CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 16 2023-02-21 31382 RO Mees ROB.pdf

Raadsvergadering 17 mei 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (vvgb): realiseren distributiecentrum Nieuwe Gouwe OZ 4034.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Niet alleen het woon-werkverkeer, maar ook het vrijetijdsverkeer. Het verkeerscirculatieplan ervaart de volgende punten als belangrijk:

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 26

    

Verbeteren van leefbaarheid en gezondheid: onder andere door het verminderen van doorgaand verkeer via de singels en door woonstraten, het verbeteren van de luchtkwaliteit en de verkeersveiligheid en het verminderen van geluidshinder. Binnenstad aantrekkelijker maken: onder andere door minder verkeer via de binnenstad en de woonstraten en het toevoegen van meer groen en ruimte om elkaar te ontmoeten. Duurzaam vervoer verbeteren: door maatregelen die leiden tot meer gebruik van de fiets, door inzetten op een duurzaam wagenpark (bijvoorbeeld door het vermeerderen van het aantal laadpalen voor elektrische auto’s) en door het aantrekkelijker maken van het openbaar vervoer. Verbeteren van de bereikbaarheid voor zaken en werk: onder meer door het verbeteren van de doorstroming op de hoofdroutes, betere bereikbaarheid van parkeergarages en bedrijventerreinen. Haalbaarheid: uiteraard wordt ook gekeken naar de haalbaarheid van allerlei maatregelen. Is er geld voor? Kan het stapsgewijs worden uitgevoerd? En staat de samenleving voldoende achter de acties die bij de uitvoering van het Mobiliteitsplan horen.

3.4.5.1 Conclusie De projectlocatie is gelegen in een gebied dat goed bereikbaar is voor zowel gemotoriseerd als langzaam verkeer. In paragraaf 4.11 wordt ingegaan op hoe er wordt omgegaan met de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse van de projectlocatie.

Structuurvisie Groen In december 2017 heeft de gemeenteraad de Beleidsnotitie Groen, groener, Gouda vastgesteld. Daarin is opgenomen dat Gouda bij planontwikkelingen randvoorwaarden wil meegeven voor te realiseren groen. Het doel is het vergroten van openbaar groen; het doel vanuit klimaatadaptie is het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten, en wateroverlast en hittestress te verminderen. Daarnaast heeft de gemeenteraad op 6 maart 2019 de Structuurvisie Groen vastgesteld. In de Structuurvisie Groen legt de gemeente Gouda haar visie vast voor behoud en aanleg van (openbaar) groen in de gemeente. Doel is dat bestaand openbaar groen en water behouden blijft en dat bij nieuwe planontwikkelingen 15% openbaar groen gerealiseerd dient te worden. De structuurvisie beschrijft de wijze waarop deze doelstellingen bereikt kunnen worden. In de structuurvisie zijn de volgende regels opgenomen: 1. De oppervlakte bestaand openbaar groen en water en het aantal bestaande bomen worden ten minste behouden. 2. Bij planontwikkelingen dient een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden.

Het project is als volgt gedefinieerd: het totale oppervlakte waar een planontwikkeling plaatsvindt en waar bouwwerken, wegen (openbaar en privaat), groen (openbaar en privaat) en water (openbaar en privaat) onderdeel van uitmaken. 3. Als het niet haalbaar lijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen. dan is het mogelijk: a. binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen; b. de opgave voor openbaar groen te realiseren op andere locaties in dezelfde wijk als waarin het projectgebied ligt. Het te realiseren openbaar groen buiten het projectgebied dient binnen een jaar na oplevering van het projectgebied te zijn aangelegd. Compenserende maatregelen zijn mogelijk tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 27

4. Voor iedere niet gerealiseerde of gecompenseerde vierkante meter openbaar groen is een compensatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd van €250,- per m2 (prijspeil 2019). Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de Grond-, weg- en waterbouwindex uit het Meerjarenperspectief Grondexploitaties. 5. Het college heeft de bevoegdheid te besluiten tot ontheffing of afwijking van de beleidsregels 2, 3 en 4, indien toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 3.4.6.1 Relatie tot ontwikkeling 1. Huidige situatie De projectlocatie heeft een oppervlakte van 40.559 m2 bvo. In de huidige situatie is het terrein grotendeels braakliggend. Van openbaar groen is geen sprake, aangezien het terrein in principe alleen toegankelijk is voor bezoekers van het terrein via de bestaande in- en uitrit. Ter plaatse van de locatie zijn een aantal bomen en een watergang aanwezig. Opgemerkt wordt dat volgens het vigerende bestemmingsplan de gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ tot ten hoogste 75 % mogen worden bebouwd. Artikel 3.3 onder b van de planregels biedt echter de mogelijkheid om het bebouwingspercentage te verhogen naar 80%. Daarnaast is ter plaatse van de bestemming ‘Kantoor’ ook reeds bebouwing toegestaan. Dit betekent dat volgens het vigerende bestemmingsplan reeds een groot deel van het projectgebied mag worden bebouwd. Het huidige aantal bomen blijft behouden.

Hier wordt in de volgende paragraaf nader op ingegaan. In paragraaf 4.12 wordt nader ingegaan op het aanwezige oppervlaktewater. In deze paragraaf is toegelicht dat wordt zorggedragen dat het oppervlaktewater dat wordt gedempt wordt gecompenseerd. Hiervoor het hoogheemraadschap reeds een vergunning verleend. 2. Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt ter plaatse van de projectlocatie een distributiecentrum gerealiseerd. Vanwege een toekomstbestendige bedrijfsvoering van een distributiecentrum én te kunnen voorzien in een kwalitatief hoogwaardig bedrijf is een footprint van circa 24.258 m2 nodig en is het benodigd te voorzien in 20 laaddocks. Daarnaast is het ten behoeve van de alternatieve aanwendbaarheid benodigd om circa 1.700 m2 aan kantoorruimte te realiseren, zodat ter plaatse ook kan worden gewerkt. Voorgaande resulteert in dit geval in een gebouw met een oppervlakte van 27.776 m2. Bij planontwikkelingen dient een oppervlak van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden. Dit betekent voor de beoogde ontwikkeling dat voorzien dient te worden in 6.084 m2 openbaar groen. Door de initiatiefnemer is geprobeerd om 15% van het terrein groen in te vullen.

In dit kader wordt opgemerkt dat rekening is gehouden met de volgende uitgangspunten om ervoor te zorgen dat sprake is van een goed functionerend distributiecentrum op de locatie alsmede in de omgeving én zoveel mogelijk in groen kan worden voorzien. Hierna wordt dit nader toegelicht Gemaakte keuzes binnen de projectlocatie De parkeernorm is op basis van ervaringscijfers voor vergelijkbare activiteiten naar beneden bijgesteld (zie ook paragraaf 4.11). Door te zorgen dat het aantal te realiseren parkeerplaatsen aansluit bij de daadwerkelijk te verwachten parkeerbehoefte kan in minder verharding worden voorzien en in meer groen. De benodigde parkeerplaatsen zijn nodig voor het parkeren van personenauto’s. Deze parkeerplaatsen worden van zoveel mogelijk groen voorzien. Dit geldt ook voor de aanwezige loop- en fietspaden. In vergelijkbare situaties is veelal een looppad rondom het pand aanwezig. Vanwege de randvoorwaarden uit de Structuurvisie groen is besloten deze strook daadkrachtig uit te voeren, maar niet te voorzien van verharding.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 28

-

Het ontwerp voorziet niet in een verhard entreeplein voor de ingang. Er is minimaal gebruik gemaakt van bestrating, zodat er zoveel mogelijk groen gecreëerd kan worden.

Gemaakte keuzes met betrekking tot de omgeving Op advies van Goudappel Coffeng wordt voorzien in 1 in/uitrit voor vrachtverkeer en 1 in/uitrit voor personenverkeer. De routing voor het personenverkeer vindt plaats vanaf de Hanzeweg en het vrachtverkeer vanaf de Nieuwe Gouwe O.Z. Ten behoeve van het goed functioneren van het distributiecentrum is dockruimte benodigd. Aangezien deze docks worden gebruikt door vrachtwagens en deze voldoende moeten kunnen draaien is in het huidige ontwerp circa 40 meter aan voorterrein verhard en is sprake van een uitdraaivlak rechts op de kavel. Ter plaatse van de in/uitrit is ruimte gecreëerd voor het opstellen van één vrachtwagencombinatie op eigen terrein voordat het fietspad wordt gekruist. Dit zorgt voor een overzichtelijke situatie vanaf het terrein richting de openbare weg. Alsook bij het betreden van het terrein en het aanmelden. Dit rangeerterrein wordt zwaar belast aangezien dit deel wordt gebruikt door vrachtwagens. Ook zullen zij daar moeten draaien. Om ervoor te zorgen dat dit gebruik mogelijk is en blijft zal dit deel van de projectlocatie met H-klinkers of beton worden uitgevoerd. De definitieve keuze voor het toe te passen materiaal volgt na de zettingsberekening. Met voorgaande overwegingen wordt op maaiveld voorzien in 5.775 m2 groen. Dit is 14,2% van het totale oppervlakte van de projectlocatie.

Daarmee wordt de doelstelling van 15% voor 95% gehaald. Aangezien het bestaande bedrijventerrein in de beoogde situatie wordt ingevuld ten behoeve van een distributiecentrum met bijbehorende kantoorfuncties en de parkeerplekken in combinatie met de specifieke ligging van de ontwikkeling (het terrein wordt slechts ontsloten door een in- en uitrit en maakt niet direct onderdeel uit van een openbare wandel/fietsroute) is het niet mogelijk om te voorzien in de gewenste hoeveelheid openbaar groen. Er wordt echter wel degelijk in meer groen voorzien. In de volgende paragraaf wordt dit nader toegelicht. 3. Compensatie Zoals hiervoor aangegeven wordt in de beoogde situatie voorzien in 5.775 m2 groen. Daarnaast wordt het terrein ingericht met halfverharding, wordt voorzien in een groen sedumdak en een groene gevel. Op deze manier wordt op maaiveldniveau direct 95% van de gewenste 15% groen gerealiseerd. Rekening houdend met de te realiseren halfverharding wordt op maaiveldniveau voldaan aan de eis van 15%. In tabel 2 is dit nader toegelicht en in figuur 16 is een en ander op de inrichtingstekening weergeven. Daaruit volgt dat rekening houdend met de rekenregels die horen bij de compensatiemogelijkheden op de projectlocatie wordt voorzien in ruim 20% groen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de regels van de structuurvisie.

De beoogde invulling zal een kwalitatieve verbetering zijn ten opzichte van het groen dat in huidige situatie aanwezig is. Daarbij wordt het aanzicht vanaf het nabijgelegen fietspad verbeterd door de groene omzoming van het projectgebied en kunnen werknemers gebruik maken van het aanwezige groen, zodat ze hier tijdens werktijd kunnen verblijven. Daarmee heeft de invulling van dit deel van de projectlocatie wel degelijk een openbaar karakter. In het kader van klimaatadaptatie worden overigens ook andere maatregelen gerealiseerd die een positieve bijdrage leveren aan de doelstellingen van het groenbeleid (zie ook paragraaf 3.2.2).

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 29

Tabel 2. Toelichting invulling groen ter plaatse van de projectlocatie Totaal opp. in m2

Verhouding tov openbaar groen

m2 tbv berekening

5.775

1:1

5775,0

Halfverharding

3.974

1:10

608,4

Groendak (sedum)

1.900

1:3

1900,0

Groengevel

1.526

1:10

608,4

Type afwerking Groen

Compenserende maatregelen

8.283,4 Percentage groenopgave

20,42%

Figuur 16. Inrichtingstekening (Bron: Heembouw, d.d. 27 juli 2022)

Opgemerkt wordt dat reeds een aantal bomen zijn gekapt. Dit betreft drie vergunningplichtige en zeven bomen die niet kapvergunningplichtig zijn (zie ook figuur 17). In de beoogde situatie worden 35 bomen ter plaatse van de projectlocatie toegevoegd (zie figuur 16), zodat in de beoogde situatie sprake is van een toename van de ter plaatse aanwezige bomen. Daarnaast zal, mede vanwege het dempen van oppervlakte water en het toevoegen van verhard oppervlakte, ter plaatse van het projectgebied worden voorzien in wateroppervlak. Hier wordt in paragraaf 4.12 nader op ingegaan.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 30

Figuur 17. Toelichting kappen bomen

3.4.6.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels die in de Structuurvisie Groen zijn opgenomen.

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent welstand De gemeente Gouda kiest in de formulering van het Welstandsbeleid door middel van toetsingscriteria voor een meervoudige aanpak. Gouda is verdeeld in verschillende gebieden met verschillende toetsingsregimes. Deze variëren van welkstandsvrij via (zeer) beperkt toezicht naar regulier toezicht. Per gebied zijn gedetailleerde toetsingscriteria beschreven waaraan bouwaanvragen en principeplannen getoetst kunnen worden. Daarnaast zijn er meer algemene uitgangspunten en algemene criteria beschreven waarop bouwplannen worden beoordeeld. Langs deze weg wordt stapsgewijs van breed naar gedetailleerd de toetsing afgelopen. Voor een aantal gebieden vindt toetsing uitsluitend plaats aan de algemene criteria en voor andere gebieden is dit vanwege de aard van de bebouwing veel specifieker. 3.4.7.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is conform het ‘Overzicht welstandsbeleid Gouda’ gelegen in gebied A, type 22 (bedrijventerreinen, industrieterreinen, volkstuinen en standplaatsen). Een uitsnede van deze kaart is weergegeven in figuur 18. Dergelijke gebieden zijn vrijgesteld van welstandstoezicht voor alle plannen, met uitzondering van de specifieke welstandscriteria voor reclame. Deze criteria zijn opgenomen in tabel 3.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 31

Figuur 18. Totaal aantal banen per bedrijventerrein 2009-2019 (bron: Bedrijventerreinen visie Gouda 2021-2030)

Tabel 3. Vigerende welstandsregels ter plaatse van de projectlocatie (bron: Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent welstand) Specifieke welstandscriteria - reclames Algemeen:  De reclame mag niet in strijd zijn met de Nederlandse reclamecode.  Een beroep op reeds bestaande reclame die niet aan de richtlijnen voldoet zal niet worden aanvaard.  Bij wijziging en verwijdering van de reclame vervalt de oude vergunning en dient een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.  Reclame is, op enkele uitzonderingen na als geregeld in de APV, vergunningplichtig.  Onder reclame wordt verstaan: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, waarmee kennelijk wordt beoogd een commercieel belang te dienen. Reclame kan een ontsierende werking hebben, dit geldt in Gouda met name voor haar historisch waardevolle panden en het beschermd stadsgezicht. De schoonheid van de gevels wordt aan het zicht onttrokken en het straatbeeld en de karakteristiek van het stadsgezicht worden verstoord Reclames en naamsaanduidingen los van een gebouw:  De vrijstaande reclame moet voldoen aan het gebiedsgerichte beoordelingskader van het gebied waar deze geplaatst wordt.  Voor deze reclames geldt: overdaad schaadt.

 In een kleinschalige omgeving, zoals buurtwinkelcentra, mag het oppervlak van de reclame-uiting alzijdig gemeten maximaal 2 m2 bedragen.  De reclame mag de waarden van beschermde monumenten of het beschermde stadsgezicht niet aantasten.  Reclame moet een directe relatie hebben met het gebruik van de activiteiten op het perceel waar deze geplaatst wordt. Lichtreclames:  LED-reclames zijn toegestaan op basis van een verlichtingsplan dat voldoet aan de kaders van de Richtlijn Lichthinder van de NSVV.  Knipperende lichtreclames zijn niet toegestaan.  De plaats en (hoogte-)maatvoering wordt door middel van stedenbouwkundige voorschriften begrensd. De verkeersveiligheid en de vrije hoogte boven de openbare weg behoren bij het afwegingskader van de APV. Reclames en naamsaanduidingen op/aan een gebouw:  Reclame moet bij nieuwbouw en verbouw een geïntegreerd onderdeel uitmaken van het ontwerp.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 32

              

Binnenreclames kunnen zonder vergunning worden aangebracht. Hierbij geldt echter dat deze reclames slechts zijn toegestaan wanneer de afmeting, hoeveelheid, vorm en kleur zodanig zijn dat er geen sprake is van ontsiering. Het beplakken van ramen kan worden gezien als reclame, waarbij het beplakken van ramen op verdiepingsniveau niet is toegestaan. Voor reclameobjecten op monumenten prevaleren de monumentenvoorschriften. Tijdelijke reclame, in welke vorm dan ook, is slechts toegestaan wanneer de afmetingen, hoeveelheid. vorm en kleur zodanig zijn dat er geen sprake is van ontsiering. Standaardreclame van winkelketens wordt niet zondermeer geaccepteerd. Deze reclame dient in afmeting, vorm en kleur te worden aangepast aan de architectuur van het pand en de (historische) omgeving. Per pand gelden de volgende afmetingen: buiten de gevel uitstekende reclame maximaal 0,5 m2, tegen de gevel aangebrachte elementen als schilden, bakken en borden maximaal 0,75 m2 met een maximale lengte van 2,5 m. Losse letters genieten de voorkeur, waarbij de uitvoering wel in juiste verhouding moet zijn met de gevel waarop zij worden aangebracht. Het oppervlak van de rechthoekige begrenzing van de letters mag maximaal 1 m2 zijn, de lengte maximaal 2,5 m en de hoogte maximaal 0,5 m. Met de toepassing van kleur bij reclame in de binnenstad en haar randen moet zorgvuldig worden omgegaan.

De bovenzijde van de reclame, in welke vorm dan ook niet hoger dan 5 m boven de straat en niet hoger dan de onderzijde van de kozijnen op de eerste verdieping. De dikte van reclame-elementen maximaal 0,2 m. Reclame-elementen mogen niet meer dan 0,7 m uit de gevel steken. Reclame dient een relatie te hebben met de activiteiten in het pand. Het herhalen van reclameaanduiding (tekst of afbeelding) aan een gevel is niet toegestaan. Reclamevlaggen en/of banieren worden beschouwd en beoordeeld als onderdeel van de totale hoeveelheid toegestane uit de gevel stekende reclame. Op de Markt en de Wijdtsraat zijn lichtbakken niet toegestaan. In plaats daarvan kunnen losse letters (verlicht of onverlicht) of uithangborden worden toegepast.

Bij het beoogde ontwerp wordt rekening gehouden met het van toepassing zijnde welstandsbeleid, zodat hieraan zal worden voldaan. 3.4.7.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels zoals gesteld in het Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent welstand.

Uitvoeringsprogramma duurzame ontwikkeling Gouda 2020 De lange termijn doelen uit het uitvoeringsprogramma luiden als volgt: - In 2050 is Gouda zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust ingericht - In 2020 is klimaatbestendig en waterrobuust inrichten onderdeel van beleid en handelen Specifiek voor de ontwikkelingen vallend onder de noemer ‘Economie’ is het volgende benoemd om deze lange termijn doelen te behalen:

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 33

3.4.8.1 Relatie tot ontwikkeling In de paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en in de volgende paragraaf wordt ingegaan op de economische agenda. Daaruit volgt dat zoveel mogelijk bij de uitgangspunten van beide beleidsnota’s wordt aangesloten. 3.4.8.2 Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van het uitvoeringsprogramma duurzaamheid.

Economische agenda Gouda 2021 In de Economische agenda Gouda 2021 is een actieprogramma opgenomen. Een van de hoofdopgaven uit het actieprogramma is ‘innovatieve oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken’. Hieronder valt onder meer het thema ‘energietransitie en klimaatadaptatie’. Enkele actiepunten die in het beleid zijn opgenomen zijn: 35% benutting van het beschikbare oppervlak van bedrijfsdaken voor zon PV. Activeren MKB/bedrijfsleven om energie te besparen in het kader van WMB-doel 80% per 2025. 3.4.9.1 Relatie tot ontwikkeling Met de beoogde ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen van de economische agenda door het kantoor te voorzien van een thermische schil (Beng -1), het dak voor te bereiden op het plaatsen van zonnepanelen. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat 61 PV panelen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt gestreefd naar BREEAM- score Very Good. Voor de overige klimaatadaptieve maatregelen wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. 3.4.9.2 Conclusie De boogde ontwikkeling sluit aan bij de opgaven uit de economische agenda.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 34

4

OMGEVINGSASPECTEN MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:  

Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6 van het Bro: 

Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 35

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat de realisatie van een distributiecentrum met bijbehorende kantoorfuncties en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Ter plaatse is grotendeels reeds een distributiecentrum toegestaan. Alleen voor zover het distributiecentrum zich ter plaatse van de bestemming ‘Water’ en ‘Kantoor’ bevindt is dit nog niet toegestaan. Aangezien het ter plaatse van deze bestemmingen minder dan 500 m2 aan bebouwing ten behoeve van het distributiecentrum wordt gerealiseerd betreft de ontwikkeling geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het gebied ten noorden van Rotterdam (A-12 corridor) in korte tijd is uitgegroeid tot een belangrijke logistieke hotspot. Waar het gebied ten zuiden van de Maas vooral gericht is op haven gerelateerde activiteiten, kende het gebied rond de snelwegen A12 / A4 Noord een versnelde groei doordat de groei van E-commerce een grote impuls gaf aan de business-to-consumer (B2C) leveringen.

Covid-19 heeft deze ontwikkeling bovendien een boost gegeven en de verwachting is dat de E-commerce de komende jaren alleen nog maar verder zal groeien. De gunstige liggen van de A12 corridor, centraal in de randstad met goede infrastructuur naar de diverse grote steden, heeft voor de snelle groei gezorgd van Ecommerce bedrijven die zich hier hebben gevestigd. Niet voor niets is het gebied opgenomen in de ranglijst van Logistieke Hotspots van Nederland. Binnen een straal van 30 km zijn circa 3,5 miljoen consumenten te bereiken en binnen een straal van 50 km zelfs 5 miljoen. Ruim 50% van de totale voorraad aan logistiek vastgoed is in de afgelopen 3 tot 5 jaar ontwikkeld, wat ertoe heeft geleid dat vrijwel alle greenfields in het gebied tussen Den Haag en Waddinxveen ontwikkeld zijn voor logistieke doeleinden. Nieuwe locaties zijn tegenwoordig nauwelijks meer beschikbaar en het is niet te verwachten dat op korte termijn nieuwe grond door gemeenten wordt uitgegeven. Bovendien is binnen de huidige voorraad van nieuw hoogwaardig logistiek vastgoed in het gebied, vrijwel niets beschikbaar. Uitsluitend op distripark Doelwijk (Waddinxveen) zijn momenteel enkele (oudere) panden beschikbaar, maar de verwachting is dat deze desondanks ook snel zullen zijn verhuurd. Aan de andere kant blijft er vraag naar gebruikers in deze regio.

Een ontwikkeling thans is beoogd op een prominente locatie in Gouda nabij de snelweg, wordt gezien als een waardevolle en uitstekende toevoeging aan het gebied.

Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is met succes doorlopen.

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 36

richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

Relatie tot ontwikkeling Archeologie Conform bestemmingsplan “Goudse Poort” geldt er ter plaatse van de projectlocatie deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarde. Indien een omgevingsvergunning activiteit archeologie als bedoeld in de Verordening inzake monumenten en archeologie noodzakelijk is, mag het bouwen ten dienste van de van de andere voorkomende bestemming uitsluitend geschieden nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning heeft verleend. De Archeologische beleidskaart (figuur 19) van de gemeente Gouda geeft aan dat ter plaatse van de projectlocatie deels een lage en deels een hoge verwachting vanaf 0,5 meter beneden maaiveld aanwezig is. Voor de hoge verwachting geldt dat er een archeologievergunning benodigd is voor projecten groter dan 100 m2 waarvan de bodemverstorende ingrepen dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld. Voor de gronden met een lage verwachting geldt dat er een archeologievergunning benodigd is voor projecten groter dan 10.000 m2 waarvan de bodemverstorende ingrepen dieper reiken dan 0,5 m beneden maaiveld. Figuur 19. Archeologische beleidskaart gemeente Gouda (bron: gemeente Gouda)

Aangezien met de beoogde ontwikkeling de van toepassing zijnde drempelwaarden worden overschreden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat het projectgebied gelegen is in het veengebied, nabij het veenriviertje de Gouwe dat vanaf ongeveer 145 na Chr. zorgde voor drainage naar de Hollandse IJssel. De oevers van de Gouwe kunnen vanaf het ontstaan er van geschikt zijn geweest voor bewoning. Hier zouden dus bewoningsresten vanaf de Romeinse tijd voor kunnen komen. Deze zouden

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 37

zich kunnen bevinden in de top van het veen of op de oeverafzettingen langs de rivier. Doordat de Gouwe een veenrivier is, vervoerde deze geen sediment en zal er geen sprake zijn van oeverwallen. Wel kan er incidenteel klei zijn afgezet bij overstromingen vanuit de Hollandse IJssel. Waarschijnlijk lagen zowel de loop van de Gouwe als de oevers daarvan niet binnen het huidige plangebied. Het kaartmateriaal vanaf de 17e eeuw wijst er op dat er gedurende de Nieuwe tijd zeker bebouwing stond op de oevers van de Gouwe, voornamelijk ten zuiden van de projectlocatie. Mogelijk lag een deel van de bijgebouwen van een boerderij langs de Gouwe binnen het projectgebied. Het projectgebied ligt binnen de ontginning Bloemendaal, die dateert uit de 12e-14e eeuw. De Archeologische Basiskaart geeft in het plangebied een middeleeuwse kade weer waarlangs bebouwing voor zou kunnen komen. Deze kade zou liggen ter plaatse van een sloot die op het minuutplan als vaarsloot staat aangegeven. Deze vaarsloot staat op het oudste kaartmateriaal echter niet aangegeven. Wel aangegeven is de molensloot, die iets ten zuidoosten van de vaarsloot ligt, ter plaatse van de zuidoostgrens van het plangebied. Het historisch kaartmateriaal geeft een weg en bebouwing weer ten zuidoosten van de molensloot, buiten het plangebied.

In de 20e eeuw is het projectgebied bebouwd met een fabriek, waarvoor waarschijnlijk een zandpakket is opgebracht. De dikte van dit zandpakket wordt geschat op ongeveer 1,5 tot 2,5 m, maar dit is niet in het plangebied vastgesteld. Recent is de fabriek gesloopt, waarbij de funderingen volledig zijn verwijderd. Tevens heeft grondverbetering plaatsgevonden tot minimaal 2 m -mv. De kans dat in het projectgebied nog archeologische resten aanwezig zijn, is klein. IDDS Archeologie adviseert om het projectgebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Cultuurhistorie Ter plaatse van de projectlocatie is geen sprake van beschermde rijks- of gemeentelijke monumenten. De projectlocatie maakt tevens geen deel uit van een rijks- of gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Het aspect cultuurhistorie vraagt derhalve niet om extra aandacht en vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.

Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 38

Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Kantoor’, ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Water’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Bedrijf’, ‘Detailhandel – Perifeer’, ‘Kantoor’, en ‘Wonen’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van gemengd gebied. De projectlocatie is gelegen op het bedrijventerrein “Goudse Poort”. Het voorgenomen initiatief betreft de realisatie van een distributiecentrum met kantoorruimten en bijbehorende voorzieningen. Hiermee worden geen hindergevoelige functies toegevoegd, waardoor de omliggende bedrijvigheid niet wordt beperkt in hun bedrijfsvoering. De bedrijfsbebouwing wordt daarentegen wel gerealiseerd in de nabijheid van een woning. De woning is gelegen op een afstand van circa 75 meter vanaf de rand van de bedrijfsbestemming. Conform richtafstandenlijst van de VNG valt een distributiecentrum onder de categorie ‘Distributiecentra, pak- en koelhuizen’ (SBI-code 2008 52102, 52109). Dergelijke bedrijven hebben de milieucategorie 3.1 toegewezen gekregen. Vanwege de ligging in gemengd gebied kan de richtafstand met één stap worden verlaagd naar 30 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Dit geldt ook voor de kantoorruimte. Kantoren vallen onder de categorie ‘Overige zakelijke dienstverlening: kantoren’ (SBI-code 2008 63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82).

Dergelijke bedrijven hebben de milieucategorie 1 toegewezen gekregen. Vanwege de ligging in gemengd gebied kan de richtafstand met één stap worden verlaagd naar 0 meter. Dit vraagt dan ook niet om nadere aandacht.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 39

De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling In de periode van 4 tot 19 november en op 11 december 2019 heeft Arnicon een actualiserend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek (RAPPORT C19-391-O, d.d. 14 januari 2020) in de bodem ter plaatse van de Nieuwe Gouwe Oostzijde 40 en Hanzeweg 5 te Gouda uitgevoerd. De locatie wordt kadastraal aangeduid als gemeente Gouda, sectie M, nummers 4491, 4789 en 4790. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘verdacht’ voor bodemverontreiniging met asbest verworpen dient te worden. Op de locatie is geen asbest waargenomen noch aangetoond. Op twee deellocaties van perceel 4491 is nog sprake van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie. De totale hoeveelheid boven de tussenwaarde met minerale olie verontreinigde grond wordt geschat op 750 m3. Deze grond is tevens sterk verontreinigd met zware metalen en PAK en bevat veel bijmengingen als sintels, slakken, puin en grind. Het grondwater is niet tot plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie. Beide verontreinigingen worden derhalve als niet mobiel aangemerkt. Op deellocatie 10 is in het grondwater een overschrijding van de interventiewaarde aangetoond voor barium. Er zijn geen overschrijdingen van de Tijdelijke Landelijke Achtergrondwaarden voor PFAS aangetoond. Wel is er lokaal een sterke verontreiniging met PCB in de bovengrond aangetoond.

De omvang hiervan wordt op basis van nader onderzoek geschat op minder dan 10 m3. Voor perceel 4491 geldt tevens dat met name op het noordoostelijke deel van het terrein (bouwdeel van 1971 en aangrenzend deel buitenterrein) veel bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen tot plaatselijk 2,5 meter beneden maaiveld. Mede in combinatie hiermee zijn sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK aangetoond, op dit terreindeel in de ondergrond en lokaal (diverse plaatsen) in de bovengrond. Voor het overige voldoet de bovengrond op het perceel in het algemeen aan de klasse industrie (licht verontreinigd), is de ondergrond van het buitenterrein matig tot sterk verontreinigd en de bodem onder de voormalige bebouwing van 1944 tot 1952 niet tot licht verontreinigd. In het grondwater kom barium licht verhoogd voor. Op de percelen 4789 en 4790 is een geroerd bodemprofiel aangetroffen, met ophoogzand, polystyreenblokken, venige klei in de bovengrond en zand in de ondergrond. De grond is niet verontreinigd. In het grondwater komt barium licht verhoogd voor. De verontreinigingssituatie op perceel 4491 vereist saneringsmaatregelen om de locatie geschikt te maken voor de nieuwe bedrijfsbestemming. De percelen 4789 en 4790 zijn op basis van de bodemkwaliteit geschikt voor de beoogde bestemming.

Aanbevolen wordt om de twee ernstige verontreinigingen met minerale olie door middel van ontgraven te verwijderen. Gezien de aanwezigheid van meerdere lichte verontreinigingen met minerale olie elders op het terrein wordt aanbevolen de tussenwaarde aan te houden als terugsaneerwaarde. In verband hiermee kan niet worden volstaan met een BUS-melding en dient een saneringsplan te worden opgesteld, dat ter beoordeling dient te worden ingediend bij het bevoegd gezag (OMDH, namens de provincie Zuid-Holland). Tevens wordt aanbevolen de sterke verontreiniging met PCB te verwijderen, zodat voorkomen wordt dat deze tijdens de herinrichting wordt verspreidt. Voor de overige verontreinigingen is isolatie de meest geschikte saneringsmethode, eventueel in combinatie met gedeeltelijke verwijdering ten behoeve van het aanbrengen van schone zandcunetten. Het terrein is inmiddels gesaneerd, zodat dit verder niet om aandacht vraagt.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 40

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat:  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting;  Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;  Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute;  Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 41

Figuur 20. Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving).

Vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg en de nabijgelegen aardgasbuisleiding is AVIV een extern veiligheidsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Daaruit volgt dat: - A12: De A12 kent een plasbrandaandachtsgebied, maar de projectlocatie ligt hier ruimschoots buiten. Dit geldt ook voor het plaatsgebonden risico, zodat dit eveneens geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Daarnaast is het groepsrisico in zowel de huidige as de toekomstige kleiner dan de oriëntatiewaarde. Omdat de toename na planrealisatie minder is dan 10% kan de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. - N-wegen. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het projectgebied. Het groepsrisico is in zowel de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. - Aardgasbuisleiding. Het projectgebied ligt buiten de belemmeringenstrook van W-501-03. De kortste afstand tussen het projectgebied en W-501-01 bedraagt ca. 4 m. Met de invulling van het projectgebied moet er rekening mee gehouden dat er geen bouwwerken worden opgericht binnen de belemmeringenstrook. Bij de hogedruk aardgasleidingen W-501-01 en W-503-01 is geen sprake van een PR10-6 contour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Het groepsrisico van de aardgasleidingen W-501-01 en W-503-01 is zowel in de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico In het onderzoek externe veiligheid is toegelicht hoeveel personen ter plaatse naar verwachting aanwezig zullen zijn. Verwacht wordt dat voornamelijk zelfredzame personen ter plaatse van het projectgebied aanwezig zullen zijn. Gezien voorgaande zal geen sprake zijn van een hoge concentratie van “verminderd zelfredzame” personen. In het ontwerp zal rekening gehouden worden met vluchtwegen en ontsnappingsmogelijkheden voor aanwezige personen. Via de noordoostzijde wordt het mogelijk om via twee doorgangen te vluchten naar de Kamperingweg. Daarnaast wordt voorzien in voldoende bluswatervoorzieningen. In dat kader worden inpandig worden voorzieningen aangebracht voor de bestrijding van brand, zodat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden. Dor de brandweer kan het bluswater van de sprinklerinstallatie worden onttrokken. Ook uitpandig wordt ervoor zorggedragen dat wordt voorzien in

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 42

toereikende openbare of niet openbare bluswatervoorzieningen. Zo zal bijvoorbeeld nabij de docks een bluswatervoorziening aanwezig zijn met een minimale capaciteit van 60 m3 per uur. Als secundaire bluswatervoorziening is het omringend openbaar water beschikbaar als bluswater. Dit is reeds besproken met het hoogheemraadschap. Opgemerkt wordt dat de nadere uitwerking van het plan (inclusief de uitwerking van bluswatervoorzieningen) plaatsvindt in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor het aspect bouwen. De veiligheidsregio heeft naar aanleiding van de aanvraag met betrekking tot het beoogde bouwplan onder andere het volgende geadviseerd: - Planten en andere vegetatie kunnen met name in droge perioden brandbaar zijn en een brand verspreiden over een groter oppervlak. Gezien de nabijheid van de hogedrukaardgasleiding en daarmee de kans op een fakkelbrand is het niet wenselijk (grote) oppervlakte van het dak uit te voeren als groen dak. Een fakkelbrand kan de uitbreiding door secundaire branden nog verder vergroten. - Het handelingsperspectief van de aanwezigen is bij een toxische wolk en een brand in de omgeving nog niet geborgd. Onduidelijk is of de mechanische ventilatie eenvoudig afschakelbaar is. Voor het scenario toxische wolk wordt geadviseerd het mechanische ventilatiesysteem eenvoudig door het personeel centraal uit te kunnen laten zetten.

Aangezien niet het gehele dak van groen wordt voorzien en de mechanische ventilatie eenvoudig afschakelbaar zal zijn wordt rekening gehouden met voornoemd advies. Daarnaast zal in het bedrijfsnoodplan/BHV-plan aandacht besteed worden aan de scenario’s. Daarnaast is opgemerkt dat in het kader van de omgevingsvergunning reeds afstemming heeft plaatsgevonden over de bereikbaarheid van hulpdiensten en de bluswaterwinning. De resultaten uit dat overleg zullen worden verwerkt in de omgevingsvergunningaanvraag voor het aspect bouwen. .

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 43

Relatie tot ontwikkeling Ter plaatse van de projectlocatie wordt niet voorzien in een geluidsgevoelig object. Opgemerkt wordt dat waar nodig maatregelen zullen worden getroffen, zodat ter plaatse goed kan worden gewerkt; dit is met name relevant voor de kantoorruimtes. In het kader van voorliggende ruimtelijke onderbouwing is formele toetsing aan de wet geluidhinder niet aan de orde en hier wordt dan ook niet nader op ingegaan.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang.

Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen:    

buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.

Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 44

zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband op wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang. De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval.1 De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt.

Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.2 Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.

Conclusie Nabij de projectlocatie is een aardgasbuisleiding aanwezig. Hier is in paragraaf 4.5 reeds op ingegaan. Opgemerkt wordt dat vanwege de beoogde in- en uitrit reeds afstemming plaatsvindt met de Gasunie. Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd zal worden nagegaan of zettingen te verwachten zijn. Indien dat het geval is zullen passende maatregelen worden getroffen, zodat dit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van de projectlocatie is geen sprake van overige planologisch relevante leidingen. De dichtstbijzijnde hoogspanningskabel is op circa 1 kilometer afstand gelegen, ter hoogte van de Groenhovenweg. Het betreft de 50 kV Gouda-Bloemandaalkabel, welke een bedrijfsspanning van 50 kV bevat. Gezien de afstand tot aan de projectlocatie vraagt dit niet om nadere aandacht.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

1

Meer en gedetailleerde informatie over de uitgevoerde onderzoeken en over de conclusies die daaraan worden verbonden, vindt u op de website van het

Kennisplatform Elektromagnetisch Velden (www.kennisplatform.nl ) onder ‘Onderwerpen’>’Hoogspanningslijnen en elektriciteitsvoorziening’. Het Kennisplatform helpt burgers en werknemers wetenschappelijk onderzoek over de relatie tussen magneetvelden en gezondheid te begrijpen en op waarde te schatten en verenigt de kennis van organisaties zoals TNO, DNV GL (voormalig KEMA), GGD en RIVM 222

AbvRS, 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:238

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 45

De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van een distributiecentrum met kantoren. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet één op één kan worden vergeleken. Zoals in paragraaf 4.11 is omschreven is de toekomstige verkeersgeneratie aanzienlijk lager dan verkeersgeneratie behorend bij de voormalige invulling van de projectlocatie, welke volgens het bestemmingsplan nog steeds is toegestaan. De beoogde ontwikkeling zorgt derhalve niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens).

Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 6 juli 2022) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 4. Jaar

Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Totale concentratie rekenpunt 15475486 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

22,5

16,6

8,9

2030

16,8

14,8

7,6

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21382.RO

Pagina | 46

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=69865511-eb94-4244-bd6e-04cf85089d4b