CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Westergouwe WG-III.B_Toelichting

Raadsvergadering 21 mei 2025, gemeente GoudaBij agendapunt: Wijziging bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B (Hamerstuk)21.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Natuurlijk geldt deze uitdaging niet alleen voor de grote steden. Een groot deel van de woningvraag komt de komende periode van ouderen en jonge gezinnen, die soms voorkeur hebben voor een (grondgebonden) woning in een middelgrote of kleine gemeente. Ook daar zal een deel van de woningbehoefte moeten worden gerealiseerd, en ook daar geldt dat dit niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de leefomgeving. Met nieuwe stedenbouwkundige concepten kunnen we woonmilieus creëren die prettiger zijn om in te leven dan nu, ook al wonen er meer mensen. Er is genoeg ruimte voor dergelijke nieuwe stedelijke gebieden, bijvoorbeeld rondom mobiliteitsknooppunten en aan de randen van de bestaande bebouwde omgeving, waar wonen, werk en voorzieningen samenkomen. Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. In het Barro zijn onder meer rijksvaarwegen, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, buisleidingen, primaire waterkeringen, erfgoederen, kustfundamenten en diverse concrete nationale ruimtelijke projecten zoals het Project Mainportontwikkeling Rotterdam aangewezen als nationaal belang.

Toetsing planvoornemen De NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de ontwikkeling van het plangebied. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 4.1.2

Besluit ruimtelijke ordening

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De kernbepaling van de laddersystematiek luidt als volgt; De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan de stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaan stedelijk gebied, bevat de toelichting een

35

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Is er sprake va n een ( nieuwe) stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk g ebied? De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In beginsel is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt of indien de planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het planvoornemen betreft de realisatie van nieuwe woningen in nieuwbouwwijk Westergouwe. Het geldende bestemmingsplan 'Westergouwe' bevat de uit te werken bestemmingen Wonen en Gemengd. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 458.

Binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan is de realisatie van het beoogde plan niet mogelijk. Het voorliggende bestemmingsplan biedt het juridisch planologisch kader voor de realisatie van Masterplan Westergouwe 2.0. De ladder voor duurzame verstedelijking geldt krachtens jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2016:489) niet voor bestemmingsplannen waarin nieuwe ontwikkelingen die nog niet zijn gerealiseerd zijn, worden herbestemd (onbenutte planologische mogelijkheden). Het vigerende bestemmingsplan bevat een uitwerkingsplicht voor wonen en kantoren en biedt daarmee een planologisch onbenutte mogelijkheid. Voorliggend plan voorziet niet in een wijziging van functies en voorziet evenmin in meer woningen dan op grond van het voorheen geldende plan op de desbetreffende gronden mogelijk was. Gelet hierop neemt de bebouwingsdichtheid niet toe. Er kan worden gesteld dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling waarvoor een ladderonderbouwing nodig is.

4.2

P r o vinc iaal beleid

Het provinciaal beleid is vastgelegd in het Omgevingsbeleid bestaande uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland, vastgesteld op 20 februari 2019. Op 2 februari 2022 is de Omgevingsvisie Zuid-Holland - Herziening 2021 en de Omgevingsverordening Zuid-Holland - herziening 2021 vastgesteld. De herziening heeft betrekking op meerdere onderwerpen. De belangrijkste onderwerpen zijn: ruimtelijke kwaliteit, bedrijventerreinen, grote ruimtevragers, optimalisatie woningbouwplannen, sociaal en betaalbaar wonen, molenbiotopen, bos en bomen, gezond en veilig, externe veiligheid, recreatiewoningen, mobiliteit, boom- en sierteeltgebied Boskoop en grote buitenstedelijke bouwlocaties. 4.2.1

Omg eving svisie Zuid-Holla nd

Het plangebied ligt grotendeels buiten het aangewezen bestaand stads- en dorpsgebied. Een gedeelte van het plangebied valt binnen bestaand stads- en dorpsgebied. In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied.

In de Omgevingsvisie wordt tevens ruimte geboden om stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stadsen dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden in het landelijk gebied te laten plaatsvinden, in aansluiting op bestaande stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten.

36

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

Het plangebied ligt niet binnen een ander relevant aangewezen gebied in de Omgevingsvisie zoals een gebied met een bepaalde beschermingscategorie. 4.2.2

Omg eving sverordening Zuid-Holland

Relevant voor het planvoornemen zijn de regels aangaande stedelijke ontwikkelingen en ruimtelijke kwaliteit. In artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening zijn de regels aangaande stedelijke ontwikkelingen opgenomen en in artikel 6.9 zijn de regels aangaande ruimtelijke kwaliteit opgenomen. Artikel 6.10 stedelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte (Westergouwe is één van die locaties).

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Lid 3 Aanvullende ruimtelijke maatregelen a.

b.

c.

De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): 1. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; 2. wegnemen van verharding; 3. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken; in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door provinciale staten vastgestelde regeling voor

37

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd.

uitvoering

van

de

compenserende

ruimtelijke

Toetsing planvoornemen Voorgenomen woningbouw vindt voor een deel plaats in het bestaande stads- en dorpsgebied. Het grootste gedeelte van de geplande woningbouw valt buiten bestaand stads- en dorpsgebied, maar wel in aansluiting op het bestaand stads- en dorpsgebied. Ook is Westergouwe opgenomen op de zogenoemde "3 hectare kaart" met grootschalige bouwlocaties. Voor het mogelijk maken van deze ruimtelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en het provinciale beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Voor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2. Op de Kwaliteitskaart van de provincie worden richtpunten beschreven om rekening te kunnen houden met de bestaande kenmerken en waarden van het plangebied. Veen Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Droogmakerijen (veen): Bewaren verkavelingspatroon. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel Bentwoud, Rottemeren en Zuidplas.

In het zuiden van de Zuidplaspolder is nog veen aanwezig in de ondergrond. Dit wordt het restveengebied genoemd. De oorspronkelijke verkavelingsstructuur is hier over het algemeen goed bewaard gebleven. Deze verkaveling is kleiner en het gebied is grotendeels in gebruik als weiland. Hierdoor ontstaat een zeer kenmerkende gradiënt in de Zuidplaspolder van grotere kavels en akkerbouw op de kleigronden in het noorden naar kleinere kavels en weideland op de veengronden in het zuiden. Een deel van het restveengebied is benoemd tot knikpuntgebied. Hier zal op termijn het waterpeil niet langer verlaagd gaan worden. Het accent zal hier daarom verschuiven naar recreatie en natuur. Ambities restveengebied: inzet op een duurzame waterhuishouding; behoud van de kenmerkende verkavelingsstructuur en het open karakter; accentverschuiving naar agrarische verbreding, natuur en recreatie. Ambities OV-panorama: het uitzicht op het landschap handhaven door ontwikkelingen evenwijdig aan het spoor te beperken. Bebouwen en opgaande beplanting beperken en zichtlijnen handhaven dan wel versterken. Daar waar geluidbeperkende maatregelen eventueel noodzakelijk zijn, worden transparante geluidsschermen toegepast. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. In het gebied worden woningen gerealiseerd.

De voorgenomen ontwikkeling betreft een transformatie van onbebouwde landbouwgronden. Het gebied valt niet binnen een door de provincie beschreven beschermingscategorie. Het bestaande polderlandschap zal door de realisatie van Westergouwe verdwijnen. De typische vergezichten en het open landschap verdwijnen grotendeels. Wel zal de structuur van de wegen en watergangen deels aansluiting vinden bij de oorspronkelijke landschapsstructuren (kavelrichtingen en slootpatronen). Daarnaast loopt er door de inpassing van de BAL-leiding dwars door Westergouwe een brede, lager gelegen groene zone waarin geen bebouwing wordt gerealiseerd en ook geen grondverbetering wordt toegepast. De bestaande polder komt hierdoor als een groen hart midden in de wijk te liggen. Op die manier blijft de polder beleefbaar. Zie voor de bescherming van water en bodem, paragraaf 3.4.5 en 5.1.6.

38

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

4.3

G emeent elijk beleid

4.3.1

Woon( z org ) visie

Op 31 augustus 2021 is de Woon(zorg)visie door de gemeenteraad vastgesteld. Met deze woonvisie zet de gemeente de koers uit voor het regulier wonen en zorggerelateerd wonen in Gouda. In de Woonzorgvisie wordt o.a. ingegaan op de huidige en toekomstige woningvoorraad.

In de Verstedelijkingsagenda Gouda is verkend dat er tot en met 2040 nog 8.500 woningen kunnen worden gebouwd in de stad. In Westergouwe worden nog ruim 3.000 woningen gebouwd. Westergouwe is een uitleglocatie, waarin uiteenlopende woonmilieus worden ontwikkeld en aandacht is voor een inclusieve wijk. 4.3.2

Nota C ultuurhistorie

In deze nota wordt het uitvoeringsbeleid beschreven dat de gemeente heeft op het gebied van zowel de bovengrondse als de ondergrondse cultuurhistorie. Wat de ondergrondse cultuurhistorie betreft staat er een lijst in met onderwerpen waar bij verstoring van het bodemarchief aandacht aan moet worden besteed. Op de Archeologische Basiskaart 2011 staat aangegeven welke gebieden in Gouda archeologisch interessant (zouden kunnen) zijn en op welke wijze hiermee omgegaan dient te worden. Wat de bovengrondse cultuurhistorie betreft, wordt hierin de basis gelegd voor de diverse beleidsrichtlijnen en -reglementen. Deze zijn aan de Nota Cultuurhistorie toegevoegd als bijlagen en worden wanneer nodig door B&W bijgesteld/geactualiseerd. In paragraaf 3.4.4 is hier nader op ingegaan.

39

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

4.3.3

Welsta ndsbeleid 2020

Het toetsen van bouwplannen aan 'redelijke eisen van welstand' alleen nog mogelijk op basis van de Goudse welstandsnota. De nota wordt regelmatig geëvalueerd en aangepast. De aangepaste meest recente versie heet: Welstandsbeleid 2020. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang van de ruimtelijke kwaliteit door de lokale overheid. Waarbij de individuele vrijheid van de burger wordt afgewogen tegen de aantrekkelijkheid en ruimtelijk kwaliteit van de leefomgeving als algemene waarde. De welstandsnota bestaat uit drie delen: A. B. C.

Deel A heeft betrekking op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de beleidsuitgangspunten voor het welstandsbeleid (de algemene toetsingscriteria). Deel B bevat een meer specifieke uitwerking van deel A per deelgebied en/of categorie. Hier bevinden zich naast de gebiedsbeschrijvingen ook de beschrijvingen van veel voorkomende stijlen/stijlperiodes. Deel C bevat de praktische uitwerking van deel B met de concrete welstandscriteria voor de verschillende toetsingsniveaus: regulier toezicht, beperkt toezicht en toezichtsvrij.

Toetsing planvoornemen De definitieve bouwplannen worden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het Welstandsbeleid 2020. In paragraaf 2.5 van de Welstandsnota is opgenomen dat voor grote stedelijke ontwikkelingen een beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld, dat als toetsingskader voor de Welstand functioneert. Voor fase 3 is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (deel II van het stedenbouwkundig plan). Dat geldt onverkort ook voor dit bestemmingsplan. 4.3.4

S tructuurvisie Groen

Het doel van de Structuurvisie Groen is vergroten van de leefbaarheid door een toename van openbaar groen; het doel vanuit klimaatadaptatie is het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten, en wateroverlast en hittestress te verminderen. Gouda vindt het daarom belangrijk dat er in het algemeen voldoende groen in de stad beschikbaar is. Uitgangspunt is dat bouwende partijen het aanwezige groen behouden en ook nieuw groen aanleggen. De structuurvisie richt zich in hoofdzaak op openbaar gebied en niet op particuliere tuinen. Maar de tuinen vormen gezamenlijk wel een groot deel van de stad, dat verhard of groen kan zijn. Gouda heeft zich daarom aangesloten bij de landelijke organisatie Operatie Steenbreek. Deze is gericht op het stimuleren en faciliteren van meer groen op particulier terrein, met name de tuinen bij woonhuizen. Daarvoor werkt de gemeente samen met meerdere organisaties, zoals Instituut Voor Natuureducatie, Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Groei&Bloei en de woningcorporaties. Indien een projectontwikkelaar aanwezig groen niet behoudt of onvoldoende nieuw groen aanlegt, moet er financieel gecompenseerd worden door storting van een bijdrage in het Groenfonds. Met de financiën uit dit fonds kan op een andere plek alsnog openbaar groen worden aangelegd.

In de structuurvisie zijn de volgende beleidsregels geformuleerd: 1. 2. 3.

4.

Eerste beleidsregel: De oppervlakte bestaand openbaar groen en water, en het aantal bestaande bomen worden ten minste behouden. Tweede beleidsregel: Bij planontwikkelingen dient een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden. Derde beleidsregel: Als het niet haalbaar blijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen, dan is het mogelijk: a. binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen; b. de opgave voor openbaar groen te realiseren op andere locaties in dezelfde wijk als waarin het projectgebied ligt. Het te realiseren openbaar groen buiten het projectgebied dient binnen een jaar na oplevering van het projectgebied te zijn aangelegd. Zijn er compenserende maatregelen mogelijk tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen. Vierde beleidsregel: Voor iedere niet gerealiseerde of gecompenseerde vierkante meter openbaar groen is een compensatiebijdrage aan de gemeente verschuldigd van € 250 per m2 (prijspeil 2019). Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de Grond-, weg- en waterbouwindex uit het Meerjarenperspectief Grondexploitaties.

40

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

5.

Vijfde beleidsregel: Het college heeft de bevoegdheid te besluiten tot ontheffing of afwijking van de beleidsregels 2, 3 en 4, indien toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Toetsing planvoornemen In paragraaf 3.4.3 wordt het aspect groen nader toegelicht. De basale regel dat ieder planvoornemen ten minste 15% groen moet bevatten moet uiteraard op het niveau van heel Westergouwe worden toegepast. Een indicatie voor het groene karakter van fase 3b is dat in het westelijk deel van Westergouwe fase 3 ongeveer 22% groen wordt gerealiseerd. 4.3.5

Verkeerscircula tiepla n

Op 6 mei 2021 is het Verkeerscirculatieplan vastgesteld door de gemeenteraad. Dit verkeerscirculatieplan vormt een uitwerking van het Mobiliteitsplan Gouda 2017-2026. Het verkeerscirculatieplan werkt toe naar een stip op de horizon. Het gewenste lange termijn perspectief bestaat uit de volgende wensbeelden: voetganger centraal; versterken structuren voor de fietser; ruimte voor regionaal en lokaal OV; autoverkeer gebundeld langs de randen van de stad; per vervoerwijze: wandelen, fietsen, OV, auto, vrachtverkeer Het verkeerscirculatieplan bestaat in hoofdlijnen uit 10 clusters van maatregelen, die gezamenlijk bijdragen aan het gewenste lange termijn perspectief: 1. 2.

Verbeteren randweg N207-Zuidwestelijke Randweg. Verbeteren stedelijke randweg Van Reenensingel-Goudse Houtsingel-Goverwellesingel met voorrangspleinen met oversteeklichten. 3. 'Het nieuwe 30', instelling verkeerslichten meer inrichten op oversteekbaarheid. 4. Vereenvoudigen Kleiwegplein met meer verblijfsruimte en groen. 5. Pilot Autoluwe Nieuwe Veerstal met shared space, verbeteren fietsroute Rotterdamseweg-Westergouwe. 6. Verbeteren verblijfskwaliteit Blekerssingel-Fluwelensingel. 7. Visueel versmallen Bodegraafsestraatweg. 8. Verbeteren verblijfskwaliteit Joubertstraat-Zwarteweg. 9. Eénrichtingscarré Thorbeckelaan-Statensingel-Graaf Florisweg, fietsstraat Graaf Florisweg. 10. Verbeteren verblijfskwaliteit en groen in de binnenstad, anders omgaan met parkeren in en rond de autoluwe binnenstad. Toetsing planvoornemen In de paragrafen 3.4.2 wordt het aspect verkeer nader toegelicht. 4.3.6

Omg eving svisie

In februari 2022 is de Omgevingsvisie van Gouda vastgesteld. In de omgevingsvisie staat hoe de gemeenteraad wil dat de stad er in de toekomst uitziet. De Omgevingsvisie voor Gouda bevat het gemeentelijke beleid over de leefomgeving. Het beleid op rijks- en provinciaal niveau ligt hieraan ten grondslag. De leefomgeving is de ruimte waarin we wonen, werken, elkaar ontmoeten en recreëren. Het gaat om de wijken en buurten, maar ook het winkelcentrum en het park. In de omgevingsvisie staan de plannen voor de leefomgeving voor de lange termijn (tot en met 2040) en welke strategische keuzes de gemeente daarbij maakt. De ontwikkelingen in de gemeente Gouda die door de omgevingsvisie en de daarmee samenhangende planvorming tot stand zullen komen moeten zoveel mogelijk voldoen aan gestelde visie.

41

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

In de visie wordt ingegaan op vier uitgangspunten voor Westergouwe. Inclusiviteit voorop in Westergouwe Westergouwe is de jongste wijk van Gouda, en is inmiddels deels gerealiseerd. De start van de bouw vond plaats in het zuiden, vlakbij de oeververbinding met Gouda, bij het Sluiseiland. Westergouwe moet de meest inclusieve wijk van Gouda worden. Daarom zijn de volgende maatregelen genomen: bij het ontwerp van de wijk zijn geschikte plekken gezocht voor specifieke woondoelgroepen er is een centraal Integraal KindCentrum (IKC) voor de hele wijk ontworpen, met daarbij ook sportvoorzieningen die multifunctioneel gebruikt kunnen worden speelplaatsen en aantrekkelijk groen zijn altijd ‘om de hoek’ aanwezig. Er worden zoveel mogelijk condities gecreëerd die ertoe gaan leiden dat Westergouwe een gemeenschap wordt. Groene en waterrijke leefomgeving Westergouwe ligt in een laaggelegen gebied; in plaats van tegen het water te vechten, is het omarmd in het ontwerp voor de wijk: water en groen vormen de dragers van de stedenbouwkundige structuur, en bieden kwaliteit aan de leefomgeving. Een sterke relatie met het groengebied ten westen van de wijk (gemeente Zuidplas) biedt de bewoners goede recreatieve mogelijkheden, net als het polderpark in de Oostpolder. Verkeersoplossingen Westergouwe De nieuwbouwwijk Westergouwe ligt dicht bij de A12 en A20.

Dit maakt het verleidelijk voor nieuwe bewoners om voor woon-werkverkeer de auto te gebruiken. Dezelfde routes naar de snelweg worden ook intensief gebruikt door autoverkeer uit andere Goudse wijken en omliggende kernen en bedrijfstransport. De samenkomende verkeersstromen zorgen op de N207 en N457 voor veel oponthoud, waardoor geheel Gouda-West in de spits moeilijk bereikbaar is. In samenwerking met de provincie Zuid-Holland worden deze knelpunten de komende jaren aangepakt. Het bieden van efficiënte en duurzame alternatieven voor de auto moet voorkomen dat de druk op Gouda-West blijft toenemen. Nieuwe en verbeterde doorfietsroutes tussen Gouda, Rotterdam en Den Haag worden verbonden met de wijk Westergouwe. In samenwerking met de regiogemeenten wordt ingezet op een aanbod van hoogwaardig openbaar vervoer (HOV), waarbij de

42

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

Gouweknoop als OV-knooppunt fungeert. Hiervan profiteren de inwoners van Westergouwe, Zuidplaspolder (gemeente Zuidplas) en het bedrijventerrein Gouwepark. Versterken relatie met de rest van Gouda De bestaande verbindingen met de rest van de stad worden verstevigd, door onderweg waar mogelijk en gewenst levendige functies toe te voegen zodat deze routes sociaal veiliger worden. Indien mogelijk wordt de band met de stad nog met nieuwe verbindingen versterkt. 4.3.7

Gemeentelijke a rcheolog ische beleidskaart ( 2011)

In aanvulling op het rijks- en provinciaal archeologisch beleid heeft de gemeente Gouda in juni 2011 de geactualiseerde gemeentelijke archeologische beleidskaart (ABK) vastgesteld. Op de ABK is aangegeven in welke gebieden binnen de gemeente archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. In die gebieden is een omgevingsvergunning voor de activiteit archeologie vereist bij bodemverstorende werkzaamheden. In het beleid is opgenomen in welke situaties vrijstelling geldt van deze verplichting: 1.

2.

Omvang op een hoogwaardige locatie met bijzonder waarde (archeologisch monument): geen vrijstelling; op een hoogwaardige locatie: vrijstelling voor projecten kleiner dan 50 m2 ; in een zone met een hoge verwachting: vrijstelling voor projecten kleiner dan 100 m2 ; in een zone met een lage verwachting: vrijstelling voor projecten kleiner dan 10.000 m2 . Diepte

Alle onderzoeken in Gouda tonen aan dat de gemiddelde dikte van de verstoorde bovenlaag in Gouda meer dan 50 cm bedraagt. Zolang werkzaamheden niet dieper dan 50 cm -mv worden uitgevoerd, is er geen archeologisch onderzoek of een omgevingsvergunning activiteit archeologie vereist. Hiermee wordt afgeweken van de provinciale norm van 30 cm -mv. Op sommige plaatsten is bekend dat de archeologische waarden zich op grotere diepte bevinden, bijvoorbeeld onder recente ophogingspakketten. Hier geldt een dieptevrijstelling van 2 m, pas bij diepere graafwerkzaamheden is onderzoek of een vergunning noodzakelijk. Bovenstaande verplichtingen en vrijstellingen gelden in situaties waar behoud in situ van de archeologische waarden geen optie is. Waar mogelijk probeert Gouda behoud in situ wel actief te stimuleren. Daarom is het archeologievriendelijk bouwen geïntroduceerd: wanneer een bouwplan voldoet aan een aantal richtlijnen, wordt het bodemarchief nog maar zo weinig verstoord dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen zijn opgenomen in het beleid en vastgelegd in de Verordening inzake monumenten en archeologie. In paragraaf 3.4.4 wordt het aspect archeologie nader toegelicht.

43

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

44

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

Hoofdst uk 5 5.1

Milieu

5.1.1

Geluid

5.1.1.1

R andvoor w aar den

Industriela waa i

Industrielawaai is in Westergouwe niet aan de orde. In het plangebied liggen geen vastgestelde geluidscontoeren voor industrielawaai. 5.1.1.2

Railverkeer en weg verkeer

Westergouwe fase 3b ligt in de geluidszone van verschillende spoorlijnen. Daarom is in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar de geluidsbelasting ten gevolge van spoorweglawaai binnen fase III-b noodzakelijk. Ook ligt het plangebied in de wettelijk vastgestelde geluidzones van een aantal wegen. Binnen die geluidzones is onderzoek verplicht naar de geluidbelasting door wegverkeerslawaai op de te bouwen woningen. Door Econsultancy is onderzoek gedaan naar rail- en wegverkeerslawaai (rapportnummer 19943.001, 20 oktober 2022) (Bijlage 1). Hieruit blijkt dat het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig is. Vanwege Burgermeester van Dijkesingel, N207 (Noord Ringdijk), N457, en de spoorweg dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Gezien de standaard karakteristieke geluidwering van minimaal 20 dB uit het Bouwbesluit voor nieuwbouw is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Dit onderzoek wordt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning bouwen meegenomen.

Voor de woningen met een geluidbelasting van meer dan 53 dB voor wegverkeer en/of meer dan 60 dB voor railverkeer dient een geluidluwe gevel gerealiseerd te worden en indien van toepassing moeten de buitenruimte aan de geluidluwe gevel gesitueerd te worden. 5.1.2 5.1.2.1

Luchtkwa liteit Wettelijk kader

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m3 , NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

45

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

5.1.2.2

Onderz oek

Er is een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd voor Westergouwe fase 3 welke is opgenomen in Bijlage 2. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van 458 woningen. De resultaten uit het onderzoek voor Westergouwe fase 3 kunnen worden toegepast op het bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B . 5.1.2.3

Resultaten en conclusie

In onderstaande tabellen zijn de rekenresultaten voor de jaargemiddelde concentraties NO2 , PM10 en PM2,5 alsmede het berekende aantal overschrijdingen voor NO2 en PM10 weergegeven.

Tabel: Hoogste concentraties NO2 , PM10 en PM 2,5 in het plangebied

Tabel: Hoogste aantal overschrijdingen NO2 en PM10 in het plangebied

Uit bovenstaande tabellen blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 , PM10 en PM2,5 voldoen aan de wettelijke grenswaarden. Het aantal overschrijdingen van de grenswaarde van de uurgemiddelde NO2 concentratie van 200 µg/m3 is 0 en blijft daarmee onder het wettelijke maximum van 18. Het aantal overschrijdingen van de grenswaarde van de 24-uurgemiddelde PM10 concentratie van 50 µg /m3 blijft met 7 keer ruim onder het wettelijke maximum van 35. Uit de bovenstaande tabellen blijkt eveneens dat de advieswaarde van de WHO voor PM10 niet wordt overschreden. De advieswaarde van de WHO voor PM2,5 wordt met 1,01 ƒÊg/m3 net overschreden. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor de luchtkwaliteit uitgebracht. De nieuwe WHO advieswaarde voor PM10 bedraagt 15 µg/m3 en voor PM2,5 is het 5 µg/m3 . De advieswaarde van de WHO voor PM10 wordt met 3,5 µg/m3 overschreden en de advieswaarde voor PM2,5 wordt met 6,03 µg/m3 overschreden. De invloed van de gemeente Gouda op deze waarden is zeer beperkt. Projecten van gemeenten kunnen namelijk niet tot slechts beperkt invloed uitoefenen op het voldoen aan de WHO advieswaarden. Alleen door maatregelen op nationale of internationale schaal kan een vergaande daling van de concentratieniveaus tot onder de WHO advieswaarde worden bereikt. Een voorbeeld betreft de initiatieven in het Schone Lucht Akkoord. 5.1.2.4

C onclusie

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat ter hoogte van het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2 , PM10 en PM2,5 . Aldus wordt de realisatie van het bouwplan conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer toelaatbaar geacht. Verder blijkt dat de nieuwe advieswaarde van de WHO voor PM10 wordt overschreden met 3,5 µg/m3 . De advieswaarde van de WHO voor PM2,5 wordt met 6,03 µg/m3 overschreden. De invloed van de gemeente Gouda op deze waarden is zeer beperkt.

46

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

5.1.3

Bedrijven en milieuz onering

5.1.3.1

Wettelijk kader

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn in te delen in drie groepen met bijbehorende aanpak, te weten: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering.

Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bijvoorbeld 10 m (cat. 1), 30 m (cat. 2), 50 m (cat. 3.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient te worden beoordeeld of aan de Wet milieubeheer zal kunnen worden voldaan. Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bijvoorbeeld 10 m (cat. 1), 30 m (cat. 2), 50 m (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.

Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. 5.1.3.2

Onderz oek en resultaten conserverend deel

Uit het onderzoek naar bedrijvigheid in de omgeving van de geplande woonwijk Westergouwe is naar voren gekomen, dat voor het veehouderijbedrijf aan de Provincialeweg 5 vanwege de geurregelgeving een afstand van 100 m moet worden aangehouden tussen de stallen van het agrarisch bedrijf en toekomstige woningbouw in de plangebieden. Op onderstaande afbeelding is een deel van het plangebied, het veehoudersbedrijf ten noordwesten van het plangebied en de bijhorende milieucontour weergegeven. Aan deze afstand wordt voldaan.

47

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

De milieucontour van de Provincialeweg 5 (100 meter, oranje) met de dichtstbij gelegen woningen en appartementgebouwen in het verkavelingsplan (blauw)

Daarnaast is gebleken dat de bedrijven op de industrieterreinen door de geprojecteerde woonbebouwing niet in hun bedrijvigheid zullen worden beperkt vanwege de grote afstand. De woonbebouwing wordt daarbij buiten de geluidszones gerealiseerd. Aangrenzend aan het plangebied zijn verder geen bedrijven gelegen. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.1.4 5.1.4.1

E xterne veilig heid Wet- en reg elg eving

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als "harde" afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte

48

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. 5.1.4.2

Onderz oek

Ter voorbereiding van het bestemmingsplan 'Westergouwe Fase III' is onderzocht of er risicobronnen binnen of nabij het plangebied zijn gelegen die hierop van invloed zijn. Mogelijke risicobronnen zijn bedrijven (inrichtingen), waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of transportmodaliteiten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals (spoor)wegen en buisleidingen. Bij dit onderzoek is de 'Visie Externe Veiligheid 2009-2013' van de gemeente Gouda betrokken. Voor het gehele plangebied is in 2006 een verantwoording opgesteld ('Verantwoording EV Bestemmingsplan Westergouwe', Arcadis, 2 februari 2006, kenmerk 110623/CE6/004/000437), zie Bijlage 3 Verantwoording EV Bestemmingsplan Westergouwe. Dit document is als basis gebruikt voor dit onderzoek. Sinds 2006 zijn er echter de nodige ontwikkelingen geweest (wet- en regelgeving en beleid). Deze ontwikkelingen zijn in dit onderzoek uiteraard meegenomen. De resultaten uit het onderzoek voor Westergouwe fase 3 kunnen worden toegepast op voorliggend bestemmingsplan voor naastgelegen gronden van fase III.B. 5.1.4.3

Resultaten

Inrichtingen Provincialeweg nummer 30a heeft een grote propaantank. De propaantank zal worden verwijderd bij uitvoering van het bestemmingsplan. Verder zijn er binnen en nabij het plangebied geen EV relevante inrichtingen gelegen. Transport over de weg A20 Ten westen van het plangebied, op een afstand van ongeveer 750 m, is de A20 gelegen. Gezien deze afstand is alleen het toxisch scenario relevant. Zoals in de visie EV van Gouda is vermeld dient de mechanische ventilatie met één druk op de knop uitgeschakeld te kunnen worden (bij nieuwbouw). Hiermee wordt voorkomen dat toxische gassen naar binnen worden gezogen.

49

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

Ligging plangebied t.o.v. EV riseicobronnen

N207 Het plangebied van fase 3 b is direct aan de provinciale weg (N207) gelegen. Over de provinciale weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Hetzelfde geldt voor de N457 (tussen rotonde grenzend aan het plangebied en op/afrit A20 Gouda-West/Moordrecht. Het gaat om brandbare vloeistoffen (benzine, diesel) en brandbare gassen (LPG, propaan) en enkele transporten toxische stoffen. Door de ODMH is daarom een indicatieve berekening (met conservatieve aannames) uitgevoerd en hieruit blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied (rekening houdend met de ontwikkeling van geheel Westergouwe) kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In de Visie EV van de gemeente Gouda zijn er voor provinciale wegen 2 zones aangegeven (0 - 30 m en daarbuiten). Binnen 30 m van de weg gelden er beperkingen voor de ruimtelijke ordening. Het plangebied is voor een klein deel binnen 30 m van de weg gelegen (zie bovenstaande afbeelding). Hierbinnen zal echter geen bebouwing plaatsvinden. Hiermee wordt voldaan aan het beleidskader. Wel is het plan binnen de wettelijk zone van 200 m van deze weg gelegen en moet het groepsrisico worden verantwoord (zie paragraaf 5.1.4.4). Transport over het spoor Ten westen van het plangebied, op ongeveer 200 m, is de spoorlijn Rotterdam - Gouda gelegen.

Uit de berekeningen ten behoeve van het Basisnet Spoor blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het gehele plan Westergouwe is in deze berekeningen reeds meegenomen. Net als bij de A20 geldt dat toxisch scenario relevant is. Zoals in de visie EV van Gouda is

50

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

vermeld dient de mechanische ventilatie met één druk op de knop uitgeschakeld te kunnen worden (bij nieuwbouw). Hiermee wordt voorkomen dat toxische gassen naar binnen worden gezogen. Transport over het water In de nabijheid van het plangebied zijn geen vaarwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Transport per buisleiding Ten zuidwesten van het plangebied is op ruim 450 m afstand een brandstofleiding gelegen. Door deze leiding worden geen K1 vloeistoffen meer vervoerd. Deze leiding is dus niet meer relevant in het kader van externe veiligheid. 5.1.4.4

C onclusie en verantwoording g roepsrisico

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen, buisleidingen en vaarwegen gelegen, die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen voor het plangebied. De volgende risicobron is relevant voor het plangebied: Provinciale weg N207; Het plaatsgebonden risico in verband met de N207 vormt geen belemmering voor het plangebied. Het groepsrisico in verband het transport van gevaarlijke stoffen over de Provinciale weg is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (rekening houdend met de ontwikkelingen binnen het gehele plangebied Westergouwe). De provincie Zuid-Holland geeft in haar 'Beleidsregel groepsrisico en ruimtelijke ordening' (januari 2015) aan dat bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen minimaal op orde moeten zijn om het groepsrisico bij ruimtelijke plannen te kunnen verantwoorden. Om te voldoen aan het provinciale beleid moet dus extra aandacht worden besteed aan de realisatie van de bluswatervoorzieningen en het overschrijden van de zorgnorm van 8 minuten aanrijtijd. De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft op 17 oktober 2022 advies uitgebracht over de fysieke veiligheid omtrent voorliggend bestemmingsplan op de nieuwe woonwijk in Gouda. Dit advies is meegenomen in de maatregelen die genomen worden voor het plangebied.

Samenvatting maatregelen: Hele plangebied: Vluchtwegen van de weg af; Bij inrichting plangebied voldoen aan praktijkrichtlijnen bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen (tevens vereist van uit Bouwbesluit). De bereikbaarheid van het gehele Westergouw voor de brandweer (incl. calamiteitenroutes) wordt door middel van een tekening afgestemd met de Veiligheidsregio; De projectie van de brandkranen, bluswaterwinvoorziening inclusief de gereserveerde opstelplaat van het brandweervoertuig te realiseren en dit voor te leggen aan de brandweer; Aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen bij de bouw meenemen ten behoeve van een sneller alarmering bij een beginnende brand; Nagaan of de huidige zorgvoorzieningen volstaan met de komst van de nieuwe wijk en haar bewoners; Nieuwe gebouwen voorzien van ventilatie die met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld (als verplichting opgenomen in artikel 4.124 lid 4 van het 'Besluit Bouwwerken Leefomgeving' onder de Omgevingswet). Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bouwregels van de bestemming 'Wonen'; Nutsvoorzieningen beschermen tegen uitval als gevolg van overstromingen.

51

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

5.1.5

Niet-g esprong en explosieven

Aangezien de mogelijkheid bestaat dat tijdens oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog conventionele explosieven in of in de directe nabijheid van het plangebied zijn achtergebleven, is een explosievenonderzoek uitgevoerd. De doelstelling van het onderzoek was het opsporen en verwijderen van (mogelijke) explosieven uit het onderzoeksgebied en daarmee een veilige werkomgeving te creëren voor de uit te voeren werkzaamheden. In 2019 heeft het onderzoeksbureau het plangebied vrijgegeven van munitie tot 11 m beneden maaiveld, zie Bijlage 4 (Euroradar, 27 maart 2019, kenmerk EU18-019-PVO-03), met uitzondering van een klein deel van het plangebied. Op basis van vooronderzoek (Reas Euro, 2012, geactualiseerd 2021) is geconstateerd dat er een formele verdenking op aanwezigheid van munitie bestaat. De verdenking betreft afwerpmunitie (vliegtuigbom) uit WOII. Indien graaf- en inrichtingswerkzaamheden ter plaatse niet dieper gaan dan de naoorlogsgeroerde lagen, dan zijn geen specifieke maatregelen nodig. Naar verwachting ligt die grens in bouwrijpe situatie na geforceerde zetting op een diepte van NAP -6,3 m. 5.1.6

Bodem

5.1.6.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Gouda beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en een bijbehorende Nota Bodembeheer. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het vigerende beleid ten aanzien van PFAS. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl).

52

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

5.1.6.2

Onderz oek

Geofoxx heeft diverse bodemonderzoeken uitgevoerd ten behoeve van het voorbereiden van het bouwrijp maken van fase III.B. Omgevingsdienst Midden-Holland heeft drie onderzoeken beoordeeld (Bijlage 5). Het betreft de volgende bodemonderzoeken: Verkennend asbestonderzoek in bodem Westergouwe fase 4 (WG IV) te Gouda (Geofoxx, projectnummer 20201236/TFIE, d.d. 17 juni 2021); Verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek Westergouwe (weilanden ZW nabij Oost Ringdijk) te Gouda (Geofoxx, projectnummer 20210684/TFIE, d.d. 25 oktober 2021); Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Westergouwe fase 4 (WG IV) te Gouda (Geofoxx, projectnummer 20201236/TFIE, d.d. 2 november 2021). Geonius heeft verkennend bodem- en waterbodemonderzoek MA200004.047.R01.V2.0, d.d. 19 januari 2021) (Bijlage 6). 5.1.6.3

uitgevoerd

(rapportnummer

Resultaten

Ter plaatse van de weilanden aan de Oost Ringdijk zijn in dammetjes verontreinigingen met asbest en spotverontreinigingen met zware metalen en/of PCB aangetoond. Deze spotverontreinigingen zijn ook aangetoond ter plaatse van de percelen in fase 4. Bij deellocatie G (voormalig erf) is sprake van ernstige bodemverontreiniging. Ter plaatse van peilbuis G-b14 moet onderzocht worden of sprake is van een bronverontreiniging. Ook uit het verkennend bodem- en waterbodemonderzoek uitgevoerd door Geonius blijkt dat in de bovengrond, ondergrond en het grondwater licht verhoogte gehalten/concentraties van zware metalen zijn aangetoond. Ook is in het grondwater ter plaatse van peilbuis 031 een sterk verhoogde concentratie van nikkel, matig verhoogde concentratie van kobalt en barium en licht verhoogde concentratie van cadmium aangetoond. De verontreinigde locaties bevinden zich niet in het plangebied. Er is geen aanleiding om aanvullend bodemonderzoek te doen. 5.1.6.4

C onclusie en a dvies

Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied voldoende is onderzocht en dat de locatie geschikt is voor de toekomstige bestemmingen. 5.1.7 5.1.7.1

E colog ie Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Van oppervlakteverlies van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten is derhalve geen sprake. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein op circa. 5,3 km afstand van het plangebied (zie onderstaande afbeelding). Andere gebieden die vallen onder Natura 2000 liggen op grotere afstand (> 10 km) van het plangebied. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

53

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

Afbeelding plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein door bebouwing, (water)wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het project, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Over deze afstand kan echter in potentie wel sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarom is een AERIUS-berekening uitgevoerd, zie Bijlage 10. Hieruit blijkt dat, uitgaande van de door de initiatiefnemer voorgenomen fasering, er geen sprake is van stikstofdepositie boven 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. 5.1.7.2

S oortbescherming Wet natuurbescherming

Vaste rust- en verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden (o.a. foerageergebied of vliegroutes) van beschermde soorten (zonder provinciale vrijstelling van de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming) of vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zijn niet aanwezig in het deelgebied van Westergouwe WG-III.B . In het plangebied kunnen wel diverse broedvogels (met name weidevogels, watervogels en vogels die in verruigd gebied broeden) broeden waarvan het nest alleen beschermd is wanneer dit in gebruik is tijdens

54

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

het broedseizoen. Op 26 januari 2022 is door Buijs Eco Consult een ecologisch werkprotocol opgesteld voor Westergouwe in 2022 (Bijlage 9). Verstoring van broedende vogels moet voorkomen worden door het werkgebied voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt te maken voor vogels als broedgebied en dit zo te houden tijdens het broedseizoen. Hiermee wordt een conflict met broedende vogels voorkomen. Indien vogels onverhoopt binnen het projectgebied tot broeden komen dienen de werkzaamheden op Westergouwe WG-III.B hierop tijdelijk te worden aangepast (tot het broeden van deze soorten daadwerkelijk voorbij is). Tijdens de ontwikkeling van Westergouwe WG-III.B kan het plangebied in potentie geschikt worden als leefgebied voor de rugstreeppad. Hoewel de soort momenteel niet in het plangebied voorkomt, zou die zich in de toekomst mogelijk kunnen vestigen. Hiervoor is door de Omgevingsdienst Haaglanden in 2018 een ontheffing Wet natuurbescherming afgegeven (ODH-2018-00004417). In het ecologisch werkprotocol Westergouwe 2022 zijn voorzorgsmaatregelen opgenomen. Ter voorkoming van de vestiging van de rugstreeppad moet het creëren van voorplantingswater worden voorkomen op de bouwlocaties van Westergouwe WG-III.B . Indien de rugstreeppad zich toch onverhoopt vestigt mag deze soort (incl.

eieren en larven) met de afgegeven ontheffing worden verplaatst naar het voor de rugstreeppad ingerichte gebied bij de oeverzwaluwwand naast de entree van de Groenblauwe Zone. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan voor Westergouwe WG-III.B niet leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de soortbescherming Wet natuurbescherming wanneer rekening wordt gehouden met broedende vogels. Er zijn vanuit de soortbescherming Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor het vaststellen van het plan. 5.1.7.3

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie onderstaande afbeelding. Er zijn vanuit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Zuid-Holland geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan voor Westergouwe WG-III.B ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. In het kader van het eerdere bestemmingsplan voor het gehele plan Westergouwe heeft bovendien reeds compensatie van verlies aan weidevogelgebied plaatsgevonden in de Hoeksche Waard.

55

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

Afbeelding plangebied ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland

5.2

Milieueffec t r appo r t age

5.2.1

Wet- en reg elg eving

De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r. 1. Een plan m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a.

b.

Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.

56

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

3. a. b.

4.

Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiervoor hoeft geen raadpleging plaats te vinden en het besluit hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatcourant. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r..

5.2.2

Onderz oek en resultaten

Onderzoek Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. Daarbij is naar (de mogelijkheid tot) nieuwe ontwikkelingen gekeken. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe functies mogelijk, vergeleken met het geldende bestemmingsplan. Conclusie en advies Op het bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER of een MER-beoordeling. Een vormvrije MER-beoordeling vindt wel plaats in de vorm van de separate behandeling van de verschillende milieuaspecten.

57

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

58

bestemmingsplan Westergouwe WG-III.B

Hoofdst uk 6 6.1

Planopzet

Feit elijke plano pzet

A lg emeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een geografische plaatsbepaling (verbeelding), regels en een toelichting. De geografische plaatsbepaling en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Het bestemmingsplan is opgesteld conform het (wettelijke) model Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) versie 2012. Hierdoor is het plan geschikt voor interactieve uitwisseling via het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO). De toelichting heeft in beginsel geen rechtskracht. Niettemin vormt zij een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het plan ten grondslag liggen. Daarbij is de toelichting van belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Methodiek In het bestemmingsplan hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming toegewezen gekregen. Daarnaast komen op sommige gronden aanduidingen voor. Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plangebied gelegen gronden zijn toegekend. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak; lijnen en puntbestemmingen komen niet voor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=07b8b6f9-56ce-4fce-9f56-6505df75130b