2. Bodegraafsestraatweg 163 obp Toelichting
Tekst van het document
46
Toelichting (concept)
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163 kunnen waarborgen, wanneer gevoelige bestemmingen in het kader van luchtkwaliteit (zoals woningen) worden gerealiseerd. Op de NSL monitoringsviewer kunnen de jaargemiddelde grootschalige achtergrondconcentraties worden ingezien, om inzicht te krijgen in de luchtkwaliteit ter plaatse. Op de NSL monitoringsviewer (geraadpleegd op 15 maart 2023 zijn de totale concentraties van stikstofdioxide NO2, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5 geraadpleegd. In onderstaande tabel zijn de totale concentraties (nabij het dichtsbijzijnde rekenpunt met ID 15476626) alsmede de bijbehorende grenswaarden voor toetsing weergegeven.
Tabel 5.3: luchtkwaliteit, totale concentratie
Uit de tabel blijkt dat de totale concentraties nabij het plangebied onder de grenswaarden blijven. Wanneer de maximale bijdrage van het verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentratie van zowel fijn stof als stikstofdioxide de grenswaarden niet overschrijden. De ontwikkeling zal vanwege de omvang in niet betekenende mate bijdragen aan de heersende achtergrondconcentraties. 5.8.2
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.9
Verkeer en parkeren
Wettelijk kader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. 5.9.1
Relatie tot het plangebied
Op 21 november 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Gouda het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ vastgesteld. Het doel van de parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in Gouda. Het paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het gemeentelijke parkeerbeleid. Na vaststelling van dit paraplubestemmingsplan, waarin wordt verwezen naar gemeentelijke parkeernormen uit 2018, is het ‘Parkeerplan Gouda 2020’ vastgesteld. In voorliggend geval is getoetst aan de meest recent vastgestelde parkeernormen, te weten de parkeernormen uit het ‘Parkeerplan Gouda 2020’. In het paraplubestemmingsplan is bepaald dat ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Parkeren Het plangebied aan de Bodegraafestraatweg 163 is gelegen binnen zone C1 waar voor woningen > 110 m2 een parkeernorm geldt van 1,7. Het bezoekersparkeren is uniform en het aandeel bedraagt 0,3. Er kan zodoende berekend worden dat de totale parkeerbehoefte van het plan waar voorliggend bestemmingsplan ruimte aan biedt in totaal 12 bedraagt.
Onder beide appartementengebouwen wordt een halfverdiepte parkeerkelder gerealiseerd, waar naast bergingen en fietsparkeerplekken ook voorzien wordt in de realisatie van 12 autoparkeerplaatsen. Aan de voorzijde zijn zes parkeerplekken voorzien voor het bezoekersparkereren, waardoor geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het geldend parkeerbeleid van de gemeente. In de parkeergarage is voldoende ruimte beschikbaar om het fietsparkeren te realiseren. Ook worden aan de voorzijde van de woongebouwen fietsnietjes aangelegd, o.a. voor het fietsparkeren van bezoekers.
Toelichting (concept)
47
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Verkeersgeneratie en ontsluiting De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Bodegraafsestraatweg. Deze weg ontsluit vrijwel direct nabij de projectlocatie in noordwestelijke richting op de Zoutmansweg. In zuidelijke richting ontsluit de de Bodegraafsestraatweg op de Goudse Houtsingel. Als gevolg van de ontwikkeling ter plaatse, zal de verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie, hetzij minimaal, toenemen. De verkeergeneratie bedraagt maximaal 14 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De bestaande wegenstructuur is ingericht op de afwikkeling van grotere hoeveelheden aan motorvoertuigbewegingen. Dit aspect vormt geen belemmering. 5.9.2
Conclusie
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.10
Water
Wettelijk kader Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit hoogheemraadschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.
Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld (zie http://www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a.
bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen), de bodem van kwelgevoelige gebieden, maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater, het aanbrengen van verhard oppervlak.
48
Toelichting (concept)
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur vastgesteld (in werking getreden 1 juni 2020) met daarbij horende uitvoeringsregels. Het uitgangspunt van deze keur is "ja, tenzij": in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze keur anders is bepaald. Indien dat het geval is, zijn er nadere regels voor die handelingen vastgesteld. Nadere regels zijn voorschriften van een algemene regel of voorwaarde waaronder een vergunningplichtig(e) werk of handeling wordt toegestaan. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer in principe een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor watercompensatie. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Soms kunnen alternatieve waterbergingen, die ervoor zorgen dat de neerslag niet versneld in het oppervlaktewater terecht komt (zoals wadi's, polderdaken en bergingskelders), worden gebruikt ter compensatie van de aanleg van verharding. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. Wanneer het gaat om een toevoeging van minder dan 500m2 verharding, kan in de meeste gevallen worden volstaan met de zorgplicht. Indien water gedempt wordt dient dit 1:1 gecompenseerd te worden.
Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. Inzameling van afvalwater gebeurt in een gemeentelijke riolering. Dit ingezamelde afvalwater wordt via deze riolering getransporteerd naar een zuiveringsinstallatie. Bij grote hoeveelheden neerslag kan de capaciteit van de riolering ontoereikend zijn. Op dat moment wordt het teveel aan afvalwater via een riooloverstort ongezuiverd in het oppervlaktewater gebracht. Het rioolstelsel ter plaatse van het plangebied is in de afgelopen jaren omgebouwd naar een gescheiden stelsel. Het hemelwaterriool voert via een lamellenafscheider het hemelwater af naar omliggende sloten. Waterkering Nabij het plangebied komt een waterkering voor: de Kattensingel.
Deze waterkering beschermt het achterland van de polder Bloemendaal tegen het hoge water van de boezem. De waterkering is in beheer bij het Hoogheemraadschap van Rijnland en het dagelijks onderhoud is een taak van de gemeente. Voor de waterkering is in het bestemmingsplan een juridisch-planologische bescherming opgenomen. Op deze gronden kunnen uitsluitend bouwwerken, waaronder onderkeldering, worden opgericht indien de belangen van de waterkering dit gedogen en de beheerder van de waterkeringswerken is gehoord. Hierbij wordt verwezen naar het beleid van Rijnland. 5.10.1 Relatie tot het plangebied Voor onderhavig project is de watertoets Hoogheemraadschap van Rijnland doorlopen. Beschermde gebieden Het plangebied is niet gelegen in (de beschermingszone van) een regionale waterkering, zie hiertoe onderstaand figuur. Binnen het plangebied is wel overig oppervlaktewater gelegen.
Toelichting (concept)
49
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Figuur 5.6: Legger regionale waterkeringen (bron: Hoogheemraadschap Rijnland)
Riolering De nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. In de huidige situatie is reeds sprake van afkoppeling, waarbij het hemelwater naar het naastgelegen oppervlaktewater afstroomt. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het Hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit In de huidige situatie is de situatie van het perceel (4.085 m2) als volgt: 400 m2 water; 775 m2 bebouwd; 1.300 m2 tuin/gras/groen; 1.610 m2 verhard/bestraat/grind. Als gevolg van het plan waar voorliggend bestemmingsplan ruimte aan biedt neemt het verhard oppervlak niet toe en is compensatie niet aan de orde. 5.10.2 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.
5.11
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op
50
Toelichting (concept)
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163 de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte en zijn in kolom 2 (gevallen) indicatieve drempelwaarden opgenomen. 5.11.1 Relatie tot het plangebied Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van maximaal zes woningen mogelijk. Deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkelingsproject in het kader van de m.e.r. De ontwikkeling valt onder categorie D11.2 die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r. De realisatie van zes woningen ligt echter ruim onder de drempelwaarden die genoemd staan onder categorie D11.2. Daarom volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling, waarin wordt gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Het bevoegd gezag dient daartoe een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Hieronder is gemotiveerd of er als gevolg van de ontwikkelingen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. 1. Kenmerken van de ontwikkeling Aard en omvang activiteit
Sloop van de bestaande villa en nieuwbouw van zes woningen. Gelet op m.e.r. regelgeving is sprake van een beperkte impact.
Cumulatie
Voor zover bekend zijn er in de directe omgeving van het plan geen ontwikkelingen welke voor een onevenredige cumulatie van negatieve milieueffecten zullen zorgen.
Natuurlijke hulpbronnen
Voor de aanleg van het plan zullen natuurlijke hulpbronnen in de vorm van reguliere bouwmaterialen worden gebruikt. Hinder ten gevolge van de (tijdelijke) aanlegfase, betreffende inzet van bouwmateriaal en mobiele werktuigen, zal tot een minimum beperkt worden.
Ongevallen
Het risico op zware ongevallen en/of rampen zal niet verhogen met de realisatie van het plan.
Gezondheidseffecten
Het risico voor schadelijke effecten op de menselijke gezondheid zal niet verhogen met de realisatie van het plan.
2. Plaats van de ontwikkeling Bestaand grondgebruik
Het plangebied is reeds bestemd voor wonen. Ter plaatse is een villa gelegen die beschikt over onder andere over een woon-, kantoor en wellness ruimte en is gelegen op een stuk eigen grond van circa 4.000 m2. De villa wordt, na jaren leegstand gesloopt.
Opnamevermogen van het natuurlijke milieu
Er is inzichtelijk gemaakt welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze nabijgelegen natuurbeschermingsgebieden. De resultaten wijzen uit dat door de afstand tot de Natura-2000 gebieden en de aard van het tussenliggende gebied, geen negatieve effecten van het initiatief te verwachten zijn.
3. Potentiële effecten Archeologie
Toelichting (concept)
Het plangebied kent een lage archeologische verwachting. Dit aspect rechtvaardigt geen MER.
51
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Bodem
Met de voorgenomen bestemmingsplan en bijbehorende werkzaamheden worden echter geen bodemvervuilende werkzaamheden of activiteiten verwacht. Gezien het feit dat de gehele locatie nader wordt onderzocht en plaatselijk gesaneerd ten gevolge van de bestemmingsplanwijziging, wordt veronderstelt dat de bodemkwaliteit zal verbeteren. Het plan zal derhalve geen negatieve milieueffecten veroorzaken met betrekking tot het aspect bodem.
Water
Als gevolg van het plan neemt het aantal vierkante meters verhard oppervlakte niet toe. De voorgenomen ontwikkeling heeft een positief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.
Ecologie
In het kader van flora en fauna is een ecologische quickscan uitgevoerd door Van der Goes en Groot. Uit de quickscan kan geconcludeerd worden dat gezien de uitgevoerde toetsing, van de grondgebonden zoogdieren alleen de vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Dit aspect rechtvaardigt geen MER.
Luchtkwaliteit
De ontwikkeling draagt naar verwachting “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Het plan betreft minder dan 1.500 woningen, waardoor er volgens de Regeling NIBM geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk is. Hiermee wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit met de realisatie van het plan niet zal verslechteren en er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit.
Verkeer
De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Bodegraafsestraatweg. Deze weg ontsluit vrijwel direct nabij de projectlocatie in noordwestelijke richting op de Zoutmansweg. In zuidelijke richting ontsluit de de Bodegraafsestraatweg op de Goudse Houtsingel. Als gevolg van de ontwikkeling ter plaatse, zal de verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie, hetzij minimaal, toenemen. De verkeergeneratie bedraagt maximaal 14 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De bestaande wegenstructuur is ingericht op de afwikkeling van grotere hoeveelheden aan motorvoertuigbewegingen. Dit aspect rechtvaardigt geen MER.
Overige milieuaspecten
Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten.
Het college B&W van de gemeente Gouda heeft op XXX besloten om geen milieueffectrapport of plan-m.e.r. op te stellen. Geconcludeerd wordt dat, gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, een nadere m.e.r.-beoordeling niet nodig is. 5.11.2 Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
52
Toelichting (concept)
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Juridische planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels. Methodiek Het bestemmingsplan beoogt de bouw van zes woningen in twee te bouwen appartementenvilla's met per villa drie appartementen. Voor de opzet van het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van het model Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) en de binnen de gemeente Gouda gehanteerde standaard. In het bestemmingsplan hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming toegewezen gekregen. Daarnaast komen op sommige gronden aanduidingen voor. Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plangebied gelegen gronden zijn toegekend. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak; lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. Aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Aanduidingen hebben altijd juridische betekenis, die in de regels wordt gegeven. Het bouwprogramma is als uitgangspunt aangehouden. In het plan is enige flexibiliteit ingebouwd.
Het gaat dan om flexibiliteit in de verbeelding, maar ook in de regels zelf (bijvoorbeeld door binnen 'Wonen' ook tuinen en erven, groen en water, parkeervoorzieningen toe te staan).
6.2
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Hier wordt ingegaan op de algemene begripsbepalingen en is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels (voor parkeren) opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat overgangs- en slotregels. Hier is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het laatste artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 6.2.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.
Toelichting (concept)
53
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
6.2.2
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Bij de indeling van de artikelen in hoofdstuk 2 is een vaste volgorde aangehouden. Artikel 3 Tuin Deze bestemming is toegekend aan de (voor)tuin. Artikel 4 Water Deze bestemming is toegekend aan de bestaande watergangen en waterberging. Door water als zodanig te bestemmen, is het behoud hiervan planologisch vastgelegd, en is de instandhouding van de waterberging gegarandeerd. Artikel 5 Wonen Wonen is de belangrijkste functie in het plangebied. De ligging van de woningen is vastgelegd binnen het bouwvlak. De bouwvlakken zijn zodanig gesitueerd dat de hoofdbouwmassa alleen daar kan komen waar dat ook gedacht is. Bovendien wordt er voldoende afstand gehouden tussen de woningen.
Buiten de bouwvlakken zijn goot- en bouwhoogten van bijbehorende bouwwerken zoals aanbouwen en bijgebouwen beperkt. 6.2.3
Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Artikel 8 Algemene bouwregels In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Specifieke vormen van gebruik zijn expliciet uitgesloten. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd. Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. Artikel 11 Overige regels In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen. 6.2.4
Overgangs- en slotregels
Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Artikel 12 Overgangsrecht 54
Toelichting (concept)
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Artikel 13 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.
6.3
Verbeelding
Op de verbeelding (plankaart) wordt gebruik gemaakt van bestemmingsvlakken. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied dat op de plankaart is aangeven en waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Op de verbeelding is een onderscheid gemaakt in enkele verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.
Toelichting (concept)
55
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer. Op grond van artikel 6.12 stelt de raad hiertoe een exploitatieplan op. Alternatieve mogelijkheid is dat kostenverhaal op alternatieve wijze wordt verzekerd. In dat geval dient een en ander te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met de eigenaar. Voor dit plan wordt een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemer en gemeente Gouda om uitvoering mogelijk te maken. In deze overeenkomst wordt vastgelegd dat de plankosten voor rekening van de initiatiefnemer komen. Daarmee zijn de kosten gezekerd en is het plan economisch uitvoerbaar.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In deze paragraaf worden de uitkomsten van het bestuurlijk vooroverleg (conform artikel 3.1 Bro) weergegeven. De ontvangen reacties worden t.z.t. in deze paragraaf weergegeven. Participatie In het kader van de beoogde ontwikkeling is door initiatiefnemer invulling gegeven aan het aspect participatie. Met de direct omwonenden van de projectlocatie zijn individuele gesprekken gevoerd om het plan toe te lichten aan de hand van diverse stukken waaronder het voorlopig ontwerp dat ook besproken is tijdens de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Gouda op 22 december 2022. Naar aanleiding van deze gesprekken heeft initiatiefnemer ervoor gekozen om het voetgangersbruggetje tussen het plangebied en de Doggersbankenlaan te laten vervallen. Tevens is (mede naar aanleiding van de gesprekken met omwonenden) het inrichtingsplan van de buitenruimte aangepast om het aantal bezoekersparkeerplaatsen te verhogen naar zes in plaats van twee. In het nieuwe inrichtingsplan is ook de in-/uitrit tot het terrein aangepast zodat een in- en uitrit ontstaat die tot een vlotte verkeersafwikkeling van en naar de Bodegraafsestraatweg leidt. Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd.
De resultaten van de de termijn van tervisielegging, zoals schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen, worden te zijner tijd in deze paragraaf weergegeven. Na het verwerken van de eventuele inspraak- en overlegreacties wordt het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Dat wordt, zoals de wet voorschrijft, gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegd waarbij zienswijzen kunnen worden ingediend. Van de zienswijzenprocedure wordt te zijner tijd in deze paragraaf verslag gedaan. Na de zienswijzenprocedure wordt het bestemmingsplan ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. De raad kan het plan gewijzigd of ongewijzigd vaststellen. Het vastgestelde bestemmingsplan behoeft op grond van de Wro geen goedkeuring meer van Gedeputeerde Staten. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking. Handhaving De doelstellingen van het ruimtelijk beleid zoals verwoord in het bestemmingsplan kunnen slechts worden verwezenlijkt, indien de regels van het bestemmingplan worden nageleefd. De gemeente dient op de eerste plaats zelf haar regels na te leven en er vervolgens voor zorg te dragen dat anderen deze regels naleven.
Hiertoe zullen regelmatig controles uitgevoerd moeten worden. In het plan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de regels. Bepalingen waarvan op voorhand bekend is dat de controle op de naleving een probleem vormt zijn vermeden. Tevens zijn vage formuleringen geweerd ter
56
Toelichting (concept)
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163 voorkoming van verschillende interpretaties. Duidelijke en inzichtelijke formuleringen geven zowel de ambtenaren belast met handhaving als de burgers houvast. Wanneer het gebruik van een multi-interpretabel begrip niet kan worden voorkomen, is in de begripsomschrijving duidelijk gemaakt welke interpretatie of definitie in dit bestemmingsplan gehanteerd wordt.
Toelichting (concept)
57
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
58
Toelichting (concept)
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Bijlagen
Toelichting (concept)
59
bestemmingsplan Bodegraafsestraatweg 163
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek
60
Toelichting (concept)
RAPPORTAGE Verkennend bodemonderzoek Bodegraafsestraatweg 163 Gouda
Rapportage verkennend bodemonderzoek Bodegraafsestraatweg 163, Gouda Opdrachtgever
De Driemanschap VOF Marconistraat 29 2809 PH Gouda
Contactpersoon
De heer W. Verheij (Verheijvastgoedontwikkeling)
Rapportnummer
21407.001
Versienummer
D1
Status
Eindrapportage
Datum
24 februari 2023
Opsteller
De heer M. Zandvliet, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
De heer ir. F.F.J.M. Top
DAAROM ECONSULTANCY KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadvies- en -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. GELDIGHEID ONDERZOEK Het bodemonderzoek betreft een momentopname.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ......................................................................................................... 1
3
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM ....................................................................................... 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
Geraadpleegde bronnen ................................................................................................................ 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................................ 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 Calamiteiten ................................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ..................................................... 3 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................................ 3 Terreininspectie ............................................................................................................................. 4 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ..................................................................... 4 Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................................. 4
4
CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET) .............................. 5
5
VELDWERK ................................................................................................................................................. 6 5.1 5.2 5.3
6
LABORATORIUMONDERZOEK .................................................................................................................... 7 6.1 6.2 6.3
7
Algemeen ....................................................................................................................................... 6 Grondonderzoek ............................................................................................................................ 6 Grondwateronderzoek ................................................................................................................... 7
Uitvoering analyses ........................................................................................................................ 7 Toetsingskader ............................................................................................................................... 8 Resultaten grond- en grondwatermonsters ................................................................................. 10
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES .............................................................................................. 11
BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 3. 4a. 4b. 5.
- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Boorprofielen - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Circulaire bodemsanering
21407.001
1
INLEIDING
De Driemanschap VOF heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Bodegraafsestraatweg 163 te Gouda. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor van de bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002 en de daarin gestelde eisen.
De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001 en 2002 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE
Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 4.051 m²) is gelegen aan de Bodegraafsestraatweg 163 te Gouda (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend gemeente Gouda, sectie M, nummer 7222. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 1,0 m -NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 109.169, Y = 449.844.
21407.001 versie D1
1 / 12
3
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM
3.1 Geraadpleegde bronnen Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd op basis van de NEN 5725. In tabel 3.1 zijn de in het kader van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem geraadpleegde bronnen weergegeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische, huidige en toekomstige gebruik, eventuele calamiteiten, eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemopbouw en geohydrologie, verhardingen, kabels en leidingen. Tabel 3.1
Geraadpleegde bronnen
Onderdeel
Bron
Historisch, huidig en toekomstig gebruik
Opdrachtgever (contactpersoon: de heer Wouter Verheij ), d.d. 1 februari 2023
Bouw-/milieudossier, ondergrondse tanks, Omgevingsdienst ODMH (online tool), d.d. 15 februari 2023 calamiteiten, eerder uitgevoerd bodemonderzoek Locatiegegevens van internet: - historisch topografisch kaartmateriaal - basisregistratie grootschalige topografie - kadastrale gegevens - hoogtekaart - luchtfoto's - Google streetview - provinciale bodeminformatie - bodemopbouw - geo(hydro)logie - kabels en leidingen
www.topotijdreis.nl www.pdok.nl www.kadaster.nl www.ahn.nl webservices.gbo-provincies.nl/lufo/services/wms maps.google.nl www.bodemloket.nl maps.bodemdata.nl www.dinoloket.nl www.kadaster.nl/klic-wion
Terreininspectie
Uitgevoerd door Econsultancy, d.d. 1 februari 2023
3.2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat de onderzoekslocatie tot omstreken 1968 onbebouwd is geweest. Sinds omstreeks 1969 is de onderzoekslocatie bebouwd met een woonhuis. De locatie is grotendeels in gebruik als siertuin, behorend bij het woonhuis. Voor zover bij de Omgevingsdienst ODMH bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
21407.001 versie D1
2 / 12
Bij de Omgevingsdienst ODMH zijn geen gegevens aanwezig waaruit blijkt of er asbesthoudende materialen zijn toegepast op of in de (voormalige) bebouwing. In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven. Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie.
3.3 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens het woonhuis op de locatie te slopen en nieuwe appartementen te bouwen.
3.4 Calamiteiten Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan en zijn geen gegevens bekend dat op deze locatie, als ook in de directe nabijheid, met schuim is geblust. Ook uit informatie van de Omgevingsdienst ODMH blijkt niet, dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan.
3.5 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie Op de onderzoekslocatie zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd.
3.6 Aangrenzende terreindelen/percelen In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende terreindelen is als volgt: • aan de noordzijde bevindt zich een smal kanaal, waaraan een boomkwekerij grenst; • aan de oostzijde bevindt zich een weg grenzend aan de Reeuwijkse Plassen; • aan de zuidzijde bevindt zich een woonhuis; • aan de westzijde bevindt zich een smal kanaal, waaraan een woonwijk grenst. Op het noordelijk aangrenzende terrein is in 2017 door Geofoxx een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport 20171265/AOUW, d.d. oktober 2017). Destijds zijn er 21 boringen verricht, waarvan vier boringen (nr. 18 t/m 21) binnen 25 meter van de onderhavige onderzoekslocatie. In de mengmonsters (MM3boven en MM2), waar deze boringen deel van uit maakten, werd een licht verhoogd gehalte aan zware metalen in de grond en het grondwater aangetoond. Op het westelijk aangrenzende terrein is in 2012 door Geofoxx een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport 20121419/ARST, d.d. november 2012). Destijds zijn er 18 boringen verricht, waarvan vier boringen (nr. 3, 9, 14, 15) binnen 25 meter van de onderhavige onderzoekslocatie.
In de mengmonsters (MM2.1 en MM3.1), waar deze boringen deel van uit maakten, werd een licht verhoogd gehalte aan enkele zware metalen, PAK en bestrijdingsmiddelen in de bovengrond aangetoond.
21407.001 versie D1
3 / 12
Uit de verzamelde informatie blijkt dat er, vanwege fysieke barrières zoals slootjes en de afstand tot onderhavige onderzoekslocatie, vanuit de omliggende percelen geen grensoverschrijdende verontreinigingen te verwachten zijn.
3.7 Terreininspectie Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2. Op de onderzoekslocatie zijn geen mogelijke bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging aangetroffen. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen.
3.8 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten Met het nieuwe handelingskader is heel Nederland verdacht op het voorkomen van deze stoffen. Als bij het ontgraven of saneren sprake is van afvoer van de grond naar elders, is het voor de toepassing elders of de acceptatie bij een grondbank, verwerker of stortplaats noodzakelijk om onderzoek te doen naar PFAS. De onderzoekslocatie is met betrekking tot de bovengrond gelegen binnen de bodemkwaliteitszone "Wonen”, van het gebied waarvoor de Omgevingsdienst Midden Holland een “Nota bodembeheer” heeft opgesteld. Met betrekking tot de ondergrond is de onderzoekslocatie gelegen binnen de bodemkwaliteitszone "Wonen”.
3.9 Bodemopbouw en geohydrologie De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een bebouwd gebied, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit veen met inschakelingen van rivierklei en -zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Nieuwkoop & Formatie van Echteld. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 2,0 m -NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,0 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in noordwestelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.
21407.001 versie D1
4 / 12
4
CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET)
Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er geen sprake is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op de locatie worden geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de landelijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streefwaarde voor grondwater. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondgehalten als voor "antropogene" achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak niet eenduidig is aan te wijzen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Op basis van de resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie naar verwachting de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de locatie is. Atmosferische depositie kan leiden tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water. Indien bij het ontgraven of saneren sprake is van afvoer van de grond naar elders, is het voor de toepassing elders of de acceptatie bij een grondbank, verwerker of stortplaats noodzakelijk om onderzoek te doen naar PFAS. Op aangeven van de opdrachtgever maakt PFAS geen deel uit van onderhavig onderzoek.
21407.001 versie D1
5 / 12
5
VELDWERK
5.1 Algemeen Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat de locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten en de peilbuis. In bijlage 3 zijn de boorprofielen opgenomen.
5.2 Grondonderzoek Uitgevoerde werkzaamheden Het veldwerk is op 10 februari 2023 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer S. Luk. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". In het totaal zijn er met behulp van een edelmanboor 15 boringen geplaatst; 11 boringen tot 0,5 m -mv, 3 boringen tot maximaal 2,0 m -mv en 1 boring tot 2,1 m -mv. Deze diepe boring is afgewerkt als peilbuis, teneinde de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater te kunnen bepalen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Zintuiglijke waarnemingen De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien matig humeus. De ondergrond bestaat voornamelijk uit sterk zandig veen. Onder de klinkerverharding aan de straatkant van het perceel is op 0,5 m -mv een betonplaat aangetroffen. Ter plaatse van boring 11 (traject: 1,5 - 2,0 m -mv) is een zwakke oliegeur waargenomen. In het opgeboorde materiaal zijn verder zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. Tabel 5.1 geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen en bijzonderheden, die in het opgeboorde materiaal zijn aangetroffen.
21407.001 versie D1
6 / 12
Tabel 5.1
Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen en bijzonderheden
Boornummer
Einddiepte boring (m -mv)
Traject (m -mv)
Waargenomen verontreinigingen en bijzonderheden
11
2,0
1,5-2,0
zwakke oliegeur
5.3 Grondwateronderzoek Uitvoering veldwerk Centraal op de onderzoekslocatie is een peilbuis (filterstelling 1,1-2,1 m -mv) geplaatst. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 10 februari 2023 is ingeschat. Bemonstering De grondwaterbemonstering is op 17 februari 2023 uitgevoerd door de heer S. Luk. Deze medewerker van bedrijf Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". De bemonstering is uitgevoerd conform de NEN 5744:2011. Tabel 5.2 geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen. Tabel 5.2
Overzicht gegevens peilbuis en veldmetingen grondwater
Peilbuisnummer
Situering peilbuis
Filterstelling (m -mv)
Grondwaterstand (m -mv)
Elektrisch Geleidingsvermogen (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
Zuurgraad (pH)
07
centraal op onderzoekslocatie
1,1-2,1
1,00
972
86,6
6,7
6
LABORATORIUMONDERZOEK
6.1 Uitvoering analyses Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. De grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: -
standaardpakket grond: droge stof, lutum en organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;
21407.001 versie D1
7 / 12
-
minerale olie grond: droge stof, organische stof en minerale olie;
-
standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie.
Tabel 6.1 geeft een overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten. Tabel 6.1
Overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten
Grondmengmonster
Traject (m -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
M11-4
11 (1,50 - 2,00)
minerale olie
ondergrond (zwakke oliegeur)
MM1
01 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,45) 04 (0,07 - 0,45) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50)
standaardpakket
bovengrond (zintuiglijk schoon)
MM2
08 (0,07 - 0,45) 09 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,45) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50)
standaardpakket
bovengrond (zintuiglijk schoon)
MM3
01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,50) 01 (1,50 - 2,00) 07 (0,90 - 1,40) 07 (1,40 - 1,50) 07 (1,50 - 2,00)
standaardpakket
ondergrond (zintuiglijk schoon)
6.2 Toetsingskader De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Dit toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toetsingstabel en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus: -
achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;
-
streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht;
21407.001 versie D1
8 / 12
-
tussenwaarde: deze waarde ("T") is de helft van de som van de achtergrondwaarde (of in het geval van grondwater de streefwaarde) en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat;
-
interventiewaarde: deze waarde ("I") geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de interventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of interventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolgonderzoek meestal niet noodzakelijk.
In bijlage 5 is de toetsingstabel opgenomen uit de eerder genoemde circulaires. Deze bijlage bevat de achtergrondwaarden en de interventiewaarden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). De gemeten gehalten zijn door middel van een BoToVa-toetsing, met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. De gebruikte analysetechnieken zijn weergegeven op de certificaten in bijlage 4a. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de volgende terminologie gebruikt: Grond: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
gehalte < achtergrondwaarde en/of detectielimiet; gehalte > achtergrondwaarde en < tussenwaarde; gehalte > tussenwaarde < interventiewaarde; gehalte > interventiewaarde.
Grondwater: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
concentratie < streefwaarde en/of detectielimiet; concentratie > streefwaarde en < tussenwaarde; concentratie > tussenwaarde < interventiewaarde; concentratie > interventiewaarde.
21407.001 versie D1
9 / 12
6.3 Resultaten grond- en grondwatermonsters Tabel 6.2 geeft een overzicht van de parameters in de grond die de geldende toetsingskaders overschrijden. Tabel 6.2
Overschrijdingen toetsingskaders grond
Grond(meng)monster
Traject (m -mv)
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
(licht verontreinigd)
(matig verontreinigd)
(sterk verontreinigd)
M11-4
11 (1,50 - 2,00)
-
-
-
MM1
01 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,45) 04 (0,07 - 0,45) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50)
kwik, lood
-
-
MM2
08 (0,07 - 0,45) 09 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,45) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50)
-
-
-
MM3
01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,50) 01 (1,50 - 2,00) 07 (0,90 - 1,40) 07 (1,40 - 1,50) 07 (1,50 - 2,00)
kwik, lood
-
-
Tabel 6.3 geeft een overzicht van de parameters in het grondwater die het geldende toetsingskader overschrijden. Tabel 6.3
Overschrijdingen toetsingskader grondwater
Grondwatermonster
Situering peilbuis
Concentratie > S
Concentratie > T
Concentratie > I
(licht verontreinigd)
(matig verontreinigd)
(sterk verontreinigd)
07
centraal op onderzoekslocatie
barium
-
-
Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. Bijlage 4b bevat de getoetste analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering.
21407.001 versie D1
10 / 12
7
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES
De Driemanschap VOF heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Bodegraafsestraatweg 163 te Gouda. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien matig humeus. De ondergrond bestaat voornamelijk uit sterk zandig veen. Onder de klinkerverharding aan de straatkant van het perceel is op 0,5 m -mv een betonplaat aangetroffen. Ter plaatse van boring 11 (traject: 1,5 - 2,0 m -mv) is een zwakke oliegeur waargenomen. In het opgeboorde materiaal zijn verder zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik en lood. Ter plaatse van de bodemlaag met zwakke oliegeur is geen minerale olie aangetoond. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik en lood. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Echter, voor de omgevingsvergunning bouwen kan het raadzaam zijn om ná de sloop van de nog reeds in gebruik genomen bebouwing, bodemmonsters van de op dit moment niet bereikbare bovengrond te laten analyseren.
21407.001 versie D1
11 / 12
Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Econsultancy 24 februari 2023
21407.001 versie D1
12 / 12
Bijlage 2b Foto's onderzoekslocatie
Foto 1.
Foto 2.
Bijlage 2b Foto's onderzoekslocatie
Foto 3.
Foto 4.
Bijlage 2b Foto's onderzoekslocatie
Foto 5.
Foto 6.
Bijlage 2b Foto's onderzoekslocatie
Foto 7.
Foto 8.
Bijlage 2b Foto's onderzoekslocatie
Foto 9.
Foto 10.
Bijlage 2b Foto's onderzoekslocatie
Foto 11.
Foto 12.
Bijlage 3
Boorprofielen
Pagina 1 van 2
Profielen boringen
01
Boring: Datum veldwerk:
0
0
gras
Datum veldwerk:
1 50
10-2-2023 0
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkerzwart, Edelmanboor
50
02
Boring:
10-2-2023
gras Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkerzwart, Edelmanboor