CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 2021-06-15 CCV beheer en onderhoud.pdf

Raadsvergadering 17 mei 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (vvgb): realiseren distributiecentrum Nieuwe Gouwe OZ 4023.774 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dieselmotor gedreven

Dieselmotor aangedreven noodstroomaggregaten voor rechtstreekse schakeling moeten worden beproefd.

noodstroomaggregaat

Er moet een onderhoudsprogramma worden uitgevoerd op alle componenten van de pompset en het dieselmotor gedreven noodstroomaggregaat voor rechtstreekse schakeling, zoals voorgeschreven door de leverancier van de pompset. Voor andere uitvoeringen van noodstroomvoorzieningen moeten op maat gesneden beheerprogramma's worden opgevolgd. In hoofdstuk 8 is het onderhoud aan de dieselmotor omschreven. Het onderhoud aan deze generatorsets vallen buiten dit TB.

2.3

C T

Dieselmotor gedreven sprinklerpomp Digitaal geregeld

Het testen (en inspecteren) van een dieselmotor gedreven sprinklerpomp moet eventuele gebreken in functionaliteit vroegtijdig duidelijk maken zodat acties kunnen worden ondernomen. Een pompset is per definitie een zelfopofferend onderdeel van de brandbeveiligingsinstallatie. Het is niet de bedoeling dat bij testen en inspecties schade ontstaat aan de pompset. Hier worden de aanvullende testen/inspectie werkzaamheden voor digitaal geregelde dieselpompsets beschreven. De back-up ECM moet getest door de hoofd-ECM uit te zetten hetgeen moet leiden tot een alarm. De back-up moet alle functies overnemen zodat bij een volgende start de motor normaal functioneert. Een tweede ECM is niet noodzakelijk en daarom is deze test in veel gevallen niet nodig, met uitzondering van het alarm bij het afschakelen van de ECM. Het losnemen van iedere sensor die verbonden is met de ECM. Deze moeten worden getest door de bedrading van de sensor los te koppelen, waarbij de motor zowel moet blijven functioneren, alsook kunnen starten. Hiertoe moet de achterliggende beveiliging van de sensor zijn uitgeschakeld of de sensor zelf dubbel zijn uitgevoerd. Binnen de werkgroep is gesteld dat enkel de toerentalsensor kritisch is, voor het laten doorlopen van de motor, en daarom dubbel uitgevoerd moet worden. In de praktijk is dit bij alle digitaal geregelde dieselmotoren zo uitgevoerd.

Testen dieselmotoren met enkele ECM Het testen of het wegvallen van de ECM wordt gesignaleerd als storing door de ECM af te zetten. Normaliter kan een ECM niet worden uitgezet. Hiervoor moet de voeding worden losgenomen en zal bij een startpoging een storing via de schakelkast (CAN module) worden gedetecteerd. Check alarmeringen en voedingen. Het testen van de opstartcyclus van de motor door het automatisch, op drukval in de installatie, in laten komen van de pomp.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

32

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken Uitvoeren van capaciteitsmeting, waarbij wordt gecontroleerd of het ingestelde toerental en de speeddroop overeenkomen met de gespecificeerde waarden.

Testen dieselmotoren met dubbele ECM Tests ECM Primary NonCritical Redundant Sensors Sensors Sensors A Primary On On Off Off B Primary On Off Off On C Alternate On Off Off On D Alternate On On Off Off E Alternate On Off On On Ondanks dat 1 ECM acceptabel is worden er toch nog dieselmotoren met dubbele ECM’s geplaatst (NFPA/FM installaties). Testen sensoren Het testen van de sensoren door het signaal vanaf de sensor naar de ECM te onderbreken. De toerentalsensor is dubbel uitgevoerd. Het wegvallen van één van de sensoren mag niet leiden tot het niet blijven lopen van de motor. Het op drukval starten van de pomp bij losgekoppelde toerentalsensoren kan onacceptabele schade aan de startmotor tot gevolg hebben en moet daarom niet worden getest zonder de aanwezigheid van gekwalificeerd personeel van de pompleverancier. Opm. veiligst en eenvoudigst is het los nemen van een van de sensoren voordat de motor gestart wordt. Als de motor aanslaat is gecheckt of deze met de andere sensor zowel start als blijft lopen. Dit kan voor de startmotor geen kwaad, het starten zal wel wat langer duren. De oliedruksensor bij stilstaande en bij draaiende motor. Het wegvallen van het signaal mag niet leiden tot het niet starten respectievelijk het niet blijven lopen van de motor. Opm. Ook hier geldt dat losnemen voor motorstart het veiligst en eenvoudigst is.

Het losnemen van de sensor zal door de ECM als zodanig worden herkend, maar zal in veel gevallen echter geen laag oliedruksignaal generen. Of de oliedrukbeveiliging is uitgeschakeld kan derhalve niet getest worden. Hiervoor zal het signaal “gefaked” moeten worden (met een speciale stekker o.i.d.). De koelwatersensor bij stilstaande en bij draaiende motor. Het wegvallen van het signaal mag niet leiden tot het niet starten respectievelijk het niet blijven lopen van de motor. Opm. Ook hier geldt dat losnemen voor motorstart het veiligst en eenvoudigst is. Het losnemen van de sensor zal door de ECM als zodanig worden herkend, maar zal in sommige gevallen echter geen hoog-koelwatertemperatuur-alarm generen. Of de koelwatertemperatuurbeveiliging is uitgeschakeld kan dan niet getest worden. In dat geval zal het signaal “gefaked” moeten worden. Test of de ECM goed werkt op uitsluitend de secundaire voeding (=dynamo) door het losnemen van beide accu’s en laders. Startpogingen Voor het testen van de startpogingen moet het contact uitgeschakeld blijven, omdat anders de motor aanslaat. Dit kan door het losnemen van het contactrelais, of door een voorziening te maken op de schakelkast (verende drukknop). LET OP: na uitvoeren test nogmaals drukvalstart uitvoeren Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

33

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken Aandachtspunten Het is de bedoeling dat het wegvallen van signalen wordt beproefd door daadwerkelijk de verbinding tussen de sensor en de ECM te onderbreken. Dit mag niet softwarematig worden beproefd. Het kan daarvoor nodig zijn extra voorzieningen aan te brengen op de pompset. Bij omgebouwde pompen (voor drukregeling) moet extra aandacht worden besteed aan de aangebrachte componenten zoals de montage van de verbindingsstang tussen de actuator en de brandstofpomp.

2.4

C OT

Startaccu´s dieselmotoren

Alle door de fabrikant van de accu´s gespecificeerde onderhoudshandelingen moeten worden uitgevoerd. Minstens moet uitgevoerd worden: Meet, bij Lood Zuur accu’s indien mogelijk; het soortelijk gewicht van het elektrolyt. De dichtheid moet minimaal 1,28 kg/l loodzuur zijn. Controleer het vloeistofniveau elektrolyt in de accu's. Controleer of de acculaders de juiste laadspanning/stroom afgeven. Controleren of bij Lood Zuur accu’s de boost-spanning die de acculaders afgeven lager is dan 14,4 V per accu. Controleer gedurende de 6 startpogingen, met behulp van een spanningsmeter, dat de accuspanning boven de 9 Volt per accu blijft. Houd de accu en aansluitingen schoon en droog. Vervangingstermijnen Nikkel-Cadmium baterijen 1. Eerste batterij set vervangen na 10 jaar. 2. Tweede batterij set vervangen na 15 jaar. 3. Hierna een vervangingscyclus van 15 jaar hanteren voor beide sets.

2.5

CT

Dieselmotor gedreven sprinklerpomp Voorzien van drukregeling

Bij een mechanisch geregelde brandstofinjectiepomp met een drukregeling moet getest worden: Losnemen druksensor aan perszijde pomp waardoor de oorspronkelijke pompcurve moet worden gevolgd en er een foutmelding wordt gegenereerd. Losnemen aansturing actuator (bij mechanische motor). Ook hier moet de pomp op de oorspronkelijke curve gaan draaien en moet een foutmelding worden gegenereerd. Vanwege de hoge drukken en toerentallen die bij het uitschakelen van de drukregeling op kunnen treden verdient het aanbeveling deze testen alleen bij goed opgewarmde motor en ingeblokte installatie uit te voeren. In geval van drukregeling gelden bepalingen uit het voorschrift ten aanzien van speed droop niet. Door de regeling zal deze groter zijn dan toegestaan in het voorschrift. Speed droop kan wel bij capaciteiten > 100% gecheckt worden. Tijdens uitvoering capaciteitsmeting controleer op: • afregeldruk. • regelgedrag bij variërende capaciteiten. • toerental bij capaciteiten > 100%, moet nominaal zijn.

2.6

T

Overstortklep Testen

Een overstortklep wordt toegepast om het teveel aan druk, veelal boven de maximaal toelaatbare componentendruk, af te voeren naar de voorraadtank. De klep wordt gestuurd door het perswater vanuit de pomp. Dit water gaat via een filter naar de sturing die essentieel is voor het sluiten van de klep.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

34

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken Tijdens de wekelijkse beproevingen moet het volledig sluiten van de klep gecontroleerd worden.

2.7

O

Overstortklep Filter reinigen

Het waterfilter moet gereinigd worden.

2.8

CO

Overstortklep

Onderhoud volgens de voorschriften van de fabrikant. De werkzaamheden omvatten minimaal: • Inwendige controle (corrosie en beschadigen). • In- en uitwendig reinigen. • Membraanventielen inwendig reinigen. • Alle slijtbare onderdelen preventief vervangen.

Revisie

Na de revisie moet het openen en sluiten van de klep getest worden. 2.9

O

Keerklep Inwendig onderhoud

2.10

C O

Afsluiter Controle en onderhoud

Keerkleppen moeten inwendig gecontroleerd en gereviseerd worden volgens de onderhoudsvoorschriften van de fabrikant. Tijdens deze controle moet worden nagezien op juiste werking van alle componenten zoals het vrij kunnen bewegen van de klep, op aanwezigheid van vervuiling en eventuele beschadigingen. Indien nodig moeten onderdelen worden hersteld of vervangen. Jaarlijks moet elke afsluiter (behoudens doorspoelafsluiters) die de watertoevoer naar de blussecties kunnen belemmeren, over zijn gehele bereik geopend en gesloten worden om vervolgens weer in de bedrijfsstand te worden teruggezet. Op de goede werking worden beproefd. Afsluiter typen, zoals schuifafsluiters, moeten worden gesmeerd, waarna de afsluiter volledig moet worden gesloten en weer geopend om het smeermiddel te verdelen.

2.11

T

Standbewaking Afsluiters Testen

Een Standbewaking moet getest worden middels het bedienen van de afsluiter. Bij de eerste twee omwentelingen met het handwiel of als de steel 1/5 deel verplaatst is ten opzichte van de normale positie moet gesignaleerd worden. Indien er meer dan 2 gehele omwentelingen nodig zijn om een signalering te genereren moet aangetoond worden dat in de betreffende stand, de afsluiter nog voldoende doorlaat om de nominale waarde te realiseren. De testresultaten moeten vastgelegd worden in een rapport. Het rapport moet onderdeel uitmaken van de onderhoudsdocumentatie. Tevens moet in het rapport van onderhoud een verwijzing staan naar dat rapport.

2.12

C

Afsluiters, zonder Standbewaking

Alle afsluiters in de watertoevoer, hoofd verdeelleidingen, verdeelleidingen die niet voorzien zijn van Standbewaking; moeten (twee)wekelijks gecontroleerd worden op de juiste stand.

Controle van de stand

Controlepunten zijn: • De operationele stand. • Verzegeling, slot.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

35

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken • Toegankelijkheid. • Voorzien van de juiste bediening; handwiel/hendel.

2.13

O

Gestuurde afsluiters/ actuators, direct/indirect

Gestuurde afsluiters/actuators die de watertoevoer (bij niet goed functioneren) kunnen belemmeren moeten gecontroleerd worden volgens de onderhoudsvoorschriften van de fabrikant. Afstelling voor het beheerst openen en sluiten moet worden gecontroleerd en zo nodig te worden aangepast. Drainleidingen met appendages schoonmaken. Drainleidingen met appendages controleren op volledige opening en werking.

2.14

T

Gestuurde afsluiters/ actuators, direct/indirect Testen

Gestuurde afsluiters/actuators die de watertoevoer (bij niet goed functioneren) kunnen belemmeren moeten op gangbaarheid en juiste werking worden beproefd d.m.v. handactivering of elektrische activering. In geval van elektrische activering moet de aansturing minimaal jaarlijks d.m.v. een magneetklep getest worden, ter voorkoming van vastzitten door kalkvorming.

2.15

C

Elektrische lintverwarming (tracing)

Tracing toegepast om met water gevulde leidingen te beschermen tegen vorst moet vóór en gedurende de vorstperiode op goed functioneren worden gecontroleerd. • Test de inschakeling van de verwarming. • Test de storingssignalering. • Controleer visueel de elektrische aansluitingen.

Controle

De isolatie moet gecontroleerd worden op beschadiging. Beschadiging moet voor de vorstperiode gerepareerd zijn. 2.16

C

Manometer Controle

2.17

OT

2.18

C

3.1

T

Manometer Test en onderhoud Onderwaterpomp

Grondleidingnet

Manometers moeten gecontroleerd te worden op: • Beschadigingen. • Juiste aanwijzing. • Goede werking van de manometerkraan. Bij twijfel van de juiste aanwijzing moeten manometers vervangen of getest worden aan de hand van een gekalibreerde manometer. De kalibratie moet herleidbaar zijn naar internationale standaarden. Een visuele inspectie aan de buitenzijde van de onderwaterpomp moet tenminste elke drie jaar worden uitgevoerd, of vaker indien soort en kwaliteit van het water of de historie van de pompinstallatie dit noodzakelijk maken. Bij de inspectie moet in het bijzonder worden gelet op schade, corrosie of vervuiling van het inlaatfilter of andere delen van de onderwaterpomp alsmede de omgeving van de onderwaterpomp. Het grondleidingnet met een lengte van meer dan 50 meter of één of meer afsluiters bevat moet worden doorgespoeld c.q. een capaciteitstest worden gedaan.

Doorspoelen Doorspoelen en/ of capaciteitstest

Ten minste éénmaal per 5 jaar moeten grondleidingen worden doorgespoeld.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

36

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken Doorspoelen (minimaal 3 m/s) totdat er schoon water uit de verst gelegen hydrant / testaansluiting stroomt. Bij een ringleiding moet er in twee richtingen (links- als rechtsom) worden doorgespoeld. Dit geschiedt middels het dichtzetten van de grondafsluiter aan het begin van de ene takt van en afname aan het begin van de andere takt van de ringleiding en een spoeling in tegengestelde richting. Bij grotere ringleidingen mag ervoor worden gekozen om gesegmenteerd te spoelen. Waarbij er halverwege de takt van een ringleiding er ter plaatse van afnamepunten (spoelpunten)spoelwater wordt afgenomen. Middels het spoelen wordt er (tevens) gecontroleerd of alle overige grondafsluiters daadwerkelijk geopend zijn. Aandachtspunt bij het spoelen is dat er tijdens het spoelen (lees dichtdraaien van afsluiters) geen delen van het bluswatersysteem zonder water komt te zitten. Voorafgaand aan het spoelen moet er een spoelprotocol (met daarin onder andere opgenomen de lengte(s) en diameter(s) van de grondleiding(en) en de af te sluiten grondafsluiters) opgesteld zijn.

Capaciteitstest Om de inwendige conditie van het grondleidingnet te bepalen zal er een capaciteitstest moeten worden uitgevoerd. Dit kan middels waterafname via bijvoorbeeld aanwezige hydranten of brandweeraansluitingen. Het vereiste debiet (en druk) zal tijdens deze meting moeten worden gecontroleerd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in: • Flowmeting conform de omgevingsvergunning (debiet gemeten op 2 tot 3 hydranten gelijktijdig bij een minimale systeemrestdruk van 1 bar (100 kPa)). • De 100% meting: meten van de maximale haalbare flow per hydrant. Alle aanwezige hydranten in het systeem zullen individueel moeten worden getest. De druk in het systeem mag niet onder de 1 bar (100 kPa) zakken. • Capaciteitsmeting (vereiste debiet) tijdens het spoelen. Indien het vereiste debiet (en druk) tijdens de capaciteitstest niet wordt gehaald dan zal er nader onderzoek (zoals bijvoorbeeld een inwendig leidingonderzoek) moeten worden verricht naar de oorzaak waarom deze niet wordt behaald. 3.2

COT

Afsluiters grondleiding en Afsluiters hydranten + blusmonitoren (inclusief pressure reducingvalve).

Onderstaande controles en onderhoud aan de afsluiters (grondleiding) en hydranten, inclusief de hierbij bijbehorende blusmonitoren, moeten minimaal (voor zover van toepassing) worden uitgevoerd: • Markering en bereikbaarheid op aanwezigheid en zichtbaar zijn van type plaatje, hydrant vrij van obstakels, etc. • Gangbaarheid afsluiters (grondleiding) middels dicht en opendraaien. Door het tellen en registreren van het aantal slagen kunnen defecten gevonden worden. • Gangbaarheid spindelafsluiters hydranten/blusmonitoren (test) door middel van open en dicht draaien waarbij gecontroleerd wordt op juiste werking en lekkage van deze. • Beschadiging en corrosie zo nodig bijwerken.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

37

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken • Borging/vergrendeling op aanwezigheid en gangbaarheid. • Juiste werking van de standbewaking (test). • Smeren van bewegende delen waar mogelijk en/of controle van olieniveau in reservoir. • Aanwezigheid en eventuele beschadiging van bedieningssleutel afsluiters/handwielen, zo nodig deze vervangen; • Leesbaarheid van kijkvenster afsluiters zo nodig schoonmaken/ vervangen. • Breekflens hydranten op beschadiging en compleetheid. • Vorstbeveiliging en leegloop van hydranten op juiste werking. • Storzaansluitingen van hydranten/druk reduceerklep op juiste nokafstand, beschadiging en "corrosie". • Druk reduceerklep hydranten (mits van toepassing) drukinstelling op juiste waarde en eventueel opnieuw instellen en controle filters op vervuiling deze schoonmaken c.q. vervangen. • Controleer bediening van de blusmonitor op goede werking, te weten leegloop en juiste bediening. De volgende metingen ten behoeve van hydranten moeten worden uitgevoerd: Indien nodig (beoordeling door onderhoudsmonteur) noteren van benodigde bedieningskracht afsluiter in Nm. Capaciteitsmeting hydrant te weten: minimaal vereiste druk en opbrengst. De volgende metingen ten behoeve van blusmonitoren moeten worden uitgevoerd: • Indien nodig (beoordeling door onderhoudsmonteur) noteren van de benodigde bedieningskracht afsluiter in Nm. • Meting straalworp blusmonitor. • Schuimverbruik.

4.1

O

Versnellers

Het preventief vervangen van alle te reviseren onderdelen. Lees het leveren en plaatsen van de revisieset zoals geleverd door de fabrikant.

Vervangen Opmerking: indien revisiesets niet meer beschikbaar zijn, moet de versneller door een door de fabrikant/leverancier van de alarmklep aanbevolen type vervangen worden. 4.2

C

Alarmklep Alle typen

In perioden met vorst moeten omkasting met verwarming, van alarmkleppen opgesteld in ruimten waar het kan vriezen, gecontroleerd te worden op het juist functioneren van de verwarming: minimumtemperatuur 4˚C. De lage temperatuur signalering/bewaking moet worden getest door de thermostaat te verhogen totdat de melding op de Sprinklermeldcentrale (SMC) geregistreerd wordt. Daarna moet de waarde ingesteld worden op de vereiste waarde. Indien de omkasting met verwarming niet voorzien is van een lagetemperatuuralarm, dan moet de controle dagelijks plaats vinden.

4.3

T

Alarmklep Versneller

Tenzij een “full flow test”(trippen) van de droge alarmklep plaatsvindt moet de versneller apart getest worden.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

38

Nr.

4.4

H

C O

Component

Omschrijving van de taken

Testen

Dit geschiedt middels: 1. Sluit de afsluiter onder de alarmklep; 2. Open de afsluiter in de afvoerleiding (“main drain”) en laat deze in de geopende stand staan; 3. Controleer of de afsluiter van de versneller in de stand open staat; 4. Open de testafsluiter, een stoot vrijkomende lucht geeft aan dat de versneller heeft gewerkt; 5. Sluit de afsluiter van de versneller; 6. Stel de versneller weer in bedrijf volgens de instructies van de fabrikant; 7. Stel de droge alarmklep weer in bedrijf; open de afsluiter onder de alarmklep.

Natte alarmklep

Natte alarmkleppen en zone keerkleppen moeten gecontroleerd worden op de volgende punten: • Visuele controle op zichtbare mechanische beschadigingen. • Vaststellen dat de afsluiter(s) in de bedoelde open- dan wel gesloten positie staan. • De manometers functioneren goed. • Controle en registratie van de installatiedrukken boven en onder de alarmkleppen aan de hand van de nominale waarde.

en Zonekeerklep

Controle en onderhoud

Opmerking: een incidentele afwijking van drukken ten opzichte van nominale waarde, hoeft niet noodzakelijk gevolgen te hebben voor de blusinstallatie. Neem echter altijd contact op met een deskundige onderhouder. In sommige gevallen moeten de drukken over een langere periode geïnterpreteerd te worden om een oorzaak te kunnen vinden. Natte alarmkleppen en zone keerkleppen moeten onderhouden te worden op de volgende punten: • Restrictie(s) reinigen. • Filter(s) reinigen. • Controle van volledig kunnen openen van de klep. • Controle en reinigen van de klepzitting. • Controle van de doorlaat van de gaatjes in de klepzitting. • Controle op de goede toestand van de pakkingen. • Controle of de afsluiters voor en eventueel na de AK volledig sluiten.

4.5

O

Natte alarmklep en Zonekeerklep Revisie

Natte alarmkleppen en zonekeerkleppen moeten gecontroleerd worden op de volgende punten: • Visuele controle op zichtbare mechanische beschadigingen. • Vaststellen dat de afsluiter(s) in de bedoelde open- dan wel gesloten positie staan. • De manometers functioneren goed. • Controle en registratie van de installatiedrukken boven en onder de alarmkleppen aan de hand van de nominale waarde. Opmerking: een incidentele afwijking van drukken ten opzichte van nominale waarde, hoeft niet noodzakelijk gevolgen te hebben voor de blusinstallatie. In sommige gevallen moeten de drukken over een langere periode geïnterpreteerd te worden om een oorzaak te kunnen vinden.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

39

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken Natte alarmkleppen en zonekeerkleppen moeten onderhouden worden op de volgende punten: • Restrictie(s) reinigen. • Filter(s) reinigen. • Controle van het volledig kunnen openen van de klep. • Controle en reinigen van de klepzitting. • Controle van de doorlaat van de gaatjes in de klepzitting. • Controle op de goede toestand van alle pakkingen incl. trimming. • Controle of de afsluiters voor en eventueel na de AK volledig sluiten. • Het preventief vervangen van alle te reviseren onderdelen, lees het leveren en monteren van de revisieset zoals geleverd door de fabrikant. Bij onderhoud aan alarmkleppen ten behoeve van de persoonlijke veiligheid moet de volgende procedure worden aangehouden. Van blusinstallaties verdeeld in zones mag niet meer dan één zone buiten bedrijf worden gesteld. De buitenbedrijfstelling voor onderhoud van een sectie of zone moet zo kort mogelijk worden gehouden. De gedeeltelijke of gehele buitenbedrijfstelling van een blussectie voor persoonlijke veiligheid moet waar mogelijk worden voorkomen. Uitsluitend het kleinst mogelijke en noodzakelijke deel van de sectie moet worden afgesloten. Indien een zone (of zones) is (zijn) gevuld of hervuld met water na te zijn afgetapt, moet(en) de doorspoelafsluiter(s) worden gebruikt om te controleren of er water in de zone(s) aanwezig is.

Indien afzonderlijke alarmkleppen in een dubbele alarmklepopstelling zijn vereist moet elke alarmklepafzonderlijk worden onderhouden zodat de watervoorziening naar de sectie in bedrijf blijft. Voordat met onderhoud van dubbele alarmklepopstellingen wordt begonnen moet de onderstaande procedure worden gevolgd. a. De afsluiters van beide alarmkleppen moeten worden geopend. De afsluiters van de te onderhouden alarmklep moeten worden gesloten en van de andere alarmklep moet onmiddellijk hierna het alarm worden getest. b. Indien geen water beschikbaar is, moet de afsluiter onmiddellijk worden geopend en moet de storing worden verholpen alvorens verder te gaan.

4.6

C

Droge alarmklep Controle

Droge alarmkleppen moeten gecontroleerd worden op de volgende punten: • Visuele controle op zichtbare mechanische beschadigingen. • Vaststellen dat de afsluiter(s) in de bedoelde open- dan wel gesloten positie staan. • De manometers geven de normale druk aan. • Controle en registratie van de installatiedrukken boven en onder de alarmkleppen aan de hand van de nominale waarde. Opmerking: een incidentele afwijking van drukken ten opzichte van nominale waarde, hoeft niet noodzakelijk gevolgen te hebben voor de blusinstallatie. Neem echter altijd contact op met een deskundige onderhouder. In sommige gevallen moeten de drukken over een langere periode geïnterpreteerd te worden om een oorzaak te kunnen vinden. • Controle van de instelwaarde lage luchtdruk aan de hand van de nominale waarde en eventueel juist instellen.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

40

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken • Fysieke beproeving lage (lucht)druk alarm. • Controle op zichtbare ijsvorming rondom de alarmklep (koude opstelling). • Tijdens het stookseizoen: controle op de werking van de antibevriezingssystemen (indien van toepassing). • De alarmklep, de tussenkamer (intermediate-chamber) etc. vertoont geen lekkage. • Alle afsluiters in de trimming van de alarmklep in de juiste stand zetten. • Restrictie(s) reinigen. • Filter(s) reinigen. • Controle van volledig kunnen openen van de klep. • Controle en reinigen van de klepzitting. • Controle van de doorlaat van de gaatjes in de klepzitting. • Controle op de goede toestand van de pakkingen. • Controle of de afsluiters voor en eventueel na de AK volledig sluiten.

4.7

O

Droge alarmklep

Droge alarmkleppen moeten samen met de bijbehorende filters en restricties inwendig gecontroleerd worden volgens de onderhoudsvoorschriften van de fabrikant. • Uitwendige visuele inspectie, indien nodig herstellen van corrosie en/of mechanische beschadigingen • Het reinigen van de filters in de trimming • Het reinigen van de restrictieplaten in de trimming. • Het volledig openen en sluiten (sluiten en openen) van alle afsluiters in de trimming. • Het functioneel testen van autodrip- of ontlast-appendages en meerwegafsluiters. • Het nalopen op lekkages in de trimleidingen. • Inwendige inspectie, hierbij moet met name gekeken te worden naar de mate van vervuiling, aanwezigheid van corrosie en op tekenen van mechanische beschadiging door het water (slijten, cavitatie). • Inspectie van pakkingen en bewegende delen. • Functionele beproeving van de elektrische alarmgever. • Het reinigen van de filters in de persluchtvoorziening. • Controle en indien nodig bijstellen naar nominaal van de instellingen horende bij de persluchtvoorziening. • Het preventief vervangen van alle te reviseren onderdelen, lees het leveren en monteren van de revisieset zoals geleverd door de fabrikant.

Revisie/onderh oud

Onderhoud persluchtvoorziening: zie hoofdstuk 4.9; perslucht-voorziening. 4.8

C

Pre-action/ deluge alarmklep

Pre-action/deluge alarmkleppen moeten uitwendig gecontroleerd worden op de volgende punten: • Testen brandalarm. • De manometers geven de normale druk aan. • De alarmklep is vrij van mechanische beschadiging. • Alle afsluiters in de trimming van de alarmklep in de juiste stand zetten. • Lekkages zoals de klepzitting. • Elektrische componenten zijn in bedrijf.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

41

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken Aanvullend op artikel 4.6 en 4.7 moeten bij een pre-action alarmklep, de volgende controles uitgevoerd en vastgelegd worden. • Indien voorhanden: controle van de instelwaarde lage luchtdruk aan de hand van de nominale waarde. • Fysieke beproeving lage (lucht)druk alarm. • Indien voorhanden: vaststellen dat de afsluiters van het detectienet in de bedoelde positie staan. • Visuele controle op beschadigingen en vrije toegankelijkheid van de mechanische en/of elektrische noodbediening.

4.9

T/O

Persluchtvoorziening /Drogers / Stikstofgeneratoren

Controle: • Functionele test en controle v/d in- en uitschakeldruk d.m.v. de druk te laten zakken. • Ten aanzien van vrieshuizen en vriescellen moeten leidingen van de luchttoevoer, die zich in deze ruimten bevinden worden gecontroleerd op de aanwezigheid van ijsvorming. Onderhoud: De automatische luchttoevoer (de compressor en/of de persluchtvoorziening van derden)/ Drogers / Stikstofgeneratoren moeten onderhouden te worden volgens de specificaties van de fabrikant. Tijdens het onderhoud kan door vrijkomende stikstof het zuurstofgehalte in de werkomgeving dalen, hetgeen een gevaarlijke situatie kan opleveren

4.10

T

Droge Alarmklep, Niveau “priming water” (indien van toepassing)

Het niveau van het “priming water” in de klep moet overeenkomen met de specificaties van de fabrikant. Test het waterniveau op de volgende manier: 1. Open de “priming level” testafsluiter. 2. Als er water stroomt, tap dit af. 3. Draai de afsluiter dicht, als er geen water meer stroomt en er lucht vrijkomt. 4. Als bij het openen van de “priming level” testafsluiter er meteen lucht vrijkomt, dan is het waterniveau te laag. Voeg water toe volgens de instructies van de fabrikant.

4.11

T

Droge alarmklep en Pre-action alarmklep

Droge blussecties moeten om de 3 jaar op luchtdichtheid beproefd worden. Dit kan volgens één van de volgende methoden: 1. Druktest: de sectie zal op een druk van 3,2 bar gezet worden. Tijdens een periode van 2 uur mag de druk maximaal 0,2 bar dalen. 2. Afsluiten luchttoevoer: de sectie heeft de normale installatiedruk. Tijdens een periode van 4 uur mag de druk maximaal 0,2 bar dalen.

Luchtdichtheid blussecties

4.12

T

Droge alarmklep Pre-action alarmklep,

In beide gevallen moeten de lekkages verholpen te worden als de druk meer dan 0,2 bar daalt. De 3-jaarlijkse trip test zal plaatsvinden buiten de vorstperiode. Zo kan voor het begin van het koude weer al het water (deel condens) naar de alarmklep en de laagste punten stromen om afgetapt te worden. De jaarlijkse trip test (tegen gesloten afsluiter) moet worden uitgevoerd volgens de procedure zoals voorgeschreven door de fabrikant.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

42

Nr.

H

Component Deluge alarmklep,

Omschrijving van de taken Ten aanzien van vrieshuizen en vriescellen is een ITC test niet toegestaan.

Trippen/ Triptest 4.13

O

Pre-action alarmklep,

Tijdens het onderhoud moet het inwendige van de alarmklep gereinigd te worden en indien noodzakelijk zullen onderdelen vervangen of gerepareerd moeten worden.

en Deluge alarmklep, Onderhoud

Pre-action/deluge alarmkleppen moeten samen met de bijbehorende filters, restricties en appendages met een membraam inwendig gecontroleerd te worden en indien noodzakelijk zullen onderdelen vervangen of gerepareerd moeten worden volgens de onderhoudsvoorschriften van de fabrikant. • Uitwendige visuele inspectie, indien nodig herstellen van corrosie en/of mechanische beschadigingen. • Het reinigen van de filters in de trimming. • Het reinigen van de restrictieplaten in de trimming. • Het volledig openen en sluiten (sluiten en openen) van alle afsluiters in de trimming. • Het functioneel testen van autodrip- of ontlast appendages en meerwegafsluiters. • Het nalopen op lekkages in de trimleidingen. • Inwendige inspectie, hierbij moet met name gekeken te worden naar de mate van vervuiling, aanwezigheid van corrosie en op tekenen van mechanische beschadiging door het water (slijten, cavitatie). Inspectie van pakkingen en bewegende delen: indien nodig het preventief vervangen van alle te reviseren onderdelen, lees het leveren en monteren van de revisieset zoals geleverd door de fabrikant. Functionele beproeving van de elektrische alarmgever • Full trip test door activatie detectie installatie tegen gesloten afsluiter. • Het reinigen en indien nodig vervangen van de filters in de persluchtvoorziening.

• Controle en indien nodig bijstellen naar nominaal van de instellingen horende bij de persluchtvoorziening. • Visuele controle detectienet of detectie installatie op beschadigingen en corrosie. Herstellen indien nodig. Onderhoud persluchtvoorziening: zie hoofdstuk persluchtvoorziening

4.14

T

Droge/Deluge/ Pre-action alarmklep Trippen “Full flow test”

De full flow moet te worden uitgevoerd volgens de procedure zoals voorgeschreven door de fabrikant. Indien een flow test niet uitgevoerd mag worden omdat dit een gevaarlijke situatie veroorzaakt of onherstelbare schade dan mag de full flow test vervangen worden door een inwendige inspectie van het leidingwerk en sprinklers conform 5.5 van dit hoofdstuk. Omdat de full flow trip test tenminste driejaarlijks moet worden uitgevoerd, moet het leidingwerk van deze sectie, indien geen full flow trip test wordt uitgevoerd, ook tenminste driejaarlijks inwendig te worden beoordeeld.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

43

Nr. 4.15

H T

Component

Omschrijving van de taken

Delugeklep

Het controleren van de sproeipatronen en werkelijke drukken kan alleen tijdens een full flow test uitgevoerd worden. • Omgevingstemperatuur moet boven de 4 graden Celsius te zijn. • Automatische start en handstart moet getest worden. • Het sproeipatroon van alle sprinklers moet gecontroleerd worden. • Indien er verstoppingen of afwijkende sproeipatronen zijn gesignaleerd, dan moeten de defecten verholpen worden en de test herhaald. • De druk op de meest veraf gelegen sprinkler moet gemeten worden met een gekalibreerde manometer. De gemeten drukken moeten vergeleken worden met de vereiste drukken uit de hydraulische berekening. • Na de test moeten filters gereinigd worden.

Controle drukken en sproeipatroon

Indien een flow test niet uitgevoerd mag worden omdat dit een gevaarlijke situatie veroorzaakt of onherstelbare schade dan mag de full flow test vervangen worden door een inwendige inspectie van het leidingwerk en sprinklers conform 5.5 van dit hoofdstuk. Omdat de sproeipatronen en de druk van de sprinklers tenminste driejaarlijks moeten worden beoordeeld, moet het leidingwerk van deze sectie, indien geen full flow test wordt uitgevoerd, ook tenminste driejaarlijks inwendig te worden beoordeeld. 4.16

O

Droge alarmklep Pre-action alarmklep, Deluge alarmklep

5.1

C

Aftappen leidingen Gebouw Temperatuur

Jaarlijks, net voor de verwachtte vorstperiode, moet het droog leidingsysteem worden afgetapt. Dit om bevriezing aan het einde van het leidingnet en de zakstukken (ten behoeve van de aftapafsluiters) te voorkomen. Controle van de juiste afwatering geldt tevens voor pre-action- en delugesystemen.

Voor natte blussystemen moet de temperatuur minimaal 4˚C te zijn. De meting behoort uitgevoerd te worden met een infraroodthermometer. De temperatuur van meerdere leidingen moet dan gemeten worden. Indien een infrarood thermometer niet aanwezig is mag men een normale thermometer toepassen waarbij men de temperatuur op de meest ongunstige plaatsen meet.

5.2

5.3

T

T

Stromingsschakelaar

Testen op goede werking door de bijbehorende testafsluiter te openen.

Testen

Een stromingsschakelaar in een antivriesinstallatie kan getest worden middels de zone check. Dit om het verlies van premix (antivries) via de testafsluiter te voorkomen.

Stromingsschakelaar T.b.v. ontruiming

Daar waar de blusinstallatie wordt ingezet (als er geen automatische detectie is) m.b.t. ontruiming en aansturing van het ontruimingssignaal moeten de stromingsschakelaars te worden getest, inclusief de aansturing van de ontruiming.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

44

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken

5.4

C

Leidingen en verbindingen

Jaarlijkse uitwendige controle: leidingen en verbindingen (groefkoppelingen, fittingen etc.) mogen niet beschadigd zijn, geen tekenen van (ernstige) corrosie en/of enige lekkage en op de sprinklers ijsvorming (ijsvorming voornamelijk bij vrieshuizen en koelcellen)vertonen die van invloed kan zijn op de goede werking van de blusinstallatie. De leidingen mogen niet gebruikt worden voor het ondersteunen en/of beugelen van andere installaties en constructies. Dit betreft een steekproefcontrole uitgevoerd vanaf de vloer. Bijvoorbeeld: • Tijdens de ronde langs de appendages en apparatuur in “het veld”. • In gebieden waar verbouwing plaats vinden of gevonden hebben.

5.5

C

Leidingen Inwendige onderzoek

Inleiding Het inwendig onderzoek van de blusinstallatie heeft als doel, te signaleren of het correct functioneren van de blusinstallatie, op dit moment of in de nabije toekomst, bedreigd wordt. Wat is een bedreiging? Een bedreiging is: • een geheel of gedeeltelijke verstopping van het leidingnet; • de kans op een lekkage. Informatief Voor de opdrachtgever kunnen er daarnaast ook andere doelen zijn, zoals: • bepaling van de rest-levensduur; • bepaling van de lange termijn onderhoudskosten; • uitzetten van preventieve acties. Middels een indicatief onderzoek, een steekproef, wordt vastgesteld of er sprake kan zijn van een bedreiging. Opmerking: Ook installaties die langer dan een jaar buiten bedrijf zijn geweest moeten aan een inwendig onderzoek worden onderworpen. Het onderzoek De minimale omvang per sectie, van het inwendig onderzoek omvat een controle van: a. De alarmklep en of terugslagklep. b. De hoofd-/verdeelleiding. Voor een representatief beeld moet minimaal 20 m onderzocht worden c. In blusleidingen op verschillende hoogteniveaus. Voor een representatief beeld moet minimaal 20 m onderzocht worden. Bij uitgebreide installaties (meer dan 250 sprinklers) kan van deze omvang, in overleg met de betrokken partijen, worden afgeweken. d.

Bij het inwendig onderzoek moeten ten minste 5 sprinklerkoppen worden uitgenomen en visueel gecontroleerd worden op verontreinigingen en obstructies. Bij aanwezigheid van ernstige obstructie bij één of meer van de sprinklerkoppen moeten de sprinklers afgekeurd of getest worden op een correcte werking. De beproeving moet zijn afgestemd op sprinklers die in gebruik zijn geweest en moet bij voorkeur plaatsvinden op basis van de norm ten tijde van de aanleg of anders plaatsvinden aan de hand van de meest

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

45

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken recente versie van EN 12259-1, UL 199 VdS 2091 of FM Approvals LLC Approval Standard Class Number 2000. e. Dead-end leidingen, waar geen doorspoeling is en de kans op aangroei van vervuiling het grootst is, moeten inwendig worden onderzocht. De bevindingen uit het onderzoek moeten worden vastgelegd in een rapportage met foto’s en omschrijvingen en moeten een conclusie bevatten over de aannemelijkheid van het correct functioneren van de installatie. Bij lekkages van het leidingnet, of indien tijdens werkzaamheden (zoals onderhoud, aanpassing aan de installatie of inwendig onderzoek van de installatie) wordt geconstateerd dat er sprake is van ernstige (inwendige) corrosie en of verstoppingen, moeten omvang en mogelijke oorzaken hiervan in kaart worden gebracht. Corrigerende maatregelen om dit op te lossen kunnen zijn: doorspoelen, reinigen, het vervangen van leidingendelen, etc. Een plan van aanpak met corrigerende maatregelen moet worden vastgesteld en uitgevoerd. Het inwendig onderzoek kan plaats vinden op de volgende wijze: a. Endoscopisch onderzoek met behulp van foto’s en video-opnamen. b. Het uitnemen van leidingdelen voor onderzoek. Het gaat om het verkrijgen van een zo representatief mogelijk beeld van de gehele installatie.

Met een video-endoscopisch onderzoek kan op een eenvoudige wijze vele meters van een leiding onderzocht worden en geeft een meer representatief beeld hoe de gehele installatie eruitziet, maar het blijft een indicatie. Alternatieve omvang De steekproef moet bestaan uit ten minste een onderzoek per sectie. Hiervan mag worden afgeweken indien herleidbaar aangetoond wordt dat er sprake is van secties met “gelijke omstandigheden”. Hierbij moet wel minimaal 10% van het totaal aantal van deze secties onderzocht worden met een minimum aantal van 2 secties. Voor de uitvoering van het onderzoek moet een plan opgesteld worden. Het plan moet tenminste de volgende onderdelen bevatten:*voorbeelden zijn indicatief • Omschrijving van het object • Gebruiksfunctie; kantoor, industrie, opslag* • Omgevingsomstandigheden in relatie tot de blusinstallatie • Systeemtype; nat, droog, pre-action, duaal* • Schuimbijmenging • Positie sprinkler; hangend, staand • Type water drinkwater, bronwater, open water* • Hoogteniveau van het leidingnet • Ontluchten/ kans op luchtinsluiting • Druktrap • Afschot • Doorspoelen, hoe wordt installatie (2) wekelijks getest ITC of alarmklep • Aftappen, droge en pre-action installaties* • Uitvoering leidingnet; draadbuis, vlambuis, press*

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

46

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken • Systeemontwerp; Grid, Tree, Ring* • Leidingmateriaal; staal, RVS, kunststof* • Leidingbescherming; menie, thermisch verzinkt* • Corrosiepreventie; waterbehandeling, stikstof* • Omgevingstemperatuur • Hebben zich lekkages voorgedaan en zo ja waar Is er sprake van gelijke omstandigheden tussen de verschillende sectie op basis van de inventarisatielijst Frequentie onderzoek verhogen of onderzoek vervroegen. Een reden om de frequentie van het inwendige leidingonderzoek te verhogen of het onderzoek te vervroegen kan het regelmatig aanpassen van de blusinstallatie zijn waarbij de installatie telkens weer met nieuw (zuurstofrijk) leidingwater wordt gevuld. Indien echter uit het inwendige onderzoek van het leidingnet geen bijzonderheden naar voren komen en er geen ingrijpende wijzigingen aan het systeem plaatsvinden, dan geeft dit geen aanleiding tot verhoging van de frequentie. Bij geconstateerde gebreken moet, aan de hand van een risico-analyse, een nieuw onderzoeksinterval worden bepaald met een maximum van 15 jaar.

5.6

C

Testwater leidingnet

Bij het testen van het brandalarm via de ITC's behoort het testwater (indien mogelijk) gecontroleerd te worden op vervuiling. Indien het testwater grof vervuild is (vaste delen waarneembaar in het testwater) moet nader worden onderzocht wat de oorzaak is van deze vervuiling, bijvoorbeeld door inwendig leidingonderzoek.

5.7

C

Beugels en bevestiging

• •

5.8

C O

Sprinklers

Dit betreft een steekproefcontrole uitgevoerd vanaf de vloer. Bijvoorbeeld: • Tijdens de ronde langs de appendages en apparatuur in “het veld”. • In gebieden waar verbouwing plaats vinden of gevonden hebben. • Sprinklers mogen niet beschadigd zijn en geen tekenen van corrosie en/of lekkage vertonen. • Sprinklers mogen niet beschilderd zijn en moeten vrij zijn van vuilafzetting die het aanspreken of de werking nadelig beïnvloeden. • Sprinklers moeten zich in de juiste stand bevinden.

Beschadiging en vervuiling

Jaarlijkse controle steekproefsgewijs per blussectie. Beugels mogen niet loszitten, beschadigd of gecorrodeerd zijn. Draadstangen mogen niet gebogen zijn.

Toelichting: • Beschadigde, geverfde en vervuilde sprinklers moeten vervangen worden door sprinklers die geschikt zijn door deze toepassing. • Sprinklers, moedersprinklers en sproeiers voorzien van een beschermende vaseline laag moeten worden gecontroleerd op beschadiging en daar waar nodig moet de aanwezige beschermlaag worden verwijderd en opnieuw worden aangebracht. Bij sprinklers met een glaspatroon mag de beschermlaag uitsluitend worden aangebracht op "sprinklerlichaam" en juk. • Beschermkorfjes, rozetten moeten worden nagezien op beschadiging en montage.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

47

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken • Sprinklers in verborgen ruimten die weinig tot geen hinder ondervinden van invloeden van de omgeving hoeven niet te worden meegenomen in de jaarlijkse controleronde. Wel moeten deze sprinklers conform de vervangings- c.q. testperiode, zoals behandeld in artikel 5.11 t/m 5.14 (tabel hoofdstuk 8), worden gecontroleerd c.q. vervangen.

5.9

C

Reserve sprinklers

Registratie en telling Per sprinklertype (sprinklers met dezelfde eigenschappen) moet het vereiste en het werkelijke aantal zijn geregistreerd.

Controle De reservesprinklers mogen niet gebruikt zijn en moeten voorzien zijn van een bescherming tegen beschadiging. De volgende aantallen reservesprinklers moeten per sprinklertype minimaal aanwezig zijn: • 6 voor LH-secties • 12 voor OH-secties • 24 voor HHP- en HHS-secties • 12 voor Storage sprinklers Opmerking: indien er minder sprinklers zijn gemonteerd dan hierboven aangegeven dan mag het aantal gemonteerde sprinklers als minimale voorraad worden aanhouden. Voor wat betreft het minimale aantal reservesprinklers geldt dat er voor eenzelfde type sprinkler, waarbij alleen de aanspreek-temperatuur afwijkt, het aantal vervangingssprinklers evenredig in verhouding met het aantal aanwezige sprinklers verdeeld moet worden. Speciale sprinklers Er moeten ten minste vier vervangingssprinklers met afwijkende eigenschappen (zoals droge sprinklers, pre-action-sprinklers of moedersprinklers) zijn, Indien er zich in de inrichting minder dan vier sprinklers met afwijkende eigenschappen bevinden, dan moet dit aantal sprinklers met diezelfde afwijkende eigenschappen op voorraad zijn. Opslag De temperatuur waarbij sprinklers worden opgeslagen mag niet hoger zijn dan 38 °C. Aanvullen De voorraad moet zo snel mogelijk worden aangevuld nadat reservesprinklers zijn gebruikt. Ook moet er een bijpassende sprinklersleutel en benodigd montagemateriaal aanwezig zijn. 5.10

C

Sprinklers in zuurkasten en spuitcabines Controle

Er moet gecontroleerd worden dat alle sprinklers zijn beschermd. Sprinklers voorzien van een beschermende waslaag moeten worden gecontroleerd op beschadiging. Daar waar nodig moet de aanwezige beschermlaag worden verwijderd en opnieuw worden aangebracht (in geval

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

48

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken van sprinklers met een glaspatroon uitsluitend aanbrengen op "sprinklerlichaam" en juk). Ter voorkoming van corrosie mogen sprinklers in zuurkasten en spuitcabines zijn voorzien van een bescherming in de vorm van dunne papieren zakjes of zakjes van cellofaan dunner dan 0,076 mm. Er moet gecontroleerd worden of de zakjes intact zijn. Tekortkomingen moeten direct verholpen worden door vervanging van de zakjes.

5.11

T

Sprinklers Extra high temperature Testen of vervangen

Basiseis Sprinklers met een soldeerverbinding als thermisch element met een werktemperatuur van 163˚C of hoger, die ten minste de helft van de tijd blootgesteld worden aan de maximum omgevingstemperatuur, moeten vervangen worden. Alternatief Als alternatief mag ook met een representatieve steekproef aangetoond worden dat de sprinklers nog goed functioneren. Deze steekproef moet dan wel elke 10 jaar herhaald te worden. Eisen aan de beproeving In plaats van het vervangen van de sprinklers kan een representatieve steekproef worden genomen waarbij de geselecteerde sprinklers worden uitgenomen en beproefd. De steekproef moet bestaan uit ten minste vier sprinklers of 1% van de sprinklers (grootste waarde aanhouden) per sprinklertype uit elk gebied met gelijke omstandigheden. De beproeving moet zijn afgestemd op sprinklers die in gebruik zijn geweest en moet bij voorkeur plaatsvinden op basis van de norm ten tijde van de aanleg of anders plaatsvinden aan de hand van de meest recente versie van EN 12259-1, UL 199 VdS 2091 of FM Approvals LLC Approval Standard Class Number 2000. Van de sprinklers moet het aanspreken, ‘Thermal response’ en ‘Functional test’, bij verschillende voordrukken worden beproefd waarna de waterdoorlaat (K-factor) moet worden gemeten. Indien de sprinklers goedgekeurd zijn dan hoeven de sprinklers niet vervangen te worden.

Indien de sprinklers niet voldoen aan de eisen uit de onderhavige norm dan moet: a. de sprinklers vervangen worden of b. de steekproef vergroot (*) worden of c. middels een analyse aangetoond worden dat het blussysteem voldoet aan de vereiste functionaliteit. Opmerking (*) De steekproef moet opnieuw uitgevoerd worden met ten minste twaalf sprinklers of 4 % van de sprinklers (grootste waarde aanhouden) per sprinklertype uit elk gebied met gelijke omstandigheden. Indien de sprinklers opnieuw niet voldoen dan moet: a. de sprinklers vervangen worden of b. middels een analyse aangetoond worden dat het blussysteem voldoet aan de vereiste functionaliteit.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

49

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken

De resultaten moeten in het logboek aanwezig zijn. 5.12 5.13

Normelement 5.12 uit TB80:2017 is vervallen. T

Sprinklers, Ouder dan 50 jaar Testen of vervangen

Basiseis Sprinklers die ouder zijn dan 50 jaar moeten vervangen te worden. Alternatief Als alternatief mag ook met een representatieve steekproef aangetoond worden dat de sprinklers nog goed functioneren. Deze steekproef moet dan wel elke 10 jaar herhaald te worden. Eisen aan de beproeving In plaats van het vervangen van de sprinklers kan een representatieve steekproef worden genomen waarbij de geselecteerde sprinklers worden uitgenomen en beproefd. De steekproef moet bestaan uit ten minste vier sprinklers of 1% van de sprinklers (grootste waarde aanhouden) per sprinklertype uit elk gebied met gelijke omstandigheden. De beproeving moet zijn afgestemd op sprinklers die in gebruik zijn geweest en moet bij voorkeur plaatsvinden op basis van de norm ten tijde van de aanleg of anders plaatsvinden aan de hand van de meest recente versie van EN 12259-1, UL 199 VdS 2091 of FM Approvals LLC Approval Standard Class Number 2000. Van de sprinklers moet het aanspreken, ‘Thermal response’ en ‘Functional test’, bij verschillende voordrukken worden beproefd waarna de waterdoorlaat (K-factor) moet worden gemeten. Indien de sprinklers goedgekeurd zijn dan hoeven de sprinklers niet vervangen te worden. Indien de sprinklers niet voldoen aan de eisen uit de onderhavige norm dan moet: c. de sprinklers vervangen worden of d. de steekproef vergroot (*) worden of e.

middels een analyse aangetoond worden dat het blussysteem voldoet aan de vereiste functionaliteit. Opmerking (*) De steekproef moet opnieuw uitgevoerd worden met ten minste twaalf sprinklers of 4 % van de sprinklers (grootste waarde aanhouden) per sprinklertype uit elk gebied met gelijke omstandigheden. Indien de sprinklers opnieuw niet voldoen dan moet: f. de sprinklers vervangen worden of g. middels een analyse aangetoond worden dat het blussysteem voldoet aan de vereiste functionaliteit. De resultaten moeten in het logboek aanwezig zijn.

5.14

T

Droge sprinklers

Basiseis Droge sprinklers, moedersprinklers en pre actionsprinklers (doppelsprinklers), die vijftien jaar of langer in een installatie gemonteerd zijn geweest, moeten worden vervangen. Indien men de reservesprinklers

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

50

Nr.

H

Component Moedersprinklers

Omschrijving van de taken wil plaatsen dan mag dat mits geregistreerd is wanneer en waar de sprinklers geplaatst zijn.

en

Alternatief Als alternatief mag ook met een representatieve steekproef aangetoond worden dat de sprinklers nog goed functioneren. Deze steekproef moet dan wel elke 10 jaar herhaald te worden.

Pre-actionsprinklers. Testen of vervangen

Eisen aan de beproeving In plaats van het vervangen van de sprinklers kan een representatieve steekproef worden genomen waarbij de geselecteerde sprinklers worden uitgenomen en beproefd. De steekproef moet bestaan uit ten minste vier sprinklers of 1% van de sprinklers (grootste waarde aanhouden) per sprinklertype uit elk gebied met gelijke omstandigheden. De beproeving moet zijn afgestemd op sprinklers die in gebruik zijn geweest en moet bij voorkeur plaatsvinden op basis van de norm ten tijde van de aanleg of anders plaatsvinden aan de hand van de meest recente versie van EN 12259-1, UL 199 VdS 2091 of FM Approvals LLC Approval Standard Class Number 2000. Van de sprinklers moet het aanspreken, ‘Thermal response’ en ‘Functional test’, bij verschillende voordrukken worden beproefd waarna de waterdoorlaat (K-factor) moet worden gemeten. Indien de sprinklers goedgekeurd zijn dan hoeven de sprinklers niet vervangen te worden. Indien de sprinklers niet voldoen aan de eisen uit de onderhavige norm dan moet: h. de sprinklers vervangen worden of i. de steekproef vergroot (*) worden of j. middels een analyse aangetoond worden dat het blussysteem voldoet aan de vereiste functionaliteit.

Opmerking (*) De steekproef moet opnieuw uitgevoerd worden met ten minste twaalf sprinklers of 4 % van de sprinklers (grootste waarde aanhouden) per sprinklertype uit elk gebied met gelijke omstandigheden. Indien de sprinklers opnieuw niet voldoen dan moet: k. de sprinklers vervangen worden of l. middels een analyse aangetoond worden dat het blussysteem voldoet aan de vereiste functionaliteit. De resultaten moeten in het logboek aanwezig zijn.

5.15

T

5.16

T

Antivries in vriesruimten Testen Antivries. Beschermingsgraad

Elke kwartaal moet de beschermingsgraad van de anti-vriesoplossing voor vriesruimten getest te worden. De test moet uitgevoerd worden conform 5.16. Toepassing Antivriesoplossingen mogen alleen worden toegepast in leidingdelen waar mogelijk sprake is van vorstgevaar. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling systemen volledig met antivriesoplossing gevuld te hebben. De basis is dat na activeren van een sprinkler water wordt verspreid.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

51

Nr.

H

Component Testen

Omschrijving van de taken Vóór de vorstperiode moet worden vastgesteld dat de aanwezige antivriesoplossing voldoende vorstbescherming biedt en voldoende is gemengd (homogene samenstelling). Voorwaarden antivriespercentage Het percentage antivries mag niet groter zijn dan nodig voor de minimaal te verwachten temperatuur c.q. laagst voorkomende temperatuur (Tmin). Dit kan per object verschillen. Jaarlijks moet Tmin worden onderbouwd en vastgelegd. Bij bouwkundige wijzigingen, of een verlaging van de omgevingstemperatuur (Het KNMI) moet Tmin worden geverifieerd. De antivriesoplossing moet zorgvuldig zijn gemengd bij het vullen van de installatie met als doel een homogene oplossing te krijgen. Het percentage antivries in de oplossing, mag nooit leiden tot een brandbare vloeistof. • Maximaal 50% (volume) voor glycerine. • Maximaal 40% (volume) voor propyleenglycol. Voor overige antivriesmiddelen moet worden aangetoond dat geen brandbare oplossing ontstaat. De meting Tenzij de gehele inhoud van het antivriessysteem wordt afgetapt moeten minimaal twee monsters worden genomen, een monster ter plaatse van de vulafsluiter en een monster ter plaatse van de eindafsluiter in het systeem. Bij grote hoogteverschillen in het systeem (> 5 m) moet tevens een monster worden genomen op het hoogste (praktisch haalbare) punt van het systeem.

De meting wordt uitgevoerd met een hydrometer of een refractometer. Naar aanleiding van de meetresultaten moet de oplossing indien nodig aangepast te worden. Controle op en uitslag van de twee meetpunten in het leidingwerk moet uitwijzen of de inhoud zich in een voldoende homogene oplossing (maximaal 25% verschil) bevindt. Correctie Indien het systeem wordt afgetapt om de oplossing te hergebruiken, moet de inhoud worden gehomogeniseerd voor monstername. Er moeten minimaal twee monsters worden genomen en worden gemeten. Het systeem mag pas worden gevuld indien blijkt dat de antivriesoplossing voldoet aan de gestelde eisen. De antivriesoplossing mag niet worden vermengd met andere chemicaliën of toevoegingen. Registratie Het in de installatie aanwezige soort antivries moet te zijn genoteerd in het rapport van onderhoud. Deze registratie moet minimaal de volgende informatievelden te bevatten. Soort antivries. Minimale beveiligingstemperatuur. Datum van vorige meting. Datum (bij)vulling/ laatste opmenging. Gemeten waardes tijdens laatste meting.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

52

Nr. 6.1

H C

Component Schuimconcentraat voorraadtank, Atmosferisch Controle

6.2

C

Schuimconcentraat voorraadtank. Bladdertype

Omschrijving van de taken • Controleer visueel de tank op uitwendige beschadigingen, corrosie en lekkage. • Controleer de werking van de afsluiter(s) op bedienbaarheid. • Controleer de positie van de afsluiter(s) (staan deze open of dicht). • Controleer de niveauhoogte van het svm (schuimvormend middel) en controleer of de inhoud voldoet aan de minimale voorraad svm. • Controleer de werking van de niveausignalering (indien aanwezig). • Controleer of de beluchting en ontluchtingsinrichting van de tank open is en vrij van blokkades. • • • • • • • • • • •

• • • • • 6.3

C

Schuimvormend middel

1.

2. Schuimconcentraat 3.

Controleer visueel de tank op uitwendige beschadigingen en corrosie. Controleer visueel de tank op lekkages. Kijk vooral naar leidingaansluitingen, mangatdeksel, appendage aansluitingen. Controleer de werking van de afsluiter(s) op bedienbaarheid. Controleer het volledig openen en sluiten van afsluiters. Controleer de positie van de afsluiter(s) (staan deze open of dicht) Controleer het membraan van solenoïde ventielen. Eventueel schoonmaken van membraan en filter. Controleer de manometers op beschadiging. Registreer de waarde van de manometer en vergelijk die met de nominale waarde. Controleer het volume svm in de tank en controleer of de inhoud voldoet aan de minimale voorraad svm. Noteer het bouwjaar van de bladdertank (belangrijk voor FM bladdertanks). Test of het water svm bevat. Indien het water, svm bevat kan dit een indicatie zijn dat de bladder lek is. Situatie 1: svm in de bladder en water in de tank. Situatie 2: svm in de tank en water in de bladder. • Neem voor het testen van de waterkwaliteit de pH-waarde van het water op. De pH-waarde moet vergeleken worden met eerdere metingen. • Controleer de aanwezigheid van svm door middel van een brixmeting of een geleidbaarheidsmeting. Controleer de overdrukveiligheid visueel op beschadigingen of corrosie. Controleer na het in werking treden van de overdrukveiligheid op functioneren.

Controleer bij getracede leidingen en componenten de isolatie. Controleer de instelling van de verwarming (vereiste waarde en gemeten waarde) Controleer signalering van de verwarming. Neem een monster van het svm, de bemonstering moet worden uitgevoerd volgens de instructies van de fabrikant van het svm en volgens voorschriften van de NEN-EN 1568. Neem bij proteïne- en pseudo plastische schuimconcentraten zo mogelijk monsters uit meerdere niveaus van de tank (top, midden en bodem). Controleer of het aanwezige svm overeenstemt met de doelstelling van de sprinklerinstallatie, Oftewel wordt het juiste svm toegepast als omschreven in de opleverdocumentatie. Vaste gegevens: • Type svm. • Fabrikant.

Goedgekeurd door Commissie van Belanghebbenden Brandbeveiliging op 15 juni 2021 © Het CCV

53

Nr.

H

Component

Omschrijving van de taken • Merknaam. • Het batchnummer (indien bekend) van het svm. Indien niet bekend is hoe oud het svm in de tank is dan moet dit svm volgens een ingangscontrole rapport éérst op kwaliteit te worden getoetst. • Bijmengpercentage. • Minimumgebruikstemperatuur. 1) De nominale staat van het schuimvormende middel moet volgens de eisen van de NEN-EN 1568 bepaald. De rapportage moet minimaal de volgende gegevens te bevatten: Visuele eigenschappen (kleur, helderheid). Soortelijke massa (vereiste en gemeten waarden). Filmvorming c.q. spreidingscoëfficiënt ( indicatief). Ph-meting (vereiste en gemeten waarden). Verschuimingsgetal (vereiste en gemeten waarden). Uitwateringstijd 25%/ 50% (vereiste en gemeten waarden). Sediment. Viscositeit. Aceton stabiliteit. Alcoholbestendigheidstest (alleen AR-svm). Conclusie testresultaat. Bijvulling Schuimconcentraten worden in principe niet met elkaar gemengd. Indien dit onverhoopt toch plaats vindt, moet de leverancier aan te tonen dat een mengsel geen negatieve invloed heeft op de prestatie van het concentraat. Voor de testmethodiek en voorwaarden verwijzen wij naar het TB-81.

6.4

C

SVM-pomp

Contoleer en test de schuimpomp: 1. Controleer de schuimpomp uitwendig visueel op beschadigingen en lekkage. 2. Controleer of er svm aanwezig is in de schuimpomp. 3. Controleer de werking van de schuimpomp d.m.v.; debietmeting en drukmeting; of een svm opvangcontainer met maatindeling. Indien, voorafgaand aan deze test, de svm-tank is gevuld met een pseudo plastisch svm dan kan er luchtinsluiting in het svm plaatsvinden waardoor de test met debiet- en drukmeters onnauwkeurig kan zijn. Dieselmotor gedreven schuimconcentraatpomp(en), niet zijnde gecombineerde set met waterpomp, moeten (twee)-wekelijks belast te draaien gedurende 20 minuten. Dat wil zeggen druk, hoeveelheid en toerental, zoals vermeld in de bedieningsinstructies, op 100% van de vereiste capaciteit en druk benodigd voor het ongunstigste sproeivlak. Elektromotor gedreven schuimconcentraatpomp, moeten eens per 2 weken, gedurende 10 min belast draaien. Dat wil zeggen druk, hoeveelheid en toerental, zoals vermeld in de bedieningsinstructies, op 100% van de vereiste capaciteit en druk benodigd voor het ongunstigste sproeivlak). Turbine aangedreven schuimpomp .

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=d1118cd2-460c-4c14-983d-413a4e689bce