CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-06-29 - 622.129.10 - KuiperCompagnons BV - Ruimtelijke Ordening.pdf

Raadsvergadering 30 november 2022, gemeente GoudaBij agendapunt: Wabo vergunning Achterwillenseweg naast 14627.344 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Complextype Bewoning (Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd); Agrarisch cultuurlandschap (Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd).

3. -

Omvang Nederzetting: onbekend (nederzettingen kunnen een omvang hebben van honderden vierkante meters of groter); Agrarisch cultuurlandschap: resten van verkavelingssloten/percelering kunnen binnen het hele plangebied worden aangetroffen.

-

4. Diepteligging Eventuele resten kunnen vanaf maaiveld worden aangetroffen voor resten uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. 5. Gaafheid, conservering De conservering van organisch materiaal is vanwege de relatief hoge grondwaterstand (GLG tussen 50-80 cm -mv) waarschijnlijk goed, in ieder geval in diepe sporen. 6. Locatie Eventuele resten kunnen binnen het hele plangebied worden aangetroffen, met een hogere kans aan de noordzijde van het plangebied richting de Achterwillenseweg. 7. -

Uiterlijke kenmerken Resten van bewoning en menselijke activiteit: deze resten kunnen worden aangetroffen in de vorm van grondsporen van structuren zoals paalkuilen van boerderijen en bijgebouwen, sloten, greppels en (afval)kuilen, en vondsten van bijvoorbeeld aardewerk, steen, bot en metaal.

36

http://www.ikme.nl/.

37

https://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/zz.php.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2262, definitief, versie 2.0, d.d. 19 april 2022

23

V22-5015: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de nieuwbouw van een woning aan de Achterwillenseweg 146 te Gouda, gemeente Gouda

-

Resten van menselijke activiteit uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd, in de vorm van verkavelingsgreppels en sloten.

8. Mogelijke verstoringen Binnen het plangebied is geen sprake van bekende diepgaande verstoringen. 9. Bedreiging van eventueel aanwezige archeologische waarden Binnen het plangebied zal nieuwbouw plaatsvinden. De geplande ingrepen zullen plaatsvinden binnen een zone met een hoge archeologische verwachting, waardoor mogelijk archeologische waarden zullen worden aangetast. De verstoring omvat de aanleg van een fundering en gebruik van heipalen.

3.8

Advies vervolgonderzoek

Op basis van het advies van de stadsarcheoloog dat is ingewonnen in het kader van het bureauonderzoek, 38 ondersteund door de uitkomsten van het bureauonderzoek, dient in het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende/karterende fase) uitgevoerd te worden om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen.

38

E-mail mevr. F. de Roode (gemeente Gouda), d.d. 1 maart 2022.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2262, definitief, versie 2.0, d.d. 19 april 2022

24

V22-5015: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de nieuwbouw van een woning aan de Achterwillenseweg 146 te Gouda, gemeente Gouda

4 4.1

Inventariserend veldonderzoek Doelstelling

Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen was het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting, en de mate van verstoring in kaart te brengen. Aan de hand van het booronderzoek zijn voor zover mogelijk de volgende onderzoeksvragen beantwoord: - wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied? - in hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen? - bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze? - geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg? 4.2

Toegankelijkheid van het onderzoeksgebied

Ten tijde van het onderzoek was het plangebied vrij toegankelijk. In verband met de ligging van kabels en leidingen is voorafgaand aan het veldonderzoek door Vestigia een KLIC-melding uitgevoerd. Met de resultaten van de KLIC-melding is rekening gehouden bij het opstellen van het boorplan. Overige bijzondere randvoorwaarden ten aanzien van milieu (zoals bodemverontreiniging) waren niet bekend. Een oppervlakte inspectie was door de dichte begroeiing met gras niet mogelijk. 4.3

Onderzoeksmethode

Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van een edelmanboor diameter 7 cm, onder grondwater doorgezet met een guts diameter 3 cm. Binnen het plangebied zijn 6 boringen gezet, tot een maximale diepte van 5 meter beneden maaiveld. Er is geboord in een verspringend grid. Voor het opsporen van vindplaatsen met een archeologische laag, in dit geval een huisplaats Bronstijd-Middeleeuwen, volstaat een grid van 30x35 (methode D1). Er is gekozen om het grid nog met een extra raai te verdichten tot ca. 15 x 15 m. Hiermee kunnen in ieder geval middelgrote steentijdvindplaatsen worden opgespoord (20x25 x, methode B2), en vrijwel ook kleine steentijdvindplaatsen (9x 11 m, methode B1). De boringen dienden te worden gezet tot in de top van het veen (met een diepte van max. 2 m -mv), met één diepe boring tot de onderkant van het veen, met een maximale diepte van 5 m -mv. De opgeboorde grond is verbrokkeld, versneden, en handmatig onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, aardewerkfragmenten, vuursteen, (verbrand) bot, grind en het voorkomen van fosfaatvlekken. NAP-hoogtes zijn via het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN-3) verkregen. De boorpunten zijn met GPS ingemeten en op een boorpuntenkaart geplot. De boorstaten zijn beschreven conform de ASB.

Het onderzoek is uitgevoerd conform de in de beroepsgroep geldende richtlijnen vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1).39 4.4

Resultaten veldonderzoek

Kaart 4 geeft de locaties van de boringen weer. Tijdens het booronderzoek zijn 6 boringen gezet tot minimaal 2 meter beneden maaiveld. Een enkele boring (boring 5015001) is gezet tot een diepte van 5 meter beneden maaiveld. In alle boringen is enkel veen aangetroffen. Het veenpakket was in alle gevallen wel sterk kleiig. De top van het veen bevatte het meeste klei. Omdat de top geroerd is, is het veen hierdoor waarschijnlijk geoxideerd

39

CCvD Archeologie 2016: http://sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-4000.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2262, definitief, versie 2.0, d.d. 19 april 2022

25

V22-5015: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de nieuwbouw van een woning aan de Achterwillenseweg 146 te Gouda, gemeente Gouda

waarna allee de kleifractie is overgebleven. In boring -002 bedroeg de bouwvoor slechts 20 cm; bij boring 005 was dit 30 cm, en bij boring -006 40 cm. In de boringen -001 en -004 was de geroerde toplaag ongeveer een halve meter, alleen in boring -003 (de meest zuidwestelijke boring) leek de geroerde laag door te lopen tot een meter beneden maaiveld. Alleen in boring -001 was tussen 35-55 cm -mv sprake van wat baksteenspikkels of fragmentjes, maar als bijmenging in het kleiige veen, zonder duidelijke archeologische laag. Het kleiige veen was in alle gevallen slap van compactie, zowel in de top als daaronder, en zoals vermeld, zonder duidelijke archeologische laag, of indicaties voor plaggen of andere vormen van ophoging. Het onderliggende veen is vanwege de aanwezigheid van hout geïnterpreteerd als bosveen tot een diepte van 2,5 meter beneden maaiveld; daaronder zijn fragmenten riet in de boorkernen aangetroffen. Ook tijdens de diepe boring is enkel veen aangetroffen, dat weliswaar sterk kleiig was maar geen kleilagen of dergelijke bevatte. Voor de aanwezigheid van de Gouderak stroomgordel zijn geen aanwijzingen waargenomen binnen 5 m -mv. Deze afzettingen kunnen dieper hebben gelegen, maar het is ook mogelijk dat de Gouderak niet in de nabijheid van het plangebied heeft gestroomd.

Op basis van de boringen kan de verwachting worden bevestigd dat het plangebied in een veengebied is gelegen dat sinds lange tijd intact is geweest. Er zijn in de boringen geen veraarde lagen aangetroffen in het veen die kunnen wijzen op een oud loopvlak. Er zijn geen sporen aangetroffen van een huisterp of andere vormen van antropogene ophoging die kunnen wijzen op historische bewoning. Binnen het plangebied zijn binnen 5 m -mv geen aanwijzingen gevonden voor stroomgordels. 4.5

Conclusies veldonderzoek

Wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied? Het bodemprofiel binnen het plangebied bestaat uit sterk kleiig veen tot 5 m -mv. het kleiige veen was in alle gevallen slap van compactie. In het veen zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een archeologische laag, of indicaties voor plaggen of andere vormen van ophoging. Het plangebied lag in een veengebied en was te nat voor permanente bewoning. Het onderliggende veen is vanwege de aanwezigheid van hout geïnterpreteerd als bosveen tot een diepte van 2,5 meter beneden maaiveld; daaronder zijn fragmenten riet in de boorkernen aangetroffen. Ook tijdens de diepe boring is enkel veen aangetroffen, dat weliswaar sterk kleiig was maar geen kleilagen of dergelijke bevatte. Voor de aanwezigheid van de Gouderak stroomgordel zijn geen aanwijzingen waargenomen binnen 5 m -mv. Deze afzettingen kunnen dieper hebben gelegen, maar het is ook mogelijk dat de Gouderak niet in de nabijheid van het plangebied heeft gestroomd. In hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen? Het bodemprofiel is redelijk intact, met doorgaans een bouwvoor tot 50 cm -mv, met een enkele uitschieter waar de bodem tot een meter lijkt geroerd.

Bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze? Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg? Op basis van de aangetroffen bodemopbouw kan de archeologische verwachting binnen het plangebied worden bijgesteld naar laag. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) dan ook niet noodzakelijk geacht.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2262, definitief, versie 2.0, d.d. 19 april 2022

26

V22-5015: Archeologisch vooronderzoek in het kader van de nieuwbouw van een woning aan de Achterwillenseweg 146 te Gouda, gemeente Gouda

5

Advies vervolgonderzoek (LS05)

Het plangebied had op basis van het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van resten van bewoning in het historisch bebouwingslint langs de Achterwillenseweg. Hiervoor zijn tijdens het veldonderzoek geen aanwijzingen aangetroffen zodat de hoge archeologische verwachting binnen het plangebied kan worden bijgesteld naar laag. Binnen het bereik van de boringen (5 m -mv) zijn tevens geen aanwijzingen aangetroffen voor dieper gelegen stroomgordels, wat betekent dat deze veel dieper zijn gelegen, of niet binnen het plangebied aanwezig zijn geweest. Verstoring van dergelijke lagen zal voor het plangebied neerkomen op verstoring door heipalen. Gezien het beperkte oppervlak van de woning en de gangbare dichtheid aan palen voor woningbouw, wordt de mogelijke impact van deze heipalen op een dieper gelegen archeologische vindplaats, voor zover al aanwezig, als zeer klein ingeschat. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) dan ook niet noodzakelijk geacht. Het bevoegd gezag, de gemeente Gouda, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen.

Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Gouda, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Naschrift Het bevoegd gezag, de stadsarcheoloog van Gouda drs. F. de Roode, heeft het conceptrapport beoordeeld.40 De opmerkingen zijn verwerkt in deze definitieve versie van het rapport.

40

E-mail mevr. F. de Roode (gemeente Gouda), d.d. 12 april 2022.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2262, definitief, versie 2.0, d.d. 19 april 2022

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=02472882-cd6a-4618-9721-2dd1eb162e27