A02. Nota Cultuurhistorie 2004.pdf
Tekst van het document
omslag cultuurhisto.2005 (map)
30-12-2004
12:42
Pagina 1
nota cultuurhistorie
1
inhoudsopgave
1. inleiding 1.1. aanleiding voor de nota 1.2. wettelijk en beleidsmatig kader 1.3. opzet van de nota 2.
karakteristieken van het Goudse erfgoed
3. erfgoed geeft richting aan ruimtelijke plannen 3.1. aanleiding 3.2. welke rol speelt erfgoed in de Goudse ruimtelijke ordening 3.3. instrumenten die inzicht geven in het erfgoed en doorwerken in de verdere procedure 3.3. actiepunten 4. bescherming waardevolle objecten, structuren en gebieden 4.1. aanleiding 4.2. hoe gaat Gouda om met haar cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren 4.3. instrumenten ter bescherming 4.4. actiepunten 5. behoud en beheer 5.1. aanleiding 5.2. hoe werkt Gouda aan behoud en beheer 5.3. instrumenten voor behoud en beheer 5.4. actiepunten 6. adviescommissies 6.1. aanleiding 6.2. commissie cultuurhistorie en de de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (ARK) 6.3. instrumenten 6.4. actiepunten 7. communicatie 7.1. aanleiding 7.2. draagvlak voor cultuurhistorie in Gouda 7.3 instrumenten voor communicatie 7.4. actiepunten 8. afstemming andere overheden en beleidsvelden 8.1. aanleiding 8.2. afstemming en samenwerking met andere beleidsvelden 8.3. overleg 8.4. actiepunten 9. financiën 9.1. aanleiding 9.2. hoe gaat Gouda met de financiële gevolgen van het cultuurhistorisch beleid om? 9.3. instrumenten 9.4. actiepunten
nota cultuurhistorie
2
colofon dit is een uitgave van de afdeling Ruimtelijk Beleid, sector Stadswerken gemeente Gouda foto’s: kaarten: vormgeving en druk:
gemeente Gouda / Historische Vereniging Die Gouda / Hans Suijs gemeente Gouda, provincie Zuid-Holland afdeling Grafische Vormgeving, gemeente Gouda
gouda, april 2004 ® copyright gemeente Gouda Overname van afbeeldingen is niet toegestaan zonder toestemming van de gemeente Gouda. Overname van teksten is slechts toegestaan met nadrukkelijke bronvermelding.
nota cultuurhistorie
3
1 inleiding De cultuurhistorische waarden van onze oude Hollandse stad zijn van grote betekenis en zelfs uniek. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, de herkenbaarheid tegenover andere steden en het cultuur-toerisme. Ook in Gouda heeft de Rijksnota Belvedere een belangrijke omslag in het denken veroorzaakt. Het Belvederemotto ‘behoud door ontwikkeling en ontwikkeling met behoud’ indachtig, is het Goudse cultuurhistorische beleid ontwikkelingsgericht geworden. Het gemeentebestuur heeft cultuurhistorie in de Stadsvisie 2000-2010 en in de programmabegroting 2004 een belangrijke plaats gegeven. Ook wordt gewerkt aan de Stedenbouwkundige Visie op de binnenstad en haar randen en is een Plan van Aanpak Cultureel en Havenkwartier opgesteld. In deze laatste plannen heeft de cultuurhistorie een prominente plaats gekregen. Gouda’s ambitie is een aantrekkelijke oude Hollandse stad in de regio en de Deltametropool te zijn, waar mensen graag wonen, werken, recreëren en winkelen. De gemeente heeft het monumentenbeleid serieus opgepakt. Op grond daarvan heeft de gemeente dan ook vergunningsbevoegdheid en het budgethouderschap voor rijksmonumenten van het rijk gekregen. De gemeente heeft tevens een eigen monumentenbeleid ontwikkeld en gekozen voor een eigen opgravingsbevoegdheid.
Het Goudse monumentenbeleid mag er dus zijn, maar behoeft actualisatie en aanpassing aan de laatste landelijke ontwikkelingen. Het doel van deze nota is meerledig. De nota 1. geeft de wijze aan waarop Gouda omgaat met de landelijke ontwikkelingen en nieuw rijks en provinciaal beleid; 2. geeft een totaaloverzicht van bestaande en enkele nieuwe beleidsonderdelen op basis van de ontwikkelingen op cultuurhistorisch gebied; 3. dient voor zowel de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RdMZ) als de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) als toetsingskader; 4. vormt het cultuurhistorisch beleidskader voor de begeleiding van bouwinitiatieven. In deze nota is geprobeerd om het cultuurhistorisch erfgoed zoveel mogelijk integraal (monumentenzorg, archeologie en landschapsbehoud) te behandelen. Centraal staat het streven het cultuurhistorisch erfgoed een bijdrage te laten leveren aan de eigen identiteit en herkenbaarheid van Gouda waarbij optimaal gebruik gemaakt wordt van haar bestaande kwaliteiten. Gekozen is voor een thematische benadering waarbij achtereenvolgens wordt ingegaan op hoe erfgoed richting kan geven aan ruimtelijke plannen en die kan stimuleren, hoe met de bescherming van waardevolle objecten wordt ingegaan en vervolgens hoe die objecten kunnen worden behouden en beheerd.
Cultuurhistorisch erfgoed omvat de tastbare sporen die de mens in zijn omgeving heeft achtergelaten. Die sporen en tekenen zijn van historische, bouwkundige, historisch geografische en archeologische aard. Cultuurhistorie is dus het overkoepelende begrip waarbinnen archeologie, monumentenzorg en landschapsbehoud een plaats hebben. Gouda is rijk aan dergelijke overblijfselen
nota cultuurhistorie
4
doelgroepen van de nota De nota is bedoeld voor diverse partijen, te weten het gemeentebestuur en de medewerkers van de gemeente Gouda, projectontwikkelaars die binnen de gemeentegrenzen ontwikkelen, historische verenigingen, geïnteresseerde burgers, de RdMZ en de ROB.
1.1. aanleiding voor de nota Voor de opstelling van deze nota op dit moment zijn drie aanleidingen: - het ontbreken van een samenhangend overzicht van het bestaande cultuurhistorisch beleid in Gouda - nieuwe wetgeving - de rijksinventarisatie van naoorlogse bebouwing. 1 overzicht bestaand beleid Sinds de opstelling van de laatste Monumentennota (1996) van Gouda is veel gebeurd en is veel gemeentelijk beleid vastgelegd in deelnotities. Deze nota geeft een samenhangend overzicht van het bestaande cultuurhistorische beleid. Naast traditionele aspecten zoals restauraties, opgravingen, subsidies en bouwhistorisch onderzoek, komt cultuurhistorie in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde. Omdat het bestaande beleid ongeveer driekwart van deze nota vormt, is ervoor gekozen in voorkomende gevallen slechts de belangrijkste aspecten van dat beleid te benoemen en de details in bijlagen op te nemen. Op nieuwe aspecten wordt wel nader ingegaan. 2 nieuwe wetgeving Een tweede aanleiding voor deze nota is de aanpassing van de Monumentenwet op het gebied van archeologie aan de eisen die in het Verdrag van Malta zijn geformuleerd. De aangepaste wet wordt in 2004 in de Tweede Kamer behandeld en zal naar verwachting met ingang van 1 januari 2005 in werking treden. Op dit moment hebben we al te maken met nationaal interimbeleid waarin een voorschot wordt genomen op de nieuwe wet.
Die wet heeft grote gevolgen voor de gemeentelijke archeologie en de ontwikkeling van bouwlocaties. Deze nota antwoordt daarop met nieuw lokaal beleid. 3 rijksinventarisatie na-oorlogse bebouwing Het rijk is bezig met een inventarisatie van architectuur uit de naoologse periode, de zogenaamde wederopbouwarchitectuur uit de periode 1940-1965 (bijlage 11). Waardevolle Nederlandse voorbeelden van deze architectuur verdwijnen in hoog tempo als gevolg van de herstructurering.
1.2. wettelijk en beleidsmatig kader Onder invloed van de genoemde maatschappelijke ontwikkelingen is in de afgelopen twee jaar de wet- en regelgeving op het gebied van cultuurhistorie aanzienlijk uitgebreid. Hieronder volgt een beknopt overzicht van het huidige beleidsmatige en wettelijke kader en instrumentarium. In bijlage 1 wordt elk aspect nader toegelicht. 1 monumentenwet (1988) Deze wet wijst rijksmonumenten aan, regelt de vergunningen van rijksmonumenten, het uitvoeren van archeologisch onderzoek, de vergunningsbevoegdheid en de opgravingsbevoegdheid. Ook is hierin de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht geregeld. De Goudse binnenstad is in 1979 aangewezen als rijks beschermd stadsgezicht, wat inhoudt dat de bestemmingsplannen in dit gebied beschermend moeten zijn (zie bijlage 2).
nota cultuurhistorie
5
2 interimbeleid OCW (2001) Op dit moment is voor de archeologische taak interimbeleid van kracht waarin al is ingespeeld op de nieuwe Monumentenwet. 3 rijksnota Belvedere (1999) In het kader van de nota Belvedere is Gouda aangewezen als Belvederestad. In het Belvederegedachtegoed - behoud door ontwikkeling en ontwikkeling met behoud - is cultuurhistorie sterker richtinggevend bij de inrichting van de ruimte. 4 provinciale Nota Planbeoordeling (2002) In de provinciale Nota Planbeoordeling staan de cultuurhistorische criteria (zie bijlage) die de provincie hanteert bij de beoordeling van ruimtelijke plannen: bestemmingsplannen, ruimtelijke en (steden)bouwkundige plannen (bijlage 3). 5 provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (2003) In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur zijn door de provincie gebieden met cultuurhistorische waarden aangegeven. Plannen binnen die waardevolle gebieden, die afwijken van de bestaande bestemmingsplannen, worden door de provincie extra streng getoetst (kaart hoofdstuk 3). 6 MIP-panden In het verleden is de Jongere Bouwkunst (1850-1940) in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) door de provincie/ Rijk geïnventariseerd. De kwalificatie MIP-pand is vastgelegd in de Nota Planbeoordeling en is voor de provincie eveneens een toetsingscriterium (zie nota planbeoordeling bijlage 3).
7 gemeentelijke Archeologische Basiskaart (ABK 2003) In de ABK zijn richtlijnen gegeven voor de omgang met het bodemarchief wanneer aantasting onvermijdelijk is. Er is in vastgesteld in welke gebieden welke maatregelen van kracht zijn (bijlage 4). 8 verordening Monumenten en Archeologie (2004) Zowel de ABK als het gemeentelijk beleid voor de Jongere Bouwkunst is in een eerder stadium vastgesteld. Hierop is in 2003 de Monumentenverordening aangepast en gewijzigd in de Verordening Monumenten en Archeologie, die per 27-1-2004 in werking is getreden (bijlage 5). 9 reglement op de Commissie Cultuurhistorie (2003) In het kader van de vergunningsbevoegdheid en budgethouderschap van rijksmonumenten is het hebben van een Commissie Cultuurhistorie (Monumentencommissie) verplicht. In het Reglement op de taken van de Commissie Cultuurhistorie is opgenomen dat deze commissie gevraagd en ongevraagd adviseert over cultuurhistorische onderwerpen (bijlage 6). 10 b en w besluit cultuurhistorische analyses (maart 2000) Enerzijds omdat het college de cultuurhistorische potenties van de stad wilde benutten bij de versterking van de ruimtelijke kwaliteit en anderzijds om op alle nieuwe wetgeving een afdoend antwoord te hebben is in 2000 besloten bij ontwikkelingen in waardevolle gebieden/ locaties een cultuurhistorische analyse van de initiatiefnemer te vragen.
11 stadsvisie Het College wil sterke punten zoals het cultuurhistorisch erfgoed gebruiken bij ontwikkelingen in de stad. Daarom is dit beleid in de stadsvisie goed ingebed.
nota cultuurhistorie
6
1.3. opzet van de nota In hoofdstuk 2 worden de cultuurhistorische waarden van de verschillende stadsdelen beknopt aangegeven. In hoofdstuk 3 wordt de rol van cultuurhistorie in ruimtelijke plannen behandeld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de bescherming van waardevolle structuren, gebieden en objecten. In hoofdstuk 5 komen het behoud en beheer ervan aan de orde. In de hoofdstukken 6 tot en met 8 zal kort worden ingegaan op respectievelijk de adviescommissies, communicatie, de afstemming met andere overheden en beleidsvelden. Hoofdstuk 9 tenslotte betreft de financiële consequenties van deze nota.
nota cultuurhistorie
7
2
karakteristieken van het Goudse erfgoed
Gouda is een in oorsprong middeleeuwse stad, maar over de eerste eeuwen is vrijwel niets bekend. De eerste nederzetting ter plaatse van de Jeruzalemstraat en Molenwerf dateert mogelijk al van rond 1000. Overblijfselen uit de Romeinse tijd en de prehistorie zijn schaars, maar mogelijk wel aanwezig. De huidige binnenstad is de laatmiddeleeuwse stad waarvan het meest karakteristieke aspect het water was. Aan het oude middeleeuwse straten- en grachtenpatroon van de binnenstad is (met uitzondering van de dempingen van grachten) in al die eeuwen nauwelijks iets veranderd en zelfs zijn nog enige bouwwerken uit deze periode aanwezig. Gouda heeft door de vele ophogingen een zeer dik bewoningspakket, soms tot op 4 meter diepte, dat op veel plaatsen nog in uitstekende conditie verkeert. Langs de rand van de binnenstad zijn de resten van de verdedigingswerken van de stad nog ondergronds aanwezig en in de binnenstad zelf liggen ondergronds nog restanten van diverse kloosters. Het gebied buiten de binnenstad wordt gekenmerkt door de ontginningsstructuren zoals kades, dijken en wegen, waarlangs ook ontginningsboerderijen bewaard kunnen zijn gebleven. Van de architectonische ontwikkelingen in de zeventiende eeuw en later zijn tal van voorbeelden bewaard gebleven. Aan de hand daarvan kunnen we ons een goed beeld vormen van de ontwikkeling van Gouda in de loop der tijd.
Van belang is dat de plattegrond van de stad vanaf 1350 tot 1850 niet ingrijpend is veranderd. Pas in de twintigste eeuw is de stad als het ware geëxplodeerd. In aanvulling op enkele al aanwezige straten buiten de binnenstad heeft vanaf 1900 en met name na 1945 een enorme uitbreiding plaats gevonden. Op dit moment wordt veel aandacht besteed aan de verdichting van de bestaande stad.
stadsplattegrond van Gouda in 1585
nota cultuurhistorie
8
De opzet van de wijken rond de binnenstad volgt grotendeels een uitbreidingsplan uit 1907 en kan in cultuurhistorisch opzicht als volgt worden gekarakteriseerd: - Korte Akkeren Oud is een voormalige arbeiderswijk waar zich in de Middeleeuwen aan de Wachtelstraat en ter plaatse van het Buurtje, een buurtje buiten de stadspoort bevond. In de loop der eeuwen verrees langs de Turfsingel bedrijfsbebouwing en na ca. 1850 kwamen tal van arbeiderswoningen tot stand. Hiervan resteren nog de Woudstraat e.o. en het complex Westerkade/ Snoystraat. Het uitbreidingsplan uit 1907 werd hier met inpassing van de bestaande bedrijfsbebouwing en de bebouwing aan de Wachtelstraat aangepast aan het oorspronkelijke verkavelingspatroon. - Korte Akkeren Nieuw werd in het uitbreidingsplan voorzien van lange singels met veel ruimte en veel groen. Dit ambitieuze concept is nog altijd goed herkenbaar in de aanleg en de architectuur uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Het oorspronkelijke verkavelingspatroon werd hier juist verlaten. - Aan de noordzijde van de binnenstad was in de loop van de eeuwen ook al enige bebouwing verrezen en daar werd rond 1900 het Van Bergen IJzendoorpark aan toegevoegd. In het gebied ten noorden hiervan kwamen losse complexen en gebouwen temidden van veel water tot stand. - Aan de oostzijde kwamen vanaf ca. 1910 de Kadenbuurt en Kort Haarlem tot stand.
Kort Haarlem werd als eerste sinds de vaststelling van het uitbreidingsplan gerealiseerd en daar zijn alle toenmalige ruimtelijke ambities verwezenlijkt (zoals de Jozefbuurt en Burgemeester Martenssingel). Ten tijde van de bouw van de Kadenbuurt was het plan onder invloed van bezuinigingen versoberd waardoor de ruime opzet enigszins geweld werd aangedaan. In beide buurten zijn echter goede voorbeelden van villa’s, arbeiderswoningen, scholen en bejaardencomplexen uit die tijd aanwezig. Direct na de Tweede Wereldoorlog werd gewerkt aan de wijken Gouda Noord, Oosterwei en het Weidebloemkwartier met voorbeelden van naoorlogse architectuur. In die jaren werd weer gebruik gemaakt van de veenlinten en de oorspronkelijke polderverkaveling. Nadat deze wijken grotendeels waren afgerond, werd in de jaren zestig en zeventig gewerkt aan Bloemendaal en nog later aan Goverwelle, maar die bebouwing valt buiten het bestek van deze nota.
Gouda met in het oosten het uitbreidingsplan 1907 en in het noorden het Berlagiaanse plan uit 1930.
nota cultuurhistorie
9
3 erfgoed geeft richting aan ruimtelijke plannen 3.1. aanleiding Door de snelle verstedelijking en het steeds verder opgaan in de EU is in Nederland de behoefte ontstaan om bij de inrichting van ons land, zorgvuldig met de eigen cultuur om te gaan en juist de plaatselijke kwaliteiten tot uitdrukking te laten komen. Veel recente nieuwbouw in ons land lijkt erg op elkaar en daarom is men op rijksniveau op zoek gegaan naar een manier om het eigen karakter van een stad of streek te betrekken bij nieuwe ontwikkelingen. Doel is om met gebruikmaking van de eigen identiteit de kwaliteit van nieuwe ontwikkelingen te verbeteren. cultuurhistorie en ruimtelijke plannen Cultuurhistorie kan aan het behoud van de eigen identiteit van een stad een wezenlijke bijdrage leveren en deze zelfs versterken. De rijksnota Belvedere (1999) en de provinciale Nota Planbeoordeling hebben hetzelfde doel, namelijk cultuurhistorie mede richting laten geven aan ruimtelijke plannen. Cultuurhistorie is een belangrijk sturend aspect geworden in het ruimtelijke ordeningsproces. De provincie Zuid-Holland verplicht gemeenten om in nieuwe bestemmingsplannen in die gebieden die volgens de CHS waardevol zijn, een cultuurhistorische paragraaf op te nemen. Bij artikel 19 lid 1 en 2 procedures is een ruimtelijke onderbouwing verplicht.
Als onvoldoende rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische belangen kunnen Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar weigeren. Cultuurhistorische inzichten kunnen een stimulans zijn voor het op gang brengen van ruimtelijke dynamiek. archeologisch onderzoek en ruimtelijke plannen In het kader van de nieuwe Monumentenwet (2004/2005) en de omvangrijke archeologische paragraaf daarin, is het rijk afgestapt van het idee van een sectorale archeologievergunning. Ook archeologische belangen zullen in de toekomst in bestemmingsplannen en ruimtelijke ordeningsprocedures moeten worden gewaarborgd. De nieuwe wet kent drie regimes op het gebied van de ruimtelijke ordening en inrichting: - regime voor MER-plichtige projecten. Daarvoor geldt nu al de plicht om aandacht te schenken aan cultuurhistorische aspecten onder en boven het maaiveld. - regime voor ontgrondingen: hier is vanwege de ingrijpende aantasting altijd archeologisch onderzoek nodig. - regime voor bouwen en uitvoeren van werkzaamheden in het kader van nieuwe bestemmingsplannen en vrijstellingen daarvan (artikel 19 procedures en aanlegvergunningen). In het kader van dat laatste punt krijgt de provincie bevoegdheid om binnen gemeenten zogenaamde attentiegebieden aan te wijzen. Dergelijke attentiegebieden zijn rijk aan archeologische waarden.
De provincie wijst die waardevolle gebieden aan en stelt een termijn waarbinnen een nieuw bestemmingsplan moet zijn opgesteld of een oud op zo’n manier moet zijn aangepast dat voldoende rekening wordt gehouden met de aanwezige archeologische waarden. In praktische zin heeft dat meer gevolgen. Tijdens de voorbereidingsfase van een bestemmingsplan is archeologisch vooronderzoek een vast onderdeel en moeten de daaraan verbonden consequenties worden aangegeven. De onderzoeksresultaten worden vertaald in het bestemmingsplan door het gebied zo in te richten dat gebruik wordt gemaakt van de
nota cultuurhistorie
10
archeologische waarden en waarin een en ander wordt gekoppeld aan een aanleg- en/of bouwvergunning. Voor een dicht bebouwde historische binnenstad als Gouda is het onmogelijk van tevoren álle aanwezige waarden nauwkeurig aan te geven. Gouda kiest daarom voor een algemene cultuurhistorische/ archeologische paragraaf op basis van de ABK. In de ABK zelf is vervolgens het verplichte onderzoek per locatie geregeld.
3.2. welke rol speelt erfgoed in de Goudse ruimtelijke ordening cultuurhistorische waarden en ruimtelijke plannen Gouda heeft al in 2000 ingespeeld op het feit dat cultuurhistorie mede richtinggevend moest worden bij ruimtelijke projecten in waardevolle gebieden. BenW namen om dat doel te bereiken het besluit om in elk bestemmingsplan een cultuurhistorische paragraaf op te nemen. Een en ander moet vervolgens tot uitdrukking komen in de planvoorschriften als daar aanleiding voor bestaat. Bovendien wordt sindsdien bij elke grootschalige ontwikkeling een cultuurhistorische analyse (CHA) verplicht gesteld. (De Goudse standaardopzet van een CHA en het overzicht van de gebieden waarvoor deze moet worden opgesteld zijn te vinden in bijlage 7.) Doel van de CHA is inzicht te krijgen in de aanwezige cultuurhistorische waarden. De cultuurhistorische elementen moeten vervolgens: 1. als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting en het ontwerp worden benut. 2. bij de gemeentelijke randvoorwaarden voor projecten worden betrokken. 3. als basis van het onderdeel cultuurhistorie in de ruimtelijke onderbouwing voor de provincie worden gebruikt. (De provincie verplicht de gemeente een cultuurhistorische paragraaf in de ruimtelijke onderbouwing van plannen in waardevolle gebieden op te nemen. De cultuurhistorische analyse levert daar de basis voor).
In een CHA worden dus de in het plangebied en de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden in en boven de grond in kaart gebracht. Behoud van de aanwezige monumenten en de monumenten van jongere bouwkunst is daarbij uitgangspunt. Ook wordt duidelijk welke elementen buiten de beschermde monumenten een bepaalde cultuurhistorische waarde bezitten, die direct of indirect kunnen worden benut bij de planontwikkeling. Als die voor een deel uiteindelijk verdwijnen, zal dit moeten worden gedocumenteerd, De inventarisatie van archeologische resten in een CHA vergemakkelijkt een plan van aanpak voor een verplicht archeologisch onderzoek en kan het archeologisch bureauonderzoek vervangen.
3.3. instrumenten die inzicht geven in het erfgoed en doorwerken in de verdere procedure Om cultuurhistorie in ruimtelijke ordenings- en bouwplanprocedures goed in te bedden staan ons verschillende instrumenten ter beschikking: de cultuurhistorische paragraaf in een bestemmingsplan, de cultuurhistorische analyse en effectrapportage en archeologisch onderzoek. 1 cultuurhistorische paragraaf in bestemmingsplannen In elk nieuw bestemmingsplan wordt een cultuurhistorische paragraaf opgenomen waarin wordt aangegeven welke waarden zich waar bevinden en hoe daarmee wordt omgegaan (aanlegvergunning, bouwvergunning). Dit wordt, als daartoe aanleiding bestaat, in de planvoorschriften en de plankaart (waaronder vrijstellingen en aanlegvergunningenregeling) opgenomen.
nota cultuurhistorie
11
2 cultuurhistorische Analyse (CHA) Een CHA wordt opgesteld vóór de planontwikkeling. De initiatiefnemer van een plan is verantwoordelijk voor de opstelling van de CHA. In het geval van structuur-, wijk-, stedenbouwkundige en bestemmingsplannen is dat de gemeente. Bij bouwplannen in de betreffende gebieden is dat de ontwikkelaar, corporatie of andere initiatiefnemers. Het maken van CHA’s wordt in de meeste gevallen uitbesteed aan een gespecialiseerd bureau waarbij de gemeente faciliteert. Bij artikel 19 lid 1 en lid 2 WRO-procedures in gebieden die niet als waardevol zijn aangemerkt kan de gemeente Gouda de cultuurhistorische aspecten (dus geen CHA) voor de ruimtelijke onderbouwing zelf snel aanleveren. Het betreft hier namelijk ontwikkelingen binnen gebieden die niet op de CHS en de ABK zijn aangemerkt als waardevol en ook niet zijn gelegen in gebieden met veel Jongere Bouwkunst. Het gaat dus om een beperkte cultuurhistorische paragraaf die alleen wordt opgesteld voor de vereiste ruimtelijke onderbouwing. De gemeente zorgt voor de interne deskundigheid om CHA’s te beoordelen en legt ze tevens voor aan de Commissie Cultuurhistorie als onafhankelijke commissie ter toetsing. Die commissie oordeelt of het advies compleet is en of de inhoud ervan klopt.
3 cultuurhistorische effectrapportage (Cher) In een cultuurhistorische effectrapportage wordt op basis van het stedenbouwkundig, bouw- of inrichtingsplan en de cultuurhistorische analyse, aangegeven welke keuzes er worden gemaakt. Welke waarden blijven direct of indirect behouden, wat verdwijnt en welke karakteristieken van de locatie komen in het nieuwe plan terug? De Cher is de onderbouwing voor keuzes en speelt een rol in de verdere procedure. Snel en duidelijk kan naar belanghebbenden, de RDMZ, de provincie en de welstandscommissie, worden aangegeven wat met welke waarden in het plan is gebeurd. 4 archeologisch onderzoek De gemeenteraad van Gouda heeft in 2003 de gemeentelijke ABK vastgesteld. Op deze kaart zijn de gebieden met verschillende archeologische waarden aangegeven. Aan die waarden zijn maatregelen zoals Bureauonderzoek, Inventariserend Veldonderzoek (IVO) of een opgraving gekoppeld. Voor de gebieden met een middelhoge en een hoge verwachting en op hoogwaardige locaties zal altijd een bureauonderzoek en een archeologisch vooronderzoek worden gevraagd. Daarnaast is in gebieden met een hoge verwachting en op de hoogwaardige locaties altijd een archeologievergunning nodig. Het hoofdstuk van de CHA’s waarin wordt ingegaan op de archeologische verwachting kan in sommige gevallen het zogenaamde Bureauonderzoek vormen.
Op grond van de bestaande kennis worden archeologische waarden nader in beeld gebracht. Hierdoor kan het Inventariserend Veldonderzoek vervolgens gerichter plaatsvinden. Als het IVO geen aanwijzingen voor aanwezige archeologische resten oplevert, kan besloten worden om geen verder onderzoek te doen. Zijn er wél archeologische restanten aanwezig, dan kan gekozen worden voor het doen van een opgraving of het behoud van de resten in situ. De ABK wordt tevens gebruikt als basis voor de cultuurhistorische paragrafen in bestemmingsplannen.
nota cultuurhistorie
12
3.4. actiepunten Uit bovenstaande volgt het volgende actiepunt. Actiepunt: meer investeren in voorlichting over het cultuurhistorisch beleid van gemeente, provincie en rijk om kennis van en draagvlak voor cultuurhistorie bij initiatiefnemers te vergroten.
Cultuurhistorisch waardevolle elementen kunnen een bijdrage leveren aan nieuwe ontwikkelingen. Die ontwikkelingen worden daardoor niet geblokkeerd, maar wel is er vaak een andere benadering voor nodig. De gang van zaken rond de aanwijzing tot rijksmonument van de Mallemolen, gelegen naast het Uiverplein illustreert hoe dat kan. Voor het Uiverplein wordt een bouwplan ontwikkeld. Mede door het constructieve overleg in een vroeg stadium tussen gemeente, provincie, Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de betrokken woningbouwvereniging (Woonpartners), gaat de molen een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe inrichting van het Uiverplein.
nota cultuurhistorie
8
13
4 bescherming waardevolle objecten, structuren en gebieden 4.1. aanleiding Bij het beschermd stadsgezicht (de Goudse binnenstad en de singelwanden), de rijksmonumenten en de waardevolle gebieden volgens de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie heeft de gemeente Gouda te maken met beleid van respectievelijk de rijksoverheid en de provincie Zuid-Holland. Op de recente ontwikkelingen in dat beleid wordt in dit hoofdstuk beknopt ingegaan. Voor wat betreft het gemeentelijk beleid gaat het in de meeste gevallen om bestaand beleid en daarvan wordt in dit hoofdstuk een overzicht gegeven. Vervolgens wordt ingegaan op een nieuw aspect in deze nota namelijk de toenemende aandacht voor de naoorlogse architectuur (1940-1965) en archeologie.
4.2. hoe gaat Gouda om met haar cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren rijksmonumenten Gouda bezit 350 rijksmonumenten. Enkele gemeentelijke monumenten horen eveneens op de rijksmonumentenlijst thuis. Het betreft hier de waterwerken in de binnenstad (in het kader van het Cultureel en Havenkwartier) en de kasteelkelders onder de Punt. De gemeente Gouda bereidt momenteel in het kader van het Cultureel en Havenkwartier een aanwijzingsverzoek voor de waterwerken voor. In datzelfde kader zullen de kasteelkelders worden voorgedragen voor de rijksmonumentenlijst. gemeentelijke monumenten en monumenten van Jongere Bouwkunst (1850-1945) De waardevolle objecten in de Goudse binnenstad, die geen rijksbescherming genoten, zijn in de loop van de jaren negentig van de twintigste eeuw, aangewezen als gemeentelijk monument. De lijst van gemeentelijke monumenten is voor wat betreft de binnenstad dus afgerond en per 1 januari 2004 bezit Gouda 721 gemeentelijke monumenten. De waardevolle objecten buiten de binnenstad heeft de Commissie Cultuurhistorie in 20012002 geïnventariseerd. Uit die inventarisatie blijkt dat nog circa 100 objecten voor de reguliere gemeentelijke monumentenlijst in aanmerking komen. Volgens de Commissie Cultuurhistorie verdienen nog circa 140 objecten een aanwijzing als gemeentelijk monument van jongere bouwkunst.
De bescherming daarvan is lichter dan die van reguliere gemeentelijke monumenten en betreft slechts het uitwendige van het object. (bijlage 14) De waardevolle objecten zullen conform de Verordening Monumentenzorg en Archeologie successievelijk worden voorgedragen als gemeentelijk monument (bijlage 8). quarantainelijst Een aantal potentiële gemeentelijke monumenten en gemeentelijke monumenten van jongere bouwkunst staat op zogenaamde ontwikkellocaties en over de bescherming van die objecten bestaat discussie. Om de verschillende belangen goed af te kunnen wegen heeft het College van BenW deze waardevolle objecten vooralsnog op de zogenaamde quarantainelijst gezet (bijlage 9). Het college wil de cultuurhistorische waarden van die objecten nadrukkelijk betrekken bij de desbetreffende ontwikkelingen, maar niet nu al besluiten over de beschermde status. Op de quarantainelijst staan alle geïnventariseerde objecten in de wijkontwikkelingsgebieden Oost en Korte Akkeren. Daarnaast komt er een aantal objecten buiten Korte Akkeren op voor.
nota cultuurhistorie
14
Voor een aantal van die objecten buiten Korte Akkeren is nu al duidelijk dat die in de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de betreffende locaties passen en meedoen en zelfs een extra impuls kunnen geven. Deze objecten zijn inmiddels aangewezen als gemeentelijk monument of er worden op korte termijn aanwijzingsprocedures voor gestart (bijvoorbeeld de oude Brandweerkazerne, de Gas- en Lichtfabriek op het Bolwerk, de kerk aan de Spoorlaan). gebieden met waardevolle objecten Op dit moment bestaat, mede dankzij de inventarisatie van de Commissie Cultuurhistorie, een goed inzicht in welke vooroorlogse gebieden in Gouda waardevol zijn qua structuur en waar zich veel waardevolle objecten in of boven de grond bevinden (bijlage 10) lijst waardevolle objecten). Deze hebben een grote overlap met de gebieden van de provinciale CHS. archeologische monumenten en waardevolle gebieden Gouda bezit geen archeologische rijksmonumenten, maar de stad heeft op dit moment wel twee gemeentelijke archeologische monumenten (Houtmansplantsoen en Rotterdamse Poort). In de ABK worden nog twee potentiële gemeentelijke archeologische monumenten aangegeven. Eén is eigenlijk een uitbreiding van het monument Rotterdamse Poort namelijk het gebied langs de Veerstal. Het tweede potentiële monument is het Raoul Wallenbergplantsoen e.o.
Archeologisch waardevolle gebieden zijn in het kader van de ABK in beeld gebracht. Uitgangspunt is dat wanneer er belangrijke historische resten aangetroffen worden, bekeken wordt of deze resten op een of andere manier in de bodem (‘in situ’) behouden kunnen blijven, bijvoorbeeld door ze te integreren in het bouwplan. Wanneer een archeologische vondst als behoudenswaardig wordt bestempeld en zich nog in goede staat bevindt, dient de vondst een beschermde status te krijgen en dus tot Gebied aan de Molenwerf, waar de gracht nog steeds duidelijk laat zien dat hier een gemeentelijk archeologisch 'vluchtburg' heeft gelegen. monument verklaard te worden. Met name aansprekende onderwerpen, zoals kloosters, stadswallen, torens en poorten komen hiervoor in aanmerking. Bij bouwprojecten waar dit soort vondsten verwacht kunnen worden, zou uitgangspunt moeten zijn dat de resten ingepast moeten worden in het bouwplan zoals dat bijvoorbeeld op de Brandweerlocatie gebeurt. Voor de overige waardevolle gebieden op de ABK zijn in dat kader onderzoeksprocedures afgesproken die inmiddels zijn verwerkt in de Verordening Monumentenzorg en Archeologie (bijlage*).
omgaan met naoorlogse bebouwing (1940-1965) Door de enkele jaren geleden in heel Nederland ingezette stedelijke vernieuwing en herstructurering van naoorlogse wijken verdwijnen karakteristieke flatgebouwen, scholen, verpleegtehuizen en hele portiekwijken uit de periode 1940-1965 bijna ongemerkt en in hoog tempo. Op landelijk niveau wordt dit inmiddels opgepakt en dat heeft geresulteerd in twee concrete rijksacties:
nota cultuurhistorie
15
1. Het Ministerie van OCW / RDMZ is in het kader van het Plan van Aanpak Wederopbouw bezig met een landelijke inventarisatie van deze categorie bouwkunst. Het Plan van Aanpak Wederopbouw voorziet in de periode 2001-2004 in onderzoek, documentatie, inventarisatie, typologiebepaling, draagvlakverbreding en beleidsbeïnvloeding. De RDMZ zal eind 2004- begin 2005 de inventarisatie aan gemeenten voor opmerkingen (aanvullingen en afvallers) voorleggen. In de jaren 2005-2008 zal vervolgens selectie plaatsvinden en zullen de gebouwen die van nationaal belang worden geacht en de grens van 50 jaar hebben bereikt, worden beschermd. 2. In het kader van het ISV heeft cultuurhistorie eveneens een belangrijke rol gekregen. Het is één van de aspecten waarmee gemeenten bij hun subsidieaanvraag en dus bij de planvorming rekening moeten houden. In de tweede tranche van het ISV (2005-2010) wordt de cultuurhistorie nog nadrukkelijker betrokken en wordt aandacht gevraagd voor de naoorlogse wijken (bijlage 12). De VNG heeft hierop ingespeeld en eind 2000 de brochure 'De naoorlogse wijk in historisch perspectief' opgesteld en verspreid. De brochure is gemaakt ten behoeve van het gemeentelijk herstructureringsbeleid en dient om beter te kunnen voldoen aan de prestatievelden van het ISV. Onze stad bezit eveneens enkele markante gebouwen uit deze periode.
Het gemeentebestuur wil voorkomen dat deze waarden zomaar verdwijnen zonder erbij stil te staan welke bijdrage deze kan leveren aan nieuwe ontwikkelingen. Om nieuw beleid voor dit punt te ontwikkelen, is allereerst een overzicht nodig van de aanwezige waarden. Dat overzicht dient dan tevens om in te spelen en adequaat te antwoorden op het Plan van Aanpak Wederopbouw van de RDMZ en kan worden betrokken bij de wijkontwikkeling Op deze wijze kan worden gewaarborgd dat de ingezette lijn in het kader van de wijkontwikkeling niet wordt gefrusteerd. Projecten in het kader van de wijkontwikkeling waarbij naoorlogse bebouwing aan de orde is, zullen volgens de gemaakte afspraken worden afgerond. Tussentijdse planwijzigingen naar aanleiding van de inventarisatie naaoorlogse bebouwing zijn niet aan de orde. Na de afronding van de aanwijzingen van gemeentelijke monumenten en monumenten van jongere bouwkunst kan mede op basis van de inventarisatie bepaald worden of beleid wordt ontwikkeld voor de naoorlogse bebouwing in Gouda. 4.3. instrumenten ter bescherming Om cultuurhistorisch waardevolle objecten en gebieden te beschermen, bestaan enkele instrumenten: de monumentenwet, de Verordening Monumentenzorg en Archeologie, het welstandsbeleid en de archeologische basiskaart. Zoals uit onderstaande zal blijken blijft de bescherming van waardevolle gebieden en structuren hoe dan ook maatwerk.
monumentenwet De Monumentenwet biedt de mogelijkheid de Minister te verzoeken een object aan te wijzen als (onder- of bovengronds) rijksmonument. Voor waardevolle gebieden is de aanwijzing als beschermd stadsgezicht hierin geregeld. monumentenverordening In de Monumentenverordening 2004 is zowel de aanwijzing van gemeentelijke monumenten als die van gemeentelijke monumenten van jongere bouwkunst geregeld.Ook is de aanwijzing van gemeentelijke archeologische monumenten geregeld. Met de aanwijzing van een terrein tot gemeentelijk archeologisch monument wordt daadwerkelijke bescherming geregeld. Dat houdt in dat de bodem niet mag worden geroerd op die plek. Een aanwijzing kan daarmee een nieuwe ontwikkeling frustreren. Een dergelijke brede en algemene behoudsdoelstelling is goed, maar niet altijd uitvoerbaar. Op basis van de bestaande lokale kennis en informatie, dat
nota cultuurhistorie
16
wil zeggen de Archeologische Basiskaart, moet steeds worden gezocht naar een goede balans tussen beide opties: beschermen of opgraven. Per project zal moeten worden bepaald wat de beste oplossing is indien behoud niet haalbaar is. De afweging zal gebeuren op basis van de in bijlage 8 aangegeven criteria. Tenslotte biedt de Verordening Monumentenzorg en Archeologie 2003 de mogelijkheid om een gebied aan te wijzen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. In samenhang daarmee zal dan het desbetreffende bestemmingsplan daarop moeten worden ingericht. In Gouda is daar tot nu toe nog niet voor gekozen. bestemmingsplan Zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven, moet in bestemmingsplannen voor waardevolle gebieden rekening worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden in stedenbouwkundige zin en moet dit worden ‘vertaald’ in de voorschriften, de toelichting en de plankaart. welstandsnota In de, in de welstandsnota, aangemerkte bijzondere gebieden is een strengere welstandstoets aan de orde. Dat betekent dat in ieder geval het karakter van het gebied wordt bewaakt. beeldkwaliteits- en beheerplannen Voor buurten waar de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur en het architectonische ensemble bescherming verdient, is een beeldkwaliteitsplan een goede methodiek. Voor de Bloemendaalseweg is een beheerplan opgesteld.
archeologische basiskaart Voor de verschillende vormen van bescherming of onderzoek in waardevolle archeologische gebieden biedt de ABK de mogelijkheden.
4.4. actiepunten actiepunt 1 verfijning quarantainelijst Knelpunt is de omvang van de quarantainelijst voor Korte Akkeren. Alle waardevolle objecten in de Korte Akkeren zijn op die quarantainelijst geplaatst, terwijl slechts over enkele projecten zoals de Wachtelstraat en de Westerkade/ Snoystraat sprake is van discussie over hoe met de aanwezige cultuurhistorische waarden moet worden omgegaan. In 2002 is besloten om na vaststelling van de structuurvisies voor beide wijkontwikkelingsgebieden de quarantainelijst ook voor die twee wijken te beperken tot objecten die zijn gelegen op daadwerkelijke ontwikkellocaties. Daarom zal de quarantainelijst in overleg met de partners in de wijkontwikkeling verder worden verfijnd zodat voor de overige waardevolle objecten besluiten kunnen worden genomen voor de eventuele aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk monument van jongere bouwkunst. actiepunt 2 naoorlogse bebouwing Om straks een antwoord op de rijksinventarisatie van de naoorlogse bebouwing en een afgewogen motivatie in het kader van de Wijkontwikkeling te hebben, is inzicht op lokaal niveau wenselijk. Hiervoor zal een inventarisatie worden uitgevoerd.
Bloemendaalseweg 34
nota cultuurhistorie
17
5 behoud en beheer 5.1. aanleiding Als waardevolle objecten en gebieden eenmaal een bepaalde beschermde status hebben, moeten we daar op een zorgvuldige manier mee omgaan. Dat geldt zowel voor boven- als ondergrondse elementen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op hóe met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle elementen wordt omgegaan. Archeologie en monumentenzorg worden in dit hoofdstuk nadrukkelijker apart behandeld omdat beide aspecten een andere manier van beheer vergen. Bovendien is het beleid voor bovengrondse waardevolle aspecten met het rijks- en gemeentelijke monumentenbeleid al ver ontwikkeld. Het beleid voor behoud en beheer van archeologische relicten is op rijksniveau recent al grotendeels aangepast. Op dit moment is bijvoorbeeld in het kader van de nieuwe wetgeving al rijksinterimbeleid van kracht. De opgravingsbevoegdheid van de gemeente is gekoppeld aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De naleving ervan wordt gecontroleerd door de Rijks Inspectie Archeologie (RIA). De KNA geldt zowel voor gemeenten en universiteiten als voor gecertificeerde bedrijven op dit gebied.
5.2.
hoe werkt Gouda aan behoud en beheer
1 bestaand beleid bovengrondse waarden In hoofdstuk 4 hebben we kennis gemaakt met de rijksmonumenten, de gemeentelijke monumenten en de gemeentelijke monumenten van jongere bouwkunst. Om deze goed te kunnen beheren en behouden, bestaat voor wijzigingen aan deze panden een vergunningsplicht. Voor restauraties van gemeentelijke monumenten heeft de gemeente Gouda een restauratiefilosofie opgesteld die is opgenomen in bijlage 17. Belangrijk onderdeel bij de ontwikkeling van een restauratieplan is bouwhistorisch onderzoek in verschillende gradaties (eerst een verkenning en als daarvoor aanleiding is een nader onderzoek)(bijlage 15). Door bouwhistorisch onderzoek ontstaat een goed inzicht in de belangrijke waarden en hoe die het beste kunnen worden behouden. Zowel bij rijks- als bij gemeentelijke monumenten is bouwhistorisch onderzoek subsidiabel. Op 15 oktober 2002 heeft het college beschermingsbeleid voor Jongere Bouwkunst vastgesteld (zie bijlage14). In aanvulling hierop moest een subsidiemethodiek voor gemeentelijke jongere bouwkunst worden ontwikkeld. Hierop komen we in hoofdstuk 9 financiën terug. 2 bestaand beleid ondergrondse waarden Om archeologisch waardevolle structuren, terreinen en relicten goed te kunnen beheren en behouden en om invloed te houden op de snelheid van planprocedures, heeft de gemeente Gouda gekozen voor een eigen opgravingsbevoegdheid.
Voor de afdoening van ruimtelijke en bouwplanprocedures is de gemeente daardoor niet afhankelijk van hogere overheden. Een gemeente met opgravingsbevoegdheid geldt als bevoegd gezag (in plaats van de provincie Zuid-Holland). Aan de opgravingsbevoegdheid is onder andere een voorwaarde verbonden ten aanzien van de formatie: een fulltime archeoloog en een assistent. Gouda kiest voor een compact archeologisch onderdeel binnen de organisatie. Aan de voorwaarde is voldaan met de komst van de fulltime archeoloog die zich bezig houdt met de organisatie van het archeologisch onderzoek binnen de gemeente en met de twee beleidsmedewerkers cultuurhistorie die zich ook met het archeologisch beleid bezig houden.
nota cultuurhistorie
18
Verder werkt de gemeente nauw samen met de amateurarcheologen van de Archeologische Vereniging Golda. Ook moet, zoals aangegeven, worden gewerkt volgens de KNA. Gouda kiest ook wat betreft de archeologie voor de regierol. Grote opgravingen, die ruim van tevoren bekend zijn, worden door gespecialiseerde bedrijven uitgevoerd. De gemeentelijk archeoloog heeft daar de rol van toetser en regisseur en brengt samen met de amateurarcheologen en historici de lokale kennis in. De gemeentelijk archeoloog wordt nauw betrokken bij overleg met projectontwikkelaars en bouwers in gebieden waar archeologische waarden in het geding zijn. Voor het bestaande beleid ten aanzien van het bodemarchief verwijzen we kortheidshalve naar de ABK (bijlage 4). depot Als de gemeente een eigen erkend depot heeft, is zij ook eigenaar van de zich daar bevindende vondsten: ‘eigendom volgt bewaarplaats’. Zij kan de vondsten dan gebruiken bij tentoonstellingen et cetera. In het huidige wetsvoorstel wordt ervan uitgegaan dat de provincie de gemeentelijke depots van die gemeenten zullen aanwijzen. 3 nieuw beleid ondergrondse waarden Omdat niet het hele bodemarchief in Gouda behoudenswaard is en niet alles kan worden onderzocht, zijn keuzes noodzakelijk. Het archeologische deel van deze nota is bedoeld om het onderzoek dat in de stad wordt uitgevoerd, te structureren en te verfijnen.
In dat kader is dan ook een aantal archeologische onderzoeksvragen geformuleerd. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat wanneer er tot op grote diepte verstoring optreedt, bijvoorbeeld door het slaan van heipalen, er ook tot op grote diepte archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. De ondergrens wordt daarbij gevormd door de natuurlijke ondergrond. Daaronder bevinden zich geen archeologische zaken meer. Voor de binnenstad betekent dit, dat er plaatselijk tot ongeveer 4 meter diep onderzoek moet worden verricht. Buiten de binnenstad zal de onderste archeologisch waardevolle laag meestal minder diep liggen omdat daar in het verleden minder is opgehoogd. Ook zijn daar de in de ABK als ‘bruin’ aangeduide gebieden belangrijker dan de ‘gele’ gebieden. Door de onderzoeksvragen kan het archeologisch onderzoek zich meer toespitsen op zaken die nog niet bekend zijn. Bij opgravingen kan daar vervolgens specifiek aandacht aan besteed worden. Archeologisch onderzoek in Gouda zal zich richten op de volgende hoofdpunten: A. Oudste geschiedenis en oorsprong van Gouda B. Landschapskenmerken uit de ontginningsperiode (o.a. oorspronkelijke Gouweloop, verkavelingsrichtingen, vestigingskeuzes, grondslag) C. Historisch bekende locaties archeologisch aantonen D. Ontwikkeling van bewoning en nijverheid E.
onderzoek naar potentiële archeologische monumenten Voor de nadere toelichting en onderbouwing van elk punt verwijzen we naar bijlage 16.
nota cultuurhistorie
19
5.3. instrumenten voor behoud en beheer Om de aanwezige waarden te behouden en beheren staat ons een aantal instrumenten ter beschikking. 1 bovengrondse waarden monumentenwet (1988) en Verordening Monumenten en Archeologie (2004) Voor rijks- en gemeentelijke monumenten zijn verschillende vergunningsprocedures van kracht. In de Monumentenwet en –verordening zijn de betreffende vergunningsprocedures geregeld en we gaan hierop in deze nota niet verder in. subsidieverordening ISV Op dit moment bestaat voor gemeentelijke monumenten een voorziening in de subsidieverordening. restauratie- en onderhoudsfilosofie bovengrondse monumenten Voor beschermde gebouwen heeft de gemeente al in 1994 een restauratiefilosofie opgesteld die nog steeds actueel is. Deze is in bijlage 17 integraal overgenomen. mogelijkheid herbestemming De gemeente staat positief tegenover het hergebruik van monumenten mits voldoende rekening wordt gehouden met de monumentale waarden. Als een monument leegstaat en niet functioneert, dan is verval nabij. Vaak betekent een nieuwe functie de redding van het gebouw. In Gouda speelt dit bij de oude Brandweerkazerne en de oude plateelfabriek Zuid-Holland op de Verheullocatie.
2 ondergrondse waarden monumentenwet Het is verboden opgravingen te doen zonder schriftelijke vergunning van de minister. De vergunning betreft de opgravingsvergunning van de gemeente. verordening Monumenten en Archeologie (2004) In de huidige verordening monumenten en archeologie staat dat niet dieper mag worden gegraven dan 50 cm. Dat betekent dat voor elke ingreep in de bodem in waardevolle gebieden, die dieper gaat dan 50 cm een vergunning of archeologisch onderzoek nodig is. Zowel in de Archeologische Basiskaart als de nieuwe monumentenverordening zijn onderzoeksverplichtingen in verschillende gradaties gekoppeld aan verschillende soorten waardevolle gebieden (bijlage 4 en 5). In januari 2004 is de nieuwe monumentenverordening in werking getreden en sindsdien is de onderzoeksverplichting en/ of archeologievergunning in archeologisch waardevolle gebieden een feit. onderzoeksagenda De Goudse archeologische onderzoeksagenda is een instrument om archeologisch onderzoek te structureren en keuzes te kunnen maken.
nota cultuurhistorie
20
5.4. actiepunten bovengrondse waarden actiepunt 1
intensiveren communicatie subsidiemogelijkheden bouwhistorisch onderzoek Bouwhistorisch onderzoek wordt gevraagd bij grootschalige restauraties van oudere monumenten. Doel daarvan is aanwijzingen en sporen te vinden die de cultuurhistorische waarde vergroten en gegevens opleveren voor de restauratie. Waardevolle onderdelen die verdwijnen, zullen worden onderzocht, geregistreerd en gedocumenteerd. Dergelijk onderzoek valt bij rijksmonumenten onder de subsidiabele kosten áls het komt tot een restauratieplan. Bij restauraties van gemeentelijke monumenten wordt dergelijk onderzoek eveneens gesubsidiëerd. Van deze mogelijkheden wordt op dit moment te weinig gebruik gemaakt en de communicatie hierover zal worden geïntensiveerd. actiepunt 2 intensievere communicatie over de gevolgen van gevelbehandelingen. Het knelpunt bij gevelbehandelingen (zoals reinigen, hydrophoberen, verven, voegen) is de onbekendheid bij burgers en bedrijven met de kwalijke gevolgen van gevelbehandelingen. Bij het reinigen en hydrophoberen kan de gevel zo ernstig worden aangetast, dat deze bij de eerstvolgende vorstperiode compleet kapot kan vriezen. Het verven van een gevel heeft zowel de wijziging van het monument als levenslang onderhoud tot gevolg. Ook voor dit probleem is goede communicatie de beste oplossing.
actiepunt 3 aanpak duivenproblematiek Regelmatig krijgt de gemeente klachten binnen over de schade en overlast die duiven veroorzaken in de binnenstad. De schade die de duiven aanbrengen is aanzienlijk. De uitwerpselen leiden tot optisch verval van trottoirs, luifels, reclames, vensterbanken, water- en kroonlijsten, maar tasten ook het schilderwerk, loden, koperen en zinken goten, natuur- en baksteen aan. Door uitwerpselen, kadavers en nesten kunnen hemelwaterafvoeren en goten verstopt raken met alle gevolgen van dien. De populatie van duiven in Gouda groeit gestaag en een natuurlijke daling van het duivenbestand is niet waarschijnlijk. Daarom zal moeten worden ingegrepen door terugbrenging van de populatie. Hiervoor is een aantal oplossingen denkbaar en dit zullen wij uitwerken in een uitwerkingsnotitie. actiepunt 4 weren zwaar verkeer in de binnenstad Regelmatig krijgt de gemeente klachten binnen over het zware verkeer in de binnenstad. Buiten de overlast en schade die aangebracht wordt aan het wegennet, ontstaat ook schade aan panden. De panden in de binnenstad zijn voor het merendeel gefundeerd op staal (dus niet gefundeerd op palen, maar een gemetselde fundering op het zand). Door de eeuwen heen heeft deze funderingswijze, ondanks enige lichte zettingen, uitstekend voldaan.
Het wordt echter anders wanneer invloeden van buitenaf een rol gaan spelen zoals nieuwbouwprojecten en zwaar verkeer. Bij nieuwbouwprojecten in de binnenstad wordt veelal gekozen voor een trillingsvrije of trillingsarme wijze inbrengen van funderingspalen. Met name het zware vrachtverkeer veroorzaakt echter overlast en schade. Het gebeurt zelfs regelmatig dat de wagens zo’n grote omvang hebben dat stukken onderpui van panden worden afgereden. Op dit zware verkeer zijn de wegen en de panden in de binnenstad niet berekend. Door de zware belasting ontstaan verzakkingen in het wegdek waardoor de trillingen nog meer toenemen. Deze trillingen zijn funest voor bebouwing die op staal gefundeerd is.
nota cultuurhistorie
21
Hierdoor ontstaan ernstige zettingen met als gevolg scheurvorming in gevels en bouwmuren. Het is duidelijk dat de stad door uiteenlopende partijen moet kunnen worden gebruikt. Om schade te voorkomen moet echter het zware vrachtverkeer zoveel mogelijk uit de binnenstad worden geweerd. Handhaving is hiervoor nodig. Wij zullen een uitwerkingsnotitie voor dit aspect opstellen. actiepunt 5 onderzoek hoeveelheid archeologievergunningen Op dit moment kan niet worden ingeschat hoeveel archeologievergunningen jaarlijks zullen worden verstrekt. Als het merendeel uit kleine aanbouwen en schuurtjes bestaat, dan is het raadzaam de vergunning voor dat soort bebouwing af te schaffen. Het gaat immers om effectief archeologisch onderzoek en het inzetten van capaciteit bij werkzaamheden waar archeologische waarden echt in het geding zijn. Dit aspect zal worden betrokken bij de evaluatie van de ABK rond 1-1-2005.
Overzichtsfoto van de opgraving in de Oostpolder in 1996
nota cultuurhistorie
22
11
Transformatorhuisje aan de Sint Josephstraat 49-51 in het tuindorp de Josephbuurt.
Sint Josephstraat 66-67.
nota cultuurhistorie
23
6 adviescommissies 6.1. aanleiding Gouda bezit de vergunningsbevoegdheid en het budgethouderschap ten aanzien van bovengrondse rijksmonumenten alsmede opgravingsbevoegdheid. Deze bevoegdheden worden door de betreffende rijksdiensten (RDMZ en ROB) toegekend en daaraan zijn voorwaarden verbonden. Voor wat betreft de bovengrondse monumentenzorg is het hebben van een monumentencommissie, bestaande uit deskundigen een voorwaarde. Die commissie moet zich bezig houden met adviezen over monumentenbeleid en over restauratieplannen. Dat laatste is in Gouda gemandateerd aan de welstandscommissie. Hierop komen we in 6.2. terug. Gouda is door het rijk aangewezen als Belvederestad vanwege de stapeling van de waarden op het gebied van archeologie, historische geografie en architectuur/ monumentenzorg. Juist die stapeling maakt Gouda zo bijzonder en dat vraagt een integraal cultuurhistorisch beleid. Binnen de gemeente Gouda trekken de archeoloog en de monumentenzorgers dan ook gezamenlijk op waardoor de kwaliteit van de cultuurhistorische inbreng en de adviezen wordt verhoogd. Het instellen van een integrale commissie cultuurhistorie lag dan ook voor de hand. Daarop gaan we in dit hoofdstuk kort in.
6.2.
Commissie Cultuurhistorie en de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK)
1 commissie cultuurhistorie Op 4 februari 2003 heeft het college besloten de Archeologische Begeleidingscommissie en de Monumentencommissie samen te voegen tot de Commissie Cultuurhistorie. Kort gezegd adviseert de Commissie Cultuurhistorie gevraagd en ongevraagd over het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid en dat betreft onder andere ontwerp-bestemmingsplannen, de aanwijzing, intrekking van aanwijzing en sloop van objecten op de rijks- en gemeentelijke monumentenlijst en de lijst van Jongere Bouwkunst, het Verdrag van Valetta en alle daaruit voortvloeiende maatregelen, verordeningen op dit gebied, aanwijzing tot beschermde stadsgezichten et cetera. Voor een uitgebreid overzicht van de taken verwijzen we naar het Reglement Commissie Cultuurhistorie 2003 (bijlage 6). Ook de gewenste samenstelling kunt u daar vinden. De Commissie Cultuurhistorie heeft een onafhankelijke positie als adviescommissie van deskundigen. Het gemeentebestuur houdt bij een belangenafweging rekening met het uitgebrachte advies.
De rotterdamse poort aan de Bogen ligt bloot.
nota cultuurhistorie
24
2 adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) Naast de Commissie Cultuurhistorie die over beleidsmatige aspecten van cultuurhistorie adviseert, blijft de Commissie voor Welstand en Monumenten bestaan. Die commissie houdt zich bezig met bouwplanbeoordeling van zowel monumenten als niet-monumenten en levert geen beleidsmatige adviezen. Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de nieuwe Welstandsnota waarin de rol van de welstandscommissie en het gemeentelijke welstandsbeleid wordt vastgelegd. In dat kader wordt de welstandscommissie omgedoopt tot Adviescommissie van Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). De Commissie Cultuurhistorie draagt twee leden voor de ARK voor, die het monumentenbelang in de welstandscommissie behartigen. De Commissie Cultuurhistorie heeft een adviesrol bij cultuurhistorische analyses, wat inhoudt dat zij mede over de basis adviseert van de betreffende ruimtelijke plannen. De toekomstige ARK betrekt in de gebieden waar dat nodig is, cultuurhistorische effectrapportages bij de beoordeling van ruimtelijke en bouwplannen. De gemeentelijke contactpersoon (accounthouder, projectleider, trekker) zorgt ervoor dat deze wordt aangeboden aan de welstandscommissie.
6.3. instrumenten Op beide commisies zijn respectievelijk het Reglement Commissie Cultuurhistorie (2003) en de Verordening op de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit van toepassing.
6.4. actiepunten Uit bovenstaande volgt één actiepunt: Actiepunt De communicatie tussen de commissie cultuurhistorie en de welstandscommissie wordt versterkt door het hebben van dezelfde secretaris en een overlap van één lid. De commissie cultuurhistorie beoordeelt bijvoorbeeld een cultuurhistorische analyse en moet vervolgens ook horen wat met haar advies en met de feitelijke uitwerking van het plan is gebeurd.
Restauratie spantbeen in het monumentale pand Oosthaven 18
nota cultuurhistorie
12
7
25
communicatie
7.1. aanleiding Een breed draagvlak is voor een beleidsveld als cultuurhistorie van groot belang. Niet alle cultuurhistorische waarden zijn altijd voor iedereen evident en nu de cultuurhistorie een belangrijke rol in het ruimtelijke ordeningsproces krijgt, is het van belang niet alleen de verplichtingen, maar vooral de kansen ervan aan te geven. In dit hoofdstuk gaan we in op hoe in Gouda aan draagvlakverbreding wordt gedaan en welke instrumenten daarvoor kunnen worden gebruikt.
7.2. draagvlak voor cultuurhistorie in Gouda Over de waarden en potenties van de Goudse binnenstad is iedereen het inmiddels eens, maar zoals al eerder geschetst bestaat nog veel discussie over de jongere bouwkunstgebieden, de naoorlogse wijken en andere minder voor de hand liggende cultuurhistorische waarden. Ook die aspecten kunnen echter een belangrijke rol voor de Goudse burgers en de stad spelen. Van oudsher wordt veel aandacht aan voorlichting, educatie en duidelijke informatieverstrekking over cultuurhistorie besteed. Dat is nu, ten gevolge van de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening en archeologie, meer nodig dan ooit. Voor het vergroten van het draagvlak zijn we mede afhankelijk van de Goudse vrijwilligers. In Gouda bestaan op cultuurhistorisch gebied diverse verenigingen en instellingen die verschillende vormen van activiteiten organiseren en waar zich veel lokale kennis bevindt. De gemeentelijke cultuurhistorici werken nauw met hen samen en wisselen kennis uit met die historische verenigingen. De verenigingen zijn sinds enkele jaren verenigd in het Historisch Platform waar zij hun activiteiten zoveel mogelijk op elkaar afstemmen en elkaar ondersteunen. Om ook op het beleid en de acties van de gemeente in te kunnen spelen, fungeren enkele gemeentelijke medewerkers (Museum, Archief, senior beleidsadviseur cultuurhistorie) als klankbordgroep.
Een aantal acties van het Historisch Platform en verenigingen die zijn gericht op de archeologie en monumentenzorg wordt ondersteund vanuit de gemeente. In bijlage 18 wordt een overzicht gegeven van de Goudse historische verenigingen en hun activiteiten. foto Hans Suijs Die Goude
Opening van het jongerenproject ‘Verover je eigen monument’ waarbij de oude brandweerkazerne het toneel was van een schuimparty.
nota cultuurhistorie
26
De gemeente werkt nauw samen met de Archeologische Vereniging Golda. In het oude archeologische bestel werkte Golda intensief samen met de gemeentelijk archeoloog en voerde zij onder zijn auspiciën veel (nood)opgravingen in de stad uit. Een tijdlang zag het ernaar uit dat er ten gevolge van de nieuwe wet, de strenge Kwaliteitsnorm van de Archeologie (KNA bijlage 26) en de nieuwe marktwerking, geen rol meer zou zijn weggelegd voor de Nederlandse amateur-archeologen. Het is nu immers de bedoeling om zoveel mogelijk noodopgravingen te voorkomen en archeologisch onderzoek vroegtijdig in te plannen en door professionele bedrijven uit te laten voeren. Juist bij dat noodonderzoek werden traditioneel amateurs ingeschakeld om binnen beperkte tijd en met weinig middelen nog zoveel mogelijk informatie te verzamelen. De noodzakelijke professionalisering van het archeologisch onderzoek hoeft echter niet ten koste te gaan van de mogelijkheid voor amateurarcheologen om mee te werken aan opgravingen. In de eerste plaats kan de binnenstedelijke archeologie niet zonder een ‘vliegende brigade’ die bij kleine verstoringen direct kan inspringen. En bedrijven van elders die in Gouda archeologische opdrachten krijgen, zullen er goed aan doen gebruik te maken van de kennis die aanwezig is bij zowel Golda als Die Goude.
In het nieuwe wetsvoorstel wordt dus geen verandering voorgestaan voor de positie van de amateurs. De gemeente is daar blij mee en zal bedrijven stimuleren om Golda te laten meewerken bij opgravingen. De amateurs werken dan onder leiding van de gemeentelijk archeoloog of van een gecertificeerd bedrijf. Ook kan Golda een rol spelen in de noodzakelijke informatieverstrekking bij opgravingen. Een leek die een opgraving bezoekt, kan veel van de archeologische sporen en resten niet duiden, maar een toelichting maakt veel goed. Daarom is het van belang om ten tijde van een opgraving te zorgen voor rondleidingen, informatiepanelen en open dagen.