dieper gaan dan 1,5 m –mv is een omgevingsvergunning archeologie nodig. Hoge verwachting: In gebieden met een hoge verwachting is niet afgeweken van de wettelijk bepaalde vrijstellingsgrens van 100 m2. Tevens is sprake van een vrijstellingsdiepte van 0,50 m onder maaiveld. Zo ontstaat voldoende ruimte voor kleinschalige ontwikkelingen door bijvoorbeeld particulieren, maar wordt ook het veiligstellen of onderzoeken/documenteren van archeologische waarden gewaarborgd als er grotere oppervlakten aan de orde zijn. Hoge verwachting vanaf 2 m: Voor deze gebieden geldt dezelfde oppervlakte vrijstellingsgrens van 100 m2 als voor de gebieden met een hoge verwachting, maar is sprake van een vrijstellingsdiepte tot 2m onder maaiveld. Lage verwachting: In de zones met lage verwachting zijn er weinig aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen. Op basis van de huidige theorieën zijn het gebieden die niet specifiek geschikt waren voor bewoning en er zijn niet eerder archeologische vondsten gedaan. Dat er echter nog geen vondsten zijn gedaan, wil niet zeggen dat er ook helemaal geen archeologisch waardevolle zaken aanwezig zijn. In deze gebieden is bij relatief grootschalige ontwikkelingen (groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,5m onder maaiveld) een vergunning nodig en daarmee archeologisch onderzoek nodig. Archeologievriendelijk bouwen Gouda stimuleert behoud in situ actief.

Daarom is het archeologievriendelijk bouwen geïntroduceerd: wanneer een bouwplan voldoet aan een aantal richtlijnen, wordt het bodemarchief nog maar zo weinig verstoord dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen zijn opgenomen in Bijlage V van de Verordening Fysieke Leefomgeving. 5.1.2

Onderzoek

Voor de ontwikkeling is de archeologische beleidskaart (ABK) van de gemeente geraadpleegd, waarin regels met betrekking tot eventuele archeologische waarden zijn opgenomen. In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de ter plaatse geldende van het plangebied.

Uit de ABK blijkt dat voor het hele plangebied een lage archeologische verwachting te gelden. Op grond van nieuwe archeologische inzichten in het plangebied echter is door de gemeentelijk archeoloog van Gouda besloten om een archeologisch bureauonderzoek op te laten stellen. Dit rapport is door Sweco opgesteld en goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog (maart 2023). Op basis van historische kaarten is namelijk bekend dat in het noordelijke deel van het plangebied in ieder geval in de vroege 19e eeuw bebouwing aanwezig was. Het gaat hier om een groot erf (erven Ary Bloed) met boerderij, schuur en opstallen. Om het erf ligt een watering 'Hoek', dit betreft een aftakkend water op de Mallegats Wije dat in een hoek het huis, erf en schuur omgrensde. Mogelijk bevond zich hier ook in de vroege 17e eeuw al een structuur. Er geldt daarom een hoge verwachting voor archeologische waarden uit de Nieuwe Tijd in het noordelijke deel van het plangebied, de Spidilocatie. "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

21 De rest van het plangebied was, afgaande op het kaartmateriaal, in gebruik als weiland tot aan de stadsuitbreiding in de vroege 20e eeuw. Hier geldt daarom een lage verwachting voor waarden uit de Nieuwe Tijd. Voor eerdere perioden is de verwachting voor het hele plangebied hetzelfde. Bebouwing uit de Late Middeleeuwen is niet bekend, maar mogelijk kunnen sporen aanwezig zijn van de veenontginning vanaf de late 11e of vroege 12e eeuw, in de top van het veen of eventueel in middeleeuwse ophogingspakketten hierboven. Vóór deze tijd is op basis van historische bronnen geen bewoning bekend in de omgeving van het plangebied. Ook staan in het onderzoeksgebied geen archeologische waarden uit de Vroege Middeleeuwen of eerder geregistreerd. Het landschap was dan ook niet geschikt voor bewoning: het plangebied maakte deel uit van een uitgestrekt veenmoeras en werd waarschijnlijk periodiek overstroomd, afgaande op de rivierafzettingen die in sommige geologische boringen in de omgeving zijn aangetroffen op of in plaats van het veen. Vóór de vorming van het veengebied, in het Laat-Pleistoceen en Vroeg-Holoceen, bevond het plangebied zich in het stroomgebied van de grote, vlechtende rivieren die smeltwater van de Europese ijskappen afvoerden; hiervan getuigen de afzettingen van de Formatie van Kreftenheye die in de diepere ondergrond zijn aangeboord.

Waarschijnlijk is deze omgeving dus tot aan de stichting van Gouda niet, of hooguit zeer sporadisch, bewoond geweest. De archeologische verwachting voor de Steentijd t/m de Vroege Middeleeuwen is daarom laag voor het gehele plangebied. De verwachte waarden voor het noordelijke deel van het plangebied bestaan uit bewoningssporen uit de Nieuwe Tijd. Deze kunnen aanwezig zijn vanaf het maaiveld, afhankelijk van de aanwezigheid en dikte van een eventueel 20e-eeuws ophogingspakket; indien zo'n pakket aanwezig is, worden de waarden hieronder verwacht. De waarden kunnen bestaan uit (verhoogde) huisplaatsen, (funderings)resten van hout- of steenbouw, waterputten, afvalkuilen, (resten van) erfscheidingen en vondstmateriaal van glas, keramiek, natuursteen of baksteen, metaal, botmateriaal of ander organisch materiaal zoals hout, leer, of plantenresten. Daarnaast wordt ongeveer op de overgang van het Spiditerrein naar het Ligthartterrein een gedempte watergang verwacht, die is opgetekend op kaarten uit de 19e eeuw. Hierin kan eveneens vondstmateriaal worden aangetroffen, met name in de vorm van huisafval. Huisplaatsen kunnen een doorsnede hebben tot enkele honderden meters; de lengte van lineaire elementen zoals watergangen, kades en/of erfscheidingen is onvoorspelbaar.

In het plangebied is (sub)recentelijk meerdere malen oude bebouwing gesloopt en nieuwe bebouwing gerealiseerd waardoor oudere waarden mogelijk verstoord kunnen zijn, maar bij archeologische onderzoeken in de directe omgeving is gebleken dat archeologische waarden uit de Nieuwe Tijd of Late Middeleeuwen zeker ook bewaard kunnen zijn onder recentere bebouwing. Voorafgaand aan de nieuwbouw is het terrein vermoedelijk opgehoogd en geëgaliseerd, maar de dikte van dit ophogingspakket is niet bekend. Onderliggende archeologische waarden kunnen hierdoor goed bewaard zijn gebleven. De conservering van archeologische waarden is verder afhankelijk van de bodemgesteldheid. Organische waarden zijn meestal minder goed geconserveerd dan anorganisch materiaal, maar in vochtiger omstandigheden zoals bijvoorbeeld een veenpakket of een gedempte watergang kunnen organische materialen goed geconserveerd zijn. 5.1.3

Conclusie

Het noordelijke deel van het plangebied, de Spidi locatie, is nog niet voldoende onderzocht. Op deze plaats worden resten verwacht van een groot erf met boerderij en opstallen, omgeven met een watergang. Hiervoor wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVOP). Aangezien het gebied wordt gesaneerd tot 1 m -mv, wordt uitgegaan dat het proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd in de variant van archeologische begeleiding tijdens de sanering. Voor de rest van het plangebied wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Voor dat deel geldt wel een meldingsplicht voor toevalvondsten en structuren. Op grond van het uitgebrachte advies is het besluit genomen door de gemeentelijk archeoloog dat er archeologisch vervolgonderzoek moet plaatsvinden. Vanwege een sanering moeten de werkzaamheden uitgevoerd worden in de vorm van een archeologische begeleiding. Hiervoor moet een programma van "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

22 Eisen opgesteld worden.

5.2

Akoestiek

5.2.1

Wettelijk kader

Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt specifieke eisen aan bestemmingsplannen. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Voor dit bestemmingsplan is de regelgeving ten aanzien van wegverkeerlawaai (art. 77 Wgh) van belang. Geluidzones en geluidsgevoelige bestemmingen De Wet geluidhinder werkt met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen. Als een geluidgevoelige bestemming binnen een geluidzone ligt, moet de geluidbelasting op dat object worden onderzocht. In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 km/uur-wegen. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van 30 km/uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh): Woningen; Onderwijsgebouwen; Ziekenhuizen en verpleeghuizen; Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen). 5.2.2

Onderzoek

Omgevingsdienst Midden-Holland heeft voor het planvoornemen een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 1. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er geen wettelijke toetsing en procedures nodig zijn in het kader van de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied wordt bepaald door 30 km/u wegen in de directe omgeving van het plangebied. De geluidsbelasting varieert van: 50 tot 58 dB ter plaatse van het noordelijke bouwvlak. 49 tot 59 dB ter plaatse van het zuidelijke bouwvlak. Overwogen wordt om de gecumuleerde geluidsbelasting te gebruiken bij de bepaling van de benodigde gevelwering om de binnenwaarde van 33 dB garanderen en dit te borgen in de regels van het bestemmingsplan. Hier is overigens geen wettelijke of beleidsmatige basis voor. 5.2.3

Conclusie

Het woon- en leefklimaat varieert van redelijk tot matig. Dit is acceptabel voor een plan binnen de bebouwde kom. Er wordt voor borging van een goed binnenklimaat een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

23

5.3

Bedrijven en milieuzonering

5.3.1

Wettelijk kader

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn in te delen in drie groepen met bijbehorende aanpak, te weten: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering.

Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient te worden beoordeeld of aan de Wet milieubeheer zal kunnen worden voldaan. Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.

Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. 5.3.2

Onderzoek

Het plangebied ligt aan de rand van het centrum in een gebied waar naast woningen ook bedrijven, een bedrijventerrein en centrumvoorzieningen voorkomen. Daarmee is er sprake van een 'gemengd gebied'. In de onderstaande afbeelding zijn de milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied weergegeven.

"Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

24

Uit de afbeelding blijkt dat er 4 milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. De milieubelastende activiteiten zijn aangegeven met nummer 1 tot en met 4. Nummer 1 bedraagt de bestemming "Centrum" waarin detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, en horeca tot en met categorie I zijn toegestaan. Deze functies bedragen maximaal milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De daadwerkelijke afstand tot het plangebied bedraagt 10 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Ook waren op de locatie reeds woningen toegestaan en worden de nieuwe woningen niet dichterbij geplaatst. Daarbij is het bestemmingsplan "Korte Akkeren" reeds aangeven dat milieucategorie 1 en 2 passen in de regel in een woonomgeving. De nieuwe woningen vormen geen verdere beperking van de bedrijfsmogelijkheden. Nummer 2 bedraagt de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf groothandel". Ter plaatse van deze aanduiding kan een groothandel uit milieucategorie 3.1 zich op deze locatie vestigen. Bij milieucategorie 3.1 behoort een richtafstand 30 meter in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Zoals bij nummer 1 is aangegeven waren op de locatie al reeds woningen toegestaan en worden de nieuwe woningen niet dichterbij geplaatst.

In het bestemmingsplan "Korte Akkeren" is eveneens aangegeven dat "de zogenaamd lichte bedrijvigheid is relatief goed inpasbaar binnen het overwegende woonmilieu". Nummer 3 bedraagt de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf aannemersbedrijf". Ter plaatse van deze aanduiding kan een aannemersbedrijf uit milieucategorie 3.1 zich op deze locatie vestigen. Bij milieucategorie 3.1 behoort een richtafstand 30 meter in gemengd gebied. De daadwerkelijke afstand tot het plangebied bedraagt ongeveer 41 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Ook is er tijdens het opstellen van bestemmingsplan "Korte Akkeren" nader onderzoek uitgevoerd naar dit betreffende bedrijf. Hieruit blijkt het bedrijf geen structurele overlast geeft naar de omgeving. Daarnaast zijn er reeds woningen aanwezig die direct grenzen aan deze bedrijfsbestemming. Nummer 4 bedrijventerrein Nieuwe Park. Dit betreft een gezoneerd bedrijventerrein waar aan de rand alleen bedrijven met een milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter zijn toegestaan in gemengd gebied. De daadwerkelijke afstand bedraagt ongeveer 110 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Binnen het plangebied wordt een multifunctionele accommodatie mogelijk gemaakt.

Omdat aanpandig daarboven woningen worden mogelijk gemaakt en omdat de multifunctionele accommodatie op korte afstand van de bestaande woningen aan de Westerkade wordt geprojecteerd, kan niet worden uitgesloten dat vanwege activiteiten in de multifunctionele accommodatie de geluidsnormen uit het "Jan Ligthartlocatie" (vastgesteld)

25 Activiteitenbesluit worden overschreden. Het is daarom noodzakelijk om een onderzoek uit te (laten) voeren naar de verwachte geluidsbelasting als gevolg van de beoogde activiteiten in de multifunctionele accommodatie. Dit onderzoek dient aan te tonen dat aan de geluidsnormen kan worden voldaan, ofwel geeft aan welke maatregelen genomen moeten worden om te kunnen voldoen aan het Activiteitenbesluit. 5.3.3

Conclusie

Binnen het plangebied is er sprake van een gemengd gebied met een mix van wonen en een multifunctionele accommodatie. Ook ligt het plangebied in een omgeving met bedrijven en centrumvoorzieningen. Daarom wordt het plangebied als gemengd gebied in het bestemmingsplan opgenomen. Binnen het gemengd gebied kunnen milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zonder dat milieuvoorschriften worden overtreden. Door toepassing van functiemenging wordt de levendigheid van een gebied bewust mogelijk gemaakt. Omdat niet kan worden uitgesloten dat door de geprojecteerde multifunctionele accommodatie het activiteitenbesluit wordt overtreden, is het noodzakelijk voor de multifunctionele accommodatie een akoestisch onderzoek uit te voeren. Dit is in de regels van de bestemming 'Wonen' geborgd als voorwaardelijke verplichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=8b1cb47b-8680-437a-bf04-1235c86ee3cb