CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

20210910 Spoorzone A1 locatie 2021_vastgesteld_Toelichting.pdf

Commissie Fysieke leefomgeving 22 september 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeldvorming: bestemmingsplan Spoorzone A1 locatie30.206 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Uit de beoordelingen van deze bodemonderzoeken blijkt dat het plangebied voldoende is onderzocht en dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op de locatie hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Het terrein was voorheen deels in gebruik als volkstuintjes. Tijdens de terreininspectie zijn geen bijzonderheden waargenomen die aanvullend onderzocht dienen te worden. Voor de locatie gelden beperkingen in verband met de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven (NGE). Hiervoor wordt verwezen naar het explosievenonderzoek uit 2011 opgesteld door Riel Explosive Advice & Services Europe B.V. (kenmerk RO-110052, versie 2.0., d.d. 21 september 2011). 5.3.1.3 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied niet verdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De bodem is voldoende onderzocht en is geschikt voor de toekomstige bestemming en het gebruik (wonen). Met betrekking tot een aanvraag van een Omgevingsvergunning in kader van de bouw geldt voor het plangebied een vrijstelling voor bodemonderzoek tot 1 september 2022. Wel gelden voor de locatie beperkingen in verband met de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE). Hiervoor wordt verwezen naar het explosievenonderzoek uit 2011 (Riel Explosive Advice & Services Europe B.V., kenmerk RO-110052, versie 2.0, d.d. 21 september 2011).

Zie ook paragraaf 5.7 Niet gesprongen explosieven. 5.3.2

Luchtkwaliteit

5.3.2.1 Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide en fijn stof. De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel I.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

47

Tabel 5.1: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof

jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uurs gemiddelde

Stikstofdioxid 40 µg/m3 e (NO2)

Opmerkingen

200 µg/m3

n.v.t.

Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Fijn stof (PM10)

40 µg/m3

n.v.t.

50 µg/m3

Fijn stof (PM2,5)

25 µg/m3

n.v.t.

n.v.t.

De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: 1. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; 2. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; 3. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; 4. gevoelige bestemmingen (waaronder scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden, te weten: Woningbouw: 1.500 woningen of meer (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en 3.000 woningen of meer bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte of meer bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte of meer bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen zal middels een berekening moeten worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.3.2.2 Onderzoek en resultaten Met de NIBM-tool op de site van Infomil is nagegaan wat de berekende maximale bijdrage aan luchtemissies van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling is. Hierbij is ervan uitgegaan dat de ontwikkeling maximaal 3.500 extra auto's per dag aantrekt (mvt/weekdagetmaal), waarvan 35 vrachtwagens. Dit betreft het aantal als gevolg van de gehele ontwikkeling van de Spoorzone, waarbinnen het programma van het plangebied is opgenomen. Afbeelding 5.2 geeft het resultaat van de berekening met de NIBM-tool weer voor de hele Spoorzone. Uit de berekening blijkt dat de emissie van PM10 blijft met 0,57 µg/m3 onder de NIBM grens, die van NO2 overschrijdt met 2,76 µg/m3 de NIBM grens van 1,2 µg/m3.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

48

Afbeelding 5.2: Berekening luchtemissie als gevolg van de verkeersaantrekking van de ontwikkeling volgens de NIBM-tool

Om na te gaan of de emissie van NO2 leidt tot overschrijding van de luchtkwaliteitsnorm is middels de website van NSL-monitoring nagegaan wat de luchtkwaliteit is in de omgeving van het plangebied. De luchtkwaliteit in de nabijheid van het plangebied is in onderstaande afbeelding 5.3 aan hand van de NSL-monitoringstool 2019 (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, inzichtelijk gemaakt. De afbeelding geeft een indruk van de luchtkwaliteit langs de wegen nabij het plangebied, voor het jaar 2030. Uit afbeelding 5.3 blijkt dat in 2030 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 15,1 µg/m3 bedraagt. De concentratie ligt daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. Gesteld kan worden dat de bijdrage van NO2 als gevolg van de ontwikkeling niet tot overschrijding van die wettelijke grenswaarden leidt (2,76 + 15,1 = 17,86 kleiner dan 40 µg/m3 = NIBM).

Afbeelding 5.3: Rekenresultaten NSL-monitoringstool 2019 bijdrage NO2 in 2030 "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

49

Afbeelding 5.4 geeft een indruk van de concentratie van PM10 langs de wegen nabij het plangebied, voor het jaar 2030. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 16,1 µg/m3. De concentratie ligt daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3.

Afbeelding 5.4: Rekenresultaten NSL-monitoringstool 2019 bijdrage PM10 in 2030

Afbeelding 5.5 geeft een indruk van de concentratie van PM2,5 langs de wegen nabij het plangebied, voor het jaar 2030. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt ten hoogste 8,9 µg/m3. De concentratie ligt daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 25 µg/m3.

Afbeelding 5.5: Rekenresultaten NSL-monitoringstool 2019 bijdrage PM2,5 in 2030 "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

50

5.3.2.3 Conclusie Op basis van het onderzoek naar de luchtkwaliteit kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied aan de Burgemeester Jamessingel, inclusief de ontwikkeling van de Spoorzone, geen overschrijding van de wettelijke grenswaarden plaatsvindt. Er zijn in het kader van de luchtkwaliteit geen beperkingen voor het bestemmingsplan. 5.3.3

Geluid

5.3.3.1 Wettelijk kader Wegverkeers- en spoorweglawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers- en/of spoorweglawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht, bij ontwikkelingen van geluidsgevoelige bestemmingen, ertoe onderzoek uit te voeren voor: industrielawaai via artikel 40. wegverkeerslawaai via artikel 77; spoorweglawaai via artikel 105. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art. 1 Wgh): Woningen Onderwijsgebouwen Ziekenhuizen en verpleeghuizen Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen,verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) Grenswaarden Wet geluidhinder Het systeem van de Wet geluidhinder gaat uit van voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Een geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan goed geacht. Een geluidsbelasting in het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale grenswaarde is alleen mogelijk na een afwegingsproces, het zogenaamde hogere waarden besluit. Een zeer belangrijk onderdeel van dit afwegingsproces is een maatregelenonderzoek. De grenswaarden voor de nieuwe woningen in het plangebied zijn (in Lden) Industrielawaai, voorkeursgrenswaarde 50 dB(A) en maximale grenswaarde 55 dB(A).

Wegverkeerslawaai, voorkeursgrenswaarde 48 dB en maximale grenswaarde van 63 dB. Spoorweglawaai, voorkeursgrenswaarde 55 dB en maximale grenswaarde van 68 dB Industrielawaai Ten zuiden van het plangebied A1 is het bedrijventerrein Nieuwe Park West gelegen. De geluidsbelasting ter plaatse van het bouwplan is berekend op basis van de maximaal planologisch mogelijk gemaakte situatie. 5.3.3.2 Hogere waarde en gemeentelijk beleid Op 3 september 2012 heeft de gemeente Gouda de Beleidsregel Hogere waarden Regio Midden-Holland van 16 april 2012 vastgesteld. In deze beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder het het college van B&W een hogere waarde mogen verlenen. In tabel 5.2 is het toetsingskader van het gemeentelijk hogere waarden beleid opgenomen (voor wegverkeer, railverkeer en industrie). Tabel 5.2: Toetsingskader gemeentelijk Hogere waarden beleid (t.g.v. wegverkeer- en railverkeerlawaai) Geluidsbelasting Wegverkeer

Spoorweg

Voorwaarden Hogere Waarde beleid Industrie

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

51

= 48 dB

= 55 dB

= 50 dB(A)

Voldoet aan voorkeursgrenswaarde geen hogere waarde nodig en geen aanvullende voorwaarden vereist.

48-53 dB

55-60 dB

50-55 dB(A)

Hogere grenswaarde nodig, geen aanvullende voorwaarden vereist.

53-63 dB

60-68 dB

> 55 dB(A)

Hogere grenswaarden nodig én aanvullende voorwaarden zoals geluidsluwe gevel en een eventuele geluidsluwe buitenruimte vereist.

5.3.3.3 Beoordeling goede ruimtelijke ordening (cumulatie) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidshinder. De cumulatieve geluidsbelasting is bepaald volgens de methode "Miedema". De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens tabel 5.3. Tabel 5.3: Milieukwaliteitsmaat (Miedema) Gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB

Milieukwaliteitsmaat MKM

< 50

Goed

50-55

Redelijk

55-60

Matig

60-65

Tamelijk slecht

65-70

Slecht

> 70

Zeer Slecht

5.3.3.4 Onderzoek algemeen Ten behoeve van het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek gedaan naar de invloed van de geluidsbelasting op de beoogde ontwikkelingen (ODMH, 15 juni 2021). Het akoestisch onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 Akoestisch onderzoek. Voor de relevante bronnen is berekend wat de geluidsbelasting op het onderzoeksgebied is. Tabel 5.4 geeft een overzicht van de belangrijkste bronnen in de directe omgeving van het plangebied. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode II (SRM II) conform het Rekenen meetvoorschrift geluidhinder 2012. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het softwareprogramma Geomilieu versie 2020.1 van DGMR. Tabel 5.4: Overzicht van wettelijke zones/niet wettelijke zones waarbinnen de bestemmingsvlakken vallen Naam bron

Snelheid km/u

Wgh van toepassing

Burg. Jamessingel

50

Ja

Nieuwe Gouwe OZ

50

Ja

Goudse Poort

50

Ja

Antwerpseweg

50

Ja

Burgemeester van Reenensingel

50

Ja

Gentseweg

50

Ja

Rijsselseweg

50

Ja

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

52

Spoorbaan Gouda/Alphen/Rotterdam/ Den Haag

nvt

Ja

Industrieterrein Kromme Gouwe

nvt

Ja

Bedrijventerrein Nieuwe Park West

nvt

Nee

Het resultaat van het onderzoek is hieronder per bron beschreven (industrielawaai, wegverkeer, spoorwegverkeer). 5.3.3.5 Resultaten industrielawaai niet Wet geluidhinder Ten zuiden van het plangebied A1 zijn de bedrijventerreinen Gouwespoor en Nieuwe Park West gelegen. Op het gebied tussen de spoorbanen is ten hoogste categorie 3.1 bedrijvigheid toegestaan. Volgens de systematiek van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering geldt voor categorie 3.1 bedrijven een richtafstand van 50 meter. Bij een gemend gebied, zoals in deze situatie, kan de richtafstand een stap terug worden gebracht tot 30 meter. In afbeelding 5.4 is een overzicht gegeven van de richtafstanden ten opzichte van het plangebied. Uit de afbeelding blijkt dat het plangebied ligt buiten de richtafstand van 30 meter voor categorie 3.1 in gemengd gebied. Overeenkomstig de methodiek van de VNG-publicatie kan akoestisch onderzoek achterwege blijven.

Afbeelding 5.4: Richtafstand van 30 meter vanaf Gouwespoor richting plangebied 5.3.3.6 Resultaten industrielawaai Wet geluidhinder Er is berekend wat de geluidbelasting is op de randen van het plangebied als gevolg van het gezoneerde industrieterrein Kromme Gouwe (zie het onderzoeksrapport). Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting lager is dan 55 dB(A). Voor nieuwe woningen binnen de geluidszone van het gezoneerd industrieterrein Kromme Gouwe wordt op basis van het beleid van de Omgevingsdienst Midden-Holland een hogere waarde vastgesteld van 55 dB(A). Voor de woningen in het plangebied wordt een hogere waarde van 55 dB(A) vastgesteld (zie paragraaf 5.3.3.11). De vast te stellen hogere waarde komt niet uit boven de 55 dB(A) waardoor er geen aanvullende eisen volgen vanuit het gemeentelijk hogere waarden beleid.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

53

Afbeelding 5.5: Ligging plangebied en zone van Industrieterrein Kromme Gouwe (blauw)

5.3.3.7 Wegverkeerslawaai Burgemeester Jamessingel Ter plaatse van de noordgrens van bestemmingsvlakken A1 oost en west treden als gevolg van de Burgemeester Jamessingel geluidsbelastingen op die uitkomen boven de maximale grenswaarde van 63 dB. Bij een geluidsbelasting boven de 63 dB dienen woningen uitgevoerd te worden zonder te openen delen (dove gevels). Dove gevels kunnen voorkomen worden door: Het standaard asfalt op de Burgemeester Jamessingel over een lengte van ten minste 600 meter te vervangen door bijvoorbeeld SMA NL 05 (zie figuur 5 uit het akoestisch onderzoek). Na het toepassen van SMA NL 05 geldt alleen voor een klein deel van het bouwplan (zie figuur 6 uit het akoestisch onderzoek) een geluidsbelasting van boven de 63 dB. Of. Het "opschuiven" van de eerst lijnsbebouwing richting het zuiden overeenkomstig figuur 7 uit het akoestisch onderzoek. Of. De woningen aan de noordzijde te voorzien van maatregelen in de vorm van bijvoorbeeld vliesgevels, gevelschermen of afsluitbare buitenruimten waardoor een geluidsluwe gevel wordt gerealiseerd. Het toepassen van schermen langs de weg om de geluidsbelasting te reduceren stuit op bezwaren van verkeerskundige- en stedenbouwkundige aard. Voor alle woningen dienen als gevolg van de Burgemeester Jamessingel hogere waarden vastgesteld te worden.

Goudse Poort Ter plaatse van de noordwestgrens van bestemmingsvlak A1 west treden als gevolg van de Goudse Poort geluidsbelastingen op van te hoogste 57 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hier-bij overschreden maar de maximale grenswaarde van 63 dB niet. Maatregelen in de vorm van een alternatief asfalt geven onvoldoende effect waardoor ze stuiten op bezwaren van financiële aard. Het toepassen van schermen stuit op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Voor een deel van de woningen in bestemmingsvlak A1 west dienen als gevolg van de Goudse Poort hogere waarden vastgesteld te worden. "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

54

Nieuwe Gouwe OZ Ter plaatse van de noordgrens van bestemmingsvlakken A1 west treden als gevolg van de Nieuwe Gouwe OZ geluidsbelastingen op die uitkomen boven de maximale grenswaarde van 63 dB. Bij een geluidsbelasting boven de 63 dB dienen woningen uitgevoerd te worden zonder te openen delen (dove gevels). Dove gevels kunnen voorkomen worden door een van de volgende opties : Het standaard asfalt op de Nieuwe Gouwe OZ over een lengte van ten minste 370 meter te vervangen door bijvoorbeeld SMA NL 05 (zie figuur 13 uit het akoestisch onderzoek). Of: Het "opschuiven" van de eerstelijnsbebouwing richting het oosten overeenkomstig figuur 14 uit het akoestisch onderzoek. Of: De woningen aan de noord- en westzijde te voorzien van maatregelen in de vorm van bijvoorbeeld vliesgevels, gevelschermen of afsluitbare buitenruimten waardoor een geluidsluwe gevel wordt gerealiseerd. Het toepassen van schermen langs de weg om de geluidsbelasting te reduceren stuit op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Voor een deel van de woningen in bestemmingsvlak A1 west dienen als gevolg van de Nieuwe Gouwe OZ hogere waarden vastgesteld te worden. 5.3.3.8 Spoorweglawaai Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten gevolge van de Spoorbaan Utrecht – Gouda zowel de voorkeursgrenswaarde (55 dB) als de maximale grenswaarde (68 dB) worden overschreden.

Bij een geluidsbelasting boven de 68 dB dienen woningen uitgevoerd te worden zonder te openen delen (dove gevels) of voorzien te worden van maatregelen. Dove gevels kunnen voorkomen worden door een van de volgende opties: Het toepassen van raildempers over een totale lengte van 5.100 meter (kosten circa € 1.500.000,-). Of: Het "opschuiven" van de eerstelijnsbebouwing (gezien vanaf het spoor) richting het noorden overeenkomstig figuur 20 uit het akoestisch onderzoek. Of: De woningen aan de noordzijde voorzien van maatregelen in de vorm van bijvoorbeeld vlies-gevels, gevelschermen of afsluitbare buitenruimten waardoor een geluidsluwe gevel wordt gerealiseerd. Het toepassen van schermen om de geluidsbelasting te reduceren stuit op bezwaren van financiële aard omdat schermen onvoldoende geluidsreductie geven. Voor alle woningen dienen als gevolg van de spoorbaan hogere waarden vastgesteld te worden. 5.3.3.9 Resultaten cumulatie De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 72 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt meer dan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor railverkeerslawaai van 68 dB. In het hogere waarden besluit en het bestemmingsplan zijn voorwaarden opgenomen ten einde het woon- en leefklimaat acceptabel te krijgen ter plaatse van de woningen binnen de bestemmingsvlakken. 5.3.3.10

Woon- en leefklimaat

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestemmingsvlakken A1 oost en west varieert van slecht tot zeer slecht. Maatregelen binnen het bouwplan kunnen het woonen leefklimaat verbeteren. 5.3.3.11

Vast te stellen hoger waarden Wet geluidhinder

Voor alle woningen kunnen, onder voorwaarden, hogere grenswaarden Wet geluidhinder worden vastgesteld van ten hoogste:

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

55

Uit de akoestische rapportage blijkt dat spoorweglawaai dominant. In het hogere waarden besluit en het bestemmingsplan zijn de volgende voorwaarden opgenomen: Aan de woningen binnen bestemmingsvlakken A1 oost en west dienen voorzieningen getroffen te worden waardoor er sprake is van een geluidsluwe gevel en buitenruimte (gevelbelasting groter dan 55 dB t.g.v. spoorweglawaai). Dit kan bijvoorbeeld door het realiseren van een afsluitbare buitenruimte. Aan de woningen binnen bestemmingsvlakken A1 oost en west dienen voorzieningen getroffen te worden waardoor er sprake is van een geluidsluwe gevel en buitenruimte (gevelbelasting groter dan 48 dB t.g.v. wegverkeerslawaai). Dit kan bijvoorbeeld door het realiseren van een afsluitbare buitenruimte. De gevels van de woningen binnen het rode vlak (nummer 4) in afbeelding 5.6, dienen op de aan-gegeven locaties uitgevoerd te worden zonder te openen delen of voorzien te worden van voorzieningen (of niet bouwen) waardoor de geluidsbelasting op de betreffende verdieping ter plaatse van te openen delen niet hoger is dan 68 dB (spoorweglawaai). Dit kan bijvoorbeeld door het toepassen vliesgevels of gevelschermen. In het geval van het toepassen van een dove gevel dient rekening gehouden te worden met de maximale binnenwaarde overeenkomstig de Wet geluidhinder (33 dB).

De gevels van de woningen binnen de donker groene vlakken in afbeelding 5.6 (nummers 1,2, 3 en 5), dienen op de aangegeven locaties uitgevoerd te worden zonder te openen delen of voorzien te worden van voorzieningen (of niet bouwen) waardoor de geluidsbelasting op de betreffende verdieping ter plaatse van te openen delen niet hoger is dan 63 dB (wegverkeerslawaai). Dit kan bijvoorbeeld door het toepassen vliesgevels of gevelschermen. In het geval van het toepassen van een dove gevel dient rekening gehouden te worden met de maximale binnenwaarde overeenkomstig de Wet geluidhinder (33 dB). Voor de vakken 1 en 2 aangegeven, met uitzondering van het deel binnen cirkel met nummer 5 in afbeelding 5.6, kan dit achterwege blijven indien de Burgemeester Jamessingel deels voorzien wordt van SMA NL 05 over een lengte van 600 meter conform figuur 5 van het akoestisch onderzoek. Door middel van een akoestisch onderzoek dient aangetoond te worden of aan de bovenstaande voorwaarden kan worden voldaan. Dit akoestisch onderzoek dient samen met de bouwaanvraag ter toetsing aan het bevoegd gezag worden aangeboden.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

56

Afbeelding 5.6: Overzicht maatregelen en voorzieningen (bron: akoestisch onderzoek ODMH)

5.3.3.12

Conclusie geluid

Vanuit de Wet geluidhinder bestaan te beperkingen tegen de bouw van appartementen op de beide bestemmingsvlakken omdat als gevolg van: Industrielawaai de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale grenswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. Wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden en op enkele delen de maximale grenswaarde van 63 dB wordt overschreden. Spoorweglawaai zowel de voorkeursgrenswaarde (55 dB) als de maximale grenswaarde (68 dB) wordt overschreden. Maatregelen ter reductie van wegverkeerslawaai geven onvoldoende effect om aan de voorkeursgrenswaarde te kunnen voldoen. Maatregelen ter reductie van spoorweglawaai zijn niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidsschermen zijn in deze situatie niet mogelijk. Daarom is er voor gekozen om voorwaarden op te nemen in het hogere waarde besluit en de regels van het bestemmingsplan ten einde het woon- en leefklimaat te optimaliseren. Er wordt een hogere waarde procedure gevolgd om de bouw van deze appartementen mogelijk te maken. De vast te stellen hogere waarden met de daarbij geldende voorwaarden staan beschreven in paragraaf 5.3.3.11 Vast te stellen hoger waarden Wet geluidhinder.

Wanneer gebouwd wordt binnen de gebieden waar de maximale grenswaarde wordt overschreden (de vlakken aangeduid op afbeelding 5.6), dient de gevel met de te hoge geluidbelasting als een dove gevel te worden uitgevoerd of voorzien te worden van voorzieningen waardoor de geluidsbelasting op de betreffende gevel niet hoger is dan de maximale grenswaarde (bijv. door een vliesgevel). Het akoestisch onderzoek geeft geen uitsluitsel over de gevelwering in het kader van afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. Middels een bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen uit te voeren akoestisch-bouwtechnisch onderzoek dient hierover uitsluitsel te worden verkregen. Voor deze berekeningen dient uitgegaan te worden van de gecumuleerde berekende geluidsbelasting.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

57

5.3.4

Bedrijven en milieuzonering

5.3.4.1 Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn in te delen in drie groepen met bijbehorende aanpak, te weten: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primaWettelijk kaderir te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering.

Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient te worden beoordeeld of aan de Wet milieubeheer zal kunnen worden voldaan. Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.

Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. 5.3.4.2 Onderzoek en resultaten Het plangebied ligt aan drukke spoorwegen en aan een drukke weg en nabij verschillende bedrijfsterreinen. Het plangebied ligt daarmee in een gemengde omgeving. Voor het bepalen van richtafstanden voor bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen is dan ook uitgaan van 'gemengd gebied'. In afbeelding 5.7 is een overzicht gegeven van de bestemmingen rondom het plangebied Spoorzone A1 locatie 2021.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

58

Afbeelding 5.7: Bestemmingen rondom het plangebied (donkere vlak met rode stippellijn er omheen) Aan de noordwestelijke kant van de Burgemeester James Singel liggen tegenover de A1 locatie percelen met de bestemming kantoor. De functie kantoor heeft een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. De werkelijke afstand tot het bouwvlak in het plangebied is ongeveer 75 meter. Aan de westelijke kant van de A1 locatie ligt een perceel met een bedrijfsbestemming horeca 2. De functie horeca 2 heeft een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. De werkelijke afstand tot het bouwvlak in het plangebied is ongeveer 35 meter. Ten zuiden van de A1 locatie ligt, aan de overkant van het spoor, een bedrijfsbestemming tot maximaal 3.1. Voor alle mogelijke bedrijvigheid op deze bestemming geldt de richtafstand van 30 meter. De werkelijke afstand tot het bouwvlak is ongeveer 40 meter (zie ook paragraaf 5.3.3.5). Ten noordoosten van de A1 locatie ligt een bedrijfsbestemming (vm Blokker, rioolgemaal en gasontvangstation) tot maximaal 3.2. Voor alle mogelijke bedrijvigheid op deze bestemming geldt de richtafstand van 50 meter. De werkelijke afstand tot het bouwvlak in het plangebied is ongeveer 55 meter. Ten noorden, in de oostelijke richting, van de A1 locatie liggen percelen met de bestemming kantoor. De functie kantoor heeft een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied.

De werkelijke afstand tot het bouwvlak is ongeveer 40 meter. Gezien de desbetreffende richtafstanden en de werkelijke afstand tot het plangebied ten opzichte van bovengenoemde bestemmingen wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Ten noorden, in de westelijke richting, van de A1 locatie liggen percelen met een bedrijfsbestemming tot maximaal 3.2. Voor alle mogelijke bedrijvigheid op deze bestemming geldt de richtafstand van 50 meter. De werkelijke afstand tot het bouwvlak is ongeveer 46 meter. Voor laatstgenoemde percelen wordt op het eerst oog niet voldaan aan de richtafstand voor bestemde categorie. Deze percelen zijn daarom nader aanvullend beschouwd. In onderstaande tabel zijn de aanwezige bedrijven beoordeeld op de feitelijke milieucategorie en daarbijbehorende richtafstand. Bedrijf

Milieucategorie van bedrijf volgens de VNG brochure

Richtafstand gemengd gebied (meter)

Autobedrijf

2

10

Meubelbedrijf

1

0

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

59

Bromfietshandel

2

10

Verfgroothandel

2

10

Houtwerkplaats

2

10

Autobedrijf

2

10

De kortste afstand van deze bedrijven tot het bouwvlak van de woningen bedraagt 46 meter. Uit bovenstaande tabel volgt dat de te realiseren woningen buiten de richtafstand van de aanwezige bedrijven komen. De bedrijven in de omgeving van de A1 locatie geven geen beperkingen aan gevoelige bestemmingen op de A1 locatie en de gevoelige bestemmingen leggen geen beperkingen op aan de bedrijvigheid ten noorden en zuiden van de A1 locatie. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In het plangebied wordt slechts lichte bedrijvigheid mogelijk gemaakt die in een verstedelijkte omgeving kan samengaan met een woonfunctie. 5.3.4.3 Conclusie Het milieuaspect bedrijven en milieuzonering legt geen beperkingen op aan de vaststelling van het bestemmingsplan. 5.3.5

Flora en fauna

5.3.5.1 Wettelijk kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet (soortenbescherming), de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming, Natura-2000 Natuurnetwerk Nederland) en de Boswet. Met inwerkingtreding van de Wnb is de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden in één wet geregeld. De bevoegdheden zijn daarmee van het Rijk overgedragen naar de provincie. Gedeputeerde Staten van de provincies zijn vanaf 1 januari het bevoegde gezag voor de Wnb. In het verordeningsbesluit van de uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2016 is opgenomen dat een aantal beschermde soorten vrijgesteld zijn van de ontheffingsplicht. 5.3.5.2 Onderzoek en resultaten Natura 2000-gebieden De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wnb, onderdeel gebiedsbescherming. Het plangebied ligt niet in een Natura-2000 gebied of in de directe nabijheid ervan. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op een afstand vanaf 4 kilometer. Overige Natura 2000-gebieden zoals 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' (10,3 kilometer) en 'De Wilck' (13,3 kilometer) liggen op meer dan 10 km kilometer afstand van het plangebied.

Op basis van de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de fysieke afstand van minimaal 4,0 kilometer, kan vastgesteld worden dat directe en indirecte verstoringen zoals oppervlakteverlies, versnippering, geluid, trilling, licht en optische verstoring niet te verwachten zijn in relatie tot Natura 2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' en overige Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Ingenieursbureau Land, 20 januari 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 6 Stikstofdepositieberekening. De ontwikkeling van het plangebied is getoetst met het rekenmodel Aerius om te bepalen of er als gevolg van de gebruiksfase (na nieuwbouw) een significante toename van stikstofdepositie zal optreden. Uit de toets komt dat er in de gebruiksfase geen grensoverschrijdende depositie (groter dan 0,00 mol/ha/jr) plaatsvindt op een stikstof gevoelig Natura 2000 gebied. Tijdens de aanlegfase kan er sprake zijn van stikstofdepositie op het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. De maximale bijdrage bedraagt 0,01 mol/ha/jaar. Het kan zijn dat hier een voortoets voor verplicht is. De Eerste Kamer heeft ingestemd met een wijziging van de Wet "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

60 natuurbescherming om te regelen dat er een partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht komt voor de tijdelijke stikstofemissies van activiteiten van de bouwsector. De inwerkingtreding van de wetswijziging is nog niet bekend. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de eindsituatie niet in significante mate toe. Er is geen sprake van significante effecten op beschermde Natura 2000 gebieden. Daarnaast wordt ook niet verwacht dat er een significante beïnvloeding is op het natuurgebied Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein. Natuurnetwerk Nederland / Provinciale gebieden Het meest nabijgelegen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of belangrijk weidevogelgebied ligt op ongeveer 1,2 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de lokale omvang van het plangebied en de lokale aard van het voornemen worden negatieve effecten hierop niet verwacht. Het plangebied ligt midden in de bebouwde kom, op ruime afstand (minimaal 2 kilometer) van Beschermde weidevogelgebieden en Strategische reservering natuur. Met de vaststelling van het bestemmingsplan zijn negatieve effecten op gebieden met een bescherming op basis van de Wnb of provinciaal beleid uit te sluiten.

Soortbescherming Ten behoeve van het bestemmingsplan is een quickscan naar beschermde natuurwaarden uitgevoerd (Staring Advies, 15 januari 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 7 Quickscan ecologie. Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de ruimtelijke ontwikkeling van het terrein A1 langs de Burgemeester Jamessingel in Gouda aanvullend onderzoek naar de ringslang noodzakelijk is. Indien tijdens of na afronding van de werkzaamheden lichtvervuiling op de tunnel onder het spoor onvermijdelijk is, is tevens aanvullend onderzoek nodig naar vliegroutes van vleermuizen. Uit het aanvullende onderzoek zal blijken of het aanvragen van een ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk is. Werkzaamheden moeten verder buiten het broedseizoen voor vogels (globaal tussen 15 maart - 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden. Het nader onderzoek naar de ringslang wordt uitgevoerd. De uitkomst bepaalt of ontheffing nodig is en of maatregelen nodig zijn voor het realiseren van het plan. Een eventuele ontheffing is verleenbaar voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en er geen sprake is van negatieve effecten op de staat van instandhouding van de soort. 5.3.5.3 Conclusie Er zijn geen significant negatieve effecten op beschermde natuurgebieden (Natura-2000, NNN).

Er is voor het bestemmingsplan aanvullend onderzoek nodig naar de aanwezigheid van de ringslang. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. De uitkomst bepaalt of een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is en of maatregelen nodig zijn voor het realiseren van het plan. 5.3.6

Externe veiligheid

5.3.6.1 Wettelijk kader en beleidskader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als "harde" afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

61 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedgebied. Binnen dit invloedgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. Provinciaal groepsrisicobeleid De provincie Zuid-Holland heeft een 'Beleidsregel groepsrisico en ruimtelijke ordening' (Provinciaal Blad, nr. 168, 14 januari 2015) vastgesteld. De hoogte van het groepsrisico speelt in deze beleidsregel een belangrijke rol.

Het beleid is met name erop gericht om te voorkomen dat door ruimtelijke ontwikkelingen het groepsrisico toeneemt en in de eindsituatie boven de oriëntatiewaarde ligt (of als er aanleiding is om dat te verwachten). Daarnaast heeft de provincie Zuid-Holland in haar beleidsregel aangegeven dat 'bereikbaarheid' en 'bluswatervoorzieningen' (voor de hulpdiensten) en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid minimaal op orde moeten zijn om het groepsrisico bij ruimtelijk plannen te kunnen verantwoorden. Lokaal beleid De gemeente Gouda beschikt over de gemeentelijke 'Visie EV 2009-2013'. In deze beleidsvisie zijn concrete kaders opgenomen hoe om te gaan met externe veiligheid bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen bepaalde zones van risicobronnen. Huidig beleid externe veiligheid vs. nieuw beleid omgevingsveiligheid Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2022) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Daarom wordt er in het kader van de gemoderniseerde aanpak gesproken over omgevingsveiligheid in plaats van externe veiligheid. Ondanks dat de Omgevingswet nog niet van kracht is, kan er nu al geanticipeerd worden op de gemoderniseerde aanpak omgevingsveiligheid. Voor een groot deel is de gemoderniseerde aanpak ook helemaal niet nieuw.

Beleid omgevingsveiligheid Het uitgangspunt bij omgevingsveiligheid is dat mensen binnen aandachtsgebieden, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan het bevoegd gezag om, in dit geval, bij het mogelijk maken van (beperkt) kwetsbare gebouwen binnen een aandachtsgebied, te bepalen of en wanneer er sprake is van voldoende bescherming. Kern is dat het bevoegd gezag veiligheid als ontwerpvariabele meeneemt in de planvorming. Hierbij hoort ook het in een vroeg stadium betrekken van de Veiligheidsregio bij de planvorming. De bovengenoemde maatregelen komen voor een groot deel overeen met de huidige gemeentelijke visie externe veiligheid van Gouda. Nieuw element onder de Omgevingswet zijn de concreet benoemde aanvullende bouwkundige maatregelen. Onder de Omgevingswet is het aan de gemeente om de bouwkundige maatregelen voor te schrijven of niet. De Omgevingswet is nog niet van kracht en het plan Spoorzone A1 locatie 2021 zal ook nog geen 'omgevingsplan' worden maar een bestemmingsplan. In deze onderbouwing is waar mogelijk wel geanticipeerd op de gemoderniseerde aanpak omgevingsveiligheid.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

62

5.3.6.2 Onderzoek en resultaten Voor het onderzoek is gekeken naar de onderbouwing op het aspect externe veiligheid die eerder is opgesteld voor het vigerende bestemmingsplan spoorzone deelgebied A1. Daarnaast is de gemeentelijke visie externe veiligheid en zijn de geactualiseerde risicoberekeningen (juni 2019) betrokken bij het opstellen van deze paragraaf. Inrichtingen Nabij de locatie A1 is een gasontvangststation (GOS) gelegen aan de Gentseweg 4. De afstand tussen het GOS en de locatie A1 (waar gebouwd kan worden) is ruim 80 meter. Voor dit GOS geldt een veiligheidsafstand van 25 meter. Dit levert zodoende geen beperkingen op. Transport over de weg In de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen gelegen die vanuit externe veiligheid relevant zijn. Transport per buisleiding Ten noorden van de locatie A1 is de hogedruk aardgastransportleiding W-501-03 gelegen (zie afbeelding 5.8). De locatie A1 is geheel binnen het invloedsgebied en gedeeltelijk binnen de 100% letaliteitszone van deze gasleiding gelegen. In 2012 is deze gasleiding in verband met de reconstructie van het kruispunt Nieuwe Gouwe Oostzijde Burgemeester Jamessingel verlegd. In de oude situatie lag de gasleiding ten zui-den van de Burg. Jamessingel. In de nieuwe situatie is de leiding verplaatst naar de noordzijde van de Burg. Jamessingel en bovendien geboord aangelegd.

Dat betekent dat de gasleiding ter hoogte van de locatie A1 op grote diepte (-18,5 meter onder maaiveld) is gelegen. Uit de verantwoording van het groepsrisico die is opgesteld in het kader van deze verlegging ('Verantwoording groepsrisico verleggen gasleiding Burg. Jamessingel', Milieudienst Midden-Holland, 28 oktober 2011) blijkt dat het groepsrisico in de nieuwe situatie ruim onder de oriëntatiewaarde is gelegen (0,025 maal de oriëntatiewaarde). Hierbij moet nog worden vermeld dat het rekenprogramma voor aardgasleidingen kan rekenen voor gasleidingen tot een maximale diepteligging van 2 meter. Gezien het enige scenario waarmee rekening wordt gehouden (schade door derden), is het berekende groepsrisico dus nog een ruime overschatting van het daadwerkelijke risico.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

63

Afbeelding 5.8 Ligging locatie A1 ten opzichte van hogedruk aardgasleiding

Transport over het water Ten westen van de locatie A1, op 115 meter vanaf het punt waar gebouwd kan worden, is de Gouwe gelegen. In de Regeling Basisnet (Bijlage III, Tabel Basisnet water) is de Gouwe niet aangewezen als relevante transportroute van gevaarlijke stoffen. De Gouwe vormt dan ook geen belemmering voor de A1 locatie. Transport over het spoor Over het spoor Rotterdam - Gouda worden gevaarlijk stoffen vervoerd. Dit traject valt onder het landelijke Basisnet Spoor. In de Regeling basisnet is hiervoor het risicoplafond aangegeven. Voor de beoordeling van het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen gelden een aantal criteria: Plaatsgebonden risico, waarbij de plaatsgebonden risico-contour is voorgeschreven in de Regeling basisnet en de afstand bepaald moet worden vanaf het midden van de spoorbundel. Plasbrandaandachtsgebied, waarbij sprake is van een contour van 30 meter breed, bepaald vanaf het buitenste spoor van een in de Regeling basisnet aangewezen baanvak. Groepsrisico, waarbij berekening moet plaatsvinden conform een wettelijk vastgestelde methode.

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

64

Afbeelding 5.9: Plangebied A1 ten opzichte van het spoor Rotterdam - Gouda

Plaatsgebonden risico In de Regeling basisnet is voor de spoorzone in Gouda een variërend 10-6 plaatsgebonden risicocontour gegeven van 1 en 7 meter, gemeten vanaf het midden van de spoorbundel waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor de spoorzone in Gouda betekent dit dat deze contour niet buiten de spoorbundel ligt, en daarmee geen belemmering geeft voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Langs het spoor is een wettelijk vastgesteld plasbrandaandachtsgebied gelegen. De wettelijke afstand van 30 meter wordt bepaald vanaf de buitenste rails van het baanvak. De spoorlijn naar Alphen (spoor 11) behoort niet tot het aangewezen baanvak. Dit spoor is ingericht voor licht reizigersmaterieel en niet geschikt voor goederenvervoer. De afstand wordt daarom gemeten vanaf spoor 10. De locatie A1 is op de kleinste afstand op meer dan 125 meter het spoor Rotterdam - Gouda gelegen en daarmee ruim buiten het plasbrandaandachtsgebied gelegen. Groepsrisico In het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' is voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter van het Basisnet Spoor aangegeven dat het aspect externe veiligheid moet worden onderbouwd, waarbij een aantal aspecten meegenomen moeten worden. In het kader van het voorgaande bestemmingsplan Spoorzone Midden & Oost is reeds een onderbouwing geschreven.

In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijzigingen op deze onderbouwing in verband met de ruimere bestemming die is beoogd (toevoegen woonfunctie). Rekenresultaten groepsrisico spoor In verband met de verschillende bouwplannen langs het spoor in Gouda zijn er in juni 2019 nieuwe risicoberekeningen uitgevoerd, waarin al deze bouwplannen (waaronder nieuwbouw locatie A1) zijn meegenomen (zie Bijlage 8 Rapport berekening Groepsrisico Spoorzone). Ter hoogte van het "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

65 plangebied A1 is hierbij een groepsrisico berekend van 0,03 maal de oriëntatiewaarde. Hiermee ligt het groepsrisico dus zeer ruim onder de oriëntatiewaarde. Dat neemt niet weg dat er nog steeds scenario's mogelijk zijn met mogelijke slachtoffers in het plangebied. 5.3.6.3 Maatregelen vanwege groepsrisico spoor In deze verantwoording van het groepsrisico wordt alleen nader ingegaan op het spoor als risicobron in het kader van externe veiligheid. Gezien de omstandigheden van de hogedruk aardgasleiding ter hoogte van locatie A1 (zie paragraaf 5.3.6.2) is dit voldoende verantwoord. In het kader van ontwikkelingen in de spoorzone zijn al verschillende maatregelen genomen, zoals de realisatie van verschillende aanlandingspunten vanaf de Burg. Jamessingel (toegangen tot het spoor) voor de hulpdiensten. Op afbeelding 5.10 is te zien waar deze toegangen zijn gerealiseerd. Bij eerdere inventarisaties door de Veiligheidsregio is aangegeven dat er behoefte is aan een toegang tot het spoor. Deze locatie is in afbeelding 5.10 aangegeven met een gele ster. Omdat het spoor hier op hoogte is gelegen (zie afbeelding 5.11) zal hier een trap aangelegd moeten worden met een bluswatervoorziening.

Afbeelding 5.10: Adviezen voor de Spoorzone Gouda (plangebied is locatie A1)

Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid De Veiligheidsregio heeft voor de verruiming van de bestemmingsmogelijkheden op de A1 en C1 locaties advies uitgebracht in het kader van EV (UIT-2017-072163, 15 december 2017, zie Bijlage 9 Advies Veiligheidsregio Hollands Midden). De Veiligheidsregio adviseert: De toegankelijkheid van het spoor Rotterdam - Gouda te verbeteren en hierbij te zorgen voor voldoende bluswater (gewenste trap); De gebouwen zodanig in te delen dat zo min mogelijk personen aan een mogelijke drukgolf blootgesteld worden; Binnen het plangebied geen bestemmingen toe te staan voor verminderd of niet zelf-redzame "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

66 personen (ouderen, kinderen onder de 12 jaar, enz.); Bij een calamiteit duidelijk kunnen maken aan de aanwezige personen wat ze moeten doen (vluchten dan wel schuilen). Dit vraagt om op de situatie afgestemde ontruimingsplannen (deze plannen overleggen met de brandweer); Het snel kunnen uitschakelen en sluiten van ventilatiesystemen vanuit een centraal punt; De bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid, zoals omschreven in de praktijkrichtlijn bluswatervoorziening en bereikbaarheid, mee te nemen bij de uitwerking van het plan; Zorgen voor voldoende vluchtmogelijkheden voor de aanwezige personen van de risicobron af; Tekeningen (brandkranen, opstelplaatsen, open water en bereikbaarheid) in de volgende fase voor te leggen aan de brandweer ter advisering Op de volgende wijze wordt invulling gegeven aan deze adviezen: Binnen het plangebied is in de planregels geborgd dat 'zeer kwetsbare gebouwen' (specifieke functies voor verminderd zelfredzame personen (bijv. kinderdagverblijf, verzorgingstehuis, basisschool, enz.)) niet zijn toegestaan. Voor de ingebruikname van nieuwe gebouwen moet een ontruimingsplan worden voorgelegd aan de brandweer ter advisering.

In dit ontruimingsplan moet worden ingegaan op de verschillende scenario's bij een incident op het spoor met gevaarlijke stoffen; In de planregels is, overeenkomstig het bestemmingsplan Spoorzone Midden & Oost (C1), opgenomen dat burgemeester en wethouders de mogelijkheid hebben om nadere eisen te stellen ten aanzien van: 1. Vluchtmogelijkheden; 2. Uitschakelen van ventilatie; 3. Bouwkundige uitvoering. Op dat laatste punt, bouwkundige uitvoering, stuurt de Omgevingswet erop aan om bij nieuwbouw binnen het explosieaandachtsgebied (zie afbeelding 5.9) scherfvrijglas toe te passen. Het is aan de gemeente om onder de Omgevingswet deze maatregel wel of niet als voorschrift op te leggen. Bij de verdere planvorming van locatie A1 wordt de Veiligheidsregio vroegtijdig betrokken om de bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid te optimaliseren. Tekeningen (brandkranen, opstelplaatsen, open water en bereikbaarheid) worden daarom voorgelegd aan de brandweer. In november 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de initiatiefnemers, gemeente, Veiligheidsregio en Omgevingsdienst over de invulling van de maatregelen externe veiligheid. Een aantal maatregelen zijn prima uitvoerbaar, maar de bouwkundige uitvoering is nog een punt dat nader moet worden bekeken. Mogelijk zijn er zinvolle combinaties te vinden met de geluidwering die gerealiseerd moeten worden. Dit wordt nader onderzocht.

5.3.6.4 Conclusie en verantwoording groepsrisico Voor het nieuwe bestemmingsplan Spoorzone A1 locatie 2021 is het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor relevant. In verband met de verschillende bouwplannen is in juni 2019 een nieuwe risicoberekening uitgevoerd voor het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. Ter hoogte van het plan-gebied A1 is hierbij een groepsrisico berekend van 0,03 maal de oriëntatiewaarde. Hiermee ligt het groepsrisico dus zeer ruim onder de oriëntatiewaarde en voldoet het ruimschoots aan het beleid van de provincie Zuid-Holland (groepsrisico onder de oriëntatiewaarde). Dat neemt niet weg dat er nog steeds gevaarlijke stoffen per spoor door Gouda worden vervoerd. Een incident met gevaarlijke stoffen kan nog steeds leiden tot een ramp waarbij giftige (rook)gassen vrijkomen, hittestraling of een explosie plaatsvindt met grote gevolgen. Om bij een incident tijdig te kunnen ingrijpen zijn de nodige (fysieke) maatregelen getroffen in het gebied (zie paragraaf 5.3.6.3) en worden nog maatregelen genomen, zodat de hulpdiensten ook ter hoogte van de locatie A1 de mogelijkheid hebben om in te grijpen. Daarnaast wordt: In de planregels niet toegestaan dat functies specifiek bedoeld voor kwetsbare groepen (bijv.

kinderdagverblijf, basisschool, verzorgingstehuis, enz.) zich vestigen binnen het plangebied; Een uitgebreid ontruimingsplan vereist voor alle gebruikers; "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

67 De mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan vluchtmogelijkheden, de mechanische ventilatie en de bouwkundige uitvoering; Vooraf met de brandweer overlegd om bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen te optimaliseren. Bovenstaande verantwoording en de bijbehorende maatregelen passen binnen het EV beleid van de gemeente Gouda. Daarnaast is in paragraaf 5.3.6.1 gerefereerd aan het provinciaal belang. Zoals beschreven in paragraaf 5.3.6.2 is de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet in het geding. Voor de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zijn al de nodige maatregelen genomen in de spoorzone en zal bij de verdere uitwerking vooraf nader met de brandweer worden afgestemd. Het college van burgemeesters en wethouders en de gemeenteraad van de gemeente Gouda achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar.

5.4

Milieu Effect Rapportage

5.4.1

Wet- en regelgeving

De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b.

De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiervoor hoeft geen raadpleging plaats te vinden en het besluit hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatcourant. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.. 5.4.2

Onderzoek en resultaten

Het bestemmingsplan maakt het realiseren van woningen, commerciële ruimten en parkeergelegenheid mogelijk en valt daarmee onder categorie D11.2, de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject. De ontwikkelingen blijven onder de getalsmatige drempel waarde. Hiermee is dit bestemmingsplan vormvrij m.e.r. –beoordelingsplichtig. Hieronder is gemotiveerd of er als gevolg van de ontwikkelingen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. 1. Kenmerken van de ontwikkeling

"Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

68

Aard omvang activiteit

Nieuwe functie wonen en hogere bouwhoogte. Gezien m.e.r. regelgeving beperkte impact omdat nu al grote bouwvolumes zijn toegestaan met een kantoorfunctie.

Cumulatie

Voor wat betreft de milieuaspecten lucht en geluid zijn de effecten op de gecumuleerde omgevingswaarden zeer gering.

Natuurlijke hulpbronnen

Mogelijk effecten op beschermende soorten zijn uit te sluiten.

Ongevallen

Toename groepsrisico.

Gezondheidseffecten

De milieukwaliteitsmaat ter plaatse van de maatgevende woningen is in de referentie situatie matig en blijft met de realisatie van de beoogde bestemmingen matig.

2. Locatie van de ontwikkeling Bestaand grondgebruik

Het gebruik van de gronden is braakliggend.

Opnamevermogen Natuurlijk milieu

Verhoging van de milieuaspecten lucht en geluid om de directe omgeving is zeer gering.

3. Potentiële effecten Natuur

Er zijn geen significant negatieve effecten op beschermde gebieden (stikstof). Er loopt nader onderzoek naar de ringslang. Eventueel is een ontheffing nodig en zijn maatregelen nodig bij de realisatie.

Cultuur/archeologie

Geringe kans op verstoring eventuele archeologische waarden door heien. De gebouwen passen binnen het verstedelijkt karakter van de omgeving.

Verkeer

De effecten op het omliggende hoofdwegennet zijn niet of nauwelijks merkbaar: de intensiteit neemt minimaal toe.

Geluid

Minimale toename en niet waarneembaar voor het menselijk oor.

Lucht

Voor lucht geldt dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de luchtkwaliteitsnormen.

Bodem

De bodem is voldoende onderzocht en is geschikt voor de toekomstige bestemming en het gebruik (wonen).

Ongevallen

Door maatregelen wordt de toename groepsrisico beperkt tot het niveau aanvaardbaar.

Gezondheidseffecten

Er treedt geen significant verslechtering van de milieukwaliteitsmaat op.

5.4.3

Conclusie

Op grond van bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling worden de ontwikkeling van de A1 locatie de volgende conclusies getrokken: De ontwikkeling zal niet leiden tot belangrijke uitstoot van verontreinigingen. Er treedt dan ook geen belangrijke cumulatie op met betrekking tot geluid en/of luchtkwaliteit. Met maatregelen kunnen de veiligheidsrisico´s tot aanvaardbaar niveau teruggebracht worden. Beschermde gebieden liggen niet in het plangebied en er zijn geen bijzondere effecten op beschermde gebieden te verwachten. De ontwikkeling zal geen bijzondere negatieve invloed hebben op de omliggende woningen of "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

69 bedrijven. Op grond van het bovenstaande is het niet te verwachten dat het vaststellen van het bestemmingsplan leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet aan de orde.

5.5

Provinciaal milieubelang

5.5.1

Wet- en regelgeving

Provincie Zuid-Holland heeft in de Provinciale Structuurvisie en in de Provinciale Milieuverordening het provinciaal milieubelang beschreven. Ruimtelijke plannen worden doorgaans na publicatie van het ontwerpbesluit aan de Provincie toegestuurd. De Provincie toetst dan of het provinciaal belang in het geding is en of er mogelijk in strijd met het provinciaal belang wordt gehandeld. In dit hoofdstuk wordt reeds een voortoets voor het provinciaal milieubelang uitgevoerd. Daarmee wordt tijdig zicht gekregen op strijdigheden en waar mogelijk worden oplossingsrichtingen benoemd. Het provinciaal milieubelang heeft betrekking op vier thema's: bescherming van stiltegebieden windenergie stimuleren beschermen bedrijventerreinen voor HMC-bedrijven beschermen van grote groepen mensen 5.5.2

Onderzoek en resultaten

Getoetst wordt of bij het voorgenomen het provinciaal belang in het geding is. Zo ja, dan wordt bekeken of er mogelijk sprake is van strijdigheid met het provinciaal belang. Indien dit het geval is zullen ?voor zover mogelijk- oplossingsrichtingen worden geformuleerd. Bescherming van stiltegebieden Het plangebied ligt niet in of nabij een stiltegebied. Windenergie stimuleren Het plangebied ligt niet in of nabij een zoekgebied voor windenergie. Beschermen bedrijventerreinen voor HMC-bedrijven Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een bedrijfslocatie waar categorie 4.2 is toegestaan (zie paragraaf 5.3.4). Er is geen sprake van een provinciaal milieubelang. Beschermen van grote groepen mensen Met maatregelen, als voorgesteld door de Veiligheidsregio, is het groepsrisico van de beoogde ontwikkelingen in het plangebied aanvaardbaar (zie paragraaf 5.3.6). 5.5.3

Conclusie

Het vaststellen van het bestemmingsplan is niet strijdig met provinciale milieubelangen

5.6

Waterhuishouding

5.6.1

Algemeen

Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Met het oog op de watertoets is een waterparagraaf opgesteld, waarin de voor dit plan relevante "Spoorzone A1 locatie 2021" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=27ddcaef-e74f-4c88-924c-bcd3f49f1613