Bijlage 2.1 - BBA Bouwhistorisch onderzoek, algemeen
Tekst van het document
BOUWHISTORISCHE OPNAME MET WAARDESTELLING
BBA BUREAU VOOR
BOUWHISTORIE EN
ARCHITECTUURGESCHIEDENIS V.O.F.
STADHUIS
GOUDA
STADHUIS MARKT 1, GOUDA
STADHUIS Markt 1, Gouda
BOUWHISTORISCHE OPNAME MET WAARDESTELLING
BUREAU VOOR
BOUWHISTORIE EN
ARCHITECTUURGESCHIEDENIS V.O.F.
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
INHOUD 1 VOORWOORD
7
INLEIDING
8
Algemeen
8
Verbouwingen
8
Restauratie 1947-1952
10
Het stadhuisensemble
12
Architect Van der Steur
14
Restauratie 1995-1996
15
Analyse en vergelijking
16
BESCHRIJVING EN ANALYSE
18
Situering
18
Exterieur
18
Zuidgevel
18
Noordgevel
19
Oostgevel
19
Westgevel
19
Onderverdieping
20
Rijwielkelder (ruimte 1.02)
20
Keuken en toilet (ruimten 1.03 en 1.04)
20
Burgerhal (ruimte 1.05)
20
Entree (ruimte 1.06)
21
Bel-etage
21
Benedenplein (ruimte 2.01)
21
Marktmeester (ruimte 2.02)
22
Garderobe (ruimte 2.03)
22
Portaal (ruimte 2.04)
22
Bovenplein (ruimte 2.05)
22
Trouwzaal (ruimte 2.06)
22
Burgemeesterskamer (ruimte 2.07)
23
Bordes (ruimte 2.08)
23
Invalidentoilet en druklift (ruimte 2.09 en 2.10)
23
4
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
Leeskamer (ruimte 2.11)
23
Bodekamer (ruimte 2.12)
23
Verdieping
24
Sterzaal (ruimte 3.01)
24
Hoofdtrap (ruimte 3.02)
24
Portaal en werkkast (ruimte 3.03 en 3.10)
24
Huishoudelijke dienst (ruimte 3.04)
24
Keuken (ruimte 3.05)
25
Berging keuken (ruimte 3.06)
25
Waagzaal (ruimte 3.07)
25
St. Janszaal (ruimte 3.08)
25
Gang (ruimte 3.09)
25
Garderobe (ruimte 3.11)
25
Kapverdieping
25
Raadzaal (ruimte 4.01)
26
Hal (ruimte 4.02)
26
Leeskamer (ruimte 4.03)
26
Voormalige archiefruimte (ruimte 4.04)
27
Damestoilet (ruimte 4.05)
27
Herentoilet (ruimte 4.06)
27
Zolder
WAARDESTELLING Cultuurhistorische waardering (contextuele waardestelling)
27 29 29
Algemene historische waarden
30
Ensemblewaarden
30
Architectuur- en bouwhistorische waarden
30
Monumentwaarden (interne waardestelling)
30
Bouwmassa en exterieur
30
Constructies, interieur en afwerking
30
Waardering in geschematiseerde plattegronden
32
AANBEVELINGEN
35
SAMENVATTING
37
Trefwoorden
37
5
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
BRONNEN EN LITERATUUR
38
BIJLAGE 1: Redengevende omschrijving
40
BIJLAGE 2: Geschenken 1947-1952 ten behoeve van het stadhuis
41
AFBEELDINGEN
43
COLOFON
127
6
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
VOORWOORD Midden op de uitgestrekte Markt in Gouda prijkt het stadhuis als waarmerk van deze stad. Van dit, voor de Nederlandse architectuurgeschiedenis belangrijke, gebouw luidt het adres Markt 1, 2801 JG Gouda. In 1832 stond het kadastraal bekend als Gemeente Gouda, Sectie C1, inmiddels is het genummerd Sectie C2344. Het gebouw staat sinds 28 maart 1966 ingeschreven als rijksmonument onder nummer 16843 (zie Bijlage 1). In het kader van de aanstaande verhuizing naar het nieuwe Huis van de Stad aan de Burgemeester Jamessingel in juni 2012 is door de Gemeente Gouda aan het Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis (BBA) opdracht verleend om een bouwhistorisch onderzoek met waardestelling te maken van het oude stadhuis op de Markt.1 Het rapport begint met een korte bouwgeschiedenis en de plaatsing van het stadhuis in een breder cultuurhistorisch verband. Vervolgens worden gebouw, verbouwingen, toegepaste materialen en constructies nader beschouwd en geplaatst in de constructieve ontwikkeling van vergelijkbare gebouwen. In het onderzoek wordt de nadruk gelegd op de restauratie van 1947-1952 die in de tekst verder doorgaans als ‘de restauratie’ staat aangeduid. De uit deze opname voortvloeiende interne waardestelling is geschikt als ‘nulmeting’ ten behoeve van bouwkundige aanpassingen. Tot de opname behoort de beschrijving in woord en beeld van het bestaande gebouw.
Het stadhuis is nagenoeg noord-zuid georiënteerd. Voor het gemak wordt bij de beschrijving de voorgevel als de zuidgevel beschouwd. Voor de ruimtenummers wordt verwezen naar de plattegronden in het hoofdstuk Waardestelling. Deze plattegronden zijn gebaseerd op de aangeleverde digitale bouwtekening van maart 2012, aangevuld op basis van de tekening in de Geïllustreerde Beschrijving en aanvullingen door waarnemingen ter plaatse.2 De volgende terminologie zal gehanteerd worden: onderverdieping (met burgerhal), bel-etage (met trouwzaal), verdieping (met sterzaal), kapverdieping (met raadzaal) en zolder (niet op tekening). De verslaglegging in dit rapport berust op een bezoek aan het gebouw zelf (28 maart en 11 april 2012) en de daaruit volgende analyse. Het onderzoek ter plaatse bestond uit waarnemingen van de in het zicht zijnde onderdelen. Het veldwerk is uitgevoerd door dr. ing. R. Stenvert en drs. B. Olde Meierink. Voor de analyse van het interieur en de restauratie 1947-1952 werd medewerking verleend door interieurhistoricus mw. drs. Barbara Laan.3 Een voorlopige waardestelling is volgens afspraak op 20 april 2012 verzonden. Deze is (met marginale aanpassingen) in dit rapport verwerkt. De verslaglegging is van de hand van R. Stenvert. Het archief- en documentatieonderzoek is verricht door mw. drs. K.M. Veenland-Heineman Dank bij de totstandkoming gaat uit naar de heren A.
Warffemius, oud-medewerker van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist, en R. Hofman van de Gemeente Gouda. Ronald Stenvert Utrecht, mei 2012 Volgens de offerte van 15 maart 2012, mondeling goedgekeurd 19 maart, schriftelijk bevestigd 1 mei 2012. Denslagen 2001, 217. 3 www.barbaralaan.com 1 2
7
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
INLEIDING Algemeen Nadat de grote stadsbrand van 1438 het oude stadhuis aan de westzijde van het Marktveld ernstig had beschadigd, werd gekozen voor een nieuwe bouwplek midden op het drassige Marktveld: de tegenwoordige Markt. Met het beschikbaar gekomen puin van de brand werd dit terrein opgehoogd. Na de nodige drainage en uitvlakking was dit terrein in 1447 bouwrijp. Op een roosterwerk van zware beukenstammen als fundering verrees tussen 1448 en 1450 het huidige stadhuis. Bij de bouw waren de timmermeesters Adriaen Aelbrechtsz., Symon Louwensz. en Claes Hugensz. betrokken en als toezichthouder de stadsmetselaar Wouter Vroesen. Voor het steenhouwerswerk van het met Gobertanger steen beklede, langgerekte laat-gotische gebouw werd Jan (III) Keldermans aangetrokken.4 In 1459 kwam de opengewerkte geveltoren gereed. De onderverdieping van het nieuwe stadhuis werd opgetrokken met dikke muren en aan de zuidzijde een overwelfde ruimte (1.02 nu rijwielkelder) en aan de noordzijde de vleeshal (1.05 nu burgerhal). De bouwlagen hierboven werden uitgevoerd met aanzienlijk dunnere muren in combinatie met een houtskelet bestaande uit muurstijlen met sleutelstukken en korbelen ter ondersteuning van de moerbalken zoals dat bij gotische gebouwen in Holland gebruikelijk was. Zeker op slappe grond, zoals in Gouda, zorgde de houtconstructie voor de benodigde stabiliteit in het gebouw.
De verdere opbouw van dit gebouw werd, en wordt, gevormd door een bel-etage met aan de zuidzijde de voormalige vierschaar (2.01 benedenplein) en aan de noordzijde (2.05 bovenplein) de huidige trouwzaal. Hierboven, op de verdieping, bevond zich voorheen de bodewoning. Nu bevinden zich hier aan de zuidzijde de huidige sterzaal (3.01) en aan de noordzijde de secretarievleugel (3.04-3.09). In de kapverdieping bevindt zich aan de zuidzijde de raadzaal (4.01) en aan de noordzijde de voormalige archiefruimte (4.04). De zolder is op dit moment overwegend gevuld met voorzieningen ten behoeve van de installaties. Verbouwingen Zoals alle stadhuizen bood het gebouw onderdak aan verschillende functies. In Gouda waren dit een ‘raethuys, wanthuys ende vleyshuys’. Al in 1517 is er in de bronnen sprake van een probleem met de gewelven van het stadhuis. Tot voor kort dacht men dat dit sloeg op een herbouw en verhoging van het vleeshuis.5 Recenter onderzoek betoogt dat het zou gaan om de herbouw van de kelder in het voorste deel.6 Voor beide opvattingen zijn argumenten te vinden.7 Alles overziend lijkt op dit moment met meest aannemelijk de opvatting dat niet de vleeshal, maar de wijnkelder (‘rijwielkelder’) een nieuw gewelf kreeg en dat er al vanaf de bouw een hoogteverschil is geweest tussen Mosselveld 1987, 15. Helbers 1952.
6 De vleeshal vertoont gelijkenis met de uit 1452-1454 daterende zuilenhal in het stadhuis van Schoonhoven. Denslagen 2001, 218. 7 Warffemius 1997. 4 5
8
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
het voorste en het achterste deel van het stadhuis. In 1548 was er in de bronnen opnieuw sprake van verzakkingen waardoor sommige vensters niet meer open konden. De bel-etage blijkt oorspronkelijk een driedeling te hebben gehad met een voorhal als wachtplein voor de schutters, een middelkamer voor de vroedschap en vierschaar en een achterkamer voor de schepenen en die laatste diende ook als raadskamer. In 1603 werd het gotische bordes vervangen door het huidige maniëristische bordes met cachot uitgevoerd door stadsbeeldhouwer Gregorius Cools († 1629). De overhuiving werd pas in 1695 door Jan Gijselingh de Jonge aangebracht (afb. 2). De twee dakkapellen dateren uit 1626. Daarvan is de westelijke in 1748 vernieuwd. Uit 1692-1697 dateert de ingrijpende verbouwing van het stadhuis. Naast de vernieuwing van het schavot en modernisering van de achtergevel werd vooral de bel-etage onder handen genomen. Daarbij werden aan de zuidzijde het benedenplein met vierschaar vernieuwd (ruimten 2.01-2.03) en het gehele bovenplein (ruimten 2.05-2.07). De verbouwing werd uitgevoerd onder leiding van Hendrik Gerritsz Schut (1622-1695) en voorzien van beeldhouwwerk van de hand van Jan Gijselingh de Jonge.
Hij voorzag onder meer zes deuren met marmeren bovendeurstukken met allegorische voorstellingen.8 Bij deze ingrijpende verbouwing zijn alle muurstijlen en korbelen op de begane grond verwijderd (en voor een deel op de verdieping). Onbedoeld had dit tot gevolg dat het gebouw aanzienlijk minder stabiel werd, wat uiteindelijk tot serieuze vervormingen van het gebouw leidde. In de Franse tijd werd de rechtspraak anders georganiseerd en verviel de functie van de vierschaar in het stadhuis. Deze ruimte werd rond 1840 versmald met een in stucwerk uitgevoerde kopie van de tegenoverliggende westelijke wand van de vierschaar, waardoor een kamer voor de politie ontstond (2.02 en 2.03). Tevens werd de trappartij tussen beneden- en bovenplein aangepast. Kort daarvoor, in 1834, waren de kruisvensters op de eerste en tweede verdieping van de voorgevel vervangen door houten ramen met een roedenverdeling. De vleeshal kwam in 1853 in gebruik als boterhal en diende van 1937 tot de restauratie als archiefbewaarplaats. In 1876 bleek de voorgevel in slechte staat te verkeren. In 1880-1884 leidde stadsbouwmeester L. Burgersdijk († 1905) - onder toezicht van C.C. Hezenmans uit Den Bosch en met P.J.H. Cuypers als adviseur - een ingrijpende herstelling waarbij de voorgevel geheel werd gekopieerd in Franse Saint-Joire kalksteen (afb. 3 en 4).
Tevens kregen de zijgevels in 1885 een afwerking met portlandcement. In 1892 werd het stadsarchief van de zolder overgebracht naar elders (enkel het dynamisch archief bleef). Door samentrekking in 1903 van twee burgemeesterskamers ontstond op de bel-etage de raadzaal, nu trouwzaal. Deze zaal bevat een marmeren schouw (circa 1690) met een schoorsteenstuk van Jacques de Roore (1743) en verder tapijtbehangsels (1642) van Davidt Ruffelaer († 1646) (aangepast in 1694 en 1903; gerestaureerd 1948-1952). In de loop van de 20ste eeuw werden telkens kleine aanpassingen uitgevoerd (afb. 5, 6 en 7). Rond 1920 werd de commissiekamer (3.04) verbouwd. In 1927 waren er plannen om een draaideur in het benedenplein aan te brengen. Dat ging echter niet 8
Denslagen 2001, 223.
9
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
door. Wel moest de bode in 1920 een kamer afstaan en vervolgens in 1927 nog twee slaapkamers op de verdieping voor het uitdijende ambtenarenapparaat. In 1940 verliet de bode met zijn gezin het gebouw. Al in 1917 rezen er gedachten over een complete restauratie. De besprekingen voor de feitelijke uitvoering daarvan kwamen pas in 1939 echt op gang, maar moesten vanwege de oorlog blijven rusten. Wel werden in 1939 maatregelen ter bescherming in oorlog aangebracht in de vorm van ‘asbesta-vloeren’ op zoldering en vliering (bij restauratie verwijderd). Ook werden toen, om brandgevaar te verminderen, alle houten betimmeringen op zolder verwijderd. In 1941 kreeg architect A. van der Steur opdracht tot het opstellen van een restauratieplan en het jaar daarop verscheen er een studie van collega-architect Chr. Wegerif over het stadhuis op grond van historische bronnen. Een uitgebreidere studie verscheen in 1952 van de hand van de conservator van het Stedelijk Museum in Gouda G.C. Helbers.9 Met de uitvoering van de restauratie kon pas begonnen worden nadat de oorlog was afgelopen. Restauratie 1947-1952 Burgemeester Karel Frederik Otto James (1899-1976) was de belangrijke stimulerende kracht achter de voorgenomen restauratie en droeg het gebouw een warm hart toe.
Zijn enthousiasme bleek onder meer uit zijn uitspraak naar aanleiding van het onderzoek van Van der Steur in 1946: ‘Uit een en ander is wel gebleken dat het inderdaad mogelijk zal zijn om dit eenig belangrijke Gotische wereldlijke bouwwerk, dat Nederland ten Noorden van de groote rivieren bezit, weer tot ouden luister te brengen’.10 Het gotische karakter van het gebouw en het versterken daarvan was voor hem een belangrijk doel. De ingrijpende restauratie die dringend nodig was, werd uitgevoerd onder leiding van A. van der Steur en W.A.C. Herman de Groot. In dit proces werd de toestand van 1517 gereconstrueerd, waarbij, zoals blijkt uit de foto’s van vóór de restauratie, de 18deeeuwse schuifvensters door kruisvensters werden vervangen, maar de eerste zorg was bovenal de slechte fundering en de zeer matige stabiliteit van het gebouw. Tijdens het onderzoek van Van der Steur, was gebleken dat de fundering van zware beukenstammen haar draagkracht in belangrijke mate had verloren, waardoor de voorzijde van het gebouw een kleine 30 cm dieper was gezakt dan de achterzijde. Door het verwijderen van de muurstijlen en korbelen op de bel-etage bij de verbouwing van 1692-1697 waren de 10,5 meter lange balken tot 26 cm doorgezakt. De gebogen vloer was in de loop der tijd uitgevlakt en de tussenruimten met gruis gevuld, maar dit had het proces alleen maar verergerd.
Door de buiging van de vloer waren ook de zijgevels tot 30 cm naar binnen gebogen. Vanwege de vervormingen waren in de kap pennen naast hun gaten komen te staan. Ook hier hadden lapmiddelen niet voor wezenlijke verbetering gezorgd. Uiteindelijk kon geen van de balken bij de restauratie van 1947-1952 gehandhaafd blijven. Helbers 1952. RCE-ABC 1918-1999. Brief 6 april 1946 van burgemeester James aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. 9
10
10
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
Ingrijpende structurele maatregelen waren vereist. De gehele fundering diende vernieuwd te worden met randbalken en dwarsbalken van gewapend beton rustend op in totaal 134 pulspalen van De Waal die tot 12 meter diep in de ondergrond werden gedrukt (afb. 8). Om het gebouw op te vangen werd onder het muurwerk een ringbalk aangebracht van 45 cm hoog en praktisch even breed als de muren dik. Deze werd samengesteld uit geprefabriceerde moten gewapend beton van ongeveer één meter lengte en ter halve muurdikte. Deze werden in gevelmuren aangebracht in een ‘halfsteens verband’ en de wapeningsstaven werden door moeren onderling verbonden. De ringbalk werd net onder het maaiveld aangebracht en ter hoogte van de vloer van de vleeshal. Om de nieuwe fundering en de randbalk te verbinden kwamen er draagbalken onder de ringmuur.11 Dit funderingswerk werd in 1947 uitgevoerd door de firma P. Bokhoven uit Gouda met als opzichter W. van den Berg. Tijdens het herstel werd het bordes tijdelijk verwijderd en later weer herplaatst. Gedurende het onderzoek werd in het gebouw ook de oude trap gevonden onder het bordes tussen beneden- en bovenplein (afb. 9), werd de oude raadzaal ontmanteld (afb. 10) evenals een deel van de voormalige bodewoning (afb. 11).12 De vleeshal werd ontpleisterd en ingericht tot burgerhal (afb. 12).
Ook het verbeteren van de stabiliteit van het gebouw leidde tot ingrijpende maatregelen (afb. 13). De kap werd ontdaan van de later aangebrachte trekankers (afb. 14) en de krachten werden weer afgeleid via de moerbalken tussen de jukken (afb. 15). Niet overal konden de houten balken gehandhaafd worden: in het secretariedeel op de verdieping zijn betonbalken toegepast (afb. 16). Na de fundering en de inwendige stabiliteit te hebben gezekerd, kon worden overgegaan tot het aanpakken van de gevels. In plaats van Gobertanger steen - door uitputting van de oorspronkelijke groeven inmiddels nog slecht verkrijgbaar - was al in 1947 Bierry steen als vervangende natuursteen aangekocht en later ook Saint Pierre Aigle. Met deze steen werden de zijgevels ingrijpend gerestaureerd en alle vensters in ‘oude luister’ hersteld (afb. 17) waarbij alle schuifvensters vervangen zijn door nieuwe kruisvensters in oude vorm. Een belangrijk punt van discussie was het herstel van de achtergevel die in 1692-1697 een nieuwe gevelafsluiting had gekregen in de vorm van een classicistisch aedicula op de top (afb. 18). Burgemeester James was een fervent voorstander van de reconstructie van de achtergevel. Daarbij ging hij voorbij aan het feit dat deze gevel uit 1692-1697 inmiddels zijn waarde had gekregen. J.A.L.
Bom, architect van het Rijksbureau voor Monumentenzorg had in 1947 een mogelijk wat voorbarig fiat gegeven aan reconstructie van de gevel. Het hoofd van het Rijksbureau dr. J. Kalf, die een warm voorstander was van behoud voor vernieuwing, uitte hierop een scherp protest. Na de nodige discussie - die gaandeweg minder over de inhoudelijke, maar meer over de juridische kant van de zaak ging - en het beroep van James op de gewekte verwachtingen kon de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg in maart 1952 niet anders dan node instemmen met de reconstructie van de gotische trapgevel in 15de-eeuwse vormen. Herman de Groot 1950. Helaas vond toen geen bouwhistorisch onderzoek in moderne zin plaats, zodat, door de zaken die bij de restauratie zijn verdwenen, geen zeer gedetailleerde bouwhistorische ontwikkeling te schetsen valt. Zeker naar de plaats en vorm van de afzonderlijke wentel- en bordestrappen is nu slechts te gissen. Datzelfde geldt ook voor de stookplaatsen en schoorstenen. 11 12
11
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
Het stadhuisensemble Naast de sanering werd de restauratie voor vier andere zaken aangegrepen: consolidatie, modernisering, karakterversterking en aankleding.13 De consolidatie betrof vooral de classicistische elementen op de bel-etage in nieuwe glorie terug te brengen. Ook werd het wandtapijt in de inmiddels voormalige raadzaal, nu trouwzaal, gerestaureerd. Bij de modernisering ging het om de afdelingen die in het gerestaureerde stadhuis gehuisvest bleven (afb. 19): de afdeling algemene en sociale zaken met de registratuur, een archiefruimte en twee typekamers. Voor het archief werd een ruimte op de kapverdieping gemaakt met voorzieningen voor het aanbrengen van stalen luiken ter brandwering. Algemene en sociale zaken kwamen aan de voorzijde op de verdieping (tot de restauratie van 1995-1996) en de achterzijde van de verdieping werd ingericht voor de typekamer (afb. 20) en de registratuur (afb. 21). Het opmerkelijke moderne karakter van dit laatste deel valt nog steeds op in de gang en in de twee grote ruimten die nu tot vergaderzalen zijn ingericht. De tussenwanden met veel glas en de colovinyl-tegels op de gangvloer getuigen hiervan. De karakterversterking vond vooral plaats in de voormalige vleeshal die werd omgebouwd tot burgerhal waarbij het gotische karakter werd versterkt. Voor de nieuwe raadzaal in de kapverdieping werd een nieuwe trap gemaakt op de verdieping.
Deze trap met aansluitende hal en vooral de raadzaal kreeg een gotiserend karakter. Het beeld daarvan met de verhoging van de zoldervloer waardoor een meer ruimtelijk karakter ontstond had Van der Steur al in zijn plannen voorzien (afb. 22). De uitwerking in de vorm van lambriseringen met decoraties in spijkerpatroon en sober en strak meubilair versterkte dit karakter (afb. 23). Dit viel ook anderen op, zeker in combinatie met de verlichting: ‘De drie smeedijzeren kronen verschaffen het kunstlicht in deze zaal, die tegelijk een weids en toch intiem karakter kreeg. Eigenlijk doet zij denken aan een Vikingenzaal uit de Edda, aan een vorstenzaal uit de Nibelungen, iets als een filmdecor’.14 Het huidige meubilair doet wat af aan dit beeld, maar het gotiserende karakter van de zaal blijft zeer aanwezig. Bijzonder is de rijke aankleding die het gebouw kreeg door de vele giften uit alle lagen van de Goudse bevolking (zie Bijlage 2). Bedrijven, instanties, groepen personen en individuen toonden hiermee hun verbondenheid met het stadhuis. Het gebouw werd er aanzienlijk mee verrijkt. Daarbij ging het om zowel roerende als onroerende zaken, meubelen, schilderijen of andere kunstobjecten, sculpturen en glas-in-loodwerken. Deels weerspiegelen ze de genoemde elementen van de restauratie. Voor de verlichting zijn zowel consoliderende, moderne als karakterversterkende elementen aan te wijzen.
Zo hangen op de bel-etage grote koperen 132-lichts kaarsenkronen – een geschenk van de Goudsche Verzekerings Mij. - die afgietsels zijn van de kronen uit de St.-Laurenskerk in Alkmaar.15 De commissiekamer (1.04) kreeg een moderne Venetiaanse kroon. Eveneens meer modern van karakter zijn de plafonnières in de trouwzaal (2.05). De Het plan voor de inwendige verbouwing van het stadhuis kreeg op 20 juni 1949 rijksgoedkeuring. Vermeulen 387-388. 15 Vermeulen 387. 13 14
12
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
lichtornamenten in de burgerhal (1.05) en vooral ook de genoemde kronen in de nieuwe raadzaal (4.01) zijn vooral karakterversterkend in gotiserende zin. De koperen kronen zijn gemaakt door Karl Joseph Gellings (1892-1959) die ook de smeedijzeren leuningen in het trappenhuis maakte waarin hij de zespuntige ster van het Goudse wapen verwerkte. Ook de vele losse kunstobjecten, die variëren van een palmhouten voorzittershamer en burgemeesterskussen tot asbakken en kleedjes, zijn deels tot de verschillende genoemde elementen te rekenen; met oude vlaggen en wimpels en de moderne beeltenis van H.M. Koningin Juliana door Catharina Elisabeth (Katinka) Schouten-van Rood (1913-2000). Versterkend en tevens contrasterend is het fraaie wandtapijt met de Goudse stedenmaagd op het bovenplein (2.05) ontworpen door Jaap Bouhuys (1902-1983) en uitgevoerd door de handweverij De Knipscheer te Laren (NH). Op de grens tussen roeren en onroerend staan de vijf bronzen beeldjes in de burgerhal die gemaakt zijn door beeldhouwer Han Rehm (1908-1970) voorstellende: Hugo de Groot (rechtsgeleerdheid), Christiaan Huygens (wis- en natuurkunde), Johannes de Doper (theologie), Boerhaave (geneeskunde), Comenius (opvoedkunde). Ze zijn geschonken door een groot aantal Goudse predikanten, geestelijken, juristen etc.
De vakorganisaties van de Goudse middenstand schonken op hun beurt acht door Philip ten Klooster gemaakte medaillons met typische Goudse ambachten, voorstellend: de smid, de pottendraaier, de wasvrouw, de transportarbeider, de slager, de bakker, de spinster en de metselaar. Vermeulen vond het een gemiste kans dat deze afbeeldingen niet gepolychromeerd zijn.16 Sterk karakterversterkend en in goede Goudse traditie zijn ook de glas-in-loodvensters. In de burgerhal betreft het door de hervormde gemeente geschonken, zogeheten schervenvensters uit de St.-Janskerk 17 en op andere plaatsen glas-in-loodvensters gemaakt Henri Johan Marie (Henri) Basart (1899-1988). Die in de nieuwe raadzaal verbeelden onder meer de vier hoofddeugden: Constantia, Sapientia, Justitia en Fortitudo. De hoofdrolspelers van deze restauratie - Karel Frederik Otto James en restauratiearchitect A. van der Steur - zijn in de vorm van portretkoppen vereeuwigd door Katinka Schouten-van Rood in beide poortjes aan de westgevel, respectievelijk de toegang tot de fietsenkelder en het ketelhuis (nu keuken).
Gemeten naar het rapport Van object naar samenhang: De instandhouding van ensembles van onroerend en roerend cultureel erfgoed, is er in het geval van het Goudse stadhuis sprake van een ‘Samenhang door samenstelling’, dat wil zeggen een ensemble waarvan de samenhang wordt bepaald door de samenstelling of vervaardiging in één periode, maar niet volgens een integraal architectonisch concept18, zoals bijvoorbeeld het Vredespaleis in Den Haag of Kasteel Amerongen. Dat de afronding van een zo belangrijke restauratie zoveel enthousiasme bij brede lagen van de Goudse bevolking teweegbracht in de vorm van een rijk aangekleed stadhuis maakt het stadhuisensemble bijzonder, maar ook kwetsbaar. Bijzonder Vermeulen 388. Van Dolder-De Wit 1997. 18 Buijs 2004, 17. 16 17
13
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
omdat er voor wat betreft overheidgebouwen weinig vergelijkingen te vinden zijn waar dit ook is gebeurd. Bijzonder ook, omdat er nog zoveel van bewaard is en dat slechts weinig geschenken het stadhuis hebben verlaten.19 Maar kwetsbaar omdat bij bestemmingswijziging de voorwerpen mogelijk zonder plan vervreemd raken en het ensemble opbreekt, of dat er een bewuste scheiding ontstaat waarbij een deel van de roerende objecten meeverhuist naar een nieuwe locatie en een ander deel op de oude locatie blijft. Dat was bijvoorbeeld het geval toen de KRO in 1999 het in 1936 in haar opdracht gebouwde omroepgebouw in Hilversum verliet. De bestuurskamer was een vergelijkbaar ensemble. Hieruit is bij de verhuizing een aantal objecten meegenomen en de meer onroerende onderdelen wachten op de oude locatie nog steeds op herbestemming als mogelijk onderdeel in een nieuwe (woon)bestemming.20 In het kader van de toekomstplannen kan hiervan geleerd worden om eerst een afzonderlijke inventarisatie te maken van de in het kader van de restauratie 1947-1952 aan het Goudse stadhuis gedane schenkingen, en vervolgens een integraal plan op te stellen wat daar als geheel/ensemble mee te doen.
Architect Van der Steur De architect van de restauratie, Adrianus (Ad) van der Steur, werd op 27 september 1893 in Haarlem geboren als oudste van de drie zonen van de architect en latere Delftse hoogleraar Johan Adrianus Gerard van der Steur (1865-1965; hoogleraar 1917-1931). Zijn broer Albert Johan (1895-1963) werd architect en zijn andere broer Johan Adrianus Gerard (1899-1966) civiel ingenieur.21 Van der Steur doorliep de HBS, eerst in Haarlem en de laatste klassen in Den Haag, waarna hij in Delft de ingenieursopleiding volgde en vanwege de Eerste Wereldoorlog werd gemobiliseerd. Op 20 juni 1918 studeerde hij met lof af bij Henri Evers (18551929; hoogleraar 1902-1926). Via Evers had hij kennis genomen van diens ‘BeauxArts manier’ van ontwerpen met strenge formele ordening en nadruk op symmetrieassen. Van 1914 tot 1917 was zijn vader waarnemend hoogleraar voor Evers. Hij hield veel contact met zijn broer Albert en zijn beste vriend Gijsbert Friedhoff (1892-1970). Op 18 september 1919 trouwde hij Anthonia Jacoba Stoett (1896-1978) en samen kregen ze een zoon en een dochter. In 1919 kwam Van der Steur als adjudant-ingenieur in dienst bij de Staatsspoorwegen waarvoor hij enkele stations bouwde (Ter Apel, Engelbert). In 1924 ging hij werken als architect eerste klasse bij de Dienst der Gemeentewerken te Rotterdam waar hij zich vooral op de scholenbouw toelegde.
In 1931 werd hij benoemd tot stadsarchitect en bleef dit tot 1939, met als belangrijkste gebouwen Museum Boymans Van Beuningen, het Gymnasium Erasmianum (1935-’40) en de Maastunnel (1937-’42). In 1939 vestigde hij zich als zelfstandig architect in Rotterdam. Hij had bemoeienis Mogelijk met uitzondering van de vijftien tinnen asbakken voor de raadzaal, geschonken door buurtvereniging Het Centrum. Door het gewijzigde rookgedrag zijn deze overbodig geworden, maar mogelijk staan ze nog ergens in een kast. 20 Weltens 2002. 21 Gielen 2002. 19
14
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
met de wederopbouw van Middelburg en de restauratie van het stadhuis aldaar waarbij hij samenwerkte met H. van Heeswijk (1872-1947). Op 1 januari 1941 associeerde Van der Steur zich met W.A.C. Herman de Groot (1898-1952). In Gouda is tussen 1950 en 1952 het door hen al in 1941 ontworpen Coornhert Gymnasium aan de Nansenstraat 40 gebouwd. Het belangrijkste nieuwbouwwerk uit die tijd was het kantoorgebouw van de EN-NEN (later Aegongebouw en nu Joegoslavië-tribunaal) uit 1951-1953 aan de Johan de Wittlaan in Den Haag, waarvan geen van beiden de voltooiing heeft meegemaakt. Begin 1953 ging Van De Steur samenwerken met J.P. van Bruggen (1896-1985), die hij van de bouw van de Maastunnel kende, en later dat jaar traden G. Drexhage (19141982) en J.J. Sterkenburg (1906-1998) toe. Op 13 december 1953, op zijn sterfbed vroeg hij A. Bodon (1906-1993) hem op te volgen. In 1974 werd dit bureau omgedoopt tot DSBV Ingenieurs en Architecten, en dat staat voor Drexhage, Sterkenburg, Bodon en F.F. Venstra (afgestudeerd 1942). Restauratie 1995-1996 Ook na 1952 bleef de Goudse burgemeester James ijveren voor de verdere verfraaiing van zijn gotische stadhuis. Daartoe hoorde een plan om beelden in de voorgevel aan te brengen, zoals dat ook bij diverse stadhuizen in Zeeland en Vlaanderen het geval was. Uit 1957 dateert een eerste plan daartoe, waarbij James steun krijgt van de beeldhouwer L.O.
Wenckebach (1895-1962). Wenckebach liet het werk uiteindelijk over aan een zijn jongere collega Philip ten Klooster (1909-1969). In 1961-1962 werden zes beelden van historische figuren22 geplaatst in de voorgevel, alsmede twee bazuinblazende engelen. Toen is ook boven de kaak in de oostgevel het klokkenpoppenspel aangebracht. Al is 1978 werd geconstateerd dat enkele pinakels aan de voorgevel gebreken vertoonden. Uiteindelijk werden alle pinakels uit voorzorg in 1993 eraf gehaald en werd een restauratieplan opgeteld ter grootte van 3,2 miljoen gulden. Voor het natuursteen werd Sander Schellevis van het Natuursteenadviesbureau Schellevis te Amerongen aangezocht. Deze constateerde: ‘Tijdens de laatste restauratie is gebruik gemaakt van te harde mortels en verankerijzers, die zijn gaan roesten’.23 Waarschijnlijk werd de voorgevelrestauratie van 1880-1884 bedoeld, maar het effect was er niet minder om. De beschikbare Franse en Belgische natuursteen bleek minder geschikt voor het Nederlandse klimaat en daarom zijn de pinakels, die niet meer te redden waren, vervangen nieuwe in Tepla trachiet uit Tsjechië. De pinakels zijn vervaardigd door Steenhouwerij Maarssen en Atelier Tolboom uit Leusden. De dakgoten zijn vervangen door het Italiaanse Peperino Duro.
Dit alles is in 1995-1996 uitgevoerd door Bouwbedrijf Hulshof BV uit Vorden dat ook in het interieur enkele aanpassingen doorvoerde: de plaatsing van een noodwenteltrap van de bel-etage naat de raadzaal in de kapverdieping en een druklift van ruimte 1.04 naar het bovenplein (2.09).24
Karel de Stoute, Philips de Goede, Maria van Bourgondië, Jacoba van Beieren, Floris V en Philips de Schone. Natuursteen: Vaktijdschrift voor natuursteenbedrijven, mei 1996, p.6. 24 Ruimte 1.04 kon niet bezocht worden; de intekening van de lift op de waardestellingsplattegrond is niet maatvast. 22 23
15
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
Analyse en vergelijking De ingrijpende bouwhistorische sanering gedurende de restauratie van 1947-1952 heeft, samen met eerdere aanpassingen en vernieuwingen, ertoe geleid dat van de originele 15de-eeuwse bouwhistorische substantie in feite nog weinig bewaard is gebleven. De voorgevel werd al eind 19de eeuw vernieuwd in Franse kalksteen en bij de restauratie zijn de andere gevels aangepakt en alle vensters vernieuwd naar gotisch model. Inwendig zijn veel van de balklagen verdwenen. De muurstijlen en korbelen in de sterzaal zijn in oude vormen, maar met nieuw hout, gereconstrueerd. Afgezien van de burgerhal is slechts de kapconstructie nog opmerkelijk gaaf en compleet bewaard gebleven, zoals op de zolder aan de hand van de telmerken is te constateren en in de huidige raadzaal zelf te beleven valt (afb. 24 en 25). De restauratie van 1947-1952 kan verdeeld worden in vijf elementen. De eerste is de (bouwtechnische) sanering die al aan de orde is geweest. De andere vier zijn: consolidatie, modernisering, karakterversterking en aankleding. Met consolidatie wordt bedoeld de op de onderverdieping en de bel-etage genomen maatregelen waarbij respectievelijk het beeld van 15de-eeuwse late gotiek en daarboven het 17de-eeuwse classicisme werd behouden.
Met modernisering wordt bedoeld de op met name de verdieping genomen maatregelen, waar in het noordelijke deel een vleugel op moderne wijze werd ingericht met een licht karakter met van glas voorziene tussenwanden en voor de jaren vijftig van de vorige eeuw karakteristieke colovinyl-tegels. Met karakterversterking wordt bedoeld de op met name de kapverdieping genomen maatregelen, waar in de raadzaal een ‘middeleeuwse’ sfeer werd gecreëerd door de zoldervloer op het eerste juk te verwijderen, waardoor er twee gestapelde jukken van de kap in het zicht kwamen (afb. 22). De sterzaal (3.01), die na restauratie als ruimte voor algemene zaken gebruikt werd, zit hier een beetje tussenin, door een, voor die tijd grote moderne, werkruimte (met een kamertje voor de chef) te creëren in combinatie met de reconstructie van korbeelstellen. Met de aankleding wordt bedoeld alle, zowel roerende als onroerende zaken die geschonken zijn naar aanleiding van de restauratie door alle lagen van de bevolking van Gouda en door relaties van de gemeente.25 Het is zeer bijzonder dat vrijwel alle toen geschonken zaken zich nog in het stadhuis bevonden, van antiek burgemeesterskussen en geweven wandtapijt tot hellebaarden en bronzen beeldjes. Dit met uitzondering van de meubels van de raadzaal die goed bij het beoogde karakter pasten en zijn vervangen door modern meubilair.
Ook in de trouwzaal is wat ‘geschoven’ met meubilair. Het verschil tussen karakterversterking en modernisering komt zelfs tot uiting in het beslagwerk van de deuren, dat in de secretarievleugel modern is en in de kapverdieping bewust meer ‘antiek’ is. Het ingrijpende karakter van de restauratie wordt in allerlei opzichten gecompenseerd door de rijke en verzorgde afwerking en de al genoemde aankleding. De restauratie van het stadhuis valt in dat opzicht te vergelijken met de restauratie/vernieuwing van het stadhuis van Leiden (1934) en het nieuwe stadhuis van Enschede (1930-1933). Meer Opgesomd in de verzameling bijdragen die verscheen naar aanleiding van de heropening van het stadhuis op 18 juli 1952. 25
16
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
specifiek is er ook een relatie met de restauratie van het stadhuis van Bergen op Zoom uit 1930-1938 onder leiding van H. van Heeswijk en de herbouw/restauratie van het stadhuis van Middelburg in 1941-1948. Bij dit stadhuis werkte restauratiearchitect A. van der Steur samen met H. van Heeswijk. Van der Steur verzorgde in Middelburg de nieuwbouw aan de achterzijde, dat gekarakteriseerd werd als ‘exuberant moderngestileerd historisme’.26 Deze sfeer is ook in het Goudse stadhuis te proeven.
Bosma, Koos (red.), Architectuur en stedebouw in oorlogstijd: De wederopbouw van Middelburg 1940-1948, Rotterdam 1988, 95. 26
17
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
BESCHRIJVING EN ANALYSE Situering Het stadhuis staat sinds de bouw in 1448-1450 geheel vrij, midden op de uitgestrekte Markt van Gouda. De hoofdgevel met de ingang en de in 1459 gereedgekomen geveltoren staat nagenoeg op het zuiden gericht naar de St.-Janskerk en de haven. Sinds de aanleg van de spoorlijn Utrecht-Rotterdam in 1855 wordt de Goudse Markt overwegend vanaf het noorden benaderd en valt de eerste blik van de bezoeker op de achtergevel van het stadhuis. Het stadhuis is altijd geheel vrijstaand geweest. In 1603 kwam aan de zuidzijde een nieuw bordes en in 1697 aan de noordzijde een nieuw schavot, beide ter vervanging van voorgangers. Ondanks de steeds groter wordende ambtelijke organisatie is het Goudse stadhuis altijd van nieuwe aanbouwen gevrijwaard gebleven. Men had niet de gelegenheid zoals in andere steden, waaronder Naarden, om de aangrenzende bebouwing er bij te betrekken en gaandeweg een heel bouwblok in te nemen. De solitaire plaatsing midden op de markt maakte dit onmogelijk, met als resultaat dat het stadhuis van Gouda een iconisch beeld van een stadhuis geeft zoals men zich een laatgotisch stadhuis voorstelt. Latere restauraties hebben dit effect versterkt.27 Eigenlijk is alleen De Waag in Deventer uit 1528, hoewel iets kleiner, in deze stedenbouwkundige zin vergelijkbaar.
Exterieur Voor het gemak van de beschrijving wordt de voorgevel met bordes als de zuidgevel beschouwd en de achtergevel met schavot als noordgevel. Het stadhuis kent een tweedeling met een voorgedeelte of voorhuis van vier traveeën en een achtergedeelte of achterhuis van zes traveeën met daarin de vleeshal en een tussenlid van één travee. De opbouw van het stadhuis bestaat uit een onderverdieping (met vleeshuis, nu burgerhal), bel-etage (met trouwzaal), verdieping (met sterzaal), kapverdieping (met raadzaal) en zolder. Voor de ruimtenummers wordt verwezen naar de plattegronden. Zuidgevel
De voorgevel, of zuidgevel is drie traveeën breed (afb. 27), waarbij de ingang op de bel-etage bereikt kan worden via het bordes. Dit bordes dateert uit 1603 en is maniëristisch vormgegeven met gedecoreerde zandstenen banden, balusters en leeuwenkopjes, vergelijkbaar met het bordes van het stadhuis van Leiden (1597-1598).28 Het bordes heeft een overhuiving uit 1697 (afb. 28). De hogere bel-etage en verdieping daarboven worden afgesloten door twee arkeltorentjes met door leien gedekte spitsen. Tussen deze arkeltorentjes bevindt zich de kapverdieping en midden daarboven de geveltoren met balkon aan de voorzijde en een kleine klokverdieping met de luidklok Gabriël, gegoten door Pieter Waghevens in 1693.29 De geveltoren wordt afgesloten door een ranke spits. Het is daarom niet toevallig dat een schaalmodel van het stadhuis in Madurodam te vinden is. Blijdenstijn, Roland & Ronald Stenvert, Bouwstijlen in Nederland 1040-1940, Nijmegen 2000, 42. 29 Denslagen 2001, 214. 27 28
18
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
Op de rechterhoek bevindt zich een zonnewijzer. De zes beelden in de voorgevel zijn in 1961-1962 aangebracht. Het beeld van de voorgevel wordt sterk bepaald door de ingrijpende restauratie van 1877-1882 toen de bestaande voorgevel van Gobertanger steen is gekopieerd in Franse Saint-Joire kalksteen. In dat proces kregen de vensters in de voorgevel ook weer hun kruiskozijnen die ze in de 19de eeuw hadden verloren. Het bordes is bij de restauratie van 1947-1952 korte tijd geheel weggeweest en herplaatst. Noordgevel
De achtergevel, of noordgevel is vier traveeën breed (afb. 29). De vleeshal, nu burgerzaal, kan bereikt worden via de ruimte onder het zandstenen classicistische schavot uit 1697 (afb. 30). Dit schavot was tot het bezoek van de koninklijke familie aan Gouda in 1897 niet vanaf de huidige trouwzaal op de bel-etage toegankelijk, maar enkel vanaf de Markt. Bij de restauratie van 1947-1952 heeft men deze toegangen vernieuwd. Bij de bouw van het schavot werd ook de achtergevel in classicistische zin aangepakt, waarbij gotische vensterlijsten werden afgehakt, maar vooral een tuitgevel is geconstrueerd, met aedicula in de top en hoekvoluten op de dakranden. Bij de restauratie van 1947-1952 is deze situatie verlaten en is er een trapgevel gereconstrueerd, voorzien van met ezelsruggen gedekte trappen, conform – naar men dacht - de oorspronkelijke situatie. Ook zijn de gotische traceringen gereconstrueerd en de schuifvensters vervangen door kruisvensters. Oostgevel
De oostgevel bestaat uit elf traveeën waarvan in de zuidelijke vier traveeën de vensters op de bel-etage lager zijn geplaatst dan bij de noordelijke zeven, terwijl de lijst tussen onderverdieping en bel-etage wel doorloopt (afb. 29). In de meest zuidelijke travee bevindt zich de kaak met toegangsdeur (naar de bodekamer). Hierboven zit het klokken-poppenspel met carillon en uurwerk uit 1961-1962. In de dakvoet staat de uit 1626 daterende stenen dakkapel (Vlaamse gevel) met maniëristische vormen (afb. 31). De acht kleine houten dakkapellen in het dakschild zijn toevoegingen van de restauratie uit 1947-1952. De drie schoorstenen van het gebouw zijn toen vervangen door één schoorsteen in het midden. Ook het gotische beeld van de hele oostgevel is het resultaat van die restauratie toen de kruiskozijnen met gekleurde luiken zijn aangebracht evenals de gekoppelde rondboogvensters in de onderverdieping. In de voorlaatste travee aan de noordzijde bevindt zich geen venster, maar drie bronzen ruiten, aangebracht ter gelegenheid van de Coornhert-herdenking in 1990. Op de hoek is de gedenksteen van de restauratie ingemetseld, aangeboden door de firma Roodbol (afb. 32). Westgevel
De westgevel bestaat eveneens uit elf traveeën met eveneens een verschil in hoogte tussen de vensters aan de zuidzijde en aan de noordzijde. In de overgang tussen het voor- en achterhuis bevindt zich de toegang naar de keuken (afb. 33). Dat deel tot aan de voorgevel is voorzien van een luifel waaronder zich ook de toegang tot de fietsenkelder bevindt. Boven de deur naar de keuken zit een sluitsteen met de beeltenis van de restauratiearchitect A. van der Steur (afb. 34) en boven de fietsenkelder een sluit-
19
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
steen met de beeltenis van burgemeester K.F.O. James (afb. 35). Beide sluitstenen zijn gemaakt door mw. C.E. Schouten-van Rood. In de dakrand bevindt zich aan deze zijde een stenen dakkapel uit 1748 en ook hier dateren de kleine houten dakkapellen van de restauratie 1947-1952. Ook de vormgeving van de westgevel wordt sterk bepaald door de restauratie van 1947-1952. In de voorlaatste travee aan de noordzijde is hier het bevrijdingsmonument geplaatst naar ontwerp van L.O. Wenckebach. Onderverdieping De onderverdieping of parterre bestaat uit een vierkante ruimte aan de zuidzijde, een smal tussenlid en de voormalige vleeshal aan de noordzijde. Bij de restauratie van 1947-1952 hebben hier ingrijpende werkzaamheden plaatsgevonden bij de vernieuwing van de funderingen. Daarbij is het bordes tijdelijk geheel verwijderd en herplaatst. Het cachot (1.01) onder het bordes dat oorspronkelijk bestond uit een korte gang met aan weerszijden een cel is toen verdwenen. In 1970 is onder het herbouwde bordes een traforuimte geplaatst.30 Rijwielkelder (ruimte 1.02)
Onder de eerste vier traveeën vanaf de zuidzijde ligt in de onderverdieping een vierkante ruimte met dikke muren die bekend staat als rijwielkelder. Het is goed mogelijk dat dit oorspronkelijk een wijnkelder is geweest. In het onderzoek uit 1997 is aannemelijk gemaakt dat bij de aanpassingen in 1517 niet het gewelf van de vleeshal, maar van deze ruimte is vernieuwd.31 Toen is de middenkolom geplaatst (dan wel vernieuwd) en zijn kolommen op de hoeken en in het midden van de vier wanden geplaatst waartussen vier ribloze kruisgewelven van baksteen zijn geslagen. Daarbij zijn de bakstenen op de overgang van de gewelfvlakken bijgehakt en niet, zoals daarvoor - in de 15de eeuw – gebruikelijk, met natuurstenen ribben uitgevoerd (afb. 36 en afb. 37). Keuken en toilet (ruimten 1.03 en 1.04)
Het smalle tussenlid tussen fietsenkelder en vleeshal vormt een knooppunt, waar vanaf de onderverdieping via een nieuwe bakstenen trap de bel-etage bereikt kan worden (afb. 38). De oude trap die aan de oostzijde lag en in de bodekamer op de bel-etage uitkwam, werd bij de restauratie van 1947-1952 verwijderd en is de ruimte ingericht voor een toilet voor marktkooplui.32 In 1996 is deze ruimte omgebouwd ten behoeve van een druklift naar het bovenplein. De rest van het tussenlid is in gebruik als keuken (voorheen ketelhuis) voor de burgerzaal. Aansluitend aan de keukenruimte staat een gemoderniseerde verwarmingsinstallatie (afb. 39). Burgerhal (ruimte 1.05)
De burgerhal was oorspronkelijk de vleeshal, waarvan men nu aanneemt dat deze bij de bouw zijn huidige hoogte heeft verkregen (afb. 40). De vleeshal is in 1853 ingericht tot boterhal en in 1937 tot archiefbewaarplaats. Bij de restauratie zijn de wanden en gewelDeze ruimte is niet bezocht. Warffemius 1997. 32 Deze ruimte is niet bezocht. 30 31
20
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
ven ontpleisterd en is de huidige vloer van flagstones aangebracht. Tussen de ribben van Gobertanger steen zijn driehoekige gewelven aangebracht van gele ijsselsteentjes die rusten op drie rijen van in totaal dertien ronde zuilen (afb. 41). Bij de restauratie is beoogd om ook hier de vleeshal weer zijn gotische uitstraling te geven. In de driepassen van de zijgevels bevinden zich ter weerszijden telkens vier medaillons met daarin telkens een voor Gouda karakteristiek beroep: de smid, de pottendraaier, de wasvrouw, de transportarbeider, de slager, de bakker, de spinster en de metselaar (afb. 42). De doorgang van de burgerhal naar de keuken en bel-etage is bij de restauratie gecreëerd (afb. 43). Aan de zuidwand is een vijftal bronzen beeldjes aangebracht, voorstellende: Hugo de Groot (rechtsgeleerdheid), Christiaan Huygens (wis- en natuurkunde), Johannes de Doper (theologie), Boerhaave (geneeskunde), Comenius (opvoedkunde) (afb. 44). Verder is de ruimte uitgerust met lichtarmaturen geschonken door Goudse kaashandelaren en handelsondernemingen (afb. 45). In de zestien bij de restauratie aangebrachte kleine rondboogvensters zijn door de Hervormde gemeente geschonken schervenpanelen gemonteerd (afb. 46).33 Entree (ruimte 1.06)
De ruimte onder het schavot uit 1697 bestaat uit een aantal zandstenen pijlers waarop gordelbogen rusten die zijn gemetseld van zachtere rode baksteen en waartussen ribloze kruisgewelven van gele ijsselsteentjes zijn geslagen. Sinds de restauratie is deze ruimte weer open, afgezien van de vrij recent aangebrachte glazen windschermen ten behoeve van ‘Stadsherberg De Burgerhal’ (afb. 47). Bel-etage De bel-etage was en is de representatieve laag van het stadhuis met de oorspronkelijke functies voor bestuur en rechtspraak. Alle onderdelen komen hier samen met het bordes aan de voorzijde, het schavot aan de achterzijde en de toegang tot de kaak in de zuidoosthoek. De bel-etage is verdeeld in een benedenplein van vier traveeën, een tussentravee met trap van acht treden en een bovenplein met een diepte van zes traveeën, dezelfde diepte als de vleeshal eronder. Het huidige benedenplein was oorspronkelijk groter, maar toen na de Franse tijd de rechtspraak uit het stadhuis vertrok en het bestuur overbleef, werd dit deel versmald om ruimte te maken voor een politiekamer. Benedenplein (ruimte 2.01)
Het benedenplein bestaat in zijn huidige vorm uit een diepe ruimte met aan het noordelijk eind een opgaande trap tussen pilasterstelling, geheel daterend uit 1692-1695 (afb. 48). Bij de restauratie is een iets noordelijker gelegen oudere trap aangetoond (afb. 9). Van de classicistische decoratie van het benedenplein dateert de oostwand uit 1692-1695. De westwand dateert uit circa 1840. De bovendeurstukken, die oorspronkelijk beide aan de oostzijde zaten, zitten nu ter weerszijden aan de noordkant van de ruimte (afb. 49). Aan de zuidzijde verwijst de classicistische middenpilaster rechts van de toegang nog naar de oorspronkelijk grotere ruimte van het benedenplein (afb. 33
Van Dolder-De Wit 1997.
21
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
50). De bronzen hekken (raamharnassen) zijn bij de restauratie geschonken door de NV tot Aanneming van Werken v/h H.J. Nederhorst en door Goedewaagen’s Kon. Holl. Pijpen- en Aardewerkfabriek, die ook de wandversiering boven de deuren bekostigde (afb. 51). Marktmeester (ruimte 2.02)
In de huidige kamer van de marktmeester, na de restauratie ingericht als wethouderskamer, is de pilasterstelling van het oorspronkelijk grotere benedenplein nog goed zichtbaar. In deze ruimte komt ook de in 1996 aangebrachte noodtrap uit, wat tot een wat rommelig beeld leidt (afb. 52). Tussen de wethouderskamer en de garderobe (2.03) zit een deur met karakteristiek hang- en sluitwerk uit de restauratietijd (afb. 53). Garderobe (ruimte 2.03)
Ook in de (bij de restauratie ingebouwde) garderobe is de zandstenen pilasterindeling van het grotere benedenplein van vóór de Franse tijd nog goed herkenbaar (afb. 54). Portaal (ruimte 2.04)
Bij de restauratie is onder de trap naar de verdieping een trap naar de burgerhal op de onderverdieping gemaakt op de plaats waar voordien een kolenhok was. Daar zijn de ruw gehakte zandstenen treden van die trap naar de verdieping zichtbaar (afb. 55). Een gietijzeren lichtornament met stervormige voet verlicht deze ruimte (afb. 56). Bovenplein (ruimte 2.05)
De inrichting van het bovenplein dateert van de verbouwing uit 1692-1695 toen de ruimte een viertal symmetrisch geplaatste deuren met classicistische omlijstingen en marmeren bovendeurstukken kreeg (afb. 57). De zuidwand van deze ruimte heeft twee omlijste dubbele deuren, waarvan de oostelijke toegang geeft tot het bordes naar het benedenplein en de westelijke, geplaatst omwille van de symmetrie, een muurkast afsluit. Deze wandindeling is het resultaat van een verbouwing rond 1848 (afb. 58). Naast de herlegde marmeren vloer is de meest sprekende uiting van de restauratie van 1947-1952 het geweven wandtapijt dat is geschonken door het personeel der Gemeentediensten (uitgezonderd de Gemeentesecretarie) (afb. 59). De burgemeesterstafel is bij de herinrichting in 1996 verplaatst naar de naastgelegen trouwzaal. Trouwzaal (ruimte 2.06)
Het hele noordelijke deel van de bel-etage wordt ingenomen door de trouwzaal, met aan de zuidwand het in 1642 voor de kamer van de burgemeester door David Ruffelaer gemaakte wandtapijt. Na de verbouwing van 1692-1695 verhuisde het naar deze ruimte, die toen kleiner was omdat aan de westzijde een burgemeesterskamer met kabinet was afgescheiden. In 1903 zijn deze ruimten verenigd met de toenmalige raadzaal tot de huidige ruimte, nu de trouwzaal, met als opvallend resultaat een grote ruimte met aan weerszijden een monumentale schouw (afb. 60 en 61). het wandtapijt is toen ook aangepast (afb. 62). Het classicistische cassettenplafond, dat tot 1886 enige tijd onder een later plafond was verborgen, is bij de restauratie uitgenomen, waarna de balken zijn versterkt en daarna de sierelementen zijn teruggebracht. De kaarsenkronen en de plafonnières in de
22
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
hoekcassetten zijn geschonken door de Goudsche Verzekering Mij. (afb. 63). Tussen de trouwzaal en de burgemeesterskamer bevindt zich een dikkere wand waarin een kast en een wc zijn weggewerkt. In de trouwzaal staat nu de uit de burgemeesterskamer afkomstig tafel die nu dienst doet als ceremonietafel (afb. 64). Burgemeesterskamer (ruimte 2.07)
De burgemeesterskamer dateert eveneens van de verbouwing uit 1692-1695 toen hier de schepenkamer werd gevestigd (afb. 65 en 66). Aan de zuidwand bevindt zich gemarmerde schouw uit deze tijd met in de boezem een schilderij. De lichtornamenten in de nissen boven de beide deuren naar het bovenplein zijn geschonken door de Goudsche Verzekering Mij.(afb. 67). De gebrandschilderde vensterpanelen in de burgemeesterskamer zijn (net als die in de trouwzaal) gemaakt door H.J.M. Basart en aangeboden door de Vereenigde Stearine Kaarsenfabriek Gouda-Apollo (afb. 68). Naast de tussendeur naar de trouwzaal bevindt zich een bij de restauratie van 1947-1952 aangebrachte bedieningsknop waarvan de functie niet duidelijk is (afb. 69). Bordes (ruimte 2.08)
Op het in 1693 aangelegde bordes tussen boven- en benedenplein bevindt zich de trap naar de verdieping waarvan de doorgang rond 1848 is verbreed en waarvan de boog met consoles aan de bovenzijde nog getuigt (afb. 70). Bij de restauratie zijn in de doorgang deuren aangebracht, waarbij ten behoeve van de deurknop een gat in de wand is gemaakt met daarin een rubberen stootdop (afb. 71). Invalidentoilet en druklift (ruimte 2.09 en 2.10)
Bij de aanleg van het bordes in 1693 is aan de oostzijde een kamer, het schepenvertrek, gecreëerd. In 1877 was deze ruimte in gebruik als bodevertrek en op enig moment kwam hier ook de trap van de onderverdieping in uit. Na de restauratie is de ruimte weer geheel als bodekamer ingericht. Daarbij heeft Van der Steur de eiken kasten uit de bovengelegen, en tot garderobe ingerichte kamer (3.11) in deze ruimte is herplaatst (afb. 72). In 1996 is het oostelijk deel van deze ruimte ingericht als invalidentoilet en in westelijk deel kwam een druklift (afb. 73). Het geheel straalt een wat provisorisch karakter uit. Leeskamer (ruimte 2.11)
De huidige leeskamer was na de restauratie ingericht als commissiekamer, maar heeft zijn oorsprong in 1693 toen het van het benedenplein is afgescheiden om als vierschaar dienst te gaan doen (afb. 74). De beide muurvlakken tussen de zandstenen pilasterstelling waren oorspronkelijk open en dateren van na 1840. Bodekamer (ruimte 2.12)
De huidige bodekamer was na de restauratie ingericht als kabinet. In 1693 is de ruimte als officierskamer ingericht (afb. 75). Via de bodekamer kan de kaak aan de oostgevel bereikt worden.
23
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
Verdieping De verdieping is in het stadhuis altijd de dienstlaag geweest. De vloer van de zuidelijke vijf traveeën ligt lager dan die van de noordelijke zes. Het niveauverschil wordt overbrugd door zes treden in de vijfde travee. Het zuidelijke deel was de woning van de bode en het noordelijke deel de gemeentesecretarie. In het noordelijke deel bevond zich aan de westzijde (ter plaatse van de huidige St. Janszaal) het zogeheten ‘bovenste plein’.34 Bij de restauratie is dit deel, uitgezonderd ruimte 3.04, geheel nieuw ingedeeld en ingericht. Ook de tussenmuur - met de daarin ingebouwde wc en schoorsteenkanalen - is toen verwijderd. Sterzaal (ruimte 3.01)
De zuidelijke vier traveeën op de verdieping vormden de woning van de bode die daar tot 1940 heeft gewoond. Daarna is het zuidwestelijke deel in gebruik genomen door typisten en de voormalige slaapkamer door de gemeentesecretaris. Bij de restauratie zijn hier alle scheidingswanden en de trap naar zolder weggehaald en ontstond één grote nieuwe ruimte voor de afdeling algemene zaken met in de zuidwesthoek de kamer van de chef algemene zaken (afb. 76). Sinds de verwijdering daarvan in 1996 (of eerder) resteert de aftekening van die laatste ruimte nog op de vloer. In 1996 is in die hoek de noodtrap aangebracht. Door de verwijdering van alle tussenwanden ontstond een grote, wat onbestemde, ruimte die nu sterzaal wordt genoemd (afb. 77). De houtconstructie met moerbalken en korbeelstellen (samenstel van muurstijl, korbeel en sleutelstuk) in deze zaal is bij de restauratie gekopieerd naar oude vormen (afb. 78).35 Hoofdtrap (ruimte 3.02)
In de vijfde travee bevindt zich de hoofdtrap. Hoe de hoofdtrap er kort na de bouw in de 15de eeuw uitzag is onduidelijk. Vermoedelijk ging het toen om een houten wenteltrap die uiteindelijk door een bordestrap is vervangen. Mogelijk bevond die trap zich in de vijfde travee aan de oostzijde en is de trap in 1697 of 1748 naar de huidige plaats aan de westzijde overgebracht (afb. 79). Bij de restauratie kreeg de hoofdtrap een siersmeedijzeren leuning die is versierd met sterren en doornen - de symbolen van de stad Gouda (afb. 80). Naast de hoofdtrap en de kleine trap ter overbrugging van het niveauverschil hangt een uit de tijd van de restauratie daterende droge brandleiding met brandslang en brandspuit (afb. 81). Portaal en werkkast (ruimte 3.03 en 3.10)
Bij de restauratie zal ook de trap ter overbrugging van het niveauverschil zijn aangepakt (afb. 82). Bovengekomen is een deel van de voormalige vestibule - ook ‘bovenste plein’ genoemd - ingekort en gebruikt voor de trap naar de kapverdieping. In de werkkast onder deze trap blijkt dat deze trap bij de restauratie in beton is uitgevoerd (afb. 83). Huishoudelijke dienst (ruimte 3.04)
De huidige ruimte van de huishoudelijke dienst, met een (mogelijk van elders overgebrachte) 17de-eeuwse schouw aan de zuidzijde (afb. 84), was in 1877 in gebruik als 34 35
Denslagen 2001, 216. Met het oog hierop is in 1949 opdracht gegeven om eikenhouten balken aan te schaffen.
24
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
secretarie en is vermoedelijk rond 1920 verbouwd tot een commissiekamer. De ingebouwde kasten aan de noordzijde dateren hoogstwaarschijnlijk nog uit die tijd (afb. 85). Na de restauratie was dit de kamer voor de gemeentesecretaris. Keuken (ruimte 3.05)
Op de plaats van de kamer van de chef financiën is bij de restauratie een keukenruimte gecreëerd (afb. 86), waarvan de inrichting recentelijk geheel gemoderniseerd is. Berging keuken (ruimte 3.06)
De naastgelegen kamer is na de restauratie ingericht als kamer voor een wethouder. De ruimte is na 1996 berging van de keuken geworden (afb. 87). Waagzaal (ruimte 3.07)
Dwars tegen de noordzijde van de verdieping is na de restauratie de ruimte voor de registratuur ingericht (afb. 88). Deze ruimte is na 1996 ingericht als vergaderlokaal, waarbij de deur naar de gang is gewijzigd in een schuifdeur, voorzien van een nieuwe omtimmering en handgreep. St. Janszaal (ruimte 3.08)
Aan de oostzijde van het noordelijke deel is na de restauratie de ruimte voor de typisten ingericht (afb. 89). Ook hier is de deur na de ombouw tot vergaderlokaal gewijzigd in een schuifdeur. Net als in de Waagzaal zijn de betonnen balken van een beschilderde decoratie voorzien. In de St. Janszaal zijn de plafondvlakken in 1967 afgewerkt met akoestische tegels (afb. 90). Beide zalen waren voorzien van (een niet meer werkend) afzuigsysteem met rooster boven de deur en kanalen boven de gang. Gang (ruimte 3.09)
De middengang in het noordelijke deel van de verdieping behoort tot de geheel nieuwe indeling van na de restauratie. Uit de lichtheid en ruimtelijkheid, ondanks de vrij geringe hoogte spreekt een voor die tijd kenmerkend optimistisch, modern en zakelijk karakter (afb. 91). Hierbij passen ook de colovinyl-tegels op de vloer; een typische vloerbedekking uit de tijd van de restauratie (afb. 92). Garderobe (ruimte 3.11)
De garderobe, die voor de restauratie als kamer voor het kadaster in gebruik was, bestaat uit een heren- en een damestoilet, ieder met een portaal en gezamenlijk met een voorruimte waarin een aantal kasten uit de tijd van de restauratie is aangebracht (de bovenkasten zijn van later tijd) (afb. 93). Opmerkelijk is het feit dat hier, maar ook op andere plekken, in de bovenlichten van de gotiserende houten kruiskozijnen klepramen zijn aangebracht (afb. 94). Deze beweegbare delen zijn in 1952 geleverd door de firma Duchateau uit Schiedam. Kapverdieping De kapverdieping is pas bij de restauratie van 1947-1952 goed toegankelijk gemaakt en ingericht. Op de opmetingstekening van 1877 (afb. 4) staat een houten wenteltrap afgebeeld die van de bodewoning voert naar de zolder net noordelijk van de gevelto-
25
BUREAU VOOR BOUWHISTORIE EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIS
|
STADHUIS GOUDA
ren. De enorme zolder, die vermoedelijk enkel voor opslag dienst deed, kreeg licht via de beide dakkapellen in het midden en via de vensters in de achtergevel. In de nieuwe situatie is een nieuwe (betonnen) trap aangebracht halverwege de oostgevel onder de dakkapel uit 1628 (afb. 95). De trap met bordes kwam uit op de hal boven (afb. 96). De balustrade is op eenzelfde wijze vormgegeven als op de verdieping. Aan de zijwand is de leuning aangebracht in een marmeren ‘goot’, een kenmerkend zorgvuldig detail van de restauratiearchitect (afb. 97). Raadzaal (ruimte 4.01)