CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2024

Commissie Samenleving 5 maart 2025, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeld- en oordeelsvorming: Verordening Leerlingenvervoer Gouda 202417.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2024 Intitulé Besluit van de raad van de gemeente Gouda tot vaststelling van de Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2024 De raad van de gemeente Gouda; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda van 17 december 2024 gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, 4 van de Wet op de expertisecentra en 8.29 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; gezien het advies van de Goudse adviesraad Sociaal domein van 27 september 2024 besluit vast te stellen de Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2024.

Hoofdstuk 1. Begrippen en algemene uitgangspunten Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: 

Aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer met een besloten bus, schoolbus, taxi, taxibus, midibus of touringcar;

Aanvrager: ouder(s) van een leerling die zijn woning in de gemeente Gouda heeft of een meerderjarige en handelingsbekwame leerling die zijn woning in de gemeente Gouda heeft;

Afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. Het college legt in beleidsregels vast hoe de afstand wordt berekend;

Begeleider: ouder of persoon die door de ouder(s) wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;

College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda;

-

Deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig specialist;

Eigen vervoer: vervoer met een (elektrisch) motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt;

 Inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

 Leerling: een kind of jongere die is ingeschreven bij een school;

 Leerling met een handicap; een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig, van het openbaar vervoer gebruik kan maken; 

Leerlingenvervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning of de opstapplaats en de school van de leerling dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, behalve als de handicap van de leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;

Openbaar vervoer: personenvervoer dat door iedereen, wel of niet tegen betaling, te gebruiken is. Bijvoorbeeld vervoer met de bus, trein, metro, tram of veerdienst.

Opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het aangepast vervoer.

Ouder(s): ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling die gezag hebben over de leerling.

Reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning of de opstapplaats en de aankomst van de school en de terugreis van school naar de woning of de opstapplaats;

Samenwerkingsverband: 1°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020;

School: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: 1°. Een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of 2°. Een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 3°. Een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs 2020;

Schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;

Toegankelijke school: school waar plaats is en die past bij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling gebaseerde keuze voor een school; Vervoersvoorziening: 1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig voor de begeleider; 2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig voor de begeleider; 3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor de begeleider; 4°. Gehele of gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten van de leerling en zo nodig van de begeleider.

Vervoersontwikkelingsplan: een persoonlijk plan waarin college, ouders en/of leerling beschrijven hoe het zelfstandig reizen en de zelfredzaamheid van de leerling wordt ontwikkeld.

 Woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft.

pagina 2

Artikel 2. Algemene uitgangspunten 1. Deze verordening ontslaat ouders niet van hun verantwoordelijkheid om te zorgen voor het schoolbezoek van hun kinderen. 2. Het college kan voor de uitvoering van deze verordening extra regels stellen. 3. Het college bepaalt bij de toekenning van leerlingenvervoer: de vorm waarin, vanaf wanneer en tot wanneer leerlingenvervoer wordt toegekend. 4. Bij toekenning van leerlingenvervoer, verstrekt het college de goedkoopst passende vervoersvoorziening. 5. Het is de taak van de ouders om als dat nodig is voor een begeleider te zorgen, behalve als ouders naar tevredenheid van het college laten zien dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen uit hun netwerk onmogelijk is of ernstige nadelige gevolgen heeft voor het gezin. 6. Ouders zijn verantwoordelijk voor het gedrag van een minderjarige leerling tijdens het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer.

Hoofdstuk 2. Het proces van aanvraag tot besluit Artikel 3. De aanvraag 1. Een ouder of meerderjarige en handelingsbekwame leerling kan leerlingenvervoer aanvragen in de gemeente waar de leerling zijn woning heeft. 2. De aanvrager doet dit door schriftelijk of digitaal een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier in te leveren. Dit aanvraagformulier wordt door de gemeente Gouda beschikbaar gesteld. 3. Het college kan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling vragen aanvullende gegevens te verstrekken als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is. Artikel 4. Het onderzoek 1. Voor de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer, onderzoekt het college altijd of de school de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school is, de afstand en de route tot de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. 2. Voor het bepalen van de vorm, omvang en duur van het leerlingenvervoer onderzoekt het college ook de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin. 3. Het college kan voor dit onderzoek met ouders, de leerling en/of met een deskundige in gesprek gaan. 4. Doel van het gesprek is: a. de aanvraag goed te kunnen beoordelen; b.

te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor de ouders om te zorgen dat de leerling naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 10 gebracht en gehaald wordt. c. te onderzoeken wat de vervoersmogelijkheden van de leerling zijn; d. vast te stellen welke vervoersvoorziening voor de leerling noodzakelijk is; e. te onderzoeken of, hoe en in welk tempo te verwachten is dat de leerling zelfstandig(er) kan reizen, hoe ouders hierin kunnen ondersteunen en/of wat de gemeente daarin kan bieden; f. om afspraken te maken over het gebruik van de genoemde mogelijkheden en de inzet van ouders en/of gemeente. 5. Afspraken over de (te vergroten) zelfstandigheid van de leerling kan worden vastgelegd in een vervoersontwikkelingsplan. Dit plan kan onderdeel uitmaken van het besluit van het college op de aanvraag. 6. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek opnieuw plaatsvinden. Artikel 5. Advies van deskundigen 1. Het college kan voor het beoordelen van een aanvraag advies vragen aan één of meer deskundigen. 2. De aanvrager werkt mee aan het onderzoek van een deskundige.

pagina 3

Artikel 6. De tijd tussen de aanvraag en het besluit 1. Het college neemt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, een besluit op de aanvraag. 2. Het college kan de in het artikel 6.1 genoemde besluitvormingstermijn met maximaal vier weken verlengen. Het college brengt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte. Artikel 7. Het besluit 1. Bij de toekenning van leerlingenvervoer, legt het college in het besluit vast in welke vorm, vanaf wanneer en tot wanneer leerlingenvervoer wordt toegekend en als het een vergoeding is wanneer deze wordt uitbetaald. 2. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening extra voorwaarden stellen in het besluit. Artikel 8. De startdatum van het leerlingenvervoer 1. Als leerlingenvervoer wordt toegekend, dan geldt dit: a. als het een vergoeding betreft, met ingang van de door de aanvrager verzochte datum, met de voorwaarde dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. als het aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de aanvrager verzochte datum.

Hoofdstuk 3. Recht op leerlingenvervoer Artikel 9. Afstand 1. Leerlingenvervoer wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke: a. school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs groter is dan zes kilometer; of b. speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs groter is dan zes kilometer; of c. school voor speciaal onderwijs groter is dan zes kilometer. 2. Het in artikel 9.1 genoemde afstandscriterium geldt niet voor leerlingen met een handicap. 3. Voor leerlingen die regulier voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs volgen, geldt dat zij of hun ouders, zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van en naar school, behalve als de leerling door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap: a. niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kan maken; of b. is aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer; of c. is aangewezen op een school buiten de gemeente Gouda én zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Artikel 10. Dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.

Leerlingenvervoer wordt toegekend voor de afstand tussen de woning of de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, behalve als vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente goedkoper is én de aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk of digitaal instemt. 2. Ook wordt leerlingenvervoer toegekend voor de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is als de aanvrager daar schriftelijk of digitaal mee instemt; of b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a. bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. en de aanvrager daar schriftelijk of digitaal mee instemt. 3. Als de aanvrager door een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling leerlingenvervoer aanvraagt naar een school op een grotere afstand dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze alleen toegekend als: a.

de aanvrager naar tevredenheid van het college heeft laten zien wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige behoefte van de leerling is; en pagina 4

b. de aanvrager naar tevredenheid van het college heeft laten zien dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is, omdat deze het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod niet kan bieden. Artikel 11. Vervoer vanuit een andere regeling 1. Als een aanvrager een passende voorziening of vergoeding van de reiskosten kan krijgen vanuit een andere regeling, dan bestaat er geen recht op leerlingenvervoer. 2. Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling volgens een andere regeling recht hebben op een gedeeltelijke vergoeding van de reiskosten, dan neemt het college dit mee in zijn besluit op de aanvraag voor leerlingenvervoer. Het kan zijn dat het college de hoogte van de vergoeding voor leerlingenvervoer hierop aanpast of de gedeeltelijke vergoeding die vanuit de andere regeling ontvangen wordt, als eigen bijdrage bij de ouders of leerling in rekening brengt. Artikel 12. Een vervoersvoorziening voor weekeinde- en vakantievervoer bij verblijf in een pleeggezin of internaat 1. Als een leerling in een internaat of pleeggezin verblijft om passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs te volgen, kunnen ouders die in de gemeente Gouda wonen een vervoersvoorziening voor weekeinde- en vakantievervoer van de leerling aanvragen. Artikel 2 en artikel 11 gelden ook nog steeds. 2.

De vervoersvoorziening die het college aan de ouders verstrekt voor weekeindevervoer van de leerling, is bedoeld voor één in een weekend gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft naar de woning van de ouders en één in een weekend gemaakte reis terug. Als voorwaarde hierbij geldt, dat de weekenden niet vallen binnen een schoolvakantie. 3. De vervoersvoorziening die het college aan de ouders verstrekt voor vervoer van de leerling tijdens schoolvakanties, is bedoeld voor één aan het begin van de vakantie gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft naar de woning van de ouders en één aan het einde van de vakantie gemaakte reis van de woning van de ouders naar het internaat of pleeggezin. 4. De vervoersvoorziening die voor weekeinde- en vakantievervoer aan ouders wordt toegekend, is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer. 5. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider als de leerling door een structurele handicap of leeftijd niet zelfstandig met het openbaar kan reizen. 6. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders recht hebben. 7.

Het college kent aangepast vervoer als vervoersvoorziening voor weekeinde- en vakantievervoer toe, als het gaat over een leerling met een handicap of openbaar vervoer geheel ontbreekt. Artikel 13. Een vervoersvoorziening van en naar een stageadres 1. Als recht op leerlingenvervoer bestaat, kan ook een vervoersvoorziening voor vervoer van de leerling van de woning of opstapplaats naar een stageadres en terug worden toegekend. Dit moet wel apart worden aangevraagd. 2. Een vervoersvoorziening voor vervoer van en naar een stageadres kan door de ouders, een meerderjarige leerling of door de school van de leerling worden aangevraagd. 3. Een vervoersvoorziening van en naar een stageadres wordt allen toegekend, als: a. De stage onderdeel is van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; en, b. De stagetijden hetzelfde zijn als de reguliere schooltijden; en, c. De stage plaatsvindt op een stageadres. 4. De in artikel 13.3 onder b. genoemde voorwaarde geldt niet als de aanvrager naar tevredenheid van het college laat zien dat dit niet mogelijk is. 5. Het college kent een vervoersvoorziening van en naar een stageadres alleen toe over de afstand tussen de woning of de opstapplaats van de leerling en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. Artikel 14. Een vervoersvoorziening van en naar een opvangadres 1.

Als recht op leerlingenvervoer bestaat, kan ook een vervoersvoorziening voor vervoer van de leerling van een opvangadres naar school en/of van school naar een opvangadres worden toegekend. Dit moet wel apart worden aangevraagd. 2. Een vervoersvoorziening voor vervoer van en naar een opvangadres wordt alleen toegekend, als: a. de opvang plaatsvindt op één ander adres dan het woonadres van de leerling; en, pagina 5

b. de opvang een structureel karakter heeft en op vaste dagen in de week plaatsvindt; en, c. de kosten van dit vervoer voor het college vergelijkbaar zijn met de kosten van het vervoer van de leerling tussen de woning of de opstapplaats en de school. 3. Het college kent geen vervoersvoorziening toe over de afstand tussen het opvangadres en de woning of de opstapplaats van de leerling. Artikel 15. Een vervoersvoorziening van en naar school bij tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan aan de ouders van een leerling die vanwege een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente Gouda verblijft, een vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen, als: a. de leerling zijn eigen school blijft bezoeken; en, b. in de periode vóór het tijdelijke verblijf van de leerling buiten de gemeente Gouda, recht op leerlingenvervoer bestond volgens deze verordening; en, c. het de bedoeling is dat de leerling terugkeert naar de gemeente Gouda. Het college neemt hierover een apart besluit. 2. Het besluit waarin leerlingenvervoer is toegekend vóór het tijdelijke verblijf van de leerling in de andere gemeente, wordt tijdelijk stopgezet met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente. Dit besluit start weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, behalve als de termijn waarvoor het besluit gold inmiddels voorbij is. 3.

Als aangepast vervoer als vervoersvoorziening is verstrekt, kan het college besluiten dat de gemeente waar de leerling tijdelijk verblijft het aangepast vervoer uitvoert. Dit uiteraard na overleg met de gemeente waar de leerling tijdelijk verblijft.

Hoofdstuk 4. De vorm, omvang en duur van het leerlingenvervoer Artikel 16. Vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de leerling 1. Als recht op leerlingenvervoer bestaat, verstrekt het college voor de leerling een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’. 2. Het college baseert zich voor het bepalen van de hoogte van de vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ op de kosten van de te maken reis met het openbaar vervoer. Ook houdt het college daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het openbaar vervoersysteem kunnen gelden. 3. Als het college vindt dat de leerling met of zonder begeleiding, met de fiets kan reizen, verstrekt het college aan de aanvrager voor de leerling een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’. 4. Het college verstrekt een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de kilometers die de leerling aflegt tussen de woning en de school. 5. Voor het bepalen van de hoogte van de vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ gebruikt het college een bedrag van € 0,11 cent per kilometer. Artikel 17. Vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de begeleider 1.

Als recht op leerlingenvervoer bestaat, verstrekt het college afhankelijk van de vervoersvoorziening voor de leerling ook voor een begeleider een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ of ‘Eigen vervoer met de fiets’, als: a. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarvoor de vervoersvoorziening wordt toegekend jonger dan 9 jaar is; b. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarvoor de vervoersvoorziening wordt toegekend ouder dan 9 jaar is en de aanvrager naar tevredenheid van het college laat zien dat de leerling niet zelfstandig van het openbaar of de fiets gebruik kan maken. c. het gaat over een leerling met een handicap. 2. Het college baseert zich voor het bepalen van de hoogte van de vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ voor de begeleider op de kosten van de te maken reis door de begeleider met het openbaar vervoer. Ook houdt het college daarbij rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het openbaar vervoersysteem kunnen gelden.

pagina 6

3. Het college verstrekt een vervoersvoorziening ‘Openbaar vervoer’ voor de begeleider of een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de begeleider alleen voor het deel van de reis dat de leerling begeleid wordt. 4. Voor het bepalen van de hoogte van de vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de fiets’ voor de begeleider gebruikt het college een bedrag van € 0,11 cent per kilometer. 5. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, wordt alleen een vervoersvoorziening voor één begeleider toegekend. Artikel 18. Vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de auto’ 1. Als recht op leerlingenvervoer bestaat, kan het college de ouders vragen of op hun verzoek toestaan één of meer leerlingen met de auto zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit voor het college goedkoper is dan de vervoersvoorziening die anders zou worden toegekend. 2. Het college verstrekt een vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de auto’ voor maximaal twee retourritten per dag tussen de woning en de school van de leerling. 3. Voor het bepalen van de hoogte van de vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de auto’ gebruikt het college een bedrag van € 0,23 cent per kilometer. 4. Ouders kunnen door het college niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren. 5.

Het college verstrekt geen vervoersvoorziening ‘Eigen vervoer met de auto’ als ouders één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer al een vergoeding van het college ontvangen. 6. Als recht op leerlingenvervoer bestaat en ouders besluiten samen met andere ouders zelf het vervoer te organiseren, dan kan het college een bijzonder kostendekkend tarief hanteren als dit voor het college goedkoper is dan de vervoersvoorziening(en) die anders zou(den) worden toegekend. Artikel 19. Vervoersvoorziening ‘Aangepast vervoer’ 1. Als recht op leerlingenvervoer bestaat, verstrekt het college een vervoersvoorziening ‘Aangepast vervoer’ als: a. de leerling met het openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd met het openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b. openbaar vervoer ontbreekt; c. de aanvrager naar tevredenheid van het college laat zien dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d. de leerling, volgens het college, ook niet onder begeleiding met het openbaar vervoer van en naar school kan reizen. e. dit goedkoper is voor het college dan de vervoersvoorziening die anders zou worden toegekend. 2.

Het aangepast vervoer vindt plaats op de schooldagen en in aansluiting op de schooltijden die zijn vastgelegd in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 3. Als een school verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden heeft, kan het college besluiten voor het aangepast vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren zodat het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk ingezet kan worden. 4. Op schooldagen en schooltijden die afwijken van de dagen en tijden uit de schoolgids biedt het college geen aangepast vervoer, behalve als de aanvrager naar tevredenheid van het college laat zien dat de handicap van de leerling onderwijs op de standaard schooldagen en/of schooltijden onmogelijk maakt. 5. Bij de toekenning van een vervoersvoorziening ‘Aangepast vervoer’, kan het college een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling van het aangepast vervoer gebruik kan maken. Hierbij geldt: a. dat de opstapplaats voldoende ruimte biedt voor een mogelijke begeleider, veilig en beschut is en op redelijke loopafstand van de woning van de leerling ligt. b. dat het de taak van de ouders is om de leerling naar en op de opstapplaats te (laten) begeleiden als dit noodzakelijk is. c.

dat geen opstapplaats wordt aangewezen als de ouders naar tevredenheid van het college kunnen laten zien dat zij zelf of anderen onmogelijk de noodzakelijke begeleiding naar en op de opstapplaats kunnen bieden, het begeleiden tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. pagina 7

Artikel 20. Een andere passende voorziening Heeft de ouder of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling recht op een vervoersvoorziening, dan kan het college na overleg met de ouders of met de leerling een andere passende voorziening verstrekken die goedkoper of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Artikel 21. Een vervoerstraining 1. Om de zelfredzaamheid van een leerling te vergroten, kan het college naast een vervoersvoorziening ook een vervoerstraining inzetten. Dit met als doel dat de leerling na de training zelfstandig van en naar school kan reizen of gebruik leert te maken van een goedkopere vervoersvoorziening. 2. De training kan onderdeel zijn van het vervoersontwikkelingsplan zoals bedoeld in artikel 4.5.

Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten Artikel 22. Drempelbedrag 1. Bij de verstrekking van elke vervoersvoorziening vanuit de Verordening leerlingenvervoer betalen de ouders van een leerling de, op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde, kosten over de in artikel 10 bepaalde afstand van zes kilometer zelf, als: a. de leerling een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt; en, b. het inkomen van de ouders samen meer bedraagt dan € 29.700,-. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouders in rekening gebracht. 2. Het in artikel 22.1 genoemde inkomensbedrag wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar. Het inkomensbedrag wordt rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. 3. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele daling van inkomen, in afwijking van artikel 22.1, het inkomen van het moment van de beoordeling van de aanvraag worden gebruikt. 4. Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met een handicap. Artikel 23. Een eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage 1.

Bij de verstrekking van elke vervoersvoorziening vanuit de Verordening Leerlingenvervoer betalen de ouders van een leerling een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer, als: a. de leerling een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt; en, b. de onder a. genoemde school door een keuze van de ouders op meer dan 20 kilometer van de woning ligt. 2. De hoogte van de bijdrage zoals bedoeld in artikel 23.1 wordt berekend voor een gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie zijn: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s voor een gezin in 2024 0 - 39.500 Geen 39.500 - 46.500 185 46.500 - 54.000 815 54.000 - 60.500 1.510 60.500 - 69.500 2.215 69.500 - 76.000 2.970 Vanaf € 76.000 voor elke extra € 5.000 aan inkomen € 710 aan eigen bijdrage erbij 3. De inkomensbedragen, genoemd in artikel 23.2, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar. De inkomensbedragen worden rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

pagina 8

4. De bedragen van de eigen bijdrage, genoemd in artikel 23.2, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar. De eigen bijdragen worden rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 5. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van artikel 23.2, het actuele inkomen worden gebruikt. 6. De draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage kan tegelijk met het drempelbedrag als genoemd in artikel 22 bij het gezin in rekening worden gebracht. 7. Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met een handicap.

Hoofdstuk 6. Rechtmatigheid Artikel 24. Wijzigingen 1. De ouder(s) of meerderjarige leerling zijn verplicht wijzigingen die van invloed (kunnen) zijn op de toegekende vervoersvoorziening, direct schriftelijk of digitaal te melden bij het college met daarin de datum van wijziging. 2. Als een wijziging van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, dan stopt het recht daarop en kan het college zijn besluit herzien, opschorten of intrekken en opnieuw een vervoersvoorziening toekennen. 3. Het recht op de toegekende vervoersvoorziening stopt ook meteen als het college een wijziging vaststelt die de aanvrager niet (direct) doorgegeven heeft, maar waaruit blijkt dat zonder goede reden leerlingenvervoer is verstrekt. Ook in deze situatie kan het college zijn besluit herzien, opschorten of intrekken en opnieuw een vervoersvoorziening toekennen Artikel 25. Beëindigen, herzien, opschorten, intrekken of terugvorderen van een vervoersvoorziening 1. Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening beëindigen, herzien, opschorten dan wel intrekken, als: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen waaronder leerlingenvervoer is toegekend; b. leerlingenvervoer is toegekend op basis van foute gegevens en de juiste gegevens tot een ander besluit hadden geleid; c.

de verstrekte vorm van leerlingenvervoer niet meer de goedkoopst passende vorm van leerlingenvervoer is; d. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling en/of de begeleider in het aangepast vervoer; e. het vervoer van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer. Een besluit van het college wordt schriftelijk medegedeeld. 2. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vergoeding.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 26. Beslissing van het college in situaties waarin de verordening geen oplossing biedt In situaties, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening geen oplossing biedt, beslist het college. Artikel 27. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere situaties, als het gaat over het vervoer voor onderwijs, in het voordeel van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling afwijken van de bepalingen in deze verordening, waarbij advies gevraagd kan worden aan deskundigen. Artikel 28. Overgangsrecht 1. Besluiten op grond van de Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2015 worden aangemerkt als besluiten op grond van deze verordening.

pagina 9

2. Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is besloten bij de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld volgens deze verordening. 3. Op bezwaar- en beroepschriften gericht tegen een besluit genomen op grond van de Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2015, wordt beslist met inachtneming van deze verordening. Artikel 29. Intrekking oude regeling De Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2015 wordt ingetrokken. Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie van de verordening 2. Deze verordening wordt “Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2024” genoemd. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter,

mr drs P. Verhoeve

De griffier,

mr drs E.J. Karman-Moerman

pagina 10

Toelichting Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2024 Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige situaties is de afstand naar de school te ver of kan het kind door zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan leerlingenvervoer bij de gemeente aanvragen. Ook meerderjarige leerlingen kunnen, als zij handelingsbekwaam zijn, leerlingenvervoer aanvragen. Wettelijke plicht De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een verordening vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4.1 van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo), artikel 4.1 van de Wet op de expertisecentra (hierna: Wec) en artikel 8.29.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: Wvo 2020), heet het: een vergoeding van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek. Het gaat hierbij om scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs, en om instellingen voor cluster 1 en cluster 2 onderwijs (zie voor informatie over clusters 1 t/m 4 toelichting bij definitie “school”). De verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het gemeentebestuur en beschrijft de wijze waarop ouders en meerderjarige leerlingen leerlingenvervoer kunnen aanvragen.

De verordening beschrijft ook de criteria waarmee het college kan beoordelen of de ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling aanspraak maken/maakt op leerlingenvervoer. Het college gaat uit van de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van de leerling. De verordening leerlingenvervoer is zo opgebouwd, dat eerst het recht op leerlingenvervoer wordt vastgesteld en daarna wordt onderzocht welke vervoersvoorziening wordt verstrekt. Naast de verplichte onderdelen bevat de Verordening Leerlingenvervoer Gouda 2024 (hierna, verordening) ook onderdelen die niet verplicht zijn op grond van de Wpo, de Wec, of de Wvo 2020. Dan gaat het bijvoorbeeld om het aanbieden van vervoerstraining. Vervoersvoorziening In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gebruikt. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan bijvoorbeeld gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van vervoer met de fiets of openbaar vervoer. Ook kan het college aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen. Het college bepaalt welke vervoersvoorziening wordt verstrekt. Het vervoer moet altijd passend zijn. Als recht op leerlingenvervoer bestaat en ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dan moeten zij hiervoor toestemming vragen aan het college. De vergoeding voor het eigen vervoer gaat uit van de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen.

Het college kan toestemming weigeren vanwege de kosten of als toestemming de instandhouding van het aangepast vervoer in gevaar brengt. Zelfstandigheid en zelfredzaamheid Het college streeft ernaar de leerling zo zelfstandig mogelijk te laten reizen en/of te groeien naar zelfredzaamheid in het verplaatsen. Om dit te onderzoeken en te stimuleren kan een gesprek met de ouders en/of de leerling plaatsvinden. Artikelsgewijs Alleen de artikelen die uitleg nodig hebben, worden hieronder toegelicht.

Hoofdstuk 1. Begrippen en algemene uitgangspunten Artikel 1. Begrippen Aangepast vervoer Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat verzorgen. Het kan dan gaan om vervoer per besloten (school)busvervoer, maar ook om bijvoorbeeld taxivervoer in individueel of groepsverband.

pagina 11

Afstand De afstand dient altijd op dezelfde manier te worden gemeten. Daarom wordt voor elke afstand dezelfde professionele routeplanner gehanteerd. Omdat het voor de ouders tijdens de beoordeling van de aanvraag duidelijk moet zijn hoe de afstand wordt gemeten, legt het college in beleidsregels vast welke routeplanner wordt gehanteerd en hoe de afstand gemeten wordt. De route hoeft niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309). Begeleider Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor het naar school gaan van hun kind. Werk van ouders of andere redenen ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding tijdens het vervoer te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken die deze taak van hen overneemt. Het overnemen kan ook tijdelijk of gedeeltelijk zijn. Deskundige Een deskundige beschikt over specifieke expertise op basis van zijn opleiding of functie.

Dit kan een arts, psychiater of psycholoog zijn, die inzicht kan geven in de mate waarin de leerling door een handicap wordt belemmerd in zijn functioneren, maar ook bijvoorbeeld een politiefunctionaris die als verkeersdeskundige kan beoordelen of een route voldoende begaanbaar en veilig is. Inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de Wpo (artikel 4.7) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Bij het opvragen van de Inkomstenbelastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de Wpo). In artikel 39.3 van de Wpo is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden maximaal vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken.

Maar deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet. Ouders van driejarigen hebben dan ook geen recht op leerlingenvervoer. Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs recht kunnen hebben op een vervoersvoorziening als wordt voldaan aan de voorwaarden in de verordening. De leeftijd van de leerling maakt niet uit. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking Wpo). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken hebben geen recht op leerlingenvervoer. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen voor het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. Leerling met een handicap Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt in de verordening gezien als een leerling met een handicap. Wanneer een leerling ondanks zijn handicap wél zelfstandig kan reizen met het openbaar vervoer, is deze leerling in de zin van de verordening géén leerling met een handicap.

pagina 12

De handicap van de leerling moet structureel van aard zijn, wat betekent dat deze in ieder geval langer dan drie maanden moet duren. Van een handicap in deze verordening is dus alleen sprake wanneer de handicap structureel en niet door behandeling (bijvoorbeeld met medicijnen) volledig weg te nemen is. Openbaar vervoer Het openbaar vervoer is ruim beschreven. Het gaat niet alleen om voor personenvervoer volgens een dienstregeling dat voor iedereen beschikbaar is. Ook een regiotaxi (in Gouda de Groene Hart Hopper) of belbus, die op afroep rijdt, en voor iedereen beschikbaar is wordt in deze verordening als een vorm van openbaar vervoer gezien. De definitie in de verordening is daarmee ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1, Wet personenvervoer 2000. Opstapplaats Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met dit systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar moeten zij zich, met of zonder begeleiding van de ouders, verzamelen op een door het college aangewezen opstapplaats. Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten is redelijk (ABRvS 26 februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107).

Ouder(s) De omschrijving volgt de begripsbepaling van de Wvo 2020 en maakt daarmee duidelijk dat ook met het gezag belaste pleegouders onder het begrip ouder(s) vallen. De begripsomschrijving wijkt daarmee iets af van de begripsomschrijving van ouder(s) in de Wpo en de Wec, waarin het hebben van gezag geen onderdeel uitmaakt van het begrip ouder(s). Reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Want, wanneer de leerling die gebruikt maakt van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd met het openbaar vervoer kan worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 19.1 onder a). Samenwerkingsverband Onder 1° Een samenwerkingsverband primair onderwijs bestaat volgens artikel 18a van de Wpo uit alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4.

Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Onder 2° Artikel 28a, van de Wec verwijst naar het samenwerkingsverband genoemd in het tweede lid van artikel 18a, van de Wpo waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten, en naar het samenwerkingsverband genoemd in artikel 2.47, tweede lid, van de Wvo 2020 waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a, van de Wpo en het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.

pagina 13

Onder 3° Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens het tweede lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. School Onder 1° In de Wpo gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs.

Onder 2° In de Wec gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. De Wec onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. Onder 3° In de Wvo 2020 gaat het om scholen voor vwo, havo, mavo, vbo en praktijkonderwijs.

Ook de op grond van artikel 2.86, van de Wvo 2020 bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen instellingen vallen er onder. Toegankelijke school Leerlingen kunnen door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4, van de Wpo staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4 Wpo bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen. In de Wpo is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de Wpo). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen. De Wvo 2020 kent een soortgelijk artikel: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 2.47, zevende lid, onder c, van de Wvo 2020). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.

Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure.

pagina 14

In de Wec is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de Wec). Vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeente het vervoer zelf kan verzorgen, of zelf doet verzorgen. Ook kan zij een vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ zijn de verschillende varianten van een vervoersvoorziening uitgewerkt. Vervoersontwikkelingsplan De wijze waarop toegewerkt wordt naar het vergroten van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling in het reizen van en naar school en de afspraken die daarvoor worden gemaakt, worden vastgelegd in een vervoersontwikkelingsplan. Het college stelt dit plan, waar nodig op basis van deskundig advies, op. Het aanleren van nieuwe vaardigheden kan onderdeel zijn van een vervoersontwikkelingsplan. Woning Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet belangrijk in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. De leerling kan een woning in meer dan één gemeente hebben (ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249).

Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, moet een aanvraag voor leerlingenvervoer bij die gemeente worden ingediend. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. Artikel 2. Algemene uitgangspunten Eerste lid De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek ligt volgens de Leerplichtwet altijd bij de ouders. In artikel 2.1 is deze verantwoordelijkheid nog eens duidelijk vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling en de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders niet. Ouders kunnen er dus niet van uit gaan dat zij altijd een vervoersvoorziening krijgen of dat deze altijd wordt voortgezet. Van ouders wordt ook verwacht dat zij de noodzakelijke keuzes maken om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Daarbij kan gedacht worden aan het aanpassen van werktijden en het verkeerswijs maken van de leerling. Derde en vierde lid In deze verordening zijn verschillende voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om recht te hebben op leerlingenvervoer.

Op het moment dat een leerling voldoet aan die voorwaarden en er meerdere vervoersvoorzieningen zijn waarvan de leerling (in redelijkheid) gebruik zou kunnen maken, dan valt de keuze van het college op de voor de gemeente goedkoopste oplossing. Ook als dit betekent dat die oplossing meer van ouders (bijvoorbeeld extra begeleiding) of de leerling (meer reistijd) vraagt. Dit past binnen het uitgangspunt dat ouders en de leerling in de basis zelf verantwoordelijk zijn voor het schoolbezoek. Ook kan dit nodig zijn om het vervoersstelsel toegankelijk en betaalbaar te houden. Het college kan op grond van het vierde lid bijvoorbeeld weigeren een vervoersvergoeding te verstrekken als de leerling gebruik kan maken van het aangepast vervoer waarbij de kosten voor het college gelijk blijven, omdat er toch al een taxibus rijdt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Het maakt dan niet uit of de leerling vervolgens daadwerkelijk van dit aangepast vervoer gebruik wenst te maken. Vijfde lid Als een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat altijd een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid.

Als ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen al dan niet tijdelijk, geheel of gedeeltelijk kan overnemen. Voor de gemeente is er aan de andere kant een wettelijke zorgplicht om passend vervoer aan te bieden. Het is aan het college om een zorgvuldige afweging te maken en te bepalen wat, gelet op de verantwoordelijkheid van ouders, redelijk is (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 7).

pagina 15

Zesde lid De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling tijdens het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer ligt bij de ouders. Zij krijgen de gelegenheid hun kind te begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag beïnvloedbaar is door de leerling te laten begeleiden, is er voor het college geen reden om de leerling individueel te vervoeren. Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan dat het gedrag onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat aan het onaanvaardbare gedrag consequenties worden verbonden, onderzoekt het college of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat het gedrag niet verwijtbaar is. Als het gedrag niet verwijtbaar is, onderzoekt het college of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals bijvoorbeeld inzet van eigen vervoer.

Hoofdstuk 2. Het proces van aanvraag tot besluit Artikel 3. De aanvraag Eerste en tweede lid Ouders van wie hun kind een school bezoekt die verder weg ligt, kunnen leerlingenvervoer aanvragen in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. Leerlingenvervoer kan ook worden aangevraagd door een meerderjarige en handelingsbekwame leerling. Voor het aanvragen van leerlingenvervoer, stelt het college een aanvraagformulier beschikbaar. Een aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden gedaan. In het aanvraagformulier kunnen gegevens worden gevraagd. Onder gegevens behoren de mogelijke toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, of een verklaring van de rijksinspecteur van de belasting. Van huisartsen wordt geen verklaring gevraagd. De Landelijke Huisartsen Vereniging heeft in haar richtlijn opgenomen dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het verstrekken van verklaringen, kan namelijk hun relatie met de patiënt beschadigen. De Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) kan wel om advies worden gevraagd. Bij twijfel schakelt het college zelf een onafhankelijke deskundige in.

Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) verplicht de gevraagde gegevens te leveren als deze belangrijk zijn voor de beslissing op de aanvraag. De aanvraag en de gegevens moeten juist en volledig zijn. Het college bepaalt of dat ook echt het geval is. Derde lid Als het aanvraagformulier aangevuld of gecorrigeerd moet worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. De aanvrager krijgt dan de mogelijkheid om de extra gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Als hiervan geen gebruik wordt gemaakt, dan bepaalt het college of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Als het college de aanvraag in behandeling neemt, dan betrekt het college bij de beoordeling van de aanvraag wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, bijvoorbeeld zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren is gebleken. Als het college de aanvraag niet in behandeling neemt, dan laat het college de aanvrager op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb weten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Artikel 4.

Onderzoek Eerste lid In de onderzoeksfase onderzoekt het college of aanvrager recht heeft op leerlingenvervoer en als recht op leerlingenvervoer bestaat welke vervoersvoorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening voor de leerling is. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis over de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven is in artikel 3:2, van de Awb.

pagina 16

Tweede lid Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer wordt ook gekeken naar wat een leerling kan en wil. Bij het bepalen van de vorm waarin het leerlingenvervoer wordt toegekend, streeft het college binnen de in de verordening gestelde uitgangspunten en criteria naar de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen. Natuurlijk blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen een handicap van een leerling een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden, is het voor het college belangrijk om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin. Derde lid en vierde lid Het college kan als onderdeel van het onderzoek een gesprek met de aanvrager voeren, om: 1. de aanvraag goed te kunnen beoordelen; 2. te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor de ouders om te zorgen dat de leerling naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 10 gebracht en gehaald wordt. 3.

te onderzoeken wat de vervoersmogelijkheden van de leerling zijn; 4. vast te stellen welke vervoersvoorziening voor de leerling noodzakelijk is; 5. te onderzoeken of, hoe en in welk tempo te verwachten is dat de leerling zelfstandig(er) kan reizen, hoe ouders hierin kunnen ondersteunen en/of wat de gemeente daarin kan bieden. Denk ook aan voorzieningen die op grond van een andere regeling zoals bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn verstrekt. 6. om afspraken te maken over het gebruik van de genoemde mogelijkheden en de inzet van ouders en/of gemeente. Als het mogelijk is, dan heeft het de voorkeur dat de leerling aan het gesprek deelneemt. Zo nodig kan ook een deskundige bij het gesprekken worden gehaald. Dit kan iemand met medische kennis zijn, zoals een orthopedagoog, iemand van de school, het samenwerkingsverband. Ook kan een aanvrager zich tijdens het gesprek laten steunen door bijvoorbeeld een onafhankelijke cliëntondersteuner. Als de leerling niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school bezoekt, dan kan dat ook een onderwerp van het gesprek zijn.

Wat is er gedaan om wél naar de school dichtbij de woning te gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren? Vijfde lid Afspraken over de (te vergroten) zelfstandigheid van de leerling kan worden vastgelegd in een vervoersontwikkelingsplan. Dit plan kan onderdeel uitmaken van het besluit van het college op de aanvraag. In een vervoersontwikkelingsplan kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat en/of hoe een leerling aanvullende vaardigheden wordt aangeleerd om zelfstandig naar en van school te kunnen gaan reizen. Het plan wordt door het college, waar nodig op basis van deskundig advies, opgesteld. Zesde lid Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging zo’n nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid. Artikel 5. Advies deskundigen De verordening heeft, volgens artikel 4, vierde lid, van de Wpo, artikel 4, vierde lid, van de Wec en 8.29, derde lid, van de Wvo 2020, een artikel voor het inwinnen van advies van een deskundige. Dit is nodig op het moment dat er voor het beoordelen van de aanvraag specifieke deskundigheid nodig is waar het college zelf niet over beschikt.

pagina 17

Artikel 6. De tijd tussen de aanvraag en een besluit Eerste lid Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat de redelijke termijn waarbinnen een beschikking moet worden gegeven in ieder geval is verstreken als het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van uitstel heeft gezonden. In de verordening is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken. De beslistermijn kan worden opgeschort als de aanvraag onvolledig is. De aanvrager krijgt dan de kans om, tijdens de termijn dat de beslistermijn is opgeschort, de aanvraag volledig te maken. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Tweede lid Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor het college. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of als er sprake is van een bijzondere situatie. Het college kan de beslistermijn dan voor ten hoogste vier weken verlengen. Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn moet er een beschikking op de ingediende aanvraag door het college zijn gegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=84c9ba90-1340-43c8-9eee-4bb6d58c4c7a