Bijlage 11 Toelichting
Tekst van het document
Toekomstvisie religieus cultureel erfgoed Gouda Religieus cultureel erfgoed is van grote betekenis voor de stad. Het beheer en behoud verlangt een gedragen langetermijnvisie, en goede onderlinge verstandhoudingen. Hiervoor is de Toekomstvisie religieus cultureel erfgoed Gouda opgesteld door vertegenwoordigers vanuit de geloofsgemeenschappen in bezit van religieus , Stichting Sint-Jan, Historisch Platform Gouda, gemeente Gouda en eigenaren van herbestemd religieus erfgoed cultureel erfgoed. In de toekomstvisie is per thema de Ambities, aanbevelingen en actiepunten uiteengezet. De thema's zijn: beheer en behoud duurzaamheid toekomstbestendig gebruik: opdat de functie meeveert sociaal-maatschappelijke betekenis van erfgoed educatie. Als vervolg van de toekomstvisie worden er afspraken gemaakt met de hiervoor benoemende betrokken van het proces over welke aanbevelingen, ambities en actiepunten concreet uitgewerkt zullen gaan worden, door wie en wanneer.
Historische Lintenvisie Gouda De historische linten lopen al sinds de middeleeuwen als hoofddraden van een spinnenweb door de stad heen. Ze zijn historisch gezien onmisbaar voor de stad en haar cultuur, welvaart en leefkwaliteit. Het water is al eeuwenlang essentieel voor handel, transport en industrie en als onderdeel van het veenweidelandschap; dat zal in de toekomst ook zo zijn. Daar komt de recreatieve functie nog bij. De weglinten zijn zo bijzonder omdat ze hun historische karakter van smalle kaden en dijken behouden hebben. Er zijn geen brede uitvalswegen naar de omringende dorpen en steden overheen gelegd. Gouda is daarin vrij uniek. De Historische Lintenvisie heeft drie doelen: 1. Vastleggen welke historische wegen en waterwegen van grote betekenis voor de stad van nu zijn; 2. Benoemen welke kernkwaliteiten deze linten voor de stad hebben; 3. De afspraak vastleggen dat deze kwaliteiten betrokken zullen worden bij het maken van het Omgevingsplan. Hierdoor kan er ingespeeld worden op de vraag naar aan- en inpassingen en transformatie, als onderdeel van de bruisende, initiatiefrijke stad, en tegelijk de kernwaarden en het cultureel erfgoed van de gemeente veiligstellen. Er zal gestuurd worden op kwaliteit, waarbij losgelaten wordt waar het kan, "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
31 maar wordt ook beschermd waar het nodig is. 3.2.4
Planbeschrijving en conclusie
De herziening legt de Zijlen vast in het bestemmingsplan. Verder maakt het bestemmingsplan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, een paragraaf cultuurhistorie is daarom niet opgenomen. Voor de locaties waar de dubbelbestemmingen 'Waarde Beschermd stadsgezicht' en/of 'Waarde Cultuurhistorie' waren opgenomen in het vigerende bestemmingsplan zijn deze ook overgenomen in de partiële herziening binnenstad Gouda. Hiermee zijn de bescherming van cultuurhistorische waarden en instandhouding van het beschermd stadsgezicht juridisch geborgd.
3.3
Archeologisch beleidskader
3.3.1
Rijksbeleid
Wet op de Archeologische Monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz) in werking getreden. Deze wet, gebaseerd op het Verdrag van Malta/Valletta, regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden in Nederland. Het belangrijkste doel is de bescherming van archeologische waarden in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht kunnen worden. Wie de bodem in wil, bijvoorbeeld om te bouwen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg: een aanpassing van de bouwplannen of het opgraven van archeologische vondsten. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. 3.3.2
Provinciaal beleid
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (2007) De Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland uit 2007 geeft voor de regio Gouwestreek-Krimpenerwaard de cultuurhistorische waarden in archeologisch en landschappelijk opzicht en voor wat betreft de nederzettingen aan. Plannen ter plaatse van de gebieden met cultuurhistorische waarden vereisen een nadere analyse en afweging. Om cultuurhistorie te behouden heeft de provincie daarnaast zogenaamde regioprofielen opgesteld. De profielen zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen die in de Provinciale structuurvisie staan vermeld. Deze richtlijnen gelden ook voor het thema archeologie. Gouda valt gedeeltelijk in het regioprofiel Krimpenerwaard. De terreinen waarvan de archeologische waarde bekend is, staan aangegeven op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) staat de zogenaamde verwachtingswaarde aangegeven. De provincie Zuid-Holland gebruikt beide kaarten en de CHS bij advisering en beoordeling van (wijziging van) bestemmingsplannen, bij het verlenen van ontgrondingvergunningen en bij advisering over omgevingsvergunningen, bodemsaneringen en peilbesluiten. Gouda heeft echter zelf een beleidskaart ontwikkeld, waarin de gegevens van de AMK, IKAW, en CHS zijn verwerkt en verfijnd.
De Goudse beleidskaart dient daarom als basis voor het archeologisch beleid in Gouda. 3.3.3
Gemeentelijk beleid
Gemeentelijke archeologische beleidskaart (2011) "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
32
In aanvulling op het rijks- en provinciaal archeologisch beleid heeft de gemeente Gouda in juni 2011 de geactualiseerde gemeentelijke archeologische beleidskaart (ABK) vastgesteld. Op de ABK is aangegeven in welke gebieden binnen de gemeente archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. In die gebieden is een omgevingsvergunning voor de activiteit archeologie vereist bij bodemverstorende werkzaamheden. In het beleid is opgenomen in welke situaties vrijstelling geldt van deze verplichting: 1.
Omvang op een hoogwaardige locatie met bijzonder waarde (archeologisch monument): geen vrijstelling; op een hoogwaardige locatie: vrijstelling voor projecten kleiner dan 50 m2; in een zone met een hoge verwachting: vrijstelling voor projecten kleiner dan 100 m2; in een zone met een lage verwachting: vrijstelling voor projecten kleiner dan 10.000 m2.
2.
Diepte
Alle onderzoeken in Gouda tonen aan dat de gemiddelde dikte van de verstoorde bovenlaag in Gouda meer dan 50 cm bedraagt. Zolang werkzaamheden niet dieper dan 50 cm -mv worden uitgevoerd, is er geen archeologisch onderzoek of een omgevingsvergunning activiteit archeologie vereist. Hiermee wordt afgeweken van de provinciale norm van 30 cm -mv. Op sommige plaatsten is bekend dat de archeologische waarden zich op grotere diepte bevinden, bijvoorbeeld onder recente ophogingspakketten. Hier geldt een dieptevrijstelling van 2 meter, pas bij diepere graafwerkzaamheden is onderzoek of een vergunning noodzakelijk Archeologievriendelijk bouwen Bovenstaande verplichtingen en vrijstellingen gelden in situaties waar behoud in situ van de archeologische waarden geen optie is. Waar mogelijk probeert Gouda behoud in situ wel actief te stimuleren. Daarom is het archeologievriendelijk bouwen geïntroduceerd: wanneer een bouwplan voldoet aan een aantal richtlijnen, wordt het bodemarchief nog maar zo weinig verstoord dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen zijn opgenomen in het beleid en vastgelegd in de Verordening inzake monumenten en archeologie. Verbeelding De gebieden met hoge archeologische verwachting, inclusief hoogwaardige gebieden, zoals weergegeven op de ABK 2011, zijn opgenomen op de verbeelding.
Deze gebieden krijgen een dubbelbestemming, 'Waarde - Archeologie'. Gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde worden niet op de verbeelding opgenomen, hiervoor is ook geen omgevingsvergunning voor de activiteit archeologie noodzakelijk. Alleen bij zeer grote projecten (groter dan 10.000 m2) is dan een booronderzoek noodzakelijk, ter controle van de lage verwachting. Het beleid is vastgelegd in de Nota Cultuurhistorie. Bescherming vindt plaats via de Verordening inzake monumenten en archeologie. 3.3.4
Planbeschrijving en conclusie
De herziening maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, een paragraaf archeologie is daarom niet opgenomen, eveneens is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Voor de locaties in de partiële herziening binnenstad Gouda waar een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' was opgenomen in het vigerende bestemmingsplan is deze ook opgenomen in het Veegplan. Hiermee is ook in de partiële herziening binnenstad Gouda de bescherming van archeologische waarden beschermd.
3.4
Groenstructuur
Structuurvisie Groen 2019 Het doel van de Structuurvisie Groen is vergroten van de leefbaarheid door een toename van openbaar groen; het doel vanuit klimaatadaptatie is het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten, en wateroverlast en hittestress te verminderen. Gouda vindt het daarom belangrijk dat er in het algemeen voldoende groen in de stad beschikbaar is. "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
33 Uitgangspunt is dat bouwende partijen het aanwezige groen behouden en ook nieuw groen aanleggen. De structuurvisie richt zich in hoofdzaak op openbaar gebied en niet op particuliere tuinen. Maar de tuinen vormen gezamenlijk wel een groot deel van de stad, dat verhard of groen kan zijn. Gouda heeft zich daarom aangesloten bij de landelijke organisatie Operatie Steenbreek. Deze is gericht op het stimuleren en faciliteren van meer groen op particulier terrein, met name de tuinen bij woonhuizen. Daarvoor werkt de gemeente samen met meerdere organisaties, zoals Instituut Voor Natuureducatie, Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Groei&Bloei en de woningcorporaties. Indien een projectontwikkelaar aanwezig groen niet behoudt of onvoldoende nieuw groen aanlegt, moet er financieel gecompenseerd worden door storting van een bijdrage in het Groenfonds. Met de financiën uit dit fonds kan op een andere plek alsnog openbaar groen worden aangelegd. In de structuurvisie zijn de volgende beleidsregels geformuleerd: Eerste beleidsregel: De oppervlakte bestaand openbaar groen en water, en het aantal bestaande bomen worden ten minste behouden. Tweede beleidsregel: Bij planontwikkelingen dient een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden.
Derde beleidsregel: Als het niet haalbaar blijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen, dan is het mogelijk: 1. binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen; 2. de opgave voor openbaar groen te realiseren op andere locaties in dezelfde wijk als waarin het projectgebied ligt. Het te realiseren openbaar groen buiten het projectgebied dient binnen een jaar na oplevering van het projectgebied te zijn aangelegd. Zijn er compenserende maatregelen mogelijk tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen. Vierde beleidsregel: Voor iedere niet gerealiseerde of gecompenseerde vierkante meter openbaar groen is een compensatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd van € 250 per m2 (prijspeil 2019). Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de Grond-, weg- en waterbouwindex uit het Meerjarenperspectief Grondexploitaties. Vijfde beleidsregel: Het college heeft de bevoegdheid te besluiten tot ontheffing of afwijking van de beleidsregels 2, 3 en 4, indien toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Conclusie/beschrijving plangebied De herziening maakt geen ontwikkelingen mogelijk, hierdoor blijft de groenstructuur ongewijzigd.
3.5
Verkeer, infrastructuur en parkeren
3.5.1
Rijksbeleid
Strategisch Plan Verkeersveiligheid Het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008 - 2020 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geeft een visie weer op het aspect 'verkeersveiligheid' in Nederland. De ambitieuze doelen (qua verkeersdoden en -gewonden) uit de Nota Mobiliteit moeten worden omgezet in beleid. Drie pijlers daarin zijn: samenwerking, integrale aanpak en "Duurzaam Veilig". Het verkeersveiligheidsbeleid in Nederland van de afgelopen jaren was succesvol; dat moet worden gecontinueerd. Op basis van generieke maatregelen (maatregelen die in de basis overal gelden, die de afgelopen jaren al zijn ingezet en die moeten worden gecontinueerd) alsook met specifieke aandachtsgebieden zou dit kunnen worden bewerkstelligd. Het is van groot belang dat er een goede afstemming en samenwerking plaatsvindt met alle betrokken partijen. 3.5.2
Gemeentelijk beleid
Mobiliteitsplan 2017-2026 In het Mobiliteitsplan Gouda 2017-2026 'Stad in Beweging' (vastgesteld 2017) heeft de gemeente haar visie op de mobiliteit in de gemeente verwoord. In het Mobiliteitsplan is ingegaan op de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid van alle vormen van vervoer. De compacte structuur met de historische "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
34 binnenstad geven Gouda haar charme en kwaliteiten. Anderzijds betekent het dat grote ingrepen om het gemotoriseerde verkeer anders af te wikkelen nauwelijks mogelijk zijn. Dat levert zelfs beperkingen op voor het fietsverkeer. Gouda moet het doen met de begrenzingen die deze stad oplegt. De gemeente streeft naar een goede verdeling tussen de (verkeers)ruimte voor het langzame en het gemotoriseerde verkeer. Het verbeteren van de verkeersveiligheid is daarbij een belangrijke opgave, net als het voorkomen van verkeersoverlast. In onderstaande afbeelding is het wensbeeld van het wegennet opgenomen. De uitdaging zit er in om te voorkomen dat het wegennet volstroomt en hierdoor de bereikbaarheid afneemt. Daarom zal elke ontwikkeling die verkeersgeneratie met zich meebrengt zorgvuldig getoetst worden. In het mobiliteitsplan 2017-2026 is een herziening van de parkeernormen aangekondigd, teneinde deze te actualiseren en meer maatwerk en flexibiliteit te bieden. Het is dus mogelijk dat binnen de looptijd van dit bestemmingsplan het gemeentelijk beleid inzake het aspect ‘parkeren’ wijzigt. In dat geval geldt de nieuwe beleidsregel en dient getoetst te worden aan de inhoud van de dan geldende parkeernormen.
Bij het zoeken en vinden van oplossingen voor parkeervraagstukken hanteert het mobiliteitsplan de volgende principes: eerst benutten (onder andere private parkeerplaatsen, meer deelauto's), verdelen (parkeerregulering) en beprijzen (differentiëren en betalen naar gebruik); daarna pas bouwen (als dat past binnen een structureel sluitende parkeerexploitatie en meerwaarde biedt voor de kwaliteit van de openbare ruimte); zorgen voor een (door de jaren heen) structureel sluitende gemeentelijke parkeerexploitatie; zorgen voor nieuwe parkeervoorzieningen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de woonomgeving (minder overlast maar ook meer ruimte voor andere functies) en aan het versterken van het historische stadsbeeld in de binnenstad. Parapluherziening parkeren Op 21 november 2018 heeft de raad van de gemeente Gouda de Parapluherziening Parkeren vastgesteld. Aanleiding hiervoor was de Reparatiewet BZK 2014 die er toe leidde dat de parkeernormbepaling en andere stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening zijn komen te vervallen. Als gevolg hiervan hebben deze bepalingen geen aanvullende werking meer op bestemmingsplannen. Dit zorgt ervoor dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening aan gemeentelijke parkeernormen kan worden getoetst.
In de bestemmingsplannen die na 2014 zijn vastgesteld zijn daarom aanvullende regels ten aanzien van parkeren opgenomen. Dit zijn echter geen eenduidige regelingen. Bovendien zijn er ook nog bestemmingsplannen van voor 2014 waarin nog niets geregeld is ten aanzien van parkeren. Vandaar dat besloten is om voor het gehele gemeentelijk grondgebied de parkeernormen door middel van een parapluherziening vast te leggen. Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van de aspecten parkeren en laden en lossen in Gouda. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het parkeerbeleid. Deze parapluherziening is een bestemmingsplan dat als een paraplu over andere, al bestaande bestemmingsplannen (en wijzigings- en uitwerkingsplannen) van de gemeente Gouda heen hangt. Het bepaalt dat de regels ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ die zijn opgenomen in alle vigerende plannen vervallen en worden vervangen door de regels die zijn opgenomen in deze parapluherziening. Voor de bestemmingsplannen waarin niets geregeld was inzake het aspect ‘parkeren’, gelden deze regels als aanvulling. Bij nieuwe bestemmingsplannen zullen de regels uit de Parapluherziening Parkeren worden overgenomen in de regels van het betreffende bestemmingsplan.
Op 29 januari 2020 heeft de gemeenteraad het Parkeerplan Gouda 2020 vastgesteld, met daarbij een wijziging van de parkeernorm voor woningen voor de Binnenstad.
Verkeerscirculatieplan Gouda Hoe kan Gouda ook in de toekomst als stad in beweging blijven? Het Verkeerscirculatieplan Gouda "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
35 (vastgesteld juni 2021) geeft daar antwoord op. Belangrijke punten zijn méér ruimte voor voetgangers en fietsers en betere bereikbaarheid, leefbaarheid, duurzaamheid en doorstroming van het verkeer. Het verkeerscirculatieplan (VCP) is een meer precieze uitwerking van het Mobiliteitsplan. Gouda is dicht bebouwd en daardoor is het moeilijk om het verkeer in goede banen te leiden. Vooral in de historische binnenstad binnen de singels. Maar er zijn ook problemen in andere wijken, met het huidige verkeer. De gemeente moet goed met de beperkte ruimte omgaan en slim geld besteden om de stad gezond en in beweging te houden. Ondertussen neemt door economische groei en extra woningbouw het verkeer verder toe. Niet alleen het woon-werkverkeer, maar ook het vrijetijdsverkeer. Want we trekken graag meer bezoekers naar onze stad. De belangrijkste punten uit het verkeerscirculatieplan zijn: Verbeteren van leefbaarheid en gezondheid. Onder andere door het verminderen van doorgaand verkeer via de singels en door woonstraten, het verbeteren van de luchtkwaliteit en de verkeersveiligheid en het verminderen van geluidshinder. Binnenstad aantrekkelijker maken Onder andere door minder verkeer via de binnenstad en de woonstraten en het toevoegen van meer groen en r imte om elkaar te ontmoeten.
Duurzaam vervoer verbeteren Door maatregelen die leiden tot meer gebruik van de fiets, door inzetten op een duurzaam wagenpark (bijvoorbeeld door het vermeerderen van het aantal laadpalen voor elektrische auto's) en door het aantrekkelijker maken van het openbaar vervoer. Verbeteren van de bereikbaarheid voor zaken en werk Onder meer door het verbeteren van de doorstroming op de hoofdroutes, betere bereikbaarheid van parkeergarages en bedrijventerreinen. Haalbaarheid Het VCP is opgedeeld in een viertal uitvoeringstranches. Voor de 1e tranche 2022-2027 heeft de raad budget vastgesteld. Aan de hand van monitoring en evaluatie zal besluitvorming plaatsvinden over de volgende tranches Voor de autoluwe binnenstad zijn in het VCP de volgende maatregelen opgenomen: 1. Aantrekkelijk verblijfsklimaat. De komende jaren vindt groot onderhoud plaats in de binnenstad. De gemeente grijpt dit aan om het verblijfsklimaat te verbeteren en nieuwe meer erf-achtige inrichtingen te realiseren. Dit kan met middelen van beheer- en onderhoud. 2. Sturen op parkeren. Om straatparkeerplaatsen om te kunnen zitten in meer groen en verblijfsruimte zijn sturende maatregelen nodig om het aantal straatparkeervergunningen in de binnenstad te beperken. In de binnenstad zijn ca 1.500 bewoners- en bedrijfsvergunningen voor ca 1.200 straatparkeerplaatsen. Een deel van de vergunninghouders parkeert nu al elders.
Het doel is niet om de gehele binnenstad vrij te maken van parkeren op straat, een deel van de binnenstad is woongebied waar prima auto's op straat kunnen parkeren. Voor de aantrekkelijkheid van de binnenstad zijn er met name kansen voor parkeervrije grachten, zoals de West- en Oosthaven, de Lage- en Hoge Gouwe en de Turfmarkt. Hier zijn totaal zo'n 250 parkeerplaatsen (ca. 20% totaal). Daarmee zou zo'n 3.000 m2 vrij komen voor andere functies, zoals groen, horeca en zitjes. Verminderen van parkeerplaatsen kan pas als het aantal straatvergunningen voldoende is gedaald. Dit is mogelijk met een vergunningenplafond (bv. maximaal 1000) met een organisch uitdoofbeleid: bij verhuizing vervalt het recht op een straatvergunning. Wel worden alternatieven geboden in de vorm van een vergunning op een parkeerlocatie in de schil, maar ook in de vorm van deelmobiliteit en goede fiets en OV-verbindingen. 3. Sturen op toegankelijkheid. Voorstel is om gelijktijdig met de Zero Emissiezone Stadslogistiek in 2025 ook een autoluwe zone in te stellen voor alle doelgroepen met een ruim ontheffingenbeleid. Dit beperkt onnodige autoritten, en geeft ruimte voor bestaande gebruikers.
3.5.3
Planbeschrijving en conclusie
De herziening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, verwacht wordt dan ook dat er geen invloed is op het aantal verkeersbewegingen en/of de parkeersituatie. Een onderzoek verkeer en parkeren is derhalve niet uitgevoerd. Strijdigheid met het beleid omtrent mobiliteit wordt derhalve ook uitgesloten. Er zijn diverse gebieden bestemd met Verkeer - Verblijfsgebied ten behoeve van de bestaande parkeersituatie de tegenstrijdigheid op te heffen: Lange Noodgodstraat en Nieuwehaven. "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
36
Wel zijn de regels uit het parapluplan parkeren overgenomen, zodat als de omvang of de bestemming daartoe aanleiding geeft er voldoende ruimte voor het stallen van auto's wordt aangebracht.
3.6
Stedenbouw
3.6.1
Welstandsnota
In de gemeentelijke Welstandsnota (22 september 2020) staan beoordelingskaders en toetsingscriteria waaraan bouwplannen op architectonische kwaliteit worden getoetst aan het welstandsbeleid als gereedschap voor de ruimtelijke kwaliteit. Veelal hebben deze eisen betrekking op vormgeving, kleurgebruik en materiaalgebruik. Voor een deel hebben welstandscriteria ook betrekking op de massa en het volume van bebouwing. Aangezien het bestemmingsplan hier ook eisen stelt, is het van belang beide regelingen op elkaar af te stemmen. In de formulering van haar Welstandbeleid door middel van toetsingscriteria kiest de gemeente Gouda voor een meervoudige aanpak. In de Welstandsnota is een kaart opgenomen waarin Gouda is verdeeld in verschillende gebieden. Per gebied zijn gedetailleerde toetsingscriteria beschreven waaraan bouwaanvragen en principeplannen getoetst kunnen worden. Hiervoor zijn algemene en gebiedsgerichte criteria opgenomen. De algemene criteria hebben betrekking op de inpassing van het (bouw)plan in de omgeving, de bijdrage aan kwaliteit, de helderheid van het plan, de functionaliteit en op het ontwerp (o.a. materiaalgebruik, kleur, massa en volume). De gebiedsgerichte criteria zijn gericht op vijf verschillende typen gebieden. Niet elk gebied heeft dezelfde zorg nodig.
Soms volstaat een set met eenvoudige bepalingen om de ergste uitwassen te voorkomen, soms is een gedetailleerde beschrijving en een intensieve planbegeleiding op zijn plaats. Hierin worden de volgende gebieden onderscheiden: 1. 2. 3. 4. 5.
Gebieden met een reguliere welstandszorg; gebieden met een bijzondere welstandszorg; welstandsluwe gebieden; welstandsvrije achterkanten; ontwikkelingsgebieden.
Door middel van een Welstandskaart en een zoeksleutel kan worden nagegaan welke criteria gelden voor het zoekgebied. 3.6.2
Nota Hoogbouw
De gemeente Gouda geeft in deze nota haar visie op hoogbouw. De nota is vastgesteld in 2005. In de nota zijn randvoorwaarden geformuleerd die bestaande kwaliteiten waarborgen en een toetsingskader bieden voor nieuwe plannen. Vanuit verschillende perspectieven en schaalniveaus (regio, stad en wijk) geeft de nota Hoogbouw op basis van stedenbouwkundige argumenten en een eerste maatschappelijke notie, een samenhangend beeld van de mogelijkheden voor hoogbouw in Gouda. Op de zoneringskaarten geeft de nota aan waar hoogbouw binnen Gouda denkbaar is. In de zones waar dat van toepassing is, worden maximale bouwhoogtes gegeven. Omdat iedere plek zijn eigen specifieke kenmerken heeft, zijn de randvoorwaarden waaraan de hoogbouw dient te voldoen, omschreven in de vorm van algemene aandachtspunten. De functie van de nota Hoogbouw als toetsingsinstrument zal met name tot uitdrukking komen in die gevallen waar er voor de gemeente de mogelijkheid en ruimte is om te sturen in de ruimtelijke ontwikkeling van een plek of gebied. Hiervan is sprake als de gemeente eigenaar is van de grond of als medewerking aan een initiatief wordt verleend buiten de kaders van het geldende bestemmingsplan in de vorm van een vrijstelling of een herziening van het bestemmingsplan. In die gevallen geeft de gemeente via maatwerk randvoorwaarden aan waarbinnen een ontwikkeling tot stand mag komen.
Als vanuit het programma en de stedenbouwkundige inpassing van dat programma in de wijk hoogbouw tot de mogelijkheden behoort, dan geeft de nota Hoogbouw daarvoor de bijzondere randvoorwaarden ten aanzien van de bouwhoogte en de bijbehorende condities voor de inpassing op het maaiveld.
"Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
37
3.6.3
Stedenbouwkundige visie op de binnenstad en haar randen
De gemeente Gouda heeft een Stedenbouwkundige Visie voor haar binnenstad en de randen daaromheen opgesteld. Het belangrijkste doel hiervan is dat de cultuurhistorische identiteit van de binnenstad sterker richtinggevend wordt voor de inrichting van de ruimte. Onderdeel van de visie is een Beeldkwaliteitsplan (hierna BKP), dat een instrument vormt om nieuwe ruimtelijke inzichten en daarmee samenhangende functionele veranderingen te sturen. Het BKP formuleert aan de hand van ruimtelijke iconen en straatprofielen verschillende 'spelregels'. Deze spelregels op het gebied van stedenbouw, architectuur en openbare ruimte vormen de leidraad voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het betreft dan stedenbouwkundige herstructureringsopgaven, kleinschalige bouwprojecten of herinrichting van de openbare ruimte. Het BKP gaat vooral in op het gebied binnen de singels, inclusief de wandbebouwing aan de buitenzijde van de singels. Vanwege de status van beschermd Stadsgezicht moeten met name in dit gebied nieuwe ontwikkelingen op cultuurhistorisch verantwoorde wijze worden ingepast. In de schil rond de binnenstad is de marge ruimer om vernieuwingen aan het bestaande stadsbeeld toe te voegen. Toch zal ook hier gebouwd dienen te worden met respect voor wat er reeds is.
Het BKP biedt in eerste instantie een informatie- en inspiratieboek vooraf, ten behoeve van initiatiefnemers die willen bouwen in de binnenstad. Hiermee verschilt het BKP van de Welstandnota, die een toetsingskader achteraf vormt. In principe strookt de benadering en de inhoud van het BKP met de Welstandsnota. Het BKP dient ook als (aanvullend) gemeentelijk toetsingskader bij ruimtelijke plannen in de binnenstad. Het bestemmingsplan blijft weliswaar primair het juridische toetsingskader voor bouwplannen en andere werkzaamheden en geeft voorschriften voor het gebruik van gronden en gebouwen. Bij een herziening van een bestemmingsplan en bij een ruimtelijke onderbouwing voor een omgevingsvergunning zal de Stedenbouwkundige Visie in het algemeen en het BKP in het bijzonder worden betrokken. 3.6.4
Planbeschrijving en conclusie
De herziening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Wanneer in de toekomst deze wel plaats vinden, bijvoorbeeld in de vorm van de verbouw van een gebouw binnen het bestemmingsplangebied, dan wordt het plan getoetst aan het geldende welstandsbeleid. Omdat de herziening geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt past het bestemmingsplan binnen het beleid op het gebied van stedenbouw.
3.7
Economisch beleid
3.7.1
Rijksbeleid
Topsectorenbeleid 'Naar de top' Begin 2011 hebben verschillende ministeries een brief naar de Tweede Kamer gestuurd die de hoofdlijnen beschrijft van het nieuwe bedrijfslevenbeleid van het kabinet. Het nieuwe beleid vervangt het programma Pieken in de Delta. Doel van het beleid is om meer ruimte te bieden voor ondernemers om te ondernemen en te groeien. Hierbij moet Nederland onderscheidend zijn op de wereldmarkt, profiteren van de aantrekkelijke wereldhandel, groeikansen in opkomende markten benutten, duurzame economische groei bereiken en kiezen voor topsectoren. De hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid zien er als volgt uit: Een sectorale aanpak: Voor negen topsectoren wordt een samenhangende beleidsagenda ontwikkeld over de volle breedte van het overheidsbeleid; van buitenlandbeleid tot onderwijsbeleid, van regeldruk tot onderzoeksbeleid en van ontwikkelingssamenwerking tot infrastructuur en ICT. Meer vraagsturing door het bedrijfsleven: Dit komt tot stand in nauwe samenspraak met het bedrijfsleven en kennisinstellingen, hierdoor kan het bedrijfsleven meer vraaggericht sturen bij het formuleren van overheidsbeleid. "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
38 Minder specifieke subsidies, meer generieke lastenverlichting: Het Rijk gaat schrappen in subsidies en gebruikt de opbrengsten voor het bedrijfsleven. Subsidies worden omgezet in leningen zodat ondernemers geprikkeld worden. Meer ruimte voor ondernemers: Ondernemers jagen innovatie aan, zorgen voor welvaart en werkgelegenheid en dragen bij aan innovatieve oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Het kabinet heeft negen bedrijfstakken gekozen waarmee Nederland internationaal moet excelleren. Dat moet leiden tot versteviging van de concurrentiepositie van Nederland. Alle negen sectoren werken samen aan de 'tiende' sector, namelijk het binnenhalen van hoofdkantoren van internationale bedrijven. De topsectoren zoals genoemd worden in de bedrijfslevenbrief zijn: hightech, logistiek, creatieve industrie, energie, agrofood, tuinbouw, lifesciences, water en chemie. Maandag 5 oktober 2015 is de Rapportage Bedrijvenbeleid naar de Tweede Kamer verstuurd. De Rapportage informeert jaarlijks de Tweede Kamer over de voortgang van het bedrijvenbeleid. Focus ligt op de resultaten op de terreinen van kennis en innovatie, ondernemerschap en financiering, talentontwikkeling, duurzaamheid, digitalisering en internationalisering. Daarnaast worden de resultaten van de individuele topsectoren gerapporteerd. 3.7.2
Provinciaal beleid
Algemeen De economische visie van de provincie Zuid-Holland vloeit voort uit het topsectorenbeleid van het Rijk. Gedeputeerde Staten heeft een beleidsagenda Regionale Economie en Energie 2012-2015 opgesteld. De Provincie wil in haar beleid aansluiten bij de negen clusters uit het Rijksbeleid. Ze zet in op het versterken van zogenaamde prioritaire economische clusters, namelijk de Mainport Rotterdam, Den Haag als internationale stad van Vrede en Recht, water/ deltatechnologie, (maritieme) logistiek, Greenports, Medical Delta en biochemie. De ambitie van de provincie Zuid-Holland is om als economische regio tot de koplopers van Europa te behoren met een concurrerende, innovatieve en duurzame economie. Behoud en groei van de werkgelegenheid en het vergroten van de toegevoegde waarde van de economische activiteiten zijn belangrijke aandachtsgebieden. Met verschillende strategieën streeft Zuid-Holland naar een krachtige economische structuur en een optimaal vestigingsklimaat voor de gehele provincie en naar een gerichte bijdrage aan de economische positie in de wereldtop. Dat betekent dat Zuid-Holland moet doen waar het goed in is en waarmee het zich kan onderscheiden van andere regio's. Het gaat dan om de stuwende clusters die internationaal concurrerend zijn en inkomen genereren voor Zuid-Holland.
Voldoende en passende vestigingslocaties voor bedrijven is hierin één van de belangrijkste aandachtspunten en dit vertaalt zich in een provinciale bedrijventerreinen- en kantorenstrategie. Bedrijventerreinen en kantorenlocaties Het provinciale beleid is gericht op het scheppen van randvoorwaarden om te komen tot voldoende kwantitatieve en kwalitatieve ruimte voor bedrijven. Daarnaast vraagt de toegenomen maatschappelijke druk ten aanzien van het volbouwen en de verrommeling van Nederland om meer bovenregionale regie op (beeld)kwaliteit. Waar mogelijk zetten provincie en partners in op het boeken van ruimtewinst bij herstructurering en aanleg van nieuwe bedrijventerreinen. De belangrijkste focus is het krijgen en behouden van kwaliteit op bedrijventerreinen. Ook leegstand krijgt in dit kader specifieke aandacht en uitwerking. Aandachtspunt is verder de mate waarin herstructurering van bedrijventerreinen een gunstig effect heeft op de economische ontwikkeling, waaronder werkgelegenheid, in een gebied. In de nieuwe voorstellen die naar aanleiding van het vernieuwde Rijksbeleid zijn opgesteld, is de provincie veel terughoudender in de rol die zij speelt bij de realisatie van voldoende kwantitatieve en kwalitatieve ruimte voor bedrijven. Er is namelijk minder geld beschikbaar.
De Provincie legt verantwoordelijkheid vooral terug bij de regio's en gemeenten en zal meer gaan fungeren in de rol van kaderafbakening en plantoetsing. "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
39
De Provincie heeft de randvoorwaarden omtrent kantorenlocaties aangescherpt. Nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot kantoren zijn slechts nog op 13 knooppunten mogelijk. In de verordening Ruimte en Mobiliteit is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' overgenomen. In paragraaf 3.1.2 wordt hier nader op ingegaan. Detailhandelsbeleid Op 30 mei 2012 heeft Provinciale Staten de ‘Beleidsvisie en Uitvoeringsstrategie Regionale Economie en Energie 2012-2015’ vastgesteld. In deze beleidsvisie is bepaald dat de provincie het onderdeel detailhandel gaat uitwerken. De ‘Notitie detailhandel Zuid-Holland’ gaf hier invulling aan. De onderdelen uit de Notitie detailhandel Zuid-Holland (2012) die ruimtelijk relevant waren, zijn opgenomen in de Provinciale Structuurvisie en de Verordening Ruimte. Het provinciale detailhandelsbeleid is er enerzijds op gericht om de detailhandelsstructuur zoveel als mogelijk te versterken en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. Anderzijds wordt de dynamiek in de detailhandel bevorderd vanwege het grote economische belang van deze sector. Voor alle winkelgebieden geldt dat kwalitatieve verbetering leidend is ten opzichte van kwantitatieve versterking. Uitbreiding van het winkelareaal is hoofdzakelijk aan de orde binnen de 'te ontwikkelen centra'.
Nieuwe detailhandel wordt primair gevestigd binnen of direct aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties en in de centra van steden, dorpen en wijken. Deze winkelconcentraties zijn benoemd en gecategoriseerd in het Programma ruimte als "te ontwikkelen centra", "te optimaliseren centra" en "overige aankoopplaatsen". Nieuwe detailhandel kan ook gevestigd worden in een nieuwe woonwijk, voor zover het gaat om winkels die zijn gericht op de bewoners van die wijk. Ten behoeve van grootschalige meubelbedrijven en andere detailhandelsbedrijven rond het thema wonen zijn opvanglocaties aangewezen. Deze bedrijventerreinen met zogenoemde PDV-locaties, zijn verbeeld op Kaart 2 Detailhandel van de verordening. De uitvoering van het provinciale detailhandelsbeleid is vooral een verantwoordelijkheid van gemeenten en regio's. Gemeenten doen dit door het vaststellen van actuele bestemmingsplannen en het handhaven van deze bestemmingsplannen. Regio's doen dit door het vaststellen van regionale visies op de detailhandel. De provincie stelt de kaders vast en kan, via het ruimtelijk instrument, een zienswijze indienen op bestemmingsplannen. Dit kan aan de orde zijn als de plannen niet passend zijn binnen een regionaal afgestemd detailhandelsprogramma, of binnen de provinciale detailhandelsstructuur uit de Provinciale Structuurvisie en/of de Verordening Ruimte. 3.7.3
Regionaal beleid
Regionale detailhandelsvisie De Regionale Structuurvisie Detailhandel Midden-Holland is voor veel bouwinitiatieven relevant. De toelaatbaarheid van grootschalige ontwikkelingen is afhankelijk van de ruimtelijke effecten die een dergelijke ontwikkeling met zich meebrengt. Met het oog hierop moet worden aangetoond dat het woonen leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig worden aangetast. Het gaat daarbij onder meer om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand en het voorkomen van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau waar het gaat om de eerste levensbehoeften. Met het oog hierop is advies nodig van de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. In de Verordening is aangegeven bij welke ontwikkelingen advies nodig is van de commissie en welke drempelwaarden hierbij van toepassing zijn. De adviescommissie valideert in haar advies ook de schaal van de (ruimtelijke) impact. Als er bovenlokale effecten zijn, is in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking regionale afstemming nodig met de (samenwerkende) gemeenten binnen het gebied waar de effecten zullen optreden. Dit kan dus variëren van afstemming met een buurgemeente tot afstemming met meerdere gemeenten of regio's. Daarbij zullen, afhankelijk van de schaal, de Regionale Economische Overleggen een rol kunnen blijven vervullen. "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
40
3.7.4
Planbeschrijving en conclusie
De herziening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Er wordt geen invloed verwacht op de economische situatie in Gouda. Het toestaan van wonen boven de winkels vergroot de levendigheid in het centrum en voorkomt lege verdiepingen. De aanpassingen binnen de horecabestemming zijn een vertaling van de bestaande situatie. Omdat het herziening geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt past het bestemmingsplan binnen het beleid op het gebied van economie.
3.8
Woonbeleid
3.8.1
Rijksbeleid
Woonvisie In de Woonvisie (2011) presenteerde het kabinet zijn visie op de woningmarkt. Het kabinet kiest voor een woningmarkt met meer marktwerking en eigenwoningbezit. Dit is nodig omdat enerzijds goed wonen in Nederland een gemeengoed is geworden en anderzijds de woningmarkt niet goed functioneert. De bouw- en woningmarkt bevinden zich in een overgangssituatie van sterke groei in het verleden via een forse conjuncturele terugval op dit moment naar een meer gematigde ontwikkeling in de komende jaren. Daarom acht het kabinet een heroriëntatie van het woonbeleid nodig die leidt tot een doelmatiger verdeling van woonruimte, verbetering van het investeringsperspectief en versterking van het vertrouwen op de woningmarkt. Het kabinet kiest daarbij voor meer keuzevrijheid, zeggenschap en verantwoordelijkheid voor burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen. De kernthema's van de woonvisie zijn: versterken vertrouwen koopmarkt; verbeteren werking huurmarkt; verbeteren investeringscondities woningbouw; verbeteren leefbaarheid. Met het in 2013 gesloten Woonakkoord is het kabinet een fors aantal maatregelen overeengekomen die de bouw en daarmee de werkgelegenheid moeten stimuleren, energiebesparing moeten bevorderen, starters moeten helpen en scheefwonen moeten tegengaan. Ook verzacht het de effecten van belangrijke hervormingen uit het regeerakkoord voor de woningmarkt. 3.8.2
Provinciaal beleid
Verstedelijkingsstrategie Zuidvleugel 2010-2020 Rijk, provincie en regio's hebben gezamenlijk in het Samenwerkingsverband Zuidvleugel een Verstedelijkingsstrategie (2010) opgesteld in het kader van het Verstedelijkingsprogramma Zuidvleugel 2010-2020. Deze strategie bevat regionale programmatische uitwerkingen voor vijf regio's. De belangrijkste hoofdpunten van de strategie zijn: Het in balans brengen van vraag en aanbod qua woonmilieus, dat wil zeggen zorgen voor meer écht centrumstedelijke en écht landelijke woonmilieus, het tekort aan groenstedelijke woonmilieus wegwerken en zeven locaties als iconen van bijzondere woonmilieus in de Zuidvleugel ontwikkelen; Vooral binnenstedelijk bouwen, dat wil zeggen tot 80% van de opgave realiseren binnen het bestaand stedelijk en dorpsgebied opdat de schaarse open ruimte in de Zuidvleugel gespaard blijft en het draagvlak voor stedelijke voorzieningen wordt versterkt. Om ervoor te zorgen dat de verstedelijkingsstrategie slaagt, moet de bereikbaarheid van de binnenstedelijke locaties worden verbeterd vooral door StedenbaanPlus en moet er voldoende goede bereikbare en recreatief bruikbare buitenruimte zijn in de vorm van het Metropolitaan Landschap Zuidvleugel. Daarnaast moeten milieubelemmeringen voldoende worden verminderd. Deze woningbouwgerelateerde condities worden in de gebiedsagenda integraal uitgewerkt.
"Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
41
De verstedelijkingsstrategie is uitgewerkt in de verstedelijkingsopgave: een woningbouwprogramma voor de Zuidvleugel dat is gerelateerd aan mobiliteit en groen, uitgewerkt per regio. De opgave per regio is de basis voor regionale verstedelijkingsafspraken. StedenbaanPlus StedenbaanPlus is een integraal programma voor ruimtelijke ontwikkeling en hoogwaardig openbaar vervoer in de Zuidelijke Randstad. Het programma verbindt wonen, werken en recreëren: fysiek en hoogwaardig. Het bouwt zo aan een economisch sterke en bereikbare Zuidelijke Randstad. Voor ruimtelijke ontwikkeling heeft StedenbaanPlus met de tien partners waaronder de gemeente Gouda afspraken gemaakt over de programmering van binnenstedelijk bouwen rondom de bestaande (Gouda en Goverwelle) en potentieel nieuwe (Gouweknoop) te openen HOV-stations. Binnen het verstedelijkingsbeleid wordt gestreefd naar 80% binnenstedelijk bouwen, waarvan de helft rondom de StedenbaanPlus-stations. 3.8.3
Regionaal beleid
Regionale Agenda Wonen Midden-Holland Plus Momenteel is de nieuwe Regionale Agenda Wonen Midden-Holland in concept gereed. Deze zal in de komende tijd worden vastgesteld en gaat in op behoud en versterking van de diversiteit aan woonmilieus in de regio Midden-Holland. Binnenstedelijke herontwikkeling is daarbij één van de belangrijke uitgangspunten. Gouda is in Midden-Holland de enige gemeente met een stedelijk woonmilieu. Voor Gouda is het versterken van het binnenstedelijke woonmilieu dan ook belangrijke opgave. 3.8.4
Gemeentelijk beleid
Woon(zorg)visie De woon(zorg)visie Wonen in Gouda in 2030, Aangenaam stedelijk wonen voor iedereen, met oog voor zorg is door de gemeenteraad vastgesteld op 31 augustus 2021. Er wordt ingezet op het volgende: Bouwen voor een gevarieerd woon- en leefmilieu a. Woningvoorraad in overeenstemming met huishoudensprognoses b. Ontwikkelen nieuwe locaties c. Regievoering op het woningbouwprogramma, met voldoende sociale huur en aanbod in middensegment Gemengde wijken d. Inclusieve wijken e. Gezamenlijke opgave voor volkshuisvestelijke doelen f. Tegengaan van overlast en ongewenste ontwikkelingen Verduurzamen woningvoorraad tot een toekomstbestendige voorraad g. Toewerken naar energie- en klimaatneutraal Gouda h. Tegengaan energiearmoede i. Duurzame mobiliteit en wonen verbinden j. Toekomstbestendige woningvoorraad Wonen voor iedereen k. Schaarste op de woningmarkt verdelen l. Recht doen aan huisvestingbehoefte voor specifieke doelgroepen m. Ruimte bieden voor alternatieve woonvormen Langer zelfstandig thuis en een plek voor mensen in een kwetsbare positie Doelgroepenverordening De doelgroepenverordening is op 13 december 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Op basis van de Woon(zorg)visie wordt bij nieuwe woningbouwplannen en transformatie al op een differentiatie van tenminste 33% sociale huurwoningen en 20% gereguleerde middenhuurwoningen en sociale koopwoningen.
De doelgroepenverordening maakt dit juridisch afdwingbaar en zorgt ervoor dat de "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
42 woningen gedurende langere tijd terecht komen bij de gewenste inkomensgroepen en een minimale gebruiksoppervlakte (GBO) en aantal verblijfsruimten hebben. De binnenstad (Gebied A) leent zich goed voor kleinere appartementen. Elke woning is ten minste 35 m2 GBO. 3.8.5
Planbeschrijving en conclusie
De herziening maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het toestaan van wonen boven de winkels vergroot de levendigheid in het centrum en voorkomst lege verdiepingen. Het is een continuering van de bestaande situatie en zorgt voor éénheid in het centrum. Daarbij kan het bijdragen aan een diversificatie van het woningaanbod binnen Gouda door de toevoeging van kleinere en betaalbare woningen in het centrum. Omdat het herziening geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt past het bestemmingsplan binnen het woonbeleid.
"Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
43
Hoofdstuk 4 4.1
Randvoorwaarden
Milieu
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien het laatste decennium steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan soms beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de omgevingsaspecten, omdat er geen directe raakvlakken zijn die een rol spelen bij dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht. 4.1.1 M.E.R. 4.1.2 Bedrijven en Milieuzonering (inclusief geurhinder) 4.1.3 Geluid 4.1.4 Bodem 4.1.5 Luchtkwaliteit 4.1.6 Externe veiligheid 4.1.7 Flora en fauna De in de volgende paragrafen vermelde informatie is gebaseerd op het milieukundig advies van de Omgevingsdienst Midden-Holland. 4.1.1
M.E.R.
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat deze ontwikkeling niet worden genoemd in de C-lijst en D-lijst is een onderzoek niet nodig. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. 4.1.2
Bedrijven en milieuzonering
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Conclusie Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe milieugevoelige en/of milieubelastende activiteiten mogelijk. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan. 4.1.3
Geluid
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt geen nieuwe planologische ruimte geboden om het aantal geluidgevoelige functies ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen te vergroten. Het aspect geluid (onderdelen wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.
"Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
44
4.1.4
Bodem
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt geen nieuwe planologische ruimte geboden. Een nadere beoordeling voor dit aspect kan achterwege blijven. Conclusie Voor de volksgezondheid en het milieu zijn er geen risico's met betrekking tot deze planontwikkeling. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. 4.1.5
Luchtkwaliteit
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt geen nieuwe planologische ruimte geboden om milieugevoelige functies ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen te vergroten. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Conclusie Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling niet in de weg. 4.1.6
Externe veiligheid
Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Met het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op het gebied van veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Conclusie Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg. 4.1.7
Flora en fauna
Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
45
Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Daarnaast geldt ook het programma aanpak stikstof (PAS). Het PAS, 1 juli 2015–1 juli 2021, verbindt economische ontwikkeling met het op termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten voor de Natura 2000-gebieden die zijn opgenomen in dit programma. Onderzoek en resultaten Het bestemmingsplan Partiële herziening binnenstad Gouda is conserverend van aard en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Omdat er geen sprake is van nieuwe ontwikkelingen worden ook geen nieuwe bouwmogelijkheden gecreëerd die mogelijk kunnen leiden tot nieuwe, binnen de huidige bestemming niet toegestane, bouwactiviteiten. Het bestemmingsplan leidt niet tot aanpassingen aan gebouwen en de ruimte eromheen. Toename van verkeer, extra lichthinder of andere verstoring is niet te verwachten als gevolg van de wijzigingen in voorliggend Veegplan.
De vaststelling van het bestemmingsplan leidt dan ook niet tot mogelijke belemmering van beschermde planten en/of dieren. Conclusie Het aspect flora en fauna staat het vaststellen van de het bestemmingsplan niet in de weg.
4.2
Water
Een aspect dat moet worden belicht in het kader van het opstellen van een bestemmingsplan, vormt de waterhuishouding. Belangrijke thema's zijn het vasthouden van hemelwater in plaats van het direct afvoeren ervan, het hergebruiken van water, zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Deze partiële herziening voorziet niet in een uitbreiding van bebouwd oppervlak. Met betrekking tot water worden enkel bestaande bruggen juist opgenomen in het bestemmingsplan. De waterhuishouding vormt dan ook geen belemmering voor dit plan en staat de uitvoerbaarheid niet in de weg. Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1
Archeologie
Indien een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient aandacht te worden besteed aan de vraag of deze ontwikkeling invloed heeft op de archeologische waarden binnen het plangebied. Met dit parapluplan worden geen nieuwe bodemingrepen uitgevoerd die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op eventuele aanwezige archeologische waarden in de bodem. De vigerende bestemmingsplannen bieden extra bescherming aan gronden indien wordt verwacht dat ter plekke archeologische waarden aanwezig zijn, doordat dan archeologische dubbelbestemmingen van kracht zijn. Geconcludeerd moet worden dat dit bestemmingsplan geen invloed heeft op archeologische waarden. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan dit bestemmingsplan.
"Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
46
4.3.2
Cultuurhistorie / monumenten
Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Geconcludeerd moet worden dat dit bestemmingsplan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. Er wordt een nieuwe regeling aan de bestaande bestemmingsplannen toegevoegd om de cultuurhistorische waarde van zijlen en stegen te beschermen. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan dit bestemmingsplan.
"Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
47
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Opbouw van de regels
Functies zijn apart bestemd of aangeduid, waardoor het in samenhang met de van kracht blijvende bestemmingsplannen, mogelijk is om met de bijbehorende legenda (verklaring van de bestemmingen en aanduidingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Ook is het mogelijk om informatie op te vragen door eenvoudig op de kaart te klikken, de bijbehorende informatie (plekinfo) wordt dan getoond en kan verder worden geraadpleegd. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksregels alsmede de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden te vinden. In de regels, zijn uitgezonderd de begripsbepalingen, tekstdelen die verwijderd zijn ten opzichte van de herziene bestemmingsplannen doorgehaald en toevoegingen gemarkeerd. Onveranderde tekst wordt vanwege de raadpleegbaarheid in voorkomende gevallen wel weergegeven. Voorzover er sprake is van een minder algemeen voorkomende of minder gebruikelijke regeling dan in de onderligende bestemmingsplannen, wordt dit nader toegelicht. plangebieden op de verbeelding zijn de plangebieden van de diverse onderliggende bestemmingsplannen, voor zover samenvallend met deze herziening, weergegeven. In deze plangebieden is een verwijzing opgenomen naar de te herziene onderliggende bestemmingsplannen. Voor zover niet anders aangegeven, blijven de regels van deze bestemmingsplannen gelden.
Verder zijn alleen de wijzigingen en toevoegingen opgenomen op de verbeelding, al het overige blijft zoals aangegeven op de verbeelding van de onderliggende bestemmingsplannen van kracht. De partiële herziening vormt zo één geheel met de onderliggende bestemmingsplannen, voor zover samenvallend met het plangebied van de partiële herziening. bestemmingsvlakken In dit plan wordt gebruik gemaakt van bestemmingsvlakken. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Voorzover binnen het plangebied van deze herziening geen bestemming wordt aangegeven, geldt de bestemming zoals geregeld in het onderliggende bestemmingsplan. aanduidingen Op de verbeelding is een onderscheid gemaakt in enkele verschillende aanduidingen. Functieaanduidingen worden gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Het bouwvlak is een gebied dat op de plankaart is aangeven en waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd.
Alle aanduidingen die betrekking hebben op aantallen, afmetingen en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen. Gebiedsaanduidingen geven gebieden aan, waarvoor specifieke regels gelden, die niet perse verband houden met één bestemming, maar gebiedsdekkend over meerdere bestemmingen zijn gelegd. Deze bevatten veelal sectorale regelgeving, die in het bestemmingsplan hun plaats hebben gekregen. Ook specifieke beleidsregels vinden zo hun weerslag in dit bestemmingsplan. aanduiding drijvende bouwwerken drijvende bouwwerken zijn, voor zover er sprake is van een woonboot, aangeduid met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - woonboot'. Om verschillen in interpretatie te vermijden zijn diverse voorkomens van drijvende bouwwerken, die kunnen functioneren als woonboot, opgenomen in de begripsbepalingen. bestemmingsregelingen De regels bestaan uit verschillende hoofdstukken. "Partiële herziening binnenstad Gouda" (vastgesteld)
48
Hoofdstuk 1 Inleidende regels . Die bestaan uit omschrijvingen van in de regels voorkomende begrippen en de wijze van meten, bijvoorbeeld hoe de oppervlakte van een bouwwerk gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels , voor zover betrokken in deze herziening, die hierna aan de orde komen. Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat de anti-dubbeltelbepaling, voorgeschreven op grond van het Besluit ruimtelijke ordening, en algemene bouw- en afwijkingsbevoegdheden. De antidubbeltelbepaling voorkomt dat grotere bouwmogelijkheden ontstaan door grond dubbel te tellen bij de toetsing aan het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. Ook van dit artikel staat de redactie vast. Het is gebaseerd op het Besluit ruimtelijke ordening. De slotregel is de titel van het bestemmingsplan. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 2.1, lid 1c) staat het algemene verbod om de gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming te gebruiken. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. horecacategorieën De horecacategorieën, die in dit plan zijn opgenomen, zijn afgestemd op de Horecavisie Binnenstad 2022-2028. De horecacategorieën volgens de onderliggende bestemmingsplannen worden hierdoor vervangen. In de transponeringstabel in lid 1.32 horecacategorie: transponeringstabel van de regels wordt aangegeven waarin de 'oude' aanduidingen zijn veranderd .
In voorkomende gevallen zijn nieuwe horecacategorieën aangeduid. Deze zijn afgestemd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 en wijken daarom iets af van die van de onderliggende bestemmingsplannen. Door middel van de transponeringstabel is dit gelijkgetrokken. De op de verbeelding van dit bestemmingsplan aangeduide categorieën, toegevoegd dan wel gewijzigd, zijn maatgevend ten opzichte van de onderliggende bestemmingsplannen. overige zone - kernwinkelgebied Door middel van deze gebiedsaanduiding wordt een wijziging aangebracht in de regels van de onderliggende bestemmingsplannen, die toezien op het wonen op de verdieping. De functie wonen op de verdieping is niet langer lokatiegebonden (aangeduid met 'specifieke vorm van centrum - wonen'), maar is binnen de overige zone - kernwinkelgebied overal toegestaan binnen de betreffende bestemming, voor zover andere bepalingen dat niet uitsluiten. Binnen deze gebiedsaanduiding wordt echter de functie wonen op de begane grond uitgesloten, uitgezonderd toegangsportalen en bergingen ten dienste van de bovengelegen woningen.