Bijlage 1. was-wordt lijst Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026
Tekst van het document
6. Het college kan nadere regels vaststellen over de voorwaarden voor een maatwerkvoorziening
Lid 4 ontbreekt, nummering gewijzigd
pagina 30
Artikel 22. Criteria voor beschermd wonen en opvang 1. Een inwoner komt in aanmerking voor beschermd wonen of opvang ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen en/of het verlaten van de thuissituatie in verband met risico's voor de eigen veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Voorwaarde hierbij is dat de inwoner deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van dezelfde voorwaarden zoals die onder artikel 21, eerste lid, zijn genoemd. 2. De maatwerkvoorziening moet een passende bijdrage leveren aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang en aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk (weer) op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Een inwoner kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. de inwoner een psychiatrische aandoening of een verstandelijke beperking heeft, b. voor de inwoner sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de
a. de inwoner een psychiatrische aandoening of een verstandelijke beperking heeft, b. voor de inwoner sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening of de verstandelijke beperking, en c. de inwoner niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. d. Een inwoner kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als: e. de inwoner dakloos is en tijdelijk onderdak nodig heeft; f. de inwoner de hulpvraag redelijkerwijs niet had kunnen voorzien en voorkomen; g. de inwoner beperkt zelfredzaam is waardoor de inwoner niet op eigen kracht of met hulp van het eigen netwerk onderdak kan vinden en financieren; h. de inwoner niet beschikt of niet kan beschikken over alternatief onderdak, zoals onderdak in het eigen netwerk; en i. de regio Midden-Holland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is, in lijn met de geldende beleidsregels landelijke toegankelijkheid. 5.Een inwoner kan in aanmerking komen voor vrouwenopvang als: a. de inwoner 18 jaar of ouder is, met of zonder kinderen; b. er sprake is van huiselijk geweld, waarbij ambulante hulp c. onvoldoende veiligheid biedt; en
psychiatrische aandoening of de verstandelijke beperking, en c. de inwoner niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. d. Een inwoner kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als: e. de inwoner dakloos is en tijdelijk onderdak nodig heeft; f. de inwoner de hulpvraag redelijkerwijs niet had kunnen voorzien en voorkomen; g. de inwoner beperkt zelfredzaam is waardoor de inwoner niet op eigen kracht of met hulp van het eigen netwerk onderdak kan vinden en financieren; h. de inwoner niet beschikt of niet kan beschikken over alternatief onderdak, zoals onderdak in het eigen netwerk; en i. de regio Midden-Holland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is, in lijn met de geldende beleidsregels landelijke toegankelijkheid. 4. Een inwoner kan in aanmerking komen voor vrouwenopvang als: a. de inwoner 18 jaar of ouder is, met of zonder kinderen; b. er sprake is van huiselijk geweld, waarbij ambulante hulp c. onvoldoende veiligheid biedt; en d. de inwoner met hulp voldoende zelfstandig kan wonen en deel kan nemen aan begeleiding. e. Een inwoner kan in aanmerking komen voor Jongeren onder Dak als: f. de inwoner in de leeftijdsgroep van 18 tot en met 23 jaar valt; g. de inwoner dak- of thuisloos is;
pagina 31
d. de inwoner met hulp voldoende zelfstandig kan wonen en deel kan nemen aan begeleiding. e. Een inwoner kan in aanmerking komen voor Jongeren onder Dak als: f. de inwoner in de leeftijdsgroep van 18 tot en met 23 jaar valt; g. de inwoner dak- of thuisloos is; h. de inwoner beperkt zelfredzaam is en daardoor niet op eigen kracht of met hulp van het eigen netwerk kan herstellen; i. de regio Midden-Holland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is, in lijn met de geldende beleidsregels landelijke toegankelijkheid; en j. de inwoner gemotiveerd is om te werken aan herstel. Artikel 15 Weigeringsgronden 1. Er wordt geen voorziening verstrekt als: a. er recht op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. het om een voorziening gaat die de inwoner vóór datum van besluit heeft uitgevoerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de acute noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; c. de situatie van de inwoner niet (goed) kan worden beoordeeld omdat deze niet voldoet aan de medewerkingsplicht. 2. Het college verstrekt geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of ouders de voorzieningen aanvragen op het moment van aanvraag is afgerond. 3. Er wordt geen woonvoorziening verstrekt:
h. de inwoner beperkt zelfredzaam is en daardoor niet op eigen kracht of met hulp van het eigen netwerk kan herstellen; i. de regio Midden-Holland de regio is waarbinnen de opvang en herstel van de inwoner het meest kansrijk is, in lijn met de geldende beleidsregels landelijke toegankelijkheid; en j. de inwoner gemotiveerd is om te werken aan herstel.
Geen wijzigingen
pagina 32
Artikel 23. Weigeringsgronden 1. Er wordt geen voorziening verstrekt als: a. er recht op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. het om een voorziening gaat die de inwoner vóór datum van besluit heeft uitgevoerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de acute noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; c. indien de cliënt, binnen zijn eigen mogelijkheden, niet of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek dat nodig is voor besluitvorming over de eventuele inzet van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, waardoor het college de situatie van de cliënt niet goed kanbeoordelen. In dat geval kan het college besluiten om geen individuele voorziening toe te kennen, de omvang van de voorziening te
a. als de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. voor hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. ADL-clusterwoningen, met uitzondering van individuele woningaanpassingen voor de inrichting als standaardaanpassingen niet voldoen of ter vervanging van de individuele aanpassingen; d. als het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, behalve automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij zelfredzaamheid en/of participatie; f. als er geen medische noodzaak en/of er naar het oordeel van het college geen andere belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; g. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. 4.
Er wordt geen voorziening beschermd of beschut wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is.
beperken, of een eerder toegekende voorziening in te trekken. 2. Het college verstrekt geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of ouders de voorzieningen aanvragen op het moment van aanvraag al is afgerond. 3. Er wordt geen woonvoorziening verstrekt: a. als de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. voor hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. ADL-clusterwoningen, met uitzondering van individuele woningaanpassingen voor de inrichting als standaardaanpassingen niet voldoen of ter vervanging van de individuele aanpassingen; d. als het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, behalve automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij zelfredzaamheid en/of participatie; f.
als er geen medische noodzaak en/of er naar het oordeel van het college geen andere belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; g. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf pagina 33
5. Voor Jongeren onder Dak wordt geen voorziening verstrekt als: a. er een vergelijkbaar traject aanwezig is; b. er sprake is van zware verslaving en/of psychische problematiek en/of gedragsproblematiek die het slagen van een Jongeren onder Dak traject belemmert.
HOOFDSTUK 4 KWALITEITSEISEN ZORG IN NATURA Artikel 16 Kwaliteitseisen voorzieningen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten, door de ondersteuning af te stemmen op: a. de persoonlijke situatie en de eigen mogelijkheden van de cliënt; b. andere vormen van zorg, onderwijs, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en specifiek op de inzet van mantelzorg en het sociaal netwerk van de cliënt. Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp, uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken;
schriftelijk toestemming is verleend door het college. 4. Er wordt geen voorziening beschermd of beschut wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is. 5. Voor Jongeren onder Dak wordt geen voorziening verstrekt als: a. er een vergelijkbaar traject aanwezig is; b. er sprake is van zware verslaving en/of psychische problematiek en/of gedragsproblematiek die het slagen van een Jongeren onder Dak traject belemmert. HOOFDSTUK 7 verhouding prijs en kwaliteit Geen wijzigingen
De AMvB (artikel 2.3 eerste lid Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) verplicht gemeenten om ten minste deze kostprijselementen in de verordening op te nemen: •
kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en nietcliëntgebonden)
pagina 34
Artikel 24 Kwaliteitseisen voorzieningen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten, door de ondersteuning af te stemmen op: a. de persoonlijke situatie en de eigen mogelijkheden van de cliënt; b. andere vormen van zorg, onderwijs, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en specifiek op de inzet van mantelzorg en het sociaal netwerk van de cliënt. Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: a. cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;
b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. 2. Om een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te verzekeren en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2° de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 3. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c,
•
cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten
•
overheadkosten
•
kosten voor indexering
Wat is er gewijzigd? voor Jeugdhulp de kostprijselementen opgenomen. Artikel gesplitst in één artikel voor Wmo en één artikel voor Jeugd (conform modelverordening Jeugd).
pagina 35
b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten; d. kosten voor indexering; 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 4. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Artikel 26. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders Wet Maatschappelijke Ondersteuning 1. Om een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te verzekeren en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de pagina 36
Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2° de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. HOOFDSTUK 8 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)
HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)
pagina 37
Artikel 18 Aanvraag pgb en pgb-plan 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een voorziening en de ondersteuning of jeugdhulp zelf wil inkopen met een pgb moet de cliënt, naast de toetsing aan de wettelijke vereisten, ook een pgb-plan invullen gebaseerd op het verslag bedoeld in artikel 7. 2. De verplichting om een pgb-plan in te vullen op grond van het eerste lid, geldt niet voor hulpmiddelen en woningaanpassingen. Hiervoor wordt gewerkt met offertes en facturatie via de gemeente. 3. De budgethouder of de budgetbeheerder levert een pgb-plan aan in het door het college vastgestelde en verstrekte format. Dit format wordt vastgesteld in samenspraak met de GASD en ervaringsdeskundigen, en na een jaar geëvalueerd met deze zelfde partijen. 4. Als er sprake is van vertegenwoordiging van de cliënt voor het pgb wordt er in het pgb-plan, als bedoeld in het eerste lid, beschreven wie de cliënt heeft gemachtigd als vertegenwoordiger om zijn belangen als het gaat om het pgb te behartigen.
Conform nieuwe modelverordening jeugd, waarvan ook gedeeltelijk overgezet vanuit regeling naar verordening.
pagina 38
Artikel 27. Aanvraag pgb en pgb-plan 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een voorziening en de ondersteuning of jeugdhulp zelf wil inkopen met een pgb moet de cliënt, naast de toetsing aan de wettelijke vereisten, ook een pgb-plan invullen. 2. De verplichting om een pgb-plan in te vullen op grond van het eerste lid, geldt niet voor hulpmiddelen en woningaanpassingen. Hiervoor wordt gewerkt met offertes en facturatie via de gemeente. 3. De budgethouder of de budgetbeheerder levert een pgb-plan aan in het door het college vastgestelde en verstrekte format. 4. In het pgb-plan is in ieder geval opgenomen: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de cliënt niet passend is (Jeugdwet) en/of een pgb gewenst is (maatschappelijke ondersteuning); b. welke ondersteuning de cliënt wil inkopen met een pgb en wat het beoogde resultaat is; c. de voorgenomen uitvoerder van de ondersteuning en de wijze waarop de hulp georganiseerd wordt; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; e. indien van toepassing, welke ondersteuning de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; 4.
Als er sprake is van vertegenwoordiging van de cliënt voor het pgb wordt er in het pgb-plan, als bedoeld in het vierde lid, beschreven wie de cliënt heeft gemachtigd als vertegenwoordiger om zijn belangen als het gaat om het pgb te behartigen.
Artikel 19 Beoordeling pgb-aanvraag 1. Het college beoordeelt de aanvraag van een pgb aan de hand van het pgb-plan, bedoeld in artikel 18, eerste lid. 2. Een aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd indien: a. de inwoner geen pgb-plan aanlevert; b. de inwoner niet voldoet aan de gestelde voorwaarden in artikel 18, derde lid en artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet; c. de inwoner of vertegenwoordiger niet beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn om een pgb goed te beheren; d. er sprake is van, na hoor en wederhoor te hebben toegepast, aantoonbaar en intentioneel begane fraude door de inwoner of vertegenwoordiger in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; e. de vertegenwoordiger ook de uitvoerder van de ondersteuning is, of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende organisatie, bijvoorbeeld als directeur of bestuurder; f. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015; g. de inwoner of diens vertegenwoordiger een bespreking van pgb-plan weigert of zonder geldige reden niet verschijnt bij gesprek; h. de ondersteuning die de inwoner wil inkopen niet voldoet aan de bij het pgb-plan behorende kwaliteitseisen.
Geen wijzigingen
pagina 39
Artikel 28. Beoordeling pgb-aanvraag 1. Het college beoordeelt de aanvraag van een pgb aan de hand van het pgb-plan, bedoeld in artikel 27, vierde lid. 2. Een aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd indien: a. de inwoner geen pgb-plan aanlevert; b. de inwoner niet voldoet aan de gestelde voorwaarden in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet; c. de inwoner of vertegenwoordiger niet beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn om een pgb goed te beheren; d. er sprake is van, na hoor en wederhoor te hebben toegepast, aantoonbaar en intentioneel begane fraude door de inwoner of vertegenwoordiger in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; e. de vertegenwoordiger ook de uitvoerder van de ondersteuning is, of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende organisatie, bijvoorbeeld als directeur of bestuurder; f. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015; g. de inwoner of diens vertegenwoordiger een bespreking van pgb-plan weigert of zonder geldige reden niet verschijnt bij gesprek; h. de ondersteuning die de inwoner wil inkopen niet voldoet aan de bij het pgb-plan behorende kwaliteitseisen. 3. Een pgb voor Jeugdhulp wordt verstrekt als wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet.
Het gaat om de volgende eisen:
3. Een pgb voor Jeugdhulp wordt verstrekt als wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet. Het gaat om de volgende eisen: a. jeugdige en diens ouders zijn naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren; b. jeugdige en diens ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat die het gecontracteerde aanbod niet passend acht; en c. gewaarborgd is dat de jeugdhulp van goede kwaliteit is.
a. jeugdige en diens ouders zijn naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren; b. jeugdige en diens ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat die het gecontracteerde aanbod niet passend acht; en c. gewaarborgd is dat de jeugdhulp van goede kwaliteit is.
Conform modelverordening wordt de beoordeling van het pgb in de verordening beschreven. Dit artikel is uit regeling overgenomen & lid 2 toegevoegd conform modelverordening jeugd
pagina 40
Artikel 29. Beoordeling pgb-vaardigheden 1. De beoordeling of de budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn om een pgb goed te beheren vindt plaats tijdens het gesprek, bedoeld in artikel 11 en 18 van de Verordening en op basis van het pgb-plan. 2. De volgende vaardigheden worden in ieder geval vereist: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
c.
in staat te zijn om een overzichtelijke pgbadministratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis te hebben over het werkof opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij een heroverweging als bedoeld in artikel 2.3.9 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
pagina 41
er wordt bij pgb onderscheid gemaakt tussen een uurtarief voor een professionele ondersteuner en een (lager) uurtarief voor een informele ondersteuner. Wil een begeleider aangemerkt kunnen worden als professionele ondersteuner en voor het hogere pgb uurtarief in aanmerking kunnen komen, dan dient deze aan bepaalde diploma-eisen te voldoen. De rechtbank verklaart de desbetreffende bepaling uit de Verordening buiten toepassing, omdat het diplomavereiste onevenredig uitpakt voor die groep zzpers - waartoe de hulpverlener in dit geval behoort - die weliswaar niet over de vereiste diploma’s beschikt, maar die door jarenlange ervaring voldoet aan de kwaliteitseisen die gesteld worden aan een zorgverlener in natura of kwalitatief gelijkwaardige zorg verleent. Wat is er gewijzigd? Bepaling uit de regeling overgeheveld naar verordening, zodat voldaan wordt aan bovenstaande uitspraak. De gemeente Gouda had niet een dergelijk diplomavereiste in het artikel staan, maar door het over te zetten naar de verordening voldoen we aan de uitspraak.
pagina 42
Artikel 30. Formele en informele ondersteuning 1. Bij het vaststellen van de soort ondersteuning die nodig is, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele ondersteuning. 2. Van formele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen: a. personen die werkzaam zijn bij een zorginstelling die voor de in het kader van het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden staat ingeschreven in het Handelsregister, bedoeld in artikel 5 Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) en ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister, bedoeld in artikel 5 Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3. Als de ondersteuning geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder is er altijd sprake van informele ondersteuning. 4. Als de ondersteuning wordt verleend door een persoon, die niet voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid, is er sprake van informele ondersteuning.
Artikel 20 Voorwaarden inkopen ondersteuning uit sociaal netwerk 1. Een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning kan alleen uitgevoerd worden door een persoon die behoort tot het sociale netwerk (informele ondersteuning) als gemotiveerd kan worden dat de inzet van het sociale netwerk tot minimaal gelijkwaardig of aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 2. Op grond van voornoemd kader kan een pgb voor jeugdhulp worden verstrekt in de volgende situaties: a. de ondersteuning vooraf niet goed in te plannen is; b. op ongebruikelijke momenten geboden dient te worden; c. op veel korte momenten per dag nodig is; d. op verschillende locaties geleverd dient te worden; of e. 24 uur per dag en op afroep beschikbaar moet zijn; f. het leidt bij aangeboden jeugdhulp niet tot voor de jeugdige onveilige situaties; en g. de aangeboden jeugdhulp is geen GGZ-zorg, spoedeisende jeugdhulp of pleegzorg. 3. Indien nodig kan door het college ter uitvoering van het eerste en tweede lid, advies gevraagd worden aan een (externe) deskundige. 4. Het college kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Geen wijzigingen
pagina 43
Artikel 31. Voorwaarden inkopen ondersteuning uit sociaal netwerk 1. Een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning kan alleen uitgevoerd worden door een persoon die behoort tot het sociale netwerk (informele ondersteuning) als gemotiveerd kan worden dat de inzet van het sociale netwerk tot minimaal gelijkwaardig of aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 2. Op grond van voornoemd kader kan een pgb voor jeugdhulp worden verstrekt in de volgende situaties: a. de ondersteuning vooraf niet goed in te plannen is; b. op ongebruikelijke momenten geboden dient te worden; c. op veel korte momenten per dag nodig is; d. op verschillende locaties geleverd dient te worden; of e. 24 uur per dag en op afroep beschikbaar moet zijn; f. het leidt bij aangeboden jeugdhulp niet tot voor de jeugdige onveilige situaties; en g. de aangeboden jeugdhulp is geen GGZzorg, spoedeisende jeugdhulp of pleegzorg. 3. Indien nodig kan door het college ter uitvoering van het eerste en tweede lid, advies gevraagd worden aan een (externe) deskundige. 4. Het college kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Conform modelverordening worden de kwaliteitseisen voor het inzetten van PGB bij jeugdhulp naar de verordening overgeheveld. Geen inhoudelijke wijzigingen.
pagina 44
Artikel 32. Kwaliteitseisen pgb jeugdhulp 1. De volgende kwaliteitseisen gelden voor zowel formele als informele ondersteuning: a. de zorgverlener beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Een VOG is niet noodzakelijk voor ondersteuning die geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, b. de budgethouder of budgetbeheerder zorgt ervoor dat de hulp er is, wanneer dat nodig is. De budgethouder of budgetbeheerder maakt daarover afspraken over vervanging (ook bij eventuele ziekte of vakantie van de zorgverlener), c. de budgethouder of budgetbeheerder heeft er vertrouwen in dat de zorgverlener die ingezet wordt alle aandacht heeft voor de cliënt en hulp biedt die nodig en doeltreffend is, d. de zorgverlener voert de ondersteuning uit, zoals het in het ondersteuningsplan staat, e. de zorgverlener die ingezet wordt, heeft de juiste ervaring en deskundigheid, f. de zorgverlener die ingezet wordt houdt een deugdelijke administratie bij, g. de zorgverlener neemt bij vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling in het huishouden van de cliënt voor advies contact op met Veilig Thuis, h. de zorgverlener respecteert de privacy van de cliënt en gaat vertrouwelijk om met informatie en persoonlijke situatie,
i.
de zorgverlener moet meewerken aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door de gemeente (of daartoe aangewezen derden) op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid, en j. de budgethouder of budgetbeheerder houdt zelf in de gaten dat de zorgverlener niet overbelast raakt. 2. Voor de hulp die ingezet wordt via een jeugdhulpaanbieder (formele ondersteuning) gelden de volgende aanvullende kwaliteitseisen: a. de professionele zorgverlener heeft zich volgens de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) geregistreerd in het landelijk register en voldoet aan de overige eisen van de Wtza, b. de professionele zorgverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Wanneer het gaat om ondersteuning op HBO of WO-niveau dan is die geregistreerd in het kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) en/of BIG-register. De beoordeling of er een professionele zorgverlener met een SKJ- of BIG registratie nodig is vindt plaats door middel van ‘de norm van de verantwoorde werktoedeling’ en het ‘kwaliteitskader Jeugd’, c. de professionele zorgverlener dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet, d. de professionele zorgverlener is verplicht om een melding te doen bij de gemeente of de Inspectie voor de gezondheidszorg als er een calamiteit of een gewelddadig incident heeft voorgevallen, pagina 45
e. de budgethouder of budgetbeheerder heeft met een professionele zorgverlener de afspraak gemaakt dat de budgethouder of budgetbeheerder niet tegengehouden mag worden om eventueel niet professionele hulp in te zetten, en f. de zorgverlener leeft beroeps- en meldcodes na. Conform modelverordening Jeugd worden de kwaliteitseisen voor het inzetten van PGB bij jeugdhulp naar de verordening overgeheveld. Om uniformiteit te bewaren wordt dit ook voor de maatschappelijke ondersteuning gedaan. Geen inhoudelijke wijzigingen.
pagina 46
Artikel 33. Kwaliteitseisen pgb maatschappelijke ondersteuning 1. De volgende kwaliteitseisen gelden voor zowel formele als informele ondersteuning: a. de zorgverlener beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van zijn of haar functie. Een VOG is niet noodzakelijk voor ondersteuning die geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, b. de budgethouder of budgetbeheerder zorgt ervoor dat de ondersteuningscontinuïteit is gewaarborgd, c. de budgethouder of budgetbeheerder zorgt ervoor dat de ondersteuning tijdig en conform afspraak is, d. de budgethouder of budgetbeheerder zorgt ervoor dat de ondersteuning is afgestemd op de reële behoefte van de budgethouder en op andere vormen van zorg of hulp, en e. de ondersteuning wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de budgethouder,
f.
de pgb-zorgverlener en/of budgetbeheerder heeft een actieve signaleringsplicht ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de budgethouder aan meer of andere zorg, g. de te leveren ondersteuning is uitgewerkt in het pgb-plan, h. de pgb-zorgverlener spreekt de taal van de budgethouder en er is een gelijkwaardige, volwassen relatie, i. de budgethouder kan zijn verhaal goed kwijt, de pgb-zorgverlener luistert en sluit aan bij de te behalen doelen van de budgethouder, j. de budgethouder kan familie en mantelzorger betrekken in de zorg, de pgbzorgverlener houdt daar rekening mee, en k. de budgethouder kan erop vertrouwen dat de pgb-zorgverlener de juiste expertise en ervaring heeft. 2. Voor de ondersteuning die ingezet wordt via een zorgaanbieder en zzp’ers (formele ondersteuning) gelden de volgende aanvullende kwaliteitseisen: a. de aanbieder is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een SBI-code die correspondeert met de werkzaamheden die uitgevoerd worden voor de budgethouder, b. de aanbieder draagt zorg voor dat de ondersteuning wordt geleverd, passend bij de behoeften en persoonskenmerken van de cliënt, c. de aanbieder draagt zorg voor scholing over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde,
pagina 47
d. de aanbieder voldoet aan de landelijke kwaliteitscriteria ingekochte zorg, conform Hoofdstuk 5.a Wettelijke kwaliteitseisen Wmo 2015 in het document ‘Handreiking kwaliteitscriteria Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning voor inkoop van de VNG’, e. de aanbieder heeft de meldplicht om calamiteiten en geweld te melden aan de toezichthouder van de gemeente of inspectie voor gezondheidszorg, en f. de aanbieder heeft de verplichting om een vertrouwenspersoon in de gelegenheid te stellen zijn taak uit te oefenen, g. de aanbieder heeft een klachtenregeling die aansluit bij het niveau van de cliënt, h. de aanbieder heeft een klachtenprotocol waarin staat hoe klachten, incidenten en calamiteiten behandeld worden alsmede een beschrijving van de wijze waarop deze leiden tot verbeteracties, i. de aanbieder kan op verzoek van de toezichthouder aangeven hoe wordt omgegaan met veiligheid (onder andere meldcode, risico-inventarisatie en evaluatie cliënten en woonomgeving, wettelijke eisen rondom brandveiligheid etc.), j. de aanbieder heeft een beschrijving hoe wordt omgegaan met cliëntveiligheid (agressie, medicatieveiligheid, brandveiligheid), en k. de aanbieder heeft een beschrijving hoe omgegaan wordt met privacy (meldcode datalekken en privacyprotocol).
pagina 48
3. In aanvulling op het tweede lid gelden voor formele ondersteuning (met uitzondering van zzp’ers) de volgende aanvullende kwaliteitseisen: a. de aanbieder draagt zorg voor het naleven van beroeps- en meldcodes door de medewerkers, b. de aanbieder heeft een systematische kwaliteitsbewaking, en c. de aanbieder doet regelmatig een cliëntervaringsonderzoek en stelt dit ter beschikking aan de toezichthouder wanneer daar om gevraagd wordt. Artikel 21 Hoogte van een pgb 1. De hoogte van een pgb: a. wordt bepaald aan de hand van het pgb-plan in combinatie met het persoonlijk gesprek met de cliënt; b. is gebaseerd op de frequentie, de kwaliteit en professionaliteit van de in te zetten vorm van ondersteuning. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen formele en informele ondersteuning; c. is niet meer dan de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst en meest adequate en passende voorziening in natura; d. is toereikend voor de inkoop of aanschaf van veilige, doeltreffende en kwalitatief goede voorzieningen en wordt als nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; e. is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris,
Conform modelverordening zijn lid 3 en 6 toegevoegd.
pagina 49
Artikel 34. Hoogte van een pgb 1. De hoogte van een pgb: a. wordt bepaald aan de hand van het pgbplan in combinatie met het persoonlijk gesprek met de cliënt; b. is gebaseerd op de frequentie, de kwaliteit en professionaliteit van de in te zetten vorm van ondersteuning. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen formele en informele ondersteuning; c. is niet meer dan de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst en meest adequate en passende voorziening in natura; d. is toereikend voor de inkoop of aanschaf van veilige, doeltreffende en kwalitatief goede voorzieningen en wordt als nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; e. is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen.
vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. 2. De hoogte van een pgb voor ondersteuning die geboden gaat worden door zorgorganisaties en ZZP-ers bedraagt a. 100% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een zorgorganisatie; b. 80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een ZZP-er. 3. De hoogte van een pgb voor ondersteuning die geboden gaat worden door een persoon die informele ondersteuning biedt, wordt vastgesteld op basis van de volgende uitgangspunten: a. deze persoon hanteert een tarief dat: 1°. voor hulp bij het huishouden (maatschappelijke ondersteuning) gelijk is aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; 2°. voor begeleiding (maatschappelijke ondersteuning) gelijk is aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren;
2. De hoogte van een pgb voor ondersteuning die geboden gaat worden door zorgorganisaties en ZZP-ers bedraagt: a. 100% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een zorgorganisatie; b. 80% van het laagst toepasselijke tarief dat voor een dergelijke dienst wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder als de dienst wordt uitgevoerd door een ZZP-er, tenzij daarmee geen passende zorg of ondersteuning kan worden ingekocht . 3. De tarieven voor het persoonsgebonden budget kunnen jaarlijks geïndexeerd worden. 4. De hoogte van een pgb voor ondersteuning die geboden gaat worden door een persoon die informele ondersteuning biedt, wordt vastgesteld op basis van de volgende uitgangspunten: a. deze persoon hanteert een tarief dat: 1°. voor hulp bij het huishouden (maatschappelijke ondersteuning) gelijk is aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; 2°.
voor begeleiding (maatschappelijke ondersteuning) gelijk is aan het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren;
pagina 50
3°. voor jeugdhulp maximaal 200% van het wettelijke minimumloon bedraagt; b. tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb betaald; c. de zorg aan de belanghebbende mag niet tot overbelasting leiden van deze persoon die informele ondersteuning biedt de informele hulpverlener. Het pgb mag alleen worden gebruikt voor de kosten van het leveren van ondersteuning. Het pgb mag niet worden gebruikt voor het betalen van een vertegenwoordiger.
Artikel 22 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb
3°. voor jeugdhulp maximaal 200% van het wettelijke minimumloon bedraagt; b. tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb betaald; c. de zorg aan de belanghebbende mag niet tot overbelasting leiden van deze persoon die informele ondersteuning biedt de informele hulpverlener. 5. Het pgb mag alleen worden gebruikt voor de kosten van het leveren van ondersteuning. Het pgb mag niet worden gebruikt voor het betalen van een vertegenwoordiger. 6. Het tarief is lager als op basis van het door de cliënt ingediende pgb-plan passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. Artikel 35. Uitgesloten van pgb De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; f. kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 16 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; h. kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag; i. reiskosten van de zorgverlener; en j. feestdagenuitkering. Geen wijzigingen
pagina 51
Artikel 36. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste 13
voor ten hoogste 13 weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 dan wel artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder f, van deze verordening. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. 4. Het college kan nadere regels stellen omtrent het opschorten van de betaling uit het persoonsgebonden budget. HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Artikel 23 Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang: a. de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of b. gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, of
weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 dan wel artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder f, van deze verordening. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid 4. Het college kan nadere regels stellen omtrent het opschorten van de betaling uit het persoonsgebonden budget.
HOOFDSTUK 9 BIJDRAGE IN DE KOSTEN VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Geen wijzigingen
pagina 52
Artikel 37. Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang: a. de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of b. gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, of c. het koopbedrag van een middels een pgb verstrekte voorziening niet is voldaan.
c.
2.
3.
4. 5.
6.
het koopbedrag van een middels een pgb verstrekte voorziening niet is voldaan. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt; b. een rolstoelvoorziening; c. een financiële maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder i, van deze verordening; en d. collectief vervoer in de vorm van een regiotaxipas als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van deze verordening. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. door een aanbesteding, b. na een consultatie in de markt, of c. in overleg met de aanbieder. De kostprijs van pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, of het totaal aan bijdragen, is gelijk aan de kostprijs tot aan ten hoogste de in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde bijdrage per maand voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. Mantelzorgers betalen voor de hulp bij het huishouden voor mantelzorgers een tarief met korting aan de aanbieder.
2. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. een woonvoorziening voor een minderjarige cliënt; b. een rolstoelvoorziening; c. een financiële maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onder k, van deze verordening; en d. collectief vervoer in de vorm van de GroeneHartHopper als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel k, van deze verordening. 3. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. door een aanbesteding, b. na een consultatie in de markt, of c. in overleg met de aanbieder. 4. De kostprijs van pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 5. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, of het totaal aan bijdragen, is gelijk aan de kostprijs tot aan ten hoogste de in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde bijdrage per maand voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 6. Mantelzorgers betalen voor de hulp bij het huishouden voor mantelzorgers een tarief met korting aan de aanbieder.
pagina 53
Artikel 24 Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en opvang 1. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor beschermd wonen wordt vastgesteld op grond van paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. De bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3. In afwijking van het tweede lid betalen cliënten in de eerste maand van de opvang geen bijdrage in de kosten, tenzij er sprake is van doorlopend inkomen. 4. In afwijking van het tweede lid betalen cliënten geen bijdrage in de kosten voor opvang als zij doorlopende huurlasten hebben van een woning die zij hebben verlaten vanwege risico’s in verband met huiselijk geweld. 5. De instellingen die een bijdrage in de kosten voor opvang innen zijn het Leger des Heils, Kwintes: Opvang en Begeleiding na Huiselijk Geweld MiddenHolland en De Reling. 6. De in het vijfde lid genoemde instellingen bepalen per opvangvorm de hoogte van het te innen bedrag, rekening houdend met het tweede, derde en vierde lid. HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN
Geen wijzigingen
Artikel 38. Bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en opvang 1. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor beschermd wonen wordt vastgesteld op grond van paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. De bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld op grond van artikel 3.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3. In afwijking van het tweede lid betalen cliënten in de eerste maand van de opvang geen bijdrage in de kosten, tenzij er sprake is van doorlopend inkomen. 4. In afwijking van het tweede lid betalen cliënten geen bijdrage in de kosten voor opvang als zij doorlopende huurlasten hebben van een woning die zij hebben verlaten vanwege risico’s in verband met huiselijk geweld. 5. De instellingen die een bijdrage in de kosten voor opvang innen zijn het Leger des Heils, Kwintes: Opvang en Begeleiding na Huiselijk Geweld Midden-Holland en De Reling. 6. De in het vijfde lid genoemde instellingen bepalen per opvangvorm de hoogte van het te innen bedrag, rekening houdend met het tweede, derde en vierde lid.
HOOFDSTUK 10 WIJZIGINGEN, HERZIENING EN TERUGVORDERING
pagina 54
Artikel 25 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Zoals beschreven in artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over het recht op een voorziening. 2. Zoals beschreven in artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een besluit genomen op grond van deze verordening herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de voorziening of het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb-budget niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb; e. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd; of f. de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als
Toegevoegd bij lid 1 dat het college ook uit eigen beweging periodiek kan onderzoeken of de voorziening in natura of persoonsgebonden budget heroverwogen kan worden.
pagina 55
Artikel 39. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een verstrekking van een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget te heroverwegen. 2. Zoals beschreven in artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over het recht op een voorziening. 3. Zoals beschreven in artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een besluit genomen op grond van deze verordening herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de voorziening of het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb-budget niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb; e. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd; of
bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5. Het college kan nadere regels bepalen voor het herzien, intrekken of terugvorderen van voorzieningen.
f.
de cliënt langer dan 6 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of 4. Als het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 5. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 6. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het derde lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 7. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 8. Het college kan nadere regels bepalen voor het heroverwegen, herzien, intrekken of terugvorderen van voorzieningen. HOOFDSTUK 11 TOEZICHT EN HANDHAVING
HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING
Artikel 26 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op
Geen wijzigingen
pagina 56
Artikel 40. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de
de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 27 Aanwijzen toezichthouder 1. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Jeugdwet is bepaald. 2. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald.
beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
Geen wijzigingen
Conform modelverordening overgenomen
HOOFDSTUK 9 WAARDERING MANTELZORGERS
pagina 57
Artikel 41. Aanwijzen toezichthouder 1. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Jeugdwet is bepaald. 2. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van wat in of volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald. Artikel 42. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik van Jeugdhulp voorzieningen 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK 12 WAARDERING MANTELZORGERS
Artikel 28 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Geregistreerde mantelzorgers van cliënten in de gemeente komen ambtshalve door het college in aanmerking voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering. 2. Het college erkent, waardeert en ondersteunt mantelzorger door middel van: a. het beschikbaar stellen van een jaarlijkse attentie; b. het bekostigen van bijeenkomsten waarin mantelzorgers worden gewaardeerd en erkend; c. het bieden van praktische ondersteuning bestaande uit in ieder geval hulp bij het huishouden voor maximaal 78 uur per kalenderjaar. HOOFDSTUK 10 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP
Geen wijzigingen
Artikel 29 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders die maatschappelijke ondersteuning verlenen, beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Voor zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht als bedoeld in § 4.2.a. van de Jeugdwet van toepassing. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door
Geen wijzigingen
Artikel 43. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Geregistreerde mantelzorgers van cliënten in de gemeente komen ambtshalve door het college in aanmerking voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering. 2. Het college erkent, waardeert en ondersteunt mantelzorger door middel van: a. het beschikbaar stellen van een jaarlijkse attentie; b. het bekostigen van bijeenkomsten waarin mantelzorgers worden gewaardeerd en erkend; c. het bieden van praktische ondersteuning bestaande uit in ieder geval hulp bij het huishouden voor maximaal 78 uur per kalenderjaar. HOOFDSTUK 13 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP BIJ AANBIEDERS VAN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP
pagina 58
Artikel 44. Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders die maatschappelijke ondersteuning verlenen, beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Voor zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen is het klachtrecht als bedoeld in § 4.2.a. van de Jeugdwet van toepassing. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.