CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2024

Commissie Samenleving 5 maart 2025, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeld- en oordeelsvorming: Verordening Leerlingenvervoer Gouda 202417.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Als blijkt dat ook de verlengde termijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen, moet er toch een beschikking worden afgegeven. Artikel 7. Het besluit Eerste lid Een besluit moet voldoen aan de eisen die de Awb daaraan stelt. Zo moet er sprake zijn van een goede motivering die voldoet aan de eisen (artikel 3:46, van de Awb). In dit artikel is bepaald welke informatie minimaal in het besluit moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks komen uit de Awb te voldoen. Om beleidsruimte te creëren is bepaald dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking moet deze termijn aangegeven worden. Per geval wordt de termijn bepaald. Tweede lid Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden stellen. Zo kan worden bepaald dat, bijvoorbeeld vanwege het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel. Artikel 8. De startdatum van het leerlingenvervoer Een vervoersvoorziening wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.

De vergoeding is bedoeld om de leerling in staat te stellen (in de toekomst) de school te bezoeken. Het is geen inkomensvoorziening. Dit past ook bij de verantwoordelijkheid van de ouders van de leerling om het schoolbezoek zelf te organiseren en mogelijk te maken. Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, voor de praktische organisatie van het vervoer enige tijd nodig heeft. Hierbij gaat het onder andere om het inroosteren van de leerling en het eventueel aanpassen van de vervoersroute, zodat de leerling mee kan.

Hoofdstuk 3. Recht op leerlingenvervoer Artikel 9. Afstand Eerste lid De aanvrager komt voor leerlingenvervoer in aanmerking als de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school groter is dan 6 kilometer. Tweede lid Als leerlingenvervoer wordt aangevraagd voor een leerling met een handicap dan geldt het afstandscriterium van 6 kilometer uit het eerste lid niet.

pagina 18

Derde lid Ouders van leerlingen die een vorm van voortgezet onderwijs volgen zijn in principe zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de leerling van de woning naar het voortgezet onderwijs en terug. Recht op leerlingenvervoer bestaat voor een leerling die voortgezet (speciaal) onderwijs volgt alleen als de leerling door een structurele handicap; - niet zelfstandig kan reizen met openbaar vervoer, of - op geen enkele manier kan reizen met het openbaar vervoer, of - naar een dichtstbijzijnde toegankelijke school buiten Gouda moet reizen en wèl zelfstandig daarnaartoe kan reizen. Dit in afwijking van artikel 4 van de Wec en artikel 8.28 van de Wvo 2020 waarin beschreven staat dat alleen recht op leerlingenvervoer bestaat als door een handicap niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan worden gereisd. Artikel 10 Dichtstbijzijnde toegankelijke school Eerste lid In artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpo, artikel 4, tweede lid, van de Wec en artikel 8.29, tweede lid, van de Wvo 2020 is bepaald dat de raad bij het vaststellen van de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen. Ook is in de genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid mag worden gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

Als toegankelijke school wordt aangemerkt: de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede eis bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen door zijn lichamelijke, verstandelijke of psychische handicap. Als dichtstbijzijnde school wordt aangemerkt: de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare, veilige weg. Als een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft het recht op leerlingenvervoer beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer van en naar de dichtst bij de woning gelegen school. Als vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper is (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.

Richting Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De keuze van de leerling of zijn ouders voor één van de hiervoor genoemde erkende richtingen bepaalt dus (ook) of een school voor de leerling kan worden aangemerkt als toegankelijke school. Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc. De voorkeur van de leerling of zijn ouders voor een bepaalde onderwijskundige methode speelt geen rol bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school door het college.

Instellingen voor cluster 1 en cluster 2 Als de commissie van onderzoek heeft geoordeeld dat de leerling toelaatbaar is tot of aangewezen is op begeleiding vanuit een instelling voor cluster 1 of cluster 2 onderwijs, dan bepaalt dit (ook) of sprake is van een toegankelijke school.

pagina 19

De school is vol Natuurlijk moet op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en moet de leerling zijn of worden toegelaten. Een school die vol is, heeft geen zorgplicht voor de leerling. Als de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt leerlingenvervoer toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Het recht op leerlingenvervoer naar deze school die verder weg ligt, blijft bestaan zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Vanaf het moment dat de wachtlijst is opgelost en de leerling geplaatst kan worden op de dichtstbijzijnde school, kan het college het recht op leerlingenvervoer beperken tot aan de dichtstbijzijnde school. De dichtstbijzijnde school is dan namelijk weer toegankelijk geworden voor de leerling. Het maakt niet uit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar het college hoeft alleen een vervoersvoorziening voor vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school toe te kennen als recht op leerlingenvervoer bestaat.

Andere locaties van de school Als een school die een leerling bezoekt meer dan één locatie heeft, geldt net als in de regelgeving voor de huisvesting en materiele instandhouding dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als ‘school’ (zoals bedoeld in artikel 1 van de verordening) wordt aangemerkt. Tweede lid Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: Leerlingenvervoer wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, onder c en d, van de Wpo moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet persé de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te zijn. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen. Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de Wpo). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de Wpo).

Een ander samenwerkingsverband kan namelijk gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn. In het tweede lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Daarnaast geldt, bij toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, ook de eis dat de aanvrager schriftelijk of digitaal moet instemmen. Derde lid Leerlingenvervoer wordt toegekend naar de (qua afstand) dichtstbijzijnde toegankelijke school, waarbij rekening wordt gehouden met de onderwijsbehoefte van de leerling en de gewenste richting. In de praktijk komt het voor dat dit niet de school is waarnaar de leerling door het samenwerkingsverband wordt verwezen. Het derde lid beschrijft de voorwaarden waaronder het college tóch kan besluiten om leerlingenvervoer naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke (en door het samenwerkingsverband geadviseerde) school toe te kennen. De aanvrager moet naar tevredenheid van het college laten zien dat er een noodzaak is voor het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school.

Bijvoorbeeld door middel van een onderbouwing door het samenwerkingsverband of door een intelligentie-onderzoek wanneer er onderwijs nodig is vanwege de hoogbegaafdheid van een leerling; Wanneer al dan niet door het samenwerkingsverband is vastgesteld, welke onderwijssoort een leerling nodig heeft op grond van de Wpo, de Wec of de Wvo 2020, zal de aanvrager naar tevredenheid van het college moeten laten zien waarom dat onderwijs niet geboden kan worden op de dichterbij gelegen school. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een leerling, die onder een samenwerkingsverband valt waar arrangementen op reguliere basisscholen worden aangeboden, die het speciaal (basis) onderwijs

pagina 20

vervangen. De leerling gaat dan naar een reguliere basisschool verder weg, omdat het arrangement, waarop hij onderwijskundig is aangewezen dichterbij niet aanwezig is. Symbiose Als een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24, van de Wec en Titel IV van het Onderwijskundig besluit Wec). Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Heeft de leerling recht op leerlingenvervoer naar de school waar hij staat ingeschreven, dan heeft de leerling ook recht op leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, als deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag. Een voorbeeld hiervan is dat er binnen het samenwerkingsverband een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is opgericht, waar leerlingen tijdelijk onderwijs volgen als er een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig. De leerling blijft daarbij ingeschreven staan op zijn oorspronkelijke school, maar volgt in de praktijk elders onderwijs (Kamerstukken II 2013/14, 34 022, nr. 3, p.

4; Kamerstukken II 2014/15, 34 022, nr. 5, p. 5). Artikel 11. Vervoer vanuit een andere regeling Leerlingenvervoer is niet bedoeld voor situaties waarin leerlingen of hun ouders voor het vervoer van de leerling van en naar school al (gedeeltelijk) gebruik kunnen maken van een andere regeling of vergoeding. Dit artikel voorkomt dat er een (deels) dubbele vergoeding kan worden ontvangen. Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) een vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school of de stage, mag het college die vergoeding aftrekken van de vergoeding die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat. Het bovenstaande geldt niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening. Artikel 12.

Een vervoersvoorziening voor weekeinde- en vakantievervoer bij verblijf in een pleeggezin of internaat Artikel 4.6 van de Wec geeft aan dat in de verordening twee onderwerpen moet worden opgenomen. Deze onderwerpen zijn in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college aan in de gemeente wonende ouders van leerlingen die voor het volgen van passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven, op aanvraag een vergoeding verstrekt voor de kosten verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer. Dit artikel bevat twee belangrijke onderdelen: 1- Een vervoersvoorziening voor weekeinde- en vakantievervoer wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de Wec. Het is nodig dat er een directe relatie is tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantievervoer toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die zo veel als mogelijk met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden.

Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. Het college moet na gaan op welke gronden een leerling op een internaat pagina 21

of bij een pleeggezin is geplaatst. Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor weekeinde- of vakantievervoer. 2- Het college verstrekt de vervoersvoorziening voor weekeinde- en vakantievervoer als de ouders in de gemeente wonen en daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de Wec. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening. Het uitgangspunt is een vergoeding in geld voor de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens een handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. Het college kan ouders op aanvraag toestaan de leerling zelf te voeren of te laten vervoeren (vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer’). Bijvoorbeeld als dit goedkoper is voor het college, of als er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Op grond van artikel 4.9 van de Wec kan het college het weekeinde- en vakantievervoer ook zelf verzorgen of laten verzorgen (vervoersvoorziening ‘Aangepast vervoer’). Aangepast vervoer wordt alleen ingezet als: openbaar vervoer ontbreekt of als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van het openbaar gebruik te maken. Artikel 13. Een vervoersvoorziening van en naar stageadres Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17, van de Wec en artikel 2.26, derde lid en artikel, 2.27, derde lid, van de Wvo 2020). Ook een maatschappelijke stage kan onderdeel uitmaken van het onderwijsprogramma (artikel 22, eerste lid, onder c, onder 3e, van de Wec en artikel 2.32, van de Wvo 2020). In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de Wec).

Als recht bestaat op leerlingenvervoer naar de school waar de leerling staat ingeschreven, dan bestaat er ook recht op een vervoersvoorziening voor vervoer van de leerling van de woning of opstapplaats naar het stageadres en terug, als: - de stage is opgenomen in de schoolgids van de school/ stagecontract, en; - de stagetijden hetzelfde zijn als de reguliere schooltijden, en; - de stage plaatsvindt op één stageadres/ -locatie. Omdat gelijke tijden als de reguliere schooltijden in de praktijk lastig kan zijn, want stages sluiten vaak aan op werktijden, beschrijft artikel 13.4 een uitzonderingsmogelijkheid. Dit moet voorkomen dat leerlingen die geen passende stageplek binnen de reguliere schooltijden kunnen vinden hun opleiding niet kunnen afronden. Voor een vervoersvoorziening van en naar een stageadres gelden verder dezelfde voorwaarden die ook gelden als de aanvrager leerlingenvervoer wenst naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (zie de artikelen 2, 10,11,15 en 20). Ter onderbouwing van de aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres kan het college het stagecontract opvragen. Zo kan ook gecontroleerd worden of er in de stageovereenkomst wellicht een regeling met betrekking tot de vervoerskosten is getroffen met het stagebedrijf.

Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt dan naar de school van de leerling. Het streven is ook hier om de leerling zo zelfstandig mogelijk te laten reizen. Tot slot wordt in lijn met het uitgangspunt van vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school alleen een vervoersvoorziening van en naar het stageadres toegekend naar het dichtstbijzijnde toegankelijke stageadres.

pagina 22

Artikel 14. Een vervoersvoorziening voor vervoer van en naar opvangadres Omdat veel ouders allebei werken, is het normaal dat kinderen voor of na schooltijd opgevangen worden door bijvoorbeeld een opa of oma of door een professionele kinderopvangorganisatie (voor- of naschoolse opvang). Artikel 14 biedt ouders de mogelijkheid dat de leerling, als er recht op leerlingenvervoer bestaat, in afwijking van de Wpo, de Wec en de Wvo 2020, voor of na afloop van de schooldag niet bij de woning of de opstapplaats wordt opgehaald of afgezet, maar bij één ander opvangadres. Ouders zijn dan zelf verantwoordelijk voor het brengen of ophalen van de leerling bij het opvangadres. Vanuit kostenoogpunt zijn de mogelijkheden wel begrensd. Het moet gaan om één adres waar de leerling voor of na schooltijd structureel en op vaste dagen in de week wordt opgevangen. Ook moeten de kosten van het vervoer naar het opvangadres vergelijkbaar zijn met de kosten van het vervoer tussen de woning of opstapplaats en de school. Op het moment dat het vervoer naar de woning duidelijk goedkoper is dan naar het opvangadres, dan is dat een reden om het vervoer van en naar een opvangadres te weigeren. Artikel 15. Een vervoersvoorziening van en naar school bij tijdelijk verblijf buiten de gemeente Een aanvraag wordt gedaan in de gemeente waarin de leerling zijn woning heeft.

De aanwezigheid van een structureel karakter van het feitelijk verblijf van de leerling vormt een onderdeel van het begrip woning. Een tijdelijk verblijf in een andere gemeente verplaatst de structurele feitelijke verblijfplaats dan ook niet. Als de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld door noodzakelijke opvang, is het niet praktisch dat die andere gemeente de vervoerskosten moet betalen. Want: bij gemeente A moet leerlingenvervoer (tijdelijk) worden stopgezet, bij gemeente B moet leerlingenvervoer worden aangevraagd; en een aantal weken later zou het omgekeerde weer moeten gebeuren. Dat zorgt voor een onnodige belasting voor de leerling of zijn ouders en de gemeenten. Artikel 15 regelt hierom wat onder tijdelijk verblijf wordt verstaan en hoe het college daarin handelt. Als de leerling door een crisissituatie voor een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en vanuit de gemeente al leerlingenvervoer in de vorm van een vergoeding kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf voor de duur van maximaal zes weken aangemerkt als ‘verblijf in de gemeente’. Het college neemt dan de kosten voor vervoer voor de duur van maximaal zes weken voor zijn rekening.

Het college neemt hierover een afzonderlijk besluit, waarbij het oorspronkelijke besluit waarmee een vervoersvoorziening was toegekend tijdelijk wordt opgeschort, zolang de tijdelijke situatie bestaat. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling in een andere gemeente. In dat geval is geen sprake van een crisissituatie, maar van een keuze, waarbij ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer.

Hoofdstuk 4. De vorm, omvang en duur van het leerlingenvervoer Artikel 16. Vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de leerling Dit artikel beschrijft de regels die gelden bij de toekenning van een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de leerling. Eerste lid Een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ kan worden toegekend aan een leerling die een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs (artikel 4 van de Wpo) of een school voor speciaal onderwijs (artikel 4 van de Wec) bezoekt. Aan een leerling die voortgezet (speciaal) onderwijs volgt kan, in afwijking van artikel 4 van de Wec en artikel 8.28 van de Wvo 2020, een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ worden toegekend, als de leerling door een structurele handicap aangewezen is op een school buiten de gemeente Gouda en in staat is zelfstandig met het Openbaar Vervoer te reizen (artikel 9.3 onderdeel c). Tweede lid De hoogte van de vergoeding met het openbaar berekent het college op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Het college houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem van openbaar vervoer kunnen gelden. Derde lid Het college verstrekt een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ aan de leerling als het college vindt dat de leerling met de fiets van en naar school kan reizen.

Het college onderzoekt dit in de

pagina 23

onderzoeksfase en neemt daarmee factoren als leeftijd, een eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand in overweging. Het is mogelijk een vergoeding voor de kosten van het vervoer met de fiets voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen. De fietsvergoeding is bedoeld als een voor het college goedkoper alternatief voor leerlingen voor wie anders een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ zou worden verstrekt. Vierde lid De vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ wordt alleen verstrekt voor de kortste aantal kilometers die een leerling aflegt tussen de woning en school en de terugrit van school naar woning. Vijfde lid De vergoeding voor het gebruik van een eigen fiets bedraagt € 0,11 per kilometer. Dit is gebaseerd op 50% van de kilometervergoeding voor autogebruik, naar beneden afgerond. De bedragen worden uitgekeerd voor de kilometers die de leerling aflegt. Artikel 17. Vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de begeleider Dit artikel beschrijft de regels die gelden bij de toekenning van een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de begeleider.

Eerste lid Als een leerling die recht heeft op leerlingenvervoer, niet zelfstandig met het openbaar of de fiets van en naar school kan reizen, kan het college een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ verstrekken voor de begeleider van de leerling. Het zorgen voor een begeleider is de verantwoordelijkheid van de ouders zelf (zie artikel 2.7). Leerling is ouder dan negen jaar Het leeftijdscriterium dat in dit artikel genoemd wordt, is een van de wettelijk toegestane volumebeperkende middelen om een vervoersvoorziening voor een begeleider te kunnen toekennen. Als de leerling ouder dan negen jaar is, en de ouders naar tevredenheid van het college kunnen laten zien dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, komen de ouders in aanmerking voor de vergoeding van de vervoerskosten voor een begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties: - de leerling moet een of meerdere malen overstappen; - de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten; - het is voor de leerling door zijn handicap niet veilig om alleen naar school te fietsen. Om administratieve kosten te verminderen, is een peildatum gekozen die geldt voor het gehele schooljaar. Omdat 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen.

Dit betekent dat als een leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij het gehele schooljaar als acht wordt beschouwd, ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar. Het college hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar af te geven. Leerling met een handicap Aan ouders van leerlingen die door hun handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen (zie toelichting bij artikel 1), wordt een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school. Tweede lid De hoogte van de vergoeding met het openbaar vervoer is gebaseerd op de kosten van het openbaar vervoer. Het college houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem van openbaar vervoer kunnen gelden. Derde lid Het college verstrekt een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ voor de begeleider of een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de begeleider alleen voor het deel van de route dat de leerling met het reizen met het openbaar vervoer of de fiets wordt begeleid.

pagina 24

Vierde lid De vergoeding voor het gebruik van een eigen fiets bedraagt € 0,11 per kilometer. Dit is gebaseerd op 50% van de kilometervergoeding voor autogebruik, naar beneden afgerond. De bedragen worden uitgekeerd voor de kilometers die de leerling aflegt. Vijfde lid Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, worden de reiskosten van de begeleider slechts éénmaal vergoed. Dit sluit aan bij de werkwijze, dat in het aangepast vervoer ook alleen het deel van de reis betaald wordt, dat de leerling meereist. Artikel 18. Vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de auto’ Dit artikel beschrijft de regels die gelden bij de toekenning van een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de auto’. Hiervan is sprake als ouders de leerling zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen auto. Eerste lid Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college nodig. Een belangrijke standaard voor toestemming is of de vergoeding van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is (artikel 2.4). Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer en er plaats is in een busje dat toch al rijdt.

Tweede en derde lid Als recht op leerlingenvervoer bestaat en ouders met toestemming van – of op verzoek van – het college de leerling zelf vervoeren, wordt een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de auto’ toegekend. Het gaat om een vergoeding per kilometer gerekend over de kortste afstand tussen de woning en de school. Ook de retourreis ‘s morgens en de heenreis ‘s middags van de chauffeur worden vergoed. Ouders komen in aanmerking voor vergoeding per kilometer als zij zelf het vervoer regelen met toestemming van of op verzoek van het college van Burgemeester en Wethouders. Deze vergoeding wordt berekend op basis van de algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding van € 0,23. Ouders kunnen ervoor kiezen om de leerling zelf te vervoeren tegen een lagere vergoeding, om te voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis dat er sprake moet zijn van een goedkoper vervoersalternatief. Vierde lid Het college kan ouders vragen of zij bereid zijn leerlingen van andere ouders naar school te vervoeren. Ouders kunnen daar niet toe verplicht worden. Vijfde lid Het vijfde lid bepaalt dat er geen vergoeding wordt verstrekt aan ouders van de leerling die met een andere ouder meerijdt, die daar al een vergoeding op grond van deze verordening voor ontvangt. Daarmee wordt voorkomen dat er in deze situatie dubbel wordt betaald voor dezelfde rit.

Zesde lid Als ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het college, bij wijze van uitzondering, een andere vergoeding vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling. Artikel 19. Vervoersvoorziening ‘Aangepast vervoer’ Eerste lid Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt in principe alleen in uitzonderingsgevallen versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 19 vastgelegd. Onderdeel a. Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel. Er kan aangepast vervoer worden aangeboden, wanneer de reistijd door inzet van aangepast vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht ten opzichte van de reistijd met het openbaar vervoer. Het is belangrijk dat door een individuele meting die conclusie kan

pagina 25

worden getrokken. Ook is het niet zo dat de ouders in voorkomend geval van het college kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht. Het aangepast vervoer wordt voor meerdere leerlingen tegelijk georganiseerd. De reistijd is dan meestal langer, dan gemeten op individuele basis. De praktijk leert dat leerlingen tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het maakt daarbij niet uit op welke manier zij de afstand naar school overbruggen, Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Als een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig om de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit (zie ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In deze gevallen wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis een vergoeding op basis van openbaar vervoer. Onderdeel b.

Het kan voorkomen dat het openbaar vervoer geheel ontbreekt of niet vaak rijdt waardoor leerlingen voor het vervoer van de woning naar de school of terug geen gebruik kunnen maken van openbaar vervoer. Onderdeel c. De aanvrager moet naar tevredenheid van het college laten zien dat het voor hen onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij eerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is (zie ook artikel 2.6). Het college beoordeelt per ouder(paar) of de gevraagde inzet redelijk is. Onderdeel d. Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. Onderdeel e. Het is ook mogelijk dat een leerling in aanmerking komt voor aangepast vervoer op het moment dat dit voor het college goedkoper (te organiseren) is. Deze situatie kan er zijn als er al een busje rijdt waarin nog plaatsen beschikbaar zijn. Tweede lid Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. In alle andere situaties zijn ouders zelf verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind.

Vervoer dat nodig is in verband met een activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) valt buiten het leerlingenvervoer. Derde lid In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen, dat er binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook in dat geval vindt het aangepast vervoer altijd plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan, ingeval van aangepast vervoer, overwegen om dan een wachttijd te hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten, of eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden. De gemeente zal zo veel als mogelijk proberen de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk te vervoeren, wanneer de begin- en/of eindtijden nagenoeg hetzelfde zijn.

pagina 26

Vierde lid Het vervoer op afwijkende tijden kan leiden tot individueel aangepast vervoer buiten de schooltijden en dat brengt extra vervoerskosten met zich mee. De gemeente is hier in principe niet toe verplicht, tenzij de leerling een gedeeltelijke vrijstelling van de leerplicht heeft. Alleen wanneer de leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan er in zo een geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. De ouders moeten hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door: - een verklaring van de leerplichtambtenaar, waaruit een leerplichtakkoord blijkt; - een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd; - een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of - een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog), waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen. Het college kan zoals aangegeven in artikel 5, een deskundige inschakelen om het geleverde bewijs te beoordelen.

Vijfde lid Om het vervoer beter, slimmer en daardoor goedkoper te organiseren, biedt deze bepaling het college de bevoegdheid om opstapplaatsen aan te wijzen, vanwaar leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dit systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar moeten zij, al dan niet onder begeleiding, naar de door het college aangewezen opstapplaats, vanwaar zij worden opgehaald. Onderdeel a. De aan te wijzen opstapplaats moet voldoende veilig zijn voor de, als dat nodig is door een begeleider begeleide, leerling om van het aangepast vervoer gebruik te maken. Ook moet de opstapplaats voldoende beschutting bieden bij verschillende weersomstandigheden. Het feit dat de opstapplaats aan een drukke verkeersweg ligt, is op zichzelf niet voldoende om de locatie als onvoldoende veilig te beoordelen. Van ouders mag in zulke situaties verwacht worden dat zij voor begeleiding zorgen tot ten minste het moment dat hun kind is ingestapt. De opstapplaats moet ook binnen een redelijke afstand van de woning van de leerling liggen. Het is aan het college om te beoordelen wat in een individuele situatie redelijk is. Een reistijd van niet meer dan dertig minuten is in elk geval redelijk. Onderdeel b. en onderdeel c. Het uitgangspunt is dat ouders zelf moeten zorgen voor begeleiding als de leerling dat nodig heeft (zie ook artikel 2.5).

Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de leerling naar de opstapplaats te (laten) begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Omdat van ouders een redelijke mate van inzet verwacht mag worden, zal hier niet snel sprake van zijn. Het is aan het college om te beoordelen of ouders voldoende hebben aangetoond dat het (laten) bieden van begeleiding naar en op de opstapplaats voor hen, door individuele omstandigheden, onmogelijk is. Artikel 20. Een andere passende voorziening Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te reizen, dan de andere beschreven manieren van vervoer, als de leerling daarvoor een geschikt vervoermiddel heeft. Artikel 20 maakt het mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten aansluiten bij de mogelijkheden van de leerling en/of de ouders. Het kan er ook aan bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd. Artikel 21. Een vervoerstraining De Wpo, de Wec en de Wvo 2020 kennen alleen de mogelijkheid van het bieden van een vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding of in de vorm van aangepast vervoer. Binnen de uitgangspunten en criteria zoals beschreven in de verordening is het streven dat de leerling zo zelfstandig mogelijk naar en van school reist. De wetten staan het bieden van aanvullende voorzieningen niet in de weg.

Vervoerstraining mag dus worden toegekend om de zelfstandigheid of zelfredzaamheid van een leerling in het verkeer te vergroten.

pagina 27

Het doel van de vervoerstraining is om de leerling in staat te stellen zelfstandig te kunnen reizen, waarbij de leerling niet langer op een vervoersvoorziening is aangewezen. Als dat niet mogelijk is dan wordt de leerling door middel van de vervoerstraining ondersteund in het zo zelfstandig mogelijk reizen. Mogelijk kan de leerling daardoor gebruik maken van een goedkopere vervoersvoorziening. Bijvoorbeeld dat een leerling niet langer afhankelijk is van een begeleider die met hem meereist. De basis van de vervoerstraining wordt gelegd in het vervoersontwikkelingsplan. Daarin worden de onderzochte mogelijkheden van de leerling vastgelegd. De training wordt hierop afgestemd.

Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd (artikelen 22 en artikel 23). Deze bijdrage(n) kunnen worden verrekend met de eventuele vergoeding die als vervoersvoorziening wordt toegekend. Een wijziging in het inkomen van deze ouders heeft meestal geen invloed op de vergoeding van de vervoerskosten voor datzelfde jaar (zie ‘inkomen’ artikel 1). Als er sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de vergoeding aanpassen. Artikel 22. Drempelbedrag Eerste en tweede lid Artikel 4, zevende lid, van de Wpo biedt de mogelijkheid een drempelbedrag voor elke vorm van vervoersvoorziening vanuit de Verordening Leerlingenvervoer bij ouders in rekening te brengen. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, behalve als ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een drempelbedrag in rekening gebracht (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959).

Als aan een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week. Bij het drempelbedrag is de vergoeding in geld gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens (artikel 9). Dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven recht op leerlingenvervoer bestaat. Het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet relevant of de leerling daadwerkelijk gebruik maakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruik maakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, moeten de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de kilometergrens zoals genoemd in artikel 9 zelf betalen. Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt. Een uitzondering geldt voor leerlingen met een handicap. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden.

Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor leerlingenvervoer. Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de Wec deze mogelijkheid niet biedt. Indexatie Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te vinden via: https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82838NED/table https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83131NED/table?searchKeywords=consumentenprijsindexcijfer %20%20vervoersdiensten

pagina 28

Aantonen van het inkomen Als het college zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag bij hun aanvraag voegen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst. Als ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld (zie artikel 6.2). Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, dan wordt het derde jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor leerlingenvervoer wordt aangevraagd als voorlopig uitgangspunt gebruikt. Op een later moment, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt. Structurele daling van inkomen Als het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, dan wordt in het voordeel van de ouders een later peiljaar gekozen door af te wijken van de verordening.

Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als hulpmiddel. Vierde lid Het drempelbedrag geldt niet voor ouders van leerlingen met een handicap, dus leerlingen die door hun structurele handicap niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen. Artikel 23. Een eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage Artikel 4, elfde lid, van de Wpo biedt de mogelijkheid een bijdrage te vragen voor elke vervoersvoorziening vanuit de Verordening Leerlingenvervoer bedoeld in de kosten van het vervoer, als de afstand tot de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer is dan twintig kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs is. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders. Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen met een handicap. De draagkrachtafhankelijke bijdrage moet per gezin worden betaald, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht. Indexatie Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS.

Deze is te vinden via: https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82838NED/table https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83131NED/table?searchKeywords=consumentenprijsindexcijfer %20%20vervoersdiensten Structurele daling van inkomen Als het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, dan wordt in het voordeel van de ouders een later peiljaar gekozen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als hulpmiddel.

Hoofdstuk 6. Rechtmatigheid Artikel 24. Wijzigingen Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed kunnen zijn op het recht op leerlingenvervoer of de toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het college. Zij moeten dit zo snel mogelijk digitaal of schriftelijk doen.

pagina 29

Van invloed op het recht op leerlingenvervoer of de vervoersvoorziening zijn onder andere: - een wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing; - verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); - een wijziging van het adres van de school; - wijziging van de schooltijden; - een verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer; - een wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen. Als de wijziging aanleiding geeft tot het wijzigen van het besluit dan neemt het college een passend besluit tot beëindiging, opschorting, herziening of intrekking van de verstrekte vervoersvoorziening (zie artikel 25). Artikel 25. Beëindigen, herzien, opschorten, intrekken of terugvorderen van een vervoersvoorziening Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht informatie over wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende vervoersvoorziening meteen door te geven aan het college (artikel 24). Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf ook wijzigingen opmerken die van invloed kunnen zijn op het recht op de toegekende vervoersvoorziening.

Het college neemt op basis van deze doorgegeven of vastgestelde informatie een passend besluit. Beëindigen Als het college vindt dat uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op deze vervoersvoorziening te beëindigen. Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening. Opschorten Als het college vindt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, dan kan het college de werking van het toekenningsbesluit door middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De vervoersvoorziening wordt dan tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek. Herzien Als het college vindt dat uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen.

Intrekken Als het college vindt dat uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken. Overig Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie, kan het college een leerling de toegang tot het aangepast vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, als bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of op een andere manier de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig of inzittenden in gevaar brengt. Dit kan ook het geval zijn als de zorgvraag van de leerling zo hoog is dat die niet van een reguliere chauffeur kan worden gevraagd. Ook de weigering om de eigen bijdrage te betalen of nalatig zijn in de betaling kan een reden zijn dat het recht op de toegekende vervoersvoorziening wordt ingetrokken. Tweede lid Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen ontdekken die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat zonder goede reden een vergoeding is verstrekt. Het tweede lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de zonder goede reden betaalde vergoeding terug te pagina 30

vorderen of in mindering te brengen bij een eventueel nieuw te verstrekken vergoeding (zie ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:165).

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 26. Beslissing van het college in situaties waarin de verordening geen oplossing biedt In de Verordening leerlingenvervoer Gouda 2024 zijn de hoofdlijnen voor het recht op leerlingenvervoer en de toekenning van leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen situaties zijn waarin de verordening geen oplossing biedt. Te denken valt hierbij aan gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten, combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer, varianten in het gebruik van eigen vervoer etc. Artikel 26 bepaalt dat het college in zulke situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming wordt in de geest van de wet en de verordening gehandeld. Artikel 27. Hardheidsclausule Artikel 27 stelt dat het college alleen in het voordeel van de aanvrager kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de WPO, artikel 4, tiende lid, van de Wec en artikel 4, zevende lid, van de Wvo 2020. Van een afwijking in het voordeel van de aanvrager kan bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening ‘Aangepast vervoer’, bekostiging van groepsvervoer dat is georganiseerd door ouders of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school.

De aanvrager moet aantonen dat het om een bijzondere situatie gaat. Let op: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek voor het krijgen van onderwijs, niet voor schoolbezoek voor een medische behandeling bijvoorbeeld. Advies van deskundigen Het college kan gewenst advies vragen van deskundigen ter zake (zie ook artikel 5). Precedentwerking Om – ongewenste – precedentwerking te voorkomen, moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de (meerjarig en handelingsbekwame) leerling betrekking hebben. Artikel 28. Overgangsrecht Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat besluiten die genomen zijn op grond van de in te trekken verordening, voortaan meegaan in de nieuwe verordening. Tweede lid In het tweede lid is bepaald dat op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening, de bepalingen van deze verordening worden gebruikt voor het te nemen besluit. Derde lid In het derde lid is voor lopende bezwaar- en beroepsschriften bepaald dat deze volgens de nieuwe verordening worden afgehandeld. Artikel 29. Intrekking oude regeling en artikel 30 Inwerkingtreding nieuwe regeling en citeertitel De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. In artikel 30 wordt ook de citeertitel van de verordening genoemd.

pagina 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=84c9ba90-1340-43c8-9eee-4bb6d58c4c7a