08 De Blaauwe Haan Bijlage 1 Cultuurhistorische analyse.pdf
Tekst van het document
Kattensingel 61-69 en 47 te Gouda Een cultuurhistorische analyse
J. Dijkstra
2
Colofon ADC Rapport 5312 Cultuurhistorische analyse Kattensingel 61-69 en 47 te Gouda Auteur: J. Dijkstra In opdracht van: SENS real estate © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, 26 januari 2021 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status onderzoek: definitief Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
ISSN 1875-1067
ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel. 033-299 81 81 E-mail info@archeologie.nl
3
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding en administratieve gegevens 2 Doelstelling en methodiek 3 De huidige situatie: plangebied en directe omgeving 4 Historische achtergronden 4.1 De ontwikkeling van Gouda in het kort 4.2 Ontginningen van het veengebied ten noorden en noordwesten van Gouda 4.3 Gouda kaasstad 5 Ontwikkelingen binnen het plangebied 5.1 Periode vóór ca. 1800 5.2 Blekerij De Blaauwe Haan 5.3 Kaashandelaren aan de Kattensingel 61-69 6 Waardering van de aanwezige elementen en aanbevelingen 6.1 Cultuurhistorische waarden 6.2 Aanbevelingen Literatuur Geraadpleegde websites Lijst van afbeeldingen Bijlage 1 Ontwikkeling plangebied aan de hand van kadastrale hulpkaarten. Bijlage 2 Kaashandelcomplex 1920 uit familiearchief van Van Eijk Bijlage 3 Bouwtekeningen uit het Streekarchief Midden-Nederland
5 7 9 10 19 19 20 22 23 23 25 25 36 36 39 40 40 41 43 46 48
4
5
Samenvatting In opdracht van SENS real estate heeft ADC ArcheoProjecten een cultuurhistorische analyse uitgevoerd voor de locatie Kattensingel 61-69 en 47 te Gouda. Geschiedenis Het plangebied ligt net buiten de singel van de middeleeuwse stad Gouda in de wijk Nieuwe Park, e aan de Kattensingel. Het ligt in het Hollands-Utrechts veengebied dat in de eerste helft van de 12 eeuw is ontgonnen. De gedempte Jan Verzwollewetering die langs de noordwest rand van het plangebied liep is mogelijk al in deze periode ontstaan als kavelsloot, maar bestond zeker als e wetering rond het midden van de 14 eeuw voor het afvoeren van het water uit de polder Bloemendaal. Na de demping rond 1935 is het tracé van de wetering een open structuur gebleven. e Lange tijd liggen in het gebied tussen de singel en de wetering tuinen. Vanaf de 18 eeuw e verschijnen hier ook blekerijen. De bebouwing neemt vanaf de 19 eeuw toe. Het wordt een wijk met woningen, industrie en bedrijvigheid. Binnen het plangebied zijn tot 1889 verschillende blekerijen gevestigd. In dat jaar koopt de firma Van Eijk, kaashandel, de blekerij met de naam De Blaauwe Haan. Van Eijk behoudt de naam. Het bedrijf zou uitgroeien tot één van de grootste kaashandelaren van Gouda als N.V. Kaashandel Maatschappij “Gouda”. Groei van het bedrijf betekende uitbreiding met kaaspakhuizen, kistenmakerijen, wagenloodsen, kantoren en dergelijke.
Vaak werd gebruik gemaakt van dezelfde architecten, waarvan H.J. Nederhorst en D. Stuurman terugkerende namen zijn. In 1972 houdt de Kaashandel Maatschappij op te bestaan. De eigendommen worden eerst verhuurd en later verkocht aan de NCZ. In 1989 wordt het gehele complex verkocht aan Kaashandel Paul, die het in de periode 2013-2017 verhuurt aan kaashandel De Producent. Vanaf 2018 staat het complex leeg. Waardering De gedempte Jan Verzwollewetering en de huidige rooilijn van de Kattensingel hebben als historische structuren een hoge cultuurhistorische waarde. Aan de interne en externe samenhang van het complex (ensemble, verbindingen, opzet grotendeels rekening houdend met oude perceelsgrenzen, continuïteit in naam) is een positieve cultuurhistorische waarde toegekend. Het pand dat is gebouwd in expressionistische stijl in 1936 en waar lange tijd een melkcontrolestation was gevestigd heeft een hoge cultuurhistorische waarde. Positieve cultuurhistorische waarden zijn toegekend aan de gebouwen die zijn gebouwd in 1921 en 1927. Indifferente cultuurhistorische waarden zijn toegekend aan de overige gebouwen binnen het complex. Alleen aan de aanbouw aan het pand uit 1936 en de ruïne in het zuidelijk deel van het plangebied zijn negatieve cultuurhistorische waarden toegekend.
Aanbevelingen Geadviseerd is de gedempte Jan Verzwollewetering die buiten het plangebied en gedeeltelijk er binnen ter hoogte van het pand uit 1936 herkenbaar is als open zone of open strook, als open structuur te behouden, evenals de eeuwenoude rooilijn van de Kattensingel. Geadviseerd wordt het karakteristieke pand gebouwd in 1936 in expressionistische stijl te behouden en het een nieuwe functie te geven. Geadviseerd wordt het thema kaas voort te laten bestaan in het nieuwbouwplan. De eerste aanzet is er al aangezien de nieuwe wijk De Blaauwe Haan zal heten. Tevens kan worden gedacht aan het laten terugkomen van architectuur van gebouwen van het kaashandelcomplex in de nieuwbouw. Geadviseerd wordt de verbinding met het Van Bergen IJzendoornpark park en de later ontstane verbinding met de stad te behouden, of wel de verbinding/zichtlijn park-stad op te nemen in het nieuwbouwplan. Geadviseerd eerst nader bouwhistorisch onderzoek te laten verrichten voordat over gegaan wordt tot sloop van de panden. Dit advies geldt voor de panden die voor 1940 zijn gebouwd.
6
Afb. 1 Locatie plangebied.
7
1
Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van SENS real estate heeft ADC ArcheoProjecten een cultuurhistorische analyse uitgevoerd voor de locatie Kattensingel 61-69 en 47 te Gouda. Het plangebied ligt grotendeels op een binnenterrein van het bouwblok dat omsloten wordt door de Kattensingel, de Van Swietenstraat, de Crabethstraat en de Van Beverninghlaan (afb. 1). Aan de buitenrand van het bouwblok liggen de panden Kattensingel 61-69 waar zich ook de hoofdingang bevindt(afb. 2). Andere toegangen tot het binnenterrein liggen ter hoogte van Kattensingel 47 (aan de zuidoost zijde) en de Van Beverninghlaan 13 (aan de noordwest zijde). Het terrein is ruim een eeuw lang eigendom geweest van kaashandelaren die een rol hebben gespeeld in de Goudse kaashandel. Het plangebied valt binnen Bestemmingsplan Nieuwe Park Wonen uit 2010. In het kader van de plannen voor de bouw van nieuwe grondgebonden woningen en appartementen is voor het huidige plangebied een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. De Nota Cultuurhistorie 2004 van de gemeente Gouda schrijft voor dat bij grootschalige ontwikkelingen een Cultuurhistorische Analyse (CHA) opgesteld wordt waarin de aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied in kaart worden gebracht (art. 19 lid 1 en 2 afwijking bestemmingsplan).
Voor het gehele plangebied Nieuwe Park Wonen is een CHA voorgeschreven bij nieuwe (ingrijpende) ontwikkelingen. In het Bestemmingsplan Nieuwe Park Wonen wordt de Jan Verzwollewetering die door het noordwestelijk deel van het huidige plangebied heeft gelopen als waardevolle structuur genoemd. Daarnaast maakt een strook van ca. 50 m breed langs de Kattensingel en dus ook in het plangebied deel uit van het gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht (afb. 3).1 Deze strook ligt in zone C. Doel van de aanwijzing is: “de karakteristieke met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als een zwaar belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied. De bescherming is in de C-zone met name gericht op het belang van het stratenpatroon en het patroon van watergangen in samenhang met de schaal van de bebouwing.” De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is niet bedoeld om de bestaande toestand in al zijn facetten te ’bevriezen’. Samen met de Erfgoedvisie (2013) vormt de Nota Cultuurhistorie het cultuurhistorisch beleidskader voor de toetsing en begeleiding van bouwinitiatieven.
Afb. 2 Kattensingel 61-69. Huidige bebouwing (gebouwd 1970).
1
Het Beschermd stadsgezicht omvat de middeleeuwse stad Gouda met de grachten en de bebouwing aan de buitenzijde van de singels. Als zodanig aangewezen in 1979.
8
Afb. 3 Een deel van het plangebied ligt binnen een gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart valt het plangebied binnen een zone met een hoge archeologische verwachting. Dit betekent dat bij projecten met een oppervlakte groter dan 2 100 m en een bodemverstoring dieper dan 50 cm onder maaiveld een archeologievergunning nodig is. Archeologisch onderzoek is reeds uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek door Bureau voor Archeologie.2 Daarom vormt het nu geen onderdeel van deze cultuurhistorische analyse. De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: Opdrachtgever:
Goedkeuring door bevoegde overheid (gemeente Gouda) Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie: ADC-projectcode: Auteur: Periode van uitvoering:
2
De Boer 2020.
SENS real estate Contactpersoon dhr. A.K.T. Briels WTC – The Hague Toren E – 21ste verdieping Prinses Beatrixlaan 582, 2595 BM, Den Haag Tel. 070 2390150 E-mail: t.briels@sensrealestate.nl
Kattensingel 61-69 en 47 Gouda Gouda Zuid-Holland 4220794 J. Dijkstra oktober-november 2020
9
2
Doelstelling en methodiek Met deze cultuurhistorische analyse wordt inzicht gegeven in de aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied en de directe omgeving daarvan. Conform het gemeentelijk beleid dient deze CHA als basis voor het onderdeel cultuurhistorie in het te wijzigen bestemmingsplan en dienen de aanwezige cultuurhistorische waarden als inspiratiebron te worden benut bij de toekomstige inrichting en nieuwbouw van het gebied. Bij de analyse is gewerkt conform de Richtlijn voor het opstellen van Cultuurhistorische onderzoeksrapportages in Gouda (B02c. Richtlijn CHA, Gemeente Gouda, versie 2019). Bij het onderzoek zijn diverse bronnen geraadpleegd: Bestaande literatuur over de geschiedenis van Gouda (zie literatuurlijst achter in dit rapport); De cultuurhistorische basiskaart Gouda (CHBK); Huidig bestemmingsplan Nieuwe Park Wonen; Streekarchief Midden-Holland; Archeologische Vereniging Golda; Historische Vereniging Die Goude; Diverse historische en topografische kaarten; Diverse websites (zie lijst achter in het rapport); Op 23 en 29 oktober 2020 hebben veldbezoeken plaatsgevonden. Het complex is daarbij zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant geïnventariseerd. Binnen waren niet alle bouwdelen toegankelijk (bijvoorbeeld delen van de voormalige kistenmakerij gebouwd in 1912/27). Die dagen is tevens het Streekarchief Midden-Holland bezocht.
Van zowel het plangebied als van de directe omgeving zijn foto’s genomen. Gesproken is met de volgende personen: dhr. Hofman van de gemeente Gouda; dhr. H. Verwey van de Archeologische Vereniging Golda, dankbaar is gebruik gemaakt zijn bibliotheek; mevr. M. Strating die werkt aan een overzicht van het oeuvre van de architect D. Stuurman; dhr. H.J. Hulst, één van de huidige eigenaren van het complex. Tijdens de analyse zijn verschillende kaartlagen over elkaar heen gelegd, waarbij de huidige topografie als ondergrond is gebruikt. Met behulp van diverse kadastrale en topografische kaarten e daterend vanaf 1811-32 tot in de jaren 80 van de 20 eeuw is een goed beeld verkregen van de ontwikkeling van het plangebied en directe omgeving. De kaartlagen binnen de CHBK met rijksmonumenten, gemeentelijk monumenten en monumenten van de Jongere bouwkunst en de inventarisatie van naoorlogse architectuur en stedenbouw hebben een meer gedetailleerde invulling aan die bebouwing gegeven. Met behulp van literatuur is de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied en de huidige bebouwing aangevuld.
De volgende onderdelen komen na dit hoofdstuk aan de orde: een beschrijving van het huidige plangebied en de directe omgeving, een korte schets van de geschiedenis van Gouda, de veenontginningen en de kaashandel, de ontwikkelingen binnen het plangebied en een waardering van de aanwezige elementen (de cultuurhistorische waarden). Tot slot volgen aanbevelingen.
10
3
De huidige situatie: plangebied en directe omgeving
3
Het plangebied ligt in de wijk Nieuwe Park ten noordwesten van de middeleeuwse stadskern van Gouda. De randen van deze wijk aan de Kattensingel werden eeuwenlang gebruikt als tuinen. e e Vanaf de late 18 eeuw kwamen hier lijnbanen en blekerijen om in de 19 eeuw deels te worden vervangen door industrie als een machinefabriek, een zeepfabriek en een stoomblekerij. Het werd een wijk met veel bedrijvigheid, maar het had tegelijkertijd ook een woonfunctie. In de huidige wijk worden moderne bedrijvigheid (kantoorgebouwen vooral nabij het station), wonen, zorg, onderwijs en recreatie (Van Bergen IJzendoornpark) gecombineerd. Industrie is inmiddels uit de wijk verdwenen. Binnen het plangebied zelf liggen geen toegewezen monumenten, maar wel in de directe omgeving aan de Crabethstraat, waar de oudste woningen dateren rond 1880, aan de Van Beverninghlaan (bebouwing vanaf 1905) en de Van Swietenstraat (afb. 4). De Van Beverninghlaan ligt langs het Van Bergen IJzendoornpark dat is aangelegd in 1901 en in 2003 tot gemeentelijk monument is aangewezen. Rondom het plangebied zijn verschillende bouwstijlen waar te nemen, daterend uit de periode van het ontstaan van de straten binnen deze wijk: neorenaissance (Kattensingel 33), eclectische stijl (Crabethstraat 11), Jugendstil (Van Beverninghlaan 14-23), Amsterdamse School (Van Beverninghlaan 30).
Afb. 4 Rijks- en gemeentelijke monumenten nabij het plangebied. Daarnaast zijn verschillende panden gerekend tot de Jongere Bouwkunst B en C (potentieel beeldbepalende panden conform de CHBK). 3
In de bijlage 1 is een fotoserie opgenomen van de huidige bebouwing langs de Kattensingel en van de huidige toestand op het binnenterrein.
11
Een deel van het plangebied is bebouwd met kantoorgebouwen, werkplaatsen en kaaspakhuizen e van verschillende kaashandelaren die hier vanaf de late 19 eeuw gevestigd waren, een deel is onbebouwd. Het gebouwencomplex was eerder groter en strekte zich uit tot aan de zuidwestrand van het huidige plangebied. De laatste gebouwen (grote loodsen) zijn in de periode 2013/2014 gesloopt. Hierin was tot kort voor de sloop een kringloopwinkel gevestigd. Langs de noordwest rand van het plangebied liep de Jan Verzwollewetering die nu nog herkenbaar is als een open strook achter de schuren van de huizen aan de Van Beverninghlaan. Deze is deels bekleed met stelconplaten en deels begroeid met riet, een wilg en diverse opslag (afb. 5). De open structuur, een historisch-landschappelijke lijn, loopt aan weerszijden door buiten het plangebied.
Afb. 5 De open strook aan de noordwest zijde van het plangebied. Boven: kijkend naar het zuidwesten; onder: kijkend naar het noordoosten.
12
De gebouwen Binnen het huidige kaashandelcomplex op het noordoostelijk deel van het plangebied bevinden zich gebouwen uit diverse bouwperioden die in de loop der tijd aaneengeschakeld zijn. Het oudste pand is een driebeukig gebouw dat oorspronkelijk is gebouwd als kistenmakerij in 1912/1913.4 De architect is H.J. Nederhorst jr. Het gebouw is nog goed herkenbaar aan de drie kappen (afb. 6). In de loop der jaren zijn raampartijen in het dak vervangen en is ventilatie op het dak aangebracht (vergelijk de huidige situatie met bijvoorbeeld de luchtfoto uit 1930, afb. 25 in hoofdstuk 5). Ook is een deel van de houten draagconstructie vervangen door een betonnen constructie (afb. 6 rechtsonder). De oorspronkelijk ronde vensters boven de ingangen zijn verdwenen om ventilatiesystemen te kunnen aanbrengen (vergelijk de bouwtekening in bijlage 4). De zuidoost gevel is verdwenen bij de verbouwing in 1970. In hoeverre de ingangspartijen aan de noordwest gevel nog aanwezig zijn kon niet worden waargenomen. In de zuidwest gevel bevinden zich enorme scheuren door verzakking. Vóór of rond 1948 is de noordwest hoek van het pand ingekort en is hier een rechthoekig bouwdeel met plat dak geplaatst. Dit bouwdeel is namelijk te zien op een luchtfoto die gemaakt is na 1948 (afb. 26 in hoofdstuk 5). Mogelijk was dit het ketelhuis, gezien de aanwezigheid van een hoge schoorsteen.
Ook nu nog zijn afvoeren aanwezig.
Afb. 6 De voormalige kistenmakerij van binnen en buiten. De vermoedelijk oorspronkelijke dakdragende constructie is deels aanwezig (nu beschermd met metalen buizen) en deels is deze vervangen door een betonnen draagconstructie (foto rechtsonder, op de achtergrond). De rechthoekige aanbouw aan de voorzijde dateert uit dezelfde periode als de nieuwbouw van het kaaspakhuis in 1970 (foto rechtsboven).
4
Blauwdruk aanwezig in Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer 0468-2463. De bouwtekening was onderdeel van de aanvraag bouwvergunning in juli 1912.
13
In 1921 is ten noordoosten van de kistenmakerij een kaaspakhuis gebouwd als driebeukig gebouw met een flauwe dakhelling (afb. 25 en afb. 7 en 8).5 Omdat dit pand nu helemaal is ingebouwd, is de buitenkant, en dan slechts het dak, alleen zichtbaar vanuit de verdieping van andere gebouwen. Het is niet duidelijk of de oorspronkelijke gevels aan de kopse kanten van het gebouw nog aanwezig zijn. Door aansluiting met later gebouwde panden zal hier mogelijk niet veel van bewaard zijn De oorspronkelijke draagconstructie is nog aanwezig, deze wordt gevormd door vakwerkkolommen en vakwerkliggers gecombineerd met stalen trekstangen.
Afb. 7 Zicht op het (grijze) dakvlak van het kaaspakhuis uit 1921. Links kijkend richting Kattensingel, rechts kijkend richting het pand gebouwd in 1936.
Afb. 8 Kaaspakhuis gebouwd in 1921. De draagconstructie is uitgevoerd met vakwerkkolommen en vakwerkliggers. Tussen het kaaspakhuis uit 1921 en de kistenmakerij uit 1912/13 staat een tweebeukig gebouw, in 1927/28 gebouwd als uitbreiding van de bestaande kistenmakerij (afb. 9 en 10).6 De architect is D. Stuurman. In ieder geval een deel van de oorspronkelijke gevels is nog aanwezig en deze zijn ook alleen te zien vanuit de omliggende panden. De noordwest gevel is later doorbroken om een nieuwe ingang te creëren (afb. 9 links). In de zuidoost gevel is op de verdieping de oorspronkelijke oostelijke gevelopening met kozijn en dubbele deuren nog aanwezig (afb. 9, rechts). De westelijke gevelopening is hier gedeeltelijk dichtgezet (afb. 10 linksonder). In de lange gevels zijn op de verdieping de oorspronkelijke vensters nog aanwezig (afb. 10, beide rechts). Het heeft spantconstructie in de vorm van enkelvoudige hangwerken (hangkappen, afb. 10 , linksonder). Tussen de twee kappen bevindt zich een zakgoot.
5
Blauwdrukken aanwezig in Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer 0468-3303, het pakhuis is ontworpen en gebouwd door D. Blankevoort en Zn uit Bloemendaal (NH). 6 Blauwdruk aanwezig in Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer 0468-4212. De bouwtekening was onderdeel van de aanvraag bouwvergunning in 1927.
14
Afb. 9 Uitbreiding kistenmakerij 1927/28. Links een deel van de noordwest gevel, gezien vanuit het gebouw uit 1936; rechts een deel van de zuidoost gevel, gezien vanuit het kaaspakhuis uit 1969/70.
Afb. 10 Voormalige kistenmakerij 1927 (uitbreiding). Linksboven: zuidoost gevel; rechtsboven: noordoost gevel; linksonder: spantconstructie in de vorm van een enkelvoudig hangwerk, kijkend naar het zuidoosten; rechtsonder: zuidwest gevel.
15
Parallel aan de gedempte Jan Verzwollewetering staat een in steen gebouwd kantoorgebouw met werkruimte (afb. 11). De eerste steen voor dit gebouw werd gelegd in 1936.7 Het gebouw is opgetrokken in expressionistische stijl (de term baksteenexpressionisme wordt ook wel gehanteerd). Deze stijl komt vooral tot uitdrukking bij de verhoogde ingangspartij en het werkgedeelte. Samenhang met het kantoorgedeelte is verkregen door het doorzetten van de toepassing van uitkragende lateien, de dakgoten met ruime overstek en doorlopend metselwerk. De vooruitspringende ingangspartij valt op met ter hoogte van het trappenhuis de gevelindeling met vier verticale ramen met stalen roeden en de dakrand voorzien van vormstenen. Het werkgedeelte heeft in de gevel zowel een verticale als een horizontale belijning, waarbij deze laatste benadrukt wordt door de uitkragende lateien. Ook hier zijn stalen ramen aangebracht.
Afb. 11 Kantoorgebouw met werkruimte uit 1936. De onderste foto’s zijn enige jaren geleden gemaakt door dhr. R. Hofman (gemeente Gouda).
7
Familie archief Van Eijk. Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer Varia 397, deel chronologie, p. 49.
16
Het pand heeft een architectonisch vormgegeven ruim trappenhuis (afb. 11). Aan de zuidwest gevel zijn enkele bouwsporen te zien, vooral rondom de kozijnen. De ronde opening in de nok is waarschijnlijk later aangebracht, het gat lijkt er in gezaagd. De dakkapellen op het zuidoostelijk dakvlak zijn een latere toevoeging (datering onbekend). De aanbouw aan de noordkant dateert mogelijk uit 1980 toen een verbouwing heeft plaatsgevonden.8 Aan de noordoost gevel van het gebouw is een overkapping gemaakt. Beide hebben de jaren 30 gevel aan deze zijde ontsierd, de oorspronkelijke gevel achter de aanbouw is nog behouden. Bij het gebouw is sprake van achterstallig onderhoud. Hoewel bouwtekeningen (vooralsnog) niet te vinden zijn, heeft het gebouw typische karaktertrekken die je in het werk van D. Stuurman ziet en het kan goed een ontwerp van hem zijn. Daarbij was hij niet een vreemde voor de Kaashandel Maatschappij ‘Gouda’, hij had al eerder een ontwerp gemaakt. De wijze van baksteengebruik, betonnen lateien, raamstroken onder de dakrand en smalle verticale ramen zijn ook terug te vinden bij panden aan de Turfmarkt 30-32 (voormalig bankgebouw, nu rijksmonument) en de Blauwstraat 15 (woonhuis) die zeker van de hand van D. Stuurman zijn (zie hoofdstuk 5).9 Dit maakt het pand uit 1936 op het kaashandelcomplex mede een architectonisch bijzonder gebouw.
In het gebouw was lange tijd een melkcontrolestation gevestigd voor de keuring van de melk uit de regio. Enkele jaren na de overname van het gebouwencomplex door Kaashandel Paul in 1989 is het melkcontrolestation vertrokken.10
Afb. 12 In 1970 is een groot deel van de oude gebouwen gesloopt, zodat een nieuw kaaspakhuismet kantoren aan de kattensingel gebouwd kon worden. De foto van de bouw komt uit het familiearchief van Van Eijk (Streekarchief Midden-Holland Varia 387, Band C). 8 9
Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer 0468-11841 (verbouwen van het melkcontrolestation). Met dank aan M. Strating die samen met B. van den Berg onderzoek verricht naar het werk van D. Stuurman. Mondelinge mededeling H.J. Hulst (samen met H. Paul eigenaar van het complex).
10
17
Het grootste gebouw binnen het plangebied is het kaaspakhuis met kantoren aan de straatzijde dat is gebouwd in 1970 (afb. 12). Het is ontworpen binnen het architectenbureau Nieuwland en van de Vegte uit Leeuwarden.11 Het gebouw heeft een rationele, functionele opzet. De paddenstoelvloer van de verdieping wordt gedragen door betonnen pijlers en zuilen. Op deze vloer is in het pakhuisgedeelte een stalen constructie gemaakt waarop het platte dak rust. Het is een manier van bouwen waarbij efficiënt met materiaal omgegaan kan worden en die tevens kostenefficiënt is. De muren van de begane grond van het pakhuis zijn uitgevoerd in gele baksteen, daarboven bevindt zich op de verdieping plaatmateriaal als wandafwerking. Het kantoorgedeelte is uitgevoerd in rode baksteen. Aan de straatzijde is de gevel voorzien van raampartijen gevat in uitkragende betonnen randen die ernstig kampen met betonrot. Enige decoratie is aangebracht op de borstweringen met strips van natuursteen. Het pand heeft verder geen architectonische bijzonderheden.
Overige gebouwen
Afb. 13 Kijkend naar het zuidoosten. De onderste foto is enige jaren geleden gemaakt door dhr. R. Hofman (gemeente Gouda). Aan de randen van het plangebied bevinden zich nog enkele gebouwen en een ruïne. Aan de zuidoost rand (achter Kattensingel 54-59) staan van links naar rechts op afbeelding 13 een elektriciteitshuisje, een kantoorgebouw of werkplaats met plat dak en een werkplaats met sheddak. Vermoedelijk is het gebouw met plat dak gebouwd voor 1923 (bepaald aan de hand van de kadastrale hulpkaarten en wat betreft opzet en detaillering past dat, bouwtekeningen zijn niet gevonden); het gebouw ernaast zal zeer waarschijnlijk zijn aangepast na de sloop van aanpalende gebouwen (zie ook hoofdstuk 5). Het elektriciteitshuisje dateert van kort voor 1929 (bepaald aan de hand van de kadastrale hulpkaarten). De panden bevatten geen bijzondere architectonische kwaliteiten, maar ze maken wel deel uit van het kaashandelcomplex. De ruïne staat langs de toegang vanuit Kattensingel 47.
11
Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer 0468-9279.
18
Afb. 14 Kijkend naar het noordoosten. Op de voorgrond de werkplaats van afb. 12.
Afb. 15 De ruïne langs de toegang vanaf Kattensingel 47.
19
4
Historische achtergronden 4.1
De ontwikkeling van Gouda in het kort
Gouda is ontstaan aan de rivier de Gouwe en ligt in het Utrechts-Hollands veengebied. De Gouwe was oorspronkelijk een veenrivier via welke overtollig water uit het veengebied werd afgevoerd naar de Hollandse IJssel.12 De oudste kern van Gouda bevindt zich nabij de samenkomst van beide rivieren en lag dus op een gunstige plek van waaruit via de verschillende waterwegen contacten onderhouden konden worden met nabij gelegen regio’s en verder weg gelegen landsdelen. Gouda kon zich zo ontwikkelen tot regionaal centrum.
Bloemendaal
Gouda
Afb. 16 De huidige topografie met de oudste kernen Bloemendaal en Gouda en de ontginningsassen en -richtingen. De ontwikkelingskaarten zijn afkomstig van de CHBK.
e
De oudste kern waar bewoning is vastgesteld vanaf het midden van de 12 eeuw bevindt zich ter hoogte van de huidige St. Janskerk en het gebied ten zuiden en oosten hiervan (afb. 16). Hier lagen het adellijk hof van de Heren Van der Goude, een motte met voorhof en een bij het hof e horende kapel ter hoogte van de huidige kerk. Rond het midden van de 13 eeuw werd in de binnenbocht van de Gouwe de Haven aangelegd, een open verbinding met de Hollandse IJssel. Vermoedelijk is dit gebeurd toen Dirk van der Goude stadsheer was (genoemd in 1243), in samenspraak met de toenmalige graaf Willem II van Holland. Gouda kreeg in 1272 stadsrechten van Graaf Floris V. Vanwege de economische activiteiten langs de Haven nam het belang van e e Gouda als havenstad in de 13 en 14 eeuw steeds verder toe. Tevens vond door de graven van 12
Abels 2002, 15-16.
20
e
Holland controle op de waterwegen plaats via het heffen van tol. In het midden van de 14 eeuw is de omwalling met grachten en stadsmuren aangelegd (inclusief de latere Kattensingel), die tot in de e 19 eeuw de begrenzing van de stad vormde. e Tot ver in de 19 eeuw was de bewoning in Gouda geconcentreerd binnen de singels. Net buiten Gouda woonde men langs uitvalswegen en bijvoorbeeld langs de Bloemendaalseweg, het oude e e ontginningslint. Uitbreiding van de stad vond vooral plaats vanaf de late 19 en 20 eeuw.
4.2
Ontginningen van het veengebied ten noorden en noordwesten van Gouda
Op initiatief van de Bisschop van Utrecht werd met de ontginning van het Hollands-Utrechts e veengebied begonnen in de tweede helft van de 11 eeuw. Door de groei van de bevolking waren meer landbouwgronden nodig en het drogere klimaat maakte het veen begaanbaar en geschikt voor ontginning. Gouda ligt op het grensgebied van eigendommen van de Graven van Holland en van de Bisschop van Utrecht. Door het ontginnen van woeste gronden probeerden beide partijen hun economische en militaire macht uit te breiden. Met de ontginning van Bloemendaal waarbinnen het plangebied ligt, werd waarschijnlijk al vóór 1139 begonnen. In het jaar 1139 schenkt de Bisschop van Utrecht namelijk ‘het nieuwe land’ langs de Gouwe aan het kapittel van Oudmunster.13 Waarschijnlijk betreft het de ontgonnen gebieden in het zuidelijk deel van Bloemendaal.
a
Afb. 17 Kaart van H. Verschuur Jzn uit 1812 waarop de ontginningsstructuren goed zichtbaar zijn. Overgenomen uit Van Dasselaar 1997, 24. a = Gouwe, b= Hollandse IJssel, c = Winterdijk, d = Kleiweg (nu Bloemendaalsweg/Ridder van Catsweg), e = Oude Gouwe, f = Omloopkade, g = Ree of Reekade, h = Uitweg (nu A12).Het plangebied ligt net buiten de oude stadskern van Gouda (binnen de rode rechthoek).
13
Akkerman et al. 1997, 45.
21
De nieuwe ontginningen werden meestal geleid door een vooraanstaande koper, locator genoemd. Deze locator trad op namens de kolonisten. Veengebied werd aan kolonisten voor ontginning uitgeven. Bij de systematische uitgifte werd in eerste instantie alleen de breedte van de te ontginnen percelen vastgesteld, deze bedroeg 100 tot 150 meter. De lengte van de percelen was vrij, de e ontginner had het recht van ‘vrije opstrek’. In de tweede helft van de 11 eeuw werd een standaardmaat ingevoerd voor de percelen, zo ook in Bloemendaal. In de cope, het ontginningscontract, waren de voorwaarden vastgelegd. We spreken daarom ook wel van copeontginningen. Bij een cope-ontginning bedroeg de diepte van de opstrek meestal 6 voorling, wat overeenkomt met 1250 tot 1300 meter en de afstand tussen de sloten onderling bedroeg 30 roeden, ongeveer 110-112 meter. Zo ontstonden ontginningseenheden met een vaste oppervlakte van 16 morgen, ongeveer 14-15 hectare. Deze eenheid, tevens de bedrijfsomvang, werd ook hoeve genoemd.14 In later tijd werden percelen verdeeld in kleinere, smallere eenheden, getuige de kaart van 1812 (afb. 17). Elke kolonist kreeg een eenheid (hoeve) om te ontginnen en bouwde een boerderij aan de voorzijde, aan de ontginningsas. Ten noordwesten van de stad Gouda vormde de Gouwe de ontginningsbasis van waaruit gebieden aan beide zijden van de rivier werden ontgonnen.
Haaks op de rivier werden evenwijdige ontwateringssloten gegraven tot aan een achterkade. De latere Jan Verzwollewetering die door het noordwestelijk deel van het plangebied heeft gelopen, is zeer waarschijnlijk ontstaan als een dergelijke ontwaterings- of kavelsloot. Ten noordoosten van de Gouwe vormde de nu grotendeels verdwenen Winterdijk een ontginningsbasis (afb. 17). In de buurt Nieuwe Park is het tracé van de Winterdijk nog aanwezig; alleen het deel vanaf Van Bergen IJzerdoornpark tot aan de Kattensingel heeft de naam Van Strijenstraat gekregen. Ten noordoosten van de Winterdijk lag ook een ontginningsas, ter hoogte van de latere Bloemendaalseweg/Ridder van Catsweg. In de periode waarin de eerste Heren van der Goude het adellijk hof bewonen moet aan deze as een (kleine) woonkern hebben gelegen ter hoogte van het Ridderpad (afb. 16). De bewoners zullen betrokken zijn geweest bij de ontginningen van dit deel van Bloemendaal. Binnen deze bewoningskern was zelfs een kerk met kerkhof aanwezig. 15 Na de ontginning van het veen werden de gronden gebruikt als landbouwgrond en voor het weiden van vee. De boeren hadden een gemengd bedrijf. Door inklinking en oxidatie van het veen werd het gebied echter steeds natter, waardoor maatregelen getroffen moesten worden in de waterhuishouding.
Afb.18 Kaart uit de periode 1875-85 met daarop de weteringen buiten de stadsgracht. Het plangebied ligt binnen de rode rechthoek. 14 15
Denslagen 2001, 55-56. Akkerman et al. 1997, 45.
22
In 1331 werd een heemraadschap gevormd bestaande uit Bloemendaal en enkele omliggende gebieden (Bloemendaal is de oudste polder van Hoogheemraadschap Rijnland). Afwatering van de polder Bloemendaal vond plaats via een wetering naar de Hollandse IJssel. Deze werd echter na de aanleg van de stadsgrachten rond 1350 afgesneden waardoor een nieuw systeem van sloten en weteringen aangelegd moest worden om het water naar de IJssel af te voeren.16 Deze stadsgrachten hadden namelijk een ander peil en konden niet zomaar voor de afwatering worden gebruikt. Eén van de weteringen is de Jan Verzwollewetering die tot 1935 langs de noordwestrand binnen het plangebied liep (afb. 18).17 Deze begon bij het jaagpad langs de Gouwe en sloot daarna aan op de naar het zuiden afwaterende sloot langs de Winterdijk. Vervolgens liep de wetering buiten de stad om, parallel aan de Kattensingel, de Bleekerssingel en de Fluwelensingel door naar de IJssel. Om waterdoorvoer naar de rivier mogelijk te maken is rond 1350 een nieuwe Bloemendaalse sluis in de Goejanverwelledijk aangelegd. Aan de oostzijde van de stad heet de wetering de Kolfwetering.
4.3
Gouda kaasstad
Rondom Gouda was de melkveehouderij de belangrijkste bron van bestaan. Vanaf het einde van e de 15 eeuw begon de kaashandel zich in Gouda te concentreren. Voor die tijd werden kazen van de zelfkazende boeren uit de regio verhandeld op de Stolwijkse kaasmarkt die in 1412 werd verplaatst naar Schoonhoven en weer later dus naar Gouda. Van de Graven van Holland had Gouda waag- en marktrechten gekregen en op basis hiervan was het de boeren verboden om hun producten buiten de stad te verkopen. De vraag naar kaas was groot en werd al rond het midden e van de 16 eeuw ook naar de markt in Antwerpen vervoerd. De houten waag voldeed niet meer en is in 1668 vervangen door de huidige stenen waag, ontworpen door Pieter Post. Vooral vanaf de e latere 19 eeuw nam de zuivelproductie en daarmee de productie van kaas een enorme vlucht. Boerenkazen werden een aantal weken na de productie op de boerderij naar de stad gebracht om verder te rijpen in pakhuizen. Kaashandelaren en coöperaties hadden diverse kaaspakhuizen verspreid over de stad, maar ook elders in het land. Eén van de grootste handelshuizen was de Kaashandel Maatschappij “Gouda”, met kantoren en hoofdmagazijnen aan de Kattensingel vanaf 1889 (zie ook paragraaf 5.3).
Deze Kaashandel groeide uit tot een grote, modern geleide onderneming met pakhuizen door heel Nederland, een eigen binnenvaartvloot en een belangrijke afzet in Zuid-Amerika en Zuid-Afrika. Deze kaashandel verwierf uiteindelijk ook de kaasfabriek Oud-Holland in Bodegraven. De nadruk bleef echter liggen op de zelfgemaakte kazen vanuit heel Zuid-Holland werden ingekocht.18 De grootste coöperatie van Gouda was en is nog steeds De Producent, de eerste zuivelcoöperatie in Nederland die in 1915 is opgericht als ‘De Coöperatieve Kaasproducenten Vereeniging tot Export van Volvette Goudsche Kaas onder Rijksmerk’.19 De kaasproducerende boeren van deze coöperatie wilden zelf de verkoop van hun kaas regelen onder het keurmerk ‘volvette boerenkaas’. Later werd niet alleen in kaas en melk gehandeld, maar ook in veevoer en eieren. Daarnaast had de coöperatie ook een eigen spaarbank en vervoersafdeling. Het eerste pakhuis stond aan de Keizerstraat. Deze was al gauw te klein zodat de coöperatie in 1916 een stuk grond kocht aan de Wachtelstraat. Naar ontwerp van architect P.D. Stuurman zijn hier pakhuizen gebouwd. Het succes van de coöperatie blijkt wel uit het aantal leden: bij de start 33 en in 1918 al 527 leden! Afgezien van een terugslag tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de coöperatie succesvol.
In 1940 werd besloten tot de oprichting van een zelfstandige kaasfabriek, maar er bleef een strikte scheiding tussen de handel in boerenkaas en de productie van fabriekskaas. Veel boeren leverden vanaf deze tijd 's zomers zelfgemaakte kaas aan de coöperatieve kaashandel en 's winters melk aan de kaasfabriek. De Producent verhuisde in 2013 van de Wachtelstraat naar de Kattensingel 62-69 vanwege ruimtegebrek. Het verblijf op de Kattensingel was tijdelijk. Medio 2018 kwam er een nieuw pakhuis voor 2,6 miljoen kilo kaas in het Gouwe Park in Moordrecht. De pakhuizen aan de Wachtelstraat die de status Rijksmonument hebben gekregen, zijn inmiddels verbouwd tot appartementen. 16
Beknopte inventarisatie cultuurhistorische waarden 1998, 4. Tevens communicatie met dhr. H. Verweij. Streekarchief Midden-Holland, Varia 397, bijlagen p.40: Kaashandel Maatschappij “Gouda” N.V. koopt in 1938 het stuk grond van de rond 1935 gedempte Jan Verzwollewetering, waar tijdens de demping een gemeenteriool in is gelegd. 18 Denslagen 2001, 395. 19 Denslagen 2001, 395-396. 17
23
5
Ontwikkelingen binnen het plangebied 5.1
Periode vóór ca. 1800 e
Op de oudste historische kaarten is te zien dat het plangebied tot zeker het einde van de 18 eeuw onbebouwd is (afb. 19). Op de kaart van Van Deventer uit 1545 is in het noordwestelijk deel van het plangebied de Jan Verzwollewetering te zien met ten zuidoosten daarvan een groen gebied. Op de kaarten uit 1585 (Braun en Hogenberg) en 1649 (Blaeu) is het gebied verdeeld in vakken die haaks op de singel liggen en is sprake van de aanwezigheid van tuinen tussen de wetering en de weg langs de stadsgracht. Een deel van de tuinen die Blaeu weergeeft, doet denken aan siertuinen. Waarschijnlijk zijn het zogenaamde buitentuinen van Goudse burgers die zo de mogelijkheid hadden af en toe de stad te ontvluchten. Om die reden wordt die strook grond buiten de singel ook wel Tuinsingel genoemd. Andere delen zullen in gebruik zijn geweest als moestuinen. Op de kaart van Tirion uit 1747 is een ander beeld te zien (afb. 20). Het plangebied en omgeving lijken nu ingericht als bleekveld, terwijl linksonder nog duidelijk tuinen zijn weergegeven. Op de e kadastrale minuut 1811-23 wordt dit beeld duidelijker (afb. 21). Vanaf de 19 eeuw werd steeds e meer langs de singels buiten de stad gebouwd. In het derde kwart van de 19 is een vrijwel gesloten rooilijn te zien aan de Kattensingel (afb. 18).
Afb. 19 Boven: Jacob van Deventer ca. 1560; linksonder: Braun en Hogenberg; rechtsonder: Johannes Blaeu 1649. Het plangebied ligt binnen de blauwe contour. Kaartmateriaal is overgenomen uit De Boer 2020.
24
Afb. 20 Uitsnede uit de kaart van Tirion 1747. Overgenomen uit De Boer 2020.
Afb. 21 Kadastrale minuut 1811-1832 met functies van terreinen. De rode contouren geven gebouwen aan. Ter hoogte van het groene vlak bevinden zich in deze periode meerdere lijnbanen van vier verschillende eigenaren. De blekerij is van Martinus Peeters. Overgenomen uit De Boer 2020.
25
5.2
Blekerij De Blaauwe Haan
Rond 1780 is ter hoogte van het plangebied een blekerij ingericht met de naam De Blaauwe Haan.20 Als de kaart van Tirion juist is, moeten er voor die tijd ook al bleekvelden hebben gelegen. Blekerijen waren eigenlijk wasserijen waar het wasgoed werd gebleekt, vandaar dat wasserijen in deze periode vaak als blekerijen werden aangeduid. Volgens de verkoopakte van 1801 lag er behalve de blekerij ook een lijnbaan. In dat jaar koopt Wijnand Naats (ook wel: Naethuis) namelijk een huis en erf met lijnbaan bestaande uit drie panden. In de akte is opgenomen dat hij de naam gedurende 13 jaar en 4 maanden moest handhaven. In 1811 is het complex door aankoop van belendende percelen flink uitgebreid (afb. 21). In 1821 koopt Martinus Peeters de blekerij en breidt het opnieuw uit. In 1843 verkoopt hij het bedrijf aan Pieter Hoogenboom. Vanaf 1850 verhuurt hij het bedrijf aan A. Jaspers die het in 1854 koopt. In de omgeving van de blekerij komen steeds meer bedrijven die gebruik maken van stoommachines. De roetuitstoot had een negatief effect op de in de openlucht drogende was, waardoor Jaspers is overgegaan tot de bouw van een blekerij met meerdere droogzolders die in 1859 in gebruik wordt genomen. Jaspers woont in het daarbij behorende woonhuis aan de Kattensingel 65. Van de familie Jaspers kwam de blekerij in handen van P. Hofwegen die het in 1889 verkocht aan kaashandelaar C. van Eijk.
5.3
Kaashandelaren aan de Kattensingel 61-69
De kaashandelaren en de organisatie De langstzittende eigenaar is de N.V. Kaashandel Maatschappij “Gouda”. Deze Kaashandel is in 1870 begonnen door C. van Eijk in enkele kleine pakhuizen aan de Naaierstraat in Gouda als de Firma C. van Eijk. Enkele jaren later al werd extra opslagruimte gekocht aan de Groenendaal 4042. Handel in hoofdzakelijk volvette Goudse kazen was er niet alleen binnen Nederland, maar kwam al gauw ook tot stand met Schotland en Engeland en niet veel later met andere landen binnen Europa. De opslagruimten aan de Naaierstraat en de Groenendaal waren niet voldoende.
Afb. 22 Het in 1889 gekochte object aan de Kattensingel. Uit het Gedenkboek 1920. 20
De informatie in deze paragraaf is overgenomen uit Vergunst 1990.
26
Afb. 23 Een foto uit 1903. In het midden de voormalige blekerij met de blauwe haan boven de poort, vanaf 1889 kaaspakhuis. Rechts het in 1903 gebouwde koetshuis met paardenstal. Uit het Gedenkboek 1920. Van Eijk kon bij een publieke veiling op 17 juni 1889 de voormalige blekerij De Blaauwe Haan met opstallen kopen (afb. 22 en 23). De locatie lag gunstig aan het water voor het vervoer van de kazen. In de jaren daarna zou de firma Van Eijk verder groeien. In 1912 zijn in verband met het verkrijgen van bredere afzetmarkten verschillende bedrijven samengevoegd, waaronder de Kaasafdeling der Firma van Kekem & Heusdens die zich vooral toelegde op de handel in Friese kaas en het in Londen gevestigde bedrijf Harnens Brothers Ltd.waarvan J.L. van Eijk één van de directeuren was. Zo kwam de N.V. Kaashandel Maatschappij ‘Gouda’ tot stand. In de loop der jaren werden verschillende bedrijven overgenomen, werden overeenkomsten met andere handelaren gesloten en nam de Kaashandel in 1918 voor de helft deel in het aandelenkapitaal van de N.V. Full Cream Kaasbond te Amsterdam die onder andere eigenaar was van de Kaasfabriek ‘Oud Holland’ te Bodegraven.
In 1920, bij het verschijnen van het Gedenkboek had de Kaashandel vestigingen en inkoopfilialen in de volgende plaatsen: Gouda, Haarlem, Hoorn, Alkmaar, Rotterdam, Bodegraven, Oudewater, Abcoude, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Schalkwijk, Groot-Ammers, Nieuwerbrug, Purmerend, Edam, Londen en Hamburg. Op dat moment was het grootste deel van het plangebied bebouwd. De groei zette door tot de Tweede Wereldoorlog. Na moeilijke jaren nam de vraag naar kaas weer toe. Het wordt ook de tijd van de grote overnames. De in de naoorlogse jaren snelgroeiende Nationale Coöperatie Zuivelverkoopcentrale (NCZ) nam al in 1955 een aandelenpakket in de Kaashandel Maatschappij N.V. van de Curaçaosche Handelsmaatschappij N.V. over. In 1970 nam de NCZ de afdeling ‘Fabriekskaas’ van De Producent over. In 1971 volgde de overname door de NCZ van de gehele binnenlandse verkoop van de Kaashandel Maatschappij. Per 1 januari 1972 is de N.V. Kaashandel Maatschappij beëindigd. Dan is het slechts een vennootschap die de eigendommen verhuurt en later verkoopt aan de “moeder” NCZ.21 In 1989 is het gehele complex verkocht aan Kaashandel Paul. Na overname door de NCZ (die op haar beurt uiteindelijk is opgegaan in Coberco-kaas en vervolgens in Friesland-Campina) is het complex vanaf 2013 door Kaashandel Paul verhuurd aan De Producent. Deze kaashandel vertrok in 2018 naar de nieuwbouw in Moordrecht.
Sindsdien staat het complex leeg. De huidige eigenaren zijn de heren H.J. Hulst en H. Paul.
21
Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer Varia 397, deel Chronologie, p. 126-128 (familiearchief Van Eijk).
27
De ontwikkeling van het Kaashandelcomplex In het Streekarchief Midden-Holland bevinden zich diverse bouwvergunningen met bouwtekeningen voor de bouw en uitbreiding van kaaspakhuizen daterend vanaf 1891 (bijlage 3). De ontwikkeling van het Kaashandelcomplex is ook goed te volgen aan de hand van de kadastrale hulpkaarten (bijlage 1) en luchtfoto’s. Hierna worden enkele gebouwen genoemd die binnen de contouren van het huidige plangebied lagen of deels nog liggen. De familie van Eijk bezat ook panden en gronden die daarbuiten lagen, bijvoorbeeld de nrs. 54 en 55 aan de Kattensingel met grote siertuin in landschapsstijl, grond aan de Van Beverninghlaan (met brug over de Jan Verzwollewetering) en panden aan de Crabethstraat (afb. 24).22 Het gaat te ver voor deze cultuurhistorische analyse om dieper in te gaan op die panden, maar ze hebben wel ooit deel uitgemaakt van het totale ‘ensemble kaashandelcomplex’. Meteen na de koop werd dit complex uitgebreid naar achteren met extra pakhuizen (in 1891 – deze was eerst in hout opgetrokken in 1889 en is later vervangen in steen, in 1899 en in 1901/1903, afb. 24). In 1903 is een vergunning afgegeven voor de bouw van een koetshuis, een paardenstal, (nog) een kaaspakhuis en een hooizolder, een gebouwencomplex naast (ten noordoosten van) de oude blekerij (afb. 23 en 24, gesloopt). Architect was H.J. Nederhorst jr.
die veel heeft ontworpen in Gouda. Vervoer van de kazen in en rond Gouda kon op deze manier zelf worden georganiseerd. Bovendien konden de kazen ook en vooral over het water worden vervoerd. In de pakhuizen lagen rails zodat de kazen met karren over die rails naar de waterkant vervoerd konden worden naar schepen die aan de Kattensingel lagen. De Kaashandel had een eigen vloot voor vervoer over water. Verdere uitbreiding naar het noordoosten langs de Kattensingel vond in 1909 plaats (nr. 68, pakhuis ‘Kaasexport’), opnieuw heeft architect H.J. Nederhorst jr. hiervoor de opdracht gekregen. Het betreft een diep pakhuis met bergplaats (afb. 24, gesloopt).23
Afb. 24 Het Kaashandelcomplex aan de Kattensingel in 1920. De licht ingekleurde panden aan de Crabethstraat waren in gebruik als beneden en bovenhuis en waren bestemd voor toekomstige uitbreiding. Ook Kattensingel 54 en 55 waren in eigendom van de familie Van Eijk. Uit het Gedenkboek 1920. 22
Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer Varia 398. Kattensingel 60-64 aangekocht in 1914 door Van Eijk, Kattensingel 54-55 gekocht in 1908 door Van Eijk, in 1926 verkocht aan de Kaashandel Maatschappij; Kattensingel 58-59 in 1928 gekocht door de Kaashandel Maatschappij. 23 Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer 0468-1998.
28
In 1912 werd een kistenmakerij gebouwd, meer richting de Jan Verzwollewetering (afb. 24). Grote hoeveelheden kisten waren nodig voor de verpakking van kazen die voor de export waren bedoeld. Inmiddels had die een grote vlucht genomen, niet alleen binnen Europa maar ook naar Zuid-Afrika 24 en Zuid-Amerika. De architect van de kistenmakerij was weer H.J. Nederhorst jr.25 In 1927 werd deze uitgebreid naar het noordoosten, tussen de bestaande kistenmakerij en een al eerder in 1921 gebouwd kaaspakhuis met houten kantoorgebouw of loods gelegen langs de Jan Verzwollewetering (afb. 25).26 De uitbreiding van de kistenmakerij is ontworpen door D. Stuurman, het kaaspakhuis en houten kantoorgebouw door D. Blankevoort en Zn. De panden waarin de kistenmakerij gevestigd was en het kaaspakhuis uit 1921 zijn, zoals beschreven in hoofdstuk 3, nog steeds op het terrein aanwezig. In 1949 is overigens een bouwvergunning verleend voor het ombouwen van de kistenfabriek tot de afdeling korstloze kaas en laboratorium.27
1926 1927 1914
Afb. 25 Luchtfoto 1930 (bron: https://data.samh.nl/page/beeldbank/fotocollectie/24232). Op de foto zijn de nog bestaande panden met een jaartal in wit aangegeven. De overige panden binnen het plangebied zijn gesloopt.
Ook op het zuidwestelijk deel van het plangebied hebben uitbreidingen plaatsgevonden. Hier lagen de gebouwen van de korstloze kaasfabriek (bouwjaar onbekend, zeker vóór 1920, afb. 24). Ook stond hier nog lange tijd een gebouw van de voormalige baanderij die was opgekocht door van Eijk (gebouw i in bijlage 2). Dit gebouw is volgens J.L. van Eijk gesloopt in 1930 en vervangen door een stenen gebouw. Aan de hand van de opeenvolgende kadastrale hulpkaarten vanaf 1923, kan echter worden verondersteld dat de sloop al eerder heeft plaatsgevonden, namelijk vóór 1923 (en zou dan het gebouw op afb. 13 zijn). De contouren van het in dat jaar weergegeven gebouw blijven gelijk tot en met 1981 en komen overeen met de huidige contouren (bijlage 1). Op dit punt heeft het onderzoek (nog) geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Het aanpalende elektriciteitshuisje moet kort voor 1929 zijn gebouwd.
24
Elte 2009, 2. Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer 0468-2463. Kistenmakerij 1927: Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer 0468-4212; kaaspakhuis 1921: Streekarchief MiddenHolland inventarisnummer 0468-3303. 27 Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer 0468-6493. 25 26
29
Direct ten zuidwesten van de kistenmakerij is een grote loods gebouwd in 1914 (gesloopt in 1948, afb. 24) en ten zuidwesten hiervan twee kleinere expeditieloodsen in 1926 en 1927 door aannemer J.H. de Wilde (afb. 25).28 De laatste uitbreiding in de uiterste zuidwest hoek van het terrein met de bouw van een grote loods vond plaats na 1930 (nog niet te zien op de luchtfoto van 1930, wel op die van na 1948 – afb. 26; gesloopt 2013/14). Dit perceel heeft het huidige kadastrale nummer H3067. Kort voor 1936 was het houten kantoorgebouw gelegen aan de Jan Verzwollewetering en gebouwd in 1921 zo verzakt dat nieuwbouw noodzakelijk was. Voor het nieuwe kantoor werd in 1936 de eerste steen gelegd.29 Het gebouw had zowel een kantoor- en woon?-gedeelte als een werkruimte. Het pand is nog steeds op het terrein aanwezig. Hoewel bouwtekeningen vooralsnog ontbreken, is aan de hand van baksteengebruik, de betonnen uitkragende lateien en de detaillering de hand van D. Stuurman te herkennen. Vergelijkbare detaillering en dakafwerking is bijvoorbeeld te zien bij de panden Blauwstraat 15, Turfmarkt 30-32 en Spoorstraat 6-10 waarvan met zekerheid te zeggen is dat deze door D. Stuurman zijn ontworpen. In 1938 komt D. Stuurman nog een keer terug om werk te verrichten voor de Kaashandel Maatschappij.
Hij wordt gevraagd voor de verbouwing van het woonhuis Kattensingel 65 (direct naast/links van de voormalige blekerij) tot garage en pakhuis (gesloopt in 1969).30
1936 na 1930
Afb. 26 Luchtfoto na 1948, na de sloop van de loods uit 1914 nabij de Jan Verwollewetering. Tot 1969 was de Kattensingel ter hoogte van het plangebied een gesloten wand. In dat jaar werden grote delen van het kaashandelcomplex gesloopt, de huisnummers 61 t/m 69 en de achterliggende kaaspakhuizen uit de eerste jaren van de aanwezigheid van de Kaashandel Maatschappij aan deze singel. De kistenmakerij uit 1912/27 en het er naast staande kaaspakhuis uit 1921 bleven grotendeels behouden, evenals verschillende loodsen op het zuidwestelijk deel van het terrein, het kantoorgebouw met werkruimte uit 1936 en enkele kleinere gebouwen achter de panden Kattensingel 54 t/m 59 (afb. 27).31 In 1970 verrees hier een ‘bedrijfspand voor kaasopslag met 28
De bouwtekeningen van de loodsen door J.H. de Wilde zijn te vinden in het Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummers 0468-3956 en 0468-4096. 29 Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer Varia 397, deel chronologie, p. 49. 30 Streekarchief Midden-Holland, inventarisnummer 0468-5838. 31 Bij de stukken uit het Streekarchief met de inv.nrs 0468-2463 en 0468-4212 is foutief vermeld dat deze panden zijn gesloopt. Bij het oudste deel van de kistenmakerij uit 1912 hebben zeker wijzigingen plaatsgevonden – een hoek is gesloopt en een deel van de draagconstructie is vervangen – maar is deels nog aanwezig. Aan de uitbreiding van de kistenmakerij uit 1927 hebben zeker ook wijzigingen plaatsgevonden, de verdieping met kap is nog intact. Ook het kaaspakhuis uit 1921 is nog aanwezig (0468-3303), alleen aan de zuidoost kant is een deel verwijderd in 1969.
30
kantoren en bovenwoning’, zoals omschreven in de bouwvergunning (afb. 28).32 Het ontwerp komt van architectenbureau Nieuwland en Van de Vegte uit Leeuwarden en opdrachtgever is Kaashandel Maatschappij “Gouda” N.V. Nummer 61 is een kantoor met bovenwoning. Ter hoogte van de nummers 65-69 staat het kaaspakhuis met aan de voorzijde kantoren. De nieuwe brede toegang tot het complex ligt ter hoogte van de nummers 62-64. Het heeft een praktische functie, maar tegelijkertijd is er vanaf dat moment visueel een verbinding vanuit het complex met de binnenstad en vanaf de Kattensingel is er zicht op het groen van het Van Bergen IJzendoornpark (afb. 29. Na 1969 hebben geen grootschalige bouwwerkzaamheden op het terrein plaatsgevonden, wel zijn al voor 2006 enkele loodsen gesloopt (de expeditieloodsen uit 1927) en is de grote loods waarin een kringloopwinkel gevestigd was gesloopt in de periode 2013/2014.
Afb. 27 In donkergrijs de nieuw te bouwen panden. Bouwvergunning 1969 (Streekarchief inv.nr. 0468-9279).
Afb. 28 Doorsnede van het nieuwe kaaspakhuis met kantoren, ontwerp 1969, bouw 1970. Links ligt de Kattensingel.
32
Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer 0468-9279.
31
Afb. 29 Kijkend naar het zuidoosten, zicht op de binnenstad vanuit het plangebied.
Ruimtelijke ontwikkeling van het kaashandelcomplex (binnen huidig plangebied) Kaartmateriaal en beschrijvingen maken duidelijk dat het kaashandelcomplex geleidelijk is gegroeid. Er ligt geen stedenbouwkundig plan aan ten grondslag, wel is een ordening van de gebouwen aan de hand van de oude percelering zichtbaar (afb. 30 en 24). Deze is te zien op de kadastrale minuut van 1811-23 en ook toen al was er een breed perceel ter hoogte van de in 1858 gebouwde blekerij (afb. 21). De bestaande percelering is dus vooral leidend geweest voor de plaatsing en oriëntatie van de gebouwen, naast waarschijnlijk een praktisch aspect omdat de kaaspakhuizen en loodsen goed bereikbaar moesten zijn. Mogelijk zijn daarom enkele gebouwen dwars geplaatst, met de kap parallel aan de Kattensingel, maar daarbij meestal rekening houdend met de oude perceelgrenzen. e e Opvallend is de knik in oriëntatie van de in de late 19 en vroege 20 eeuw gebouwde kaaspakhuizen (direct achter de oude blekerij). Hier is om onduidelijke reden afgeweken van de oorspronkelijke oriëntatie. Mogelijk had het te maken met de ruimte die aanwezig was, het was van oorsprong immers een relatief breed perceel. Bij de toevoeging van bijvoorbeeld de kistenmakerij in 1912 is wel weer parallel aan de oude perceelsgrens gebouwd.
Bij de bouw van het kaaspakhuis met kantoren in 1969/70 is de oriëntatie van de gesloopte gebouwen aangehouden (dus de afwijkende) waardoor de aansluiting op de bestaande kistenmakerij vreemd oogt.
Afb. 30 Situatietekening behorend bij de bouwvergunning voor het bouwen van de kistenmakerij in 1912 (het witte bouwblok).
32
Verbindingen met de omgeving Het Kaashandelcomplex lag van oudsher ingesloten in het gebied tussen de Jan Verzwollewetering en de Kattensingel, beide structuren daterend uit de Late Middeleeuwen. Langs de Kattensingel lag een vrijwel gesloten wand van gebouwen met een rooilijn die al eeuwen oud is. Helemaal ingesloten lag het niet omdat er sprake was van verschillende verbindingen met de directe omgeving (afb. 31). Natuurlijk was dit de Jan Verzwollewetering zelf, maar ook de toegangen tot het complex via de poort gelegen naast de voormalige blekerij en later ter hoogte van Kattensingel 47. Aan de noordwest kant was een bijzondere groenverbinding met het Van Bergen IJzendoornpark. De familie Van Eijk bezat een stuk grond aan de Van Beverninghlaan 8-13. Hier is in 1921 een tuin aangelegd voor de Boskoopse Bloemententoonstelling en het is daarna tot 1961 tuin gebleven (afb. 25 en 26).33 Langs de tuin lag tevens een toegang tot het complex dat via een brug over de wetering bereikt kon worden. Deze brug was overigens al eerder aangelegd volgens een bouwvergunning uit 1905.34 Tot 1969 was er vanaf het centrale deel van het kaashandelcomplex, kijkend naar het noordwesten alleen zicht op het Van Bergen IJzendoornpark, na de sloop van de bebouwing aan de Kattensingel was er een doorlopende zichtlijn vanaf de Van Beverninghlaan tot aan de binnenstad ontstaan (afb. 32).
Na het dempen van de Jan Verzwollewetering rond 1935 heeft de Kaashandel de strook grond gekocht in 1938. Op deze wijze ontstond er ook een beloopbare doorgang naar de Crabethstraat. In het Streekarchief bevindt zich een bouwvergunning uit 1948 voor de bouw van een ingangshek tussen de Crabethstraat nr. 39 en 41.35 Een deel van het ingangshek is nog aanwezig (afb. 33).
Afb. 31 Verbindingen met de omgeving. 33
Familie archief Van Eijk. Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer Varia 397, Bijlagen, p.34-35. Bouwvergunning 1961: Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer 0468-8007. 34 Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer 0468-1674. 35 Streekarchief Midden-Holland inventarisnummer 0468-6426, aannemer W. Bokoven.
33
Afb. 32 Zicht vanaf ‘Van Beverninghlaan 13’ over het plangebied naar de binnenstad van Gouda.
Afb. 33 Deel van de toegang aan de Crabethstraat ter hoogte van de gedempte wetering.
Architecten van het Kaashandelcomplex De gebouwen van het Kaashandelcomplex zijn door verschillende architecten en aannemers vormgegeven. Vaak werd een architectenbureau in de loop der jaren voor meerdere opdrachten gevraagd. In deze paragraaf worden enkele genoemd. In de beginjaren waren het H.J. Nederhorst en later zijn zoon H.J. Nederhorst jr. die gevraagd werden voor het ontwerpen van kaaspakhuizen, een koetshuis en bijvoorbeeld de kistenmakerij. Nederhorst sr. vestigde zich in 1871 in Gouda.36 Op 1 januari 1872 neemt hij onder eigen naam een Gouds timmerbedrijf aan de Turfmarkt 8-12 over. In 1904 werd een opslagterrein aan de Goudkade e aangekocht genaamd "de Knip", dat tot werkplaats werd ingericht. Aan het eind van de 19 eeuw vestigde Nederhorst jr. zich ook in Gouda en samen met zijn vader vormde hij het aannemingsbedrijf firma H.J. Nederhorst & Zn. Al snel ontwikkelt Nederhorst zich tot een allround bedrijf dat zich bezighoudt met utiliteitsbouw, weg- en waterbouw en funderingen. Na het overlijden van zijn vader in 1913 zette hij in 1914 het bedrijf om in de N.V. tot aanneming van werken v/h H.J. Nederhorst. Hij zelf overlijdt in 1927. Het bedrijf heeft een aantal vaste grote opdrachtgevers zoals de Nederlandse Spoorwegen, Nederlandse Kabelfabrieken en Bataafse Petroleum Maatschappij.
Op technisch gebied was het bedrijf vooruitstrevend: in 1912 gebruikte het de eerste elektrische heimachine in Nederland. In 1939 begon men met "Vibro"palen. Dit was een in Engeland ontwikkeld systeem voor het gebruik 36
De informatie over Nederhorst is overgenomen van: http://web.archive.org/web/20120422010709/http://www.groenehartarchieven.nl/themas/handel-en-nijverheid/firma-hjnederhorst.
34
van in de grond gevormde heipalen. Na WO II werd dit systeem meer en meer toegepast en ontwikkelt Nederhorst zich zo tot specialist op funderingsgebied. In de loop der jaren worden vele bedrijven aangekocht. Zo ontstaat in 1964 het moederbedrijf Verenigde Bedrijven Nederhorst N.V. (VBN) met steeds meer dochterbedrijven. In 1975 moet surseance van betaling worden aangevraagd. Het bouwbedrijf van VBN gaat in 1979 over naar Hollandsche Beton Maatschappij (HBM). In 2002 komt het met de overname van Hollandsche Beton Groep in handen van Koninklijke BAM Groep. De dochtermaatschappijen BAM Civiel, BAM International en BAM Infraconsult zijn nog steeds gevestigd in het Nederhorstgebouw aan de Nederhorststraat te Gouda. Vader en zoon Nederhorst hebben vele gebouwen in Gouda ontworpen. Bijvoorbeeld een kantoor voor de makelaar in effecten Knox en Dortland aan de Turfmarkt 12 in een neorenaissancestijl (nu een rijksmonument). De toegepaste bouwstijl is kenmerkend voor zijn werk. Verder kunnen uit een lange lijst van ontwerpen worden genoemd huizen aan de Crabethstraat (ca. 1880, categorie Jongere Bouwkunst B) en de Rijks HBS aan de Burgemeester Martenssingel 15 (1915, categorie Jongere Bouwkunst A). Later werd D. Stuurman een belangrijk ontwerper voor de Kaashandel Maatschappij “Gouda”.
Zeker één, maar zeer waarschijnlijk twee van zijn ontwerpen zijn nog binnen het plangebied aanwezig, de uitbreiding kistenmakerij en het pand uit 1936. Dirk Stuurman werd in 1895 in Ammerstol geboren en overleed in oktober 1960 te Gouda op 65jarige leeftijd. Hij vestigde zich als architect te Gouda. Hier ontwierp hij enkele beeldbepalende gebouwen zoals het in 1933 gebouwde nieuwzakelijke woonblok met de showroom, reclametoren en werkplaats van het voormalige garagebedrijf Van Zevenhoven aan de Spoorstraat 6-10 en het in 1937 zakelijk expressionistische stijl gebouwde bankgebouw met woonhuis aan de Turfmarkt 3032, waarin tegenwoordig het Verzetsmuseum Zuid-Holland is gevestigd (nu rijksmonument).37 Ook ontwierp hij een woonhuis aan de Blauwstraat 15 in expressionistische stijl (1934). De wijze van behandeling van de baksteen (donker), toepassen van betonnen lateien en raamstroken onder de dakrand zijn kenmerkend voor Stuurman. Je ziet ze vooral terug aan de Turfmarkt en de Blauwstraat, maar dus ook bij het gebouw uit 1936 van het kaashandelcomplex (afb. 34).38 Hierboven zijn enkele meer bijzondere ontwerpen van Stuurman genoemd. Een groot deel van zijn werk bestond uit het ontwerpen van bouwblokken voor woningbouwverenigingen. Zo ontwierp hij woonblokken aan bijvoorbeeld de Walvisstraat (1931), de Da Costakade (1935-36) en de Van der Palmstraat (1941, afb.