03A.1 Bijlage NvZ BP Toelichting.pdf
Tekst van het document
Woonvisie Gouda 2015-2020
4.4.2.1 Algemeen Met de woonvisie zet de gemeente de koers uit voor het wonen in Gouda voor de komende jaren. Gouda is een stad waar het aangenaam wonen is voor alle generaties. De centrale ligging in de Randstad, het historische centrum, de centrumvoorzieningen en de nabijheid van groen en water zijn de kernkwaliteiten van Gouda. Wonen is bij uitstek een onderwerp dat iedereen aangaat. Samenwerking met anderen staat dan ook centraal in het woonbeleid. De centrale woonvisie luidt als volgt: “Gouda is een aangename woonstad voor iedereen, nu en in de toekomst, door haar unieke woonkwaliteit, stedelijk en betaalbaar wonen rondom een historisch en levendig stadshart met een centrale ligging in de Randstad en de natuur binnen handbereik, te koesteren en waar mogelijk te versterken.” De volgende 5 hoofdthema’s staan centraal in de woonvisie: • • • • •
Woon- en leefkwaliteit in Gouda: wijken met toekomstwaarde; Kwaliteit bestaande woningen: duurzaam - energetisch, veilig en levensloopgeschikt; Wonen voor iedereen: betaalbaar, beschikbaar en toegankelijk; Optimale voorraad: versnelling & vraagsturing woningproductie; Wonen met zorg: een thuis voor kwetsbare groepen.
In voorliggend geval zijn met name de thema’s ‘Wonen voor iedereen’ en ‘Optimale voorraad’ van belang. Hier wordt hieronder nader op ingegaan. 4.4.2.2 ‘Wonen voor iedereen: betaalbaar, beschikbaar en toegankelijk’ Het is belangrijk dat wonen voor iedereen betaalbaar is. Of een woning betaalbaar is, hangt sterk af van individuele omstandigheden en keuzes. Betaalbaarheid van het wonen houdt nauw verband met beschikbaarheid en toegankelijkheid van de voorraad. Het inkomensverschil tussen huurders en kopers in Gouda is, net als in Nederland, de laatste jaren groter geworden. Daarnaast zijn de woonlasten in Gouda de afgelopen jaren gestegen, net als in heel Nederland. Wanneer de kosten voor dagelijks levensonderhoud, de uitgaven voor het wonen en de overige vaste lasten worden vergeleken met het inkomen van huishoudens, blijkt dat huurders het vaakst niet goed kunnen rond komen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld De gemeente werkt op verschillende manieren aan de betaalbaarheid van het wonen in Gouda. Eén van de speerpunten van het beleid is het realiseren van voldoende aanbod in het sociale huursegment. De gemeente Gouda draagt hier aan bij onder andere door: •
• •
het maken van afspraken met woningcorporaties en huurdersorganisaties over de omvang (nieuwbouw, sloop en verkoop), differentiatie en beschikbaarheid van de sociale huurwoningvoorraad. Leidend is: bijdragen naar redelijkheid conform de nieuwe Woningwet; met woningcorporaties en eventueel marktpartijen actief te zoeken naar kansen om nieuwe sociale huurwoningen te realiseren; in bestemmingsplannen voor bestaand stedelijk gebied bij grotere woningbouwplannen een aandeel te bouwen sociale huurwoningen op te nemen;
Naast het bouwen voor mensen met de lage inkomens is ook het bouwen van woningen in het middensegment van belang. Door de bouw van middensegment huurwoningen (onderkant van de vrije huursector) te stimuleren kan de druk op de sociale huursector worden verminderd en wordt het gat tussen sociale huur en een koopwoning gevuld. Het aanbieden van dit type woningen heeft daarnaast een positief effect op het voor de stad kunnen behouden van middeninkomens en hogere inkomens. 4.4.2.3 ‘Optimale voorraad: versnelling & vraagsturing woningproductie’ De afgelopen jaren (2010-2014) lag het bouwtempo in Gouda laag. Er zijn gemiddeld 100 woningen per jaar toegevoegd terwijl de ambitie op jaarlijks 220 lag. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, zoals de woningmarktcrisis, concurrerende projecten in buurgemeenten, prijs-kwaliteitverhouding van projecten en lange voorbereidingstijd Westergouwe. In deze jaren zijn er onbedoeld meer mensen uit Gouda vertrokken naar onder meer Rotterdam en omliggende gemeenten dan dat zich hier vestigden. Gouda wil een woningproductie realiseren die voorziet in de geprognotiseerde ‘uitbreidingsvraag’ op basis van de actuele provinciale Woningbehoefteraming (WBR) en de Bevolkingsprognose (BP) die de provincie eens in de drie jaar vooruit berekent.
Op basis van WBR 2013 en BP 2013 betekent dit een bandbreedte 2.100 - 3.200 extra woningen voor de periode 2015-2024. De marktvraag is leidend voor het invullen van deze bandbreedte. De (potentiële) effectieve vraag naar nieuwbouw is berekend op gemiddeld 305 woningen per jaar (bron: Fakton 2015). Gouda zet in ieder geval in op tenminste evenveel vestigers als vertrekkers (circa 2.100 woningen). Binnenstedelijk is er relatief weinig vraag naar dure koopwoningen. Hier ligt meer het accent op een mix van sociale huur, geliberaliseerde huur en koop tot €200.000. De uitdaging is om kansrijke binnenstedelijke locaties te benutten voor maatschappelijk gewenste plannen. Samen met woningcorporaties en marktpartijen wordt programmamanagement gevoerd op binnenstedelijke woningbouwprojecten en kansrijke locaties met als doel om te versnellen, kansen te benutten en ruimte te creëren voor maatschappelijk gewenste plannen. 4.4.2.4 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke woonvisie Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie woongebouwen in bestaand stedelijk gebied, bestaande uit in totaal 188 woonappartementen. Hiervan worden 43 appartementen gebouwd voor de sociale huursector en 71 appartementen voor de gereguleerde verhuur (middensegment). De overige 74 woningen worden verdeeld over vrije sector huur- of koopappartementen in het middensegment.
Het plan sluit dan ook goed aan op de beleidsuitgangspunten opgenomen in de gemeentelijke woonvisie om te bouwen voor de lage inkomens en het middensegment. Geconcludeerd wordt dat voorliggend woningbouwinitiatief zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt past binnen het gemeentelijke woonbeleid zoals verwoord in de ‘Woonvisie Gouda 2015-2020’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld 4.4.3
Welstandsnota Gouda (2017)
4.4.3.1 Algemeen Op 1 januari 2003 is de nieuwe Woningwet van kracht geworden. De gemeente heeft daarbij de keus gekregen of ze voortaan nog bouwplannen wenst te beoordelen op de zogenaamde “redelijke eisen van welstand”. In de daarop volgende jaren is het welstandsbeleid herzien, deels aan de hand van nieuwe wetswijzigingen rond vergunningvrij en welstandvrij bouwen en zijn voor categorieën de zogenoemde sneltoetscriteria ontwikkeld. Met de nota 2017 worden de volgende stappen gezet in de ontwikkeling van het toezicht. In de formulering van haar Welstandbeleid door middel van toetsingscriteria kiest de gemeente Gouda voor een meervoudige aanpak. Gouda is verdeeld in verschillende gebieden met verschillende toezichtregimes. Deze variëren van welstandsvrij via (zeer) beperkt toezicht naar regulier toezicht. Per gebied zijn gedetailleerde toetsingscriteria beschreven waaraan bouwaanvragen en principeplannen getoetst kunnen worden. 4.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Welstandsnota Gouda (2017) Het ontwerpplan is voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) en op hoofdlijnen akkoord bevonden. Voor een gedetailleerde beoordeling van het ontwerpplan in het kader van de welstandsnota wordt het plan ten tijde van de vergunningaanvraag voorgelegd aan de hiertoe ingestelde gemeentelijke commissie. 4.4.4
Structuurvisie Groen
4.4.4.1 Algemeen Het doel van de Structuurvisie Groen is het vergroten van de leefbaarheid door een toename van openbaar groen. Het doel vanuit klimaatadaptatie is het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten, en wateroverlast en hittestress te verminderen. De gemeente Gouda vindt het belangrijk dat er in het algemeen voldoende groen in de stad beschikbaar is. Uitgangspunt is dat bouwende partijen het aanwezige groen behouden en ook nieuw groen aanleggen. 4.4.4.2 Beleidsregels In het groenbeleid zijn een aantal beleidsuitgangspunten geformuleerd die relevent zijn bij nieuwe ontwikkelingen. Deze beleidsregels luiden als volgt: 1. 2. 3.
De oppervlakte bestaand openbaar groen en water, en het aantal bestaande bomen worden ten minste behouden; Bij planontwikkelingen dient een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied openbaar groen te worden; Als het niet haalbaar blijkt om binnen het projectgebied de vereiste 15% openbaar groen te ontwikkelen, dan is het mogelijk: a. binnen het projectgebied compenserende maatregelen te treffen tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen; b. de opgave voor openbaar groen te realiseren op andere locaties in dezelfde wijk als waarin het projectgebied ligt. Het te realiseren openbaar groen buiten het projectgebied dient binnen een jaar na oplevering van het projectgebied te zijn aangelegd. zijn er compenserende maatregelen mogelijk tot maximaal 50% van de opgave voor openbaar groen.
4.4.4.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie Groen’ In paragraaf 3.1 en uit afbeelding 3.2 blijkt dat voorliggende ontwikkeling een forse afname van verharding, en hiermee een toename van groen tot gevolg heeft. Onder meer wordt aan de noordoostzijde van het plangebied een openbare ‘tuin’ gerealiseerd. Ten behoeve van de openbare toegankelijkheid van dit deel van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld het perceel wordt een openbaar pad aangelegd dat wordt aangesloten op de bestaande infrastructuur. Een en ander is weergegeven in onderstaande afbeelding 4.2.
Afbeelding 4.2
Uitsnede inrichtingsplan (Bron: VLUGP Stedebouw & Landschapsarchitectuur)
Geconcludeerd wordt dat aan de gestelde voorwaarden dat de omvang van groen/bomen minimaal gelijk dient te blijven en minimaal 15% van het plangebied wordt ingericht ten behoeve van openbaar groen wordt voldaan. Het plan is hiermee in overeenstemming met de ‘Structuurvisie Groen’ van de gemeente Gouda. 4.4.5
Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Gouda 2016 - 2019
4.4.5.1 Algemeen Gouda wil actief aan de slag met het thema duurzaamheid. Hiertoe heeft de gemeenteraad op 22 maart 2016 het uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Gouda 2016 - 2019 vastgesteld. De langetermijn ambitie is een CO2neutraal Gouda in 2040. Verduurzaming van de energievoorziening, inclusief energiebesparing, is daarom topprioriteit in het duurzaamheidsbeleid. Met de beschikbare middelen en capaciteit wordt voor de looptijd van het uitvoeringsplan de focus gelegd op de volgende doelen: • • • • •
Tenminste 1,5% energiebesparing per jaar; 10% toename van productie van duurzame energie in 2020 t.o.v. 2015; Een afvalscheidingspercentage van 75% in 2020; Naar 100% duurzaam inkopen; Samen met DPG en SOG naar minder vervoersbewegingen in de stad.
Om al deze doelen mogelijk te maken wordt ingezet op een groot aantal deelprogramma’s.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld 4.4.5.2 Duurzame energie Jaarlijks is het streven 1,5% energie te besparen en in 2020 zal er een 10% toename van de productie van duurzame energie ten opzichte van 2015 zijn gerealiseerd. Dit kan de gemeente Gouda niet alleen. Het is daarom belangrijk dat er duurzaam gebouwd gaat worden (zie onder Duurzaam bouwen). De toepassing van hernieuwbare energie, zoals zonnepanelen of een warmtewisselaar, is daarbij essentieel. Andere technieken moeten daarbij zeker niet vergeten worden. De energietransitie en mogelijkheden op dit vlak nemen als maar toe. Ook maatregelen aan het huis, door strenger te bouwen dan het Bouwbesluit voorschrijft, dragen bij aan deze ambitie. Bodemenergie is bijvoorbeeld een duurzame vorm van energie. De bodem en het grondwater hebben van nature een constante temperatuur. Die warmte kan met een bodemenergiesysteem, bijvoorbeeld warmtekoudeopslag (WKO), uit de bodem gehaald worden. 4.4.5.3 Nieuwbouw De gemeente Gouda wil ernaar toewerken duurzamer te bouwen dan wat in het Bouwbesluit minimaal is voorgeschreven om bij woningen zo snel mogelijk ‘nul op de meter’ te bereiken. Hierbij wordt gestreefd naar woningen met scores van minimaal een 7,5 (‘onderscheidend duur-aam’ volgens het meetinstrument GPRGebouw) met als extra streefambitie een 8 (‘hoog niveau van duurzaamheid’).
Bij nieuwbouw wordt dan ook van opdrachtgevers gevraagd het instrument GPR-Gebouw in te zetten bij de ontwikkeling van nieuwbouwwoningen. 4.4.5.4 Ruimtelijke adaptatie: meer groen en ruimte voor water Voor de lange termijn wordt gestreefd naar een robuust perspectief voor een leefbaar Gouda. Om dit te bereiken worden de verschillende vraagstukken in onderlinge samenhang aangepakt. Hiervoor is vooruitgang en ontwikkeling nodig, bijvoorbeeld op het gebied van funderingshersteltechnieken, eco-innovation, waterbeheer, infrastructuur en governance. Bij reconstructies wordt binnen bestaande beperkingen blijvend gezocht naar mogelijkheden om groen uit te breiden en om de kwaliteit van het groen te verbeteren. 4.4.5.5 Toetsing van het initiatief aan het uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Gouda 2016 – 2019 In het kader van voorliggend plan wordt op verschillende manieren uitvoering gegeven aan het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Gouda. Ten aanzien van de duurzaamheid van de woongebouwen kan hierbij worden gedacht aan speciale aandacht voor isolatie van fundering, vloer, gevel, dak en aan het gebruik van zonnepanelen, vloerverwarming, inductie koken, “triple glas” etc. De zonnepanelen worden gerealiseerd op de ‘groene daken’. De carports worden voorzien van sedumbedekking.
Daarnaast worden de woningen niet op het gasnetwerk worden aangesloten en worden er voorzieningen voor warmte koude opslag (WKO) gerealiseerd (zie paragraaf 3.1). Het plan voldoet hiermee aan de eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG). Eerder bleek uit paragraaf 3.1 al dat voorliggende ontwikkeling een afname van het verhard oppervlak en hiermee een toename van groen in de stad tot gevolg heeft. Dit heeft positieve gevolgen met betrekking tot onder andere hemelwaterberging en hittestress. Geconcludeerd wordt dat er in het kader van voorliggend plan in voldoende mate rekening wordt gehouden met de doelstellingen van de gemeente Gouda op het gebied van duurzaamheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast is er aanvullend aandacht voor de thema’s windhinder, bezonning en lichthinder.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Wettelijk kader
5.1.1.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
In dit geval is sprake van nieuwbouw van geluidsgevoelige objecten, namelijk 188 woonappartementen. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Woningen worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
De hiervoor geldende zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld Het projectgebied ligt in “stedelijk” gebied binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone (200 m), als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder, van de Blommensteinsingel, Burgemeester van Reenensingel, Catsveld, Groenhoven en de Ridder van Catsweg. Om de geluidsbelasting van deze wegen in kaart te brengen is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 3 bij deze toelichting. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hierna weergegeven. De geluidsbelasting ten gevolgde van wegverkeerslawaai van de Ridder van Catsweg bedraagt ter plaatse van de te realiseren appartementencomplexen hoogstens 61 dB (toren noord, B). De geluidsbelasting door wegverkeerslawaai door de overige relevante wegen bedraagt maximaal 47 dB, waarmee aan de voorkeurswaarde voldaan wordt. Een hogere waarde als gevolg van wegverkeerslawaai is in voorliggend geval benodigd, aangezien ten aanzien van de Ridder van Catsweg niet aan de voorkeurswaarde wordt voldaan. Afwijken van de voorkeurswaarde is alleen mogelijk als maatregelen kunnen rekenen op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard en er een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd kan worden.
Daarnaast dient aan de gestelde specifieke voorwaarden van het gemeentelijk geluidsbeleid voldaan te worden. De maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen zijn niet doelmatig en/of ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Er dient dan ook een hoogste hogere waarde LDEN van 61 dB te worden aangevraagd met betrekking tot de Ridder van Catsweg. Bij het vaststellen van hogere waarden die meer dan 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde zijn (meer dan 53 dB voor wegverkeerslawaai), moet het gebouw op basis van het gemeentelijke hogere waarden beleid een geluidsluwe gevel hebben. In dit kader wordt voor voorliggend plan maatwerk geleverd. Met een combinatie van maatregelen kan een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd worden. Er is daarmee ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing.
Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor dit plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld 5.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval is binnen het plangebied door Ortageo een verkennend- en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten en conclusies opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: •
•
•
•
•
De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen en minerale olie. De aanwezigheid van minerale olie is mogelijk gerelateerd aan lekkage van geparkeerde auto’s. De aangetoonde gehalten aan zware metalen zijn lager dan de lokale achtergrondwaarden en kunnen als gebiedseigen beschouwd worden; De ondergrond (humeuze laag) is op het achterterrein plaatselijk matig verontreinigd met PCB (het betreft een spot). In de omringende boringen en in de diepte zijn maximaal overschrijdingen van de achtergrondwaarde gemeten of is het gehalte niet verhoogd. In de grond onder de werkplaats en het inpandige magazijn zijn eveneens licht verhoogde gehalten aan PCB gemeten. Omdat in het opgebrachte zand geen PCB’s zijn aangetoond, wordt verwacht dat deze parameter reeds voor het in gebruik nemen als garagebedrijf aanwezig was. De herkomst is onduidelijk. Alleen bij monsterpunt F21 is een lichte bijmenging met puin waargenomen, waaraan het verhoogde gehalte PCB gerelateerd zou kunnen worden; Daarnaast is de ondergrond lokaal licht met minerale olie verontreinigd. Het betreft de laag rond grondwaterniveau. Vanaf 1,3 m -mv is de grond niet met minerale olie verontreinigd.
Vooralsnog is geen oorzaak voor de verontreiniging bekend, waarschijnlijk is deze gerelateerd aan activiteiten bij de wasplaats of mogelijk de nabijgelegen OBAS; Omdat er geen antropogene bron bekend is op de onderzoekslocatie of in de directe omgeving ervan, zijn de verhoogde gehalten aan barium waarschijnlijk van nature in de grond aanwezig. In het in 2016 uitgevoerde onderzoek zijn eveneens verhoogde gehalten aan barium gemeten; Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium en zink. Deze zijn waarschijnlijk van nature aanwezig. Daarnaast is in het grondwater stroomafwaarts van de ondergrondse tanks 3,3 µg/l MTBE gemeten. De concentratie is lager dan de risicowaarde en is vergelijkbaar met de gemeten concentratie in de monitoring in 2014. ETBE is niet aangetoond.
Ter plaatse van het achterterrein wordt voor PCB de tussenwaarde overschreden. Op basis van het uitgevoerde aanvullende onderzoek kan met voldoende zekerheid gesteld kan worden dat op de locatie geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een spot welke niet sterk verontreinigd is. Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Op basis van de onderzoeksresultaten is het noodzakelijk dat op de locatie sanerende werkzaamheden plaats vinden. De ondergrondse tanks dienen te worden verwijderd, de aanwezige geringe grondverontreinigingen met minerale olie dienen te worden verwijderd en de aanwezige restverontreiniging met vluchtige aromaten in het grondwater dient geactualiseerd te worden en afhankelijk van de bevindingen verder te worden gesaneerd. Het noodzakelijke saneringsplan is door de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) reeds goedgekeurd. Voordat op de locatie bouwwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd dient in een evaluatierapport de ontmanteling van het tankstation en de sanering van oude (restverontreiniging in het grondwater) en nieuwe verontreinigingen te worden aangetoond. 5.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit wordt, met inachtneming van de benodigde saneringsmaatregelen, als passend beschouwd bij de nieuwe woonfunctie. Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldend de volgende regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.1.3 Uitwerking De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a.
een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en
b.
de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld c.
een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.)
d.
een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.
Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het gaat hier zoals eerder al aangegeven onder andere om woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 5.3.2
Beoordeling
In de eerste plaats wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Daarnaast gaat voorliggend plan uit van de realisatie van 188 woonappartementen. Het aantal te realiseren woningen blijft ruimschoots onder de aangegeven grens van 1.500 woningen zoals opgenomen in het Besluit NIBM. Hiermee kan in beginsel redelijkerwijs worden uitgesloten dat de grenswaarde van 3% voor verontreinigende stoffen wordt overschreden. Om dit aan te tonen is door Peutz een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek was het vaststellen of een wijziging in de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen vanwege de ontwikkeling effect heeft op de luchtkwaliteit in de omgeving. Hierbij zijn de resultaten afgezet tegen de milieueffecten van de in de huidige situatie binnen het plangebied aanwezige functies (tankstation). Hierna wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksconclusies. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. De bijdrage aan de luchtverontreinigende stoffen door toedoen van de beoogde ontwikkeling is maximaal 0.1, 0.0, en 0.0 μg/m³ voor respectievelijk NOx, PM10, en PM2,5. Hiermee is sprake van een NIBM bijdrage. Tevens is deze slechts 0,1 μg/m³ hoger dan de bijdrage van het tankstation in de bestaande situatie.
Hierbij wordt nog opgemerkt dat in beginsel sprake is van een worst-case berekening, waarbij bij meer gebruik van elektrische voertuigen de uitstoot nog zal afnemen. Hiervan uitgaande wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen significant negatieve effecten in de omgeving tot gevolg heeft in relatie tot het aspect luchtkwaliteit. Hiermee is voor de ontwikkeling in dit kader dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.3.3
Conclusie
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht. Het aspect luchtkwaliteit vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; het Activiteitenbesluit
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).
Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Voorliggend bestemmingsplan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de Veiligheidsregio Hollands Midden. De Veiligheidsregio heeft geen bezwaren tegen de beoogde planontwikkeling. Wel wordt geadviseerd verbetering aan te brengen in de secundaire bluswaterwinning, zodat een ontwikkelde brand adequaat kan worden geblust. 5.4.3
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Opgemerkt wordt nog dat door het wegbestemmen van de huidige mogelijkheden tot exploitatie van onder andere een tankstation, ter plaatse een (mogelijke) risicobron wordt opgeheven.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: • • • •
stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.
De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het projectgebied is gelegen aan een wijkontsluitingsweg (Ridder van Catsweg) en in een omgeving met enige functiemenging. Gelet op het feit dat met name door de Ridder van Catsweg reeds sprake is van een verhoogde milieubelasting kan in voorliggend geval worden uitgegaan van ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
2.
laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld De functie ‘wonen’ is in beginsel niet milieubelastend voor de omgeving. Van de aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is in beginsel dan ook geen sprake. In voorliggend geval is echter wel sprake van een verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen en de realisatie van een parkeerdek (zie ook paragraaf 3.2). In dit kader heeft Peutz onderzoek verricht naar de mogelijke hinder voor omwonenden. Doel van het onderzoek was het vaststellen van de geluidbelasting ten gevolge van verkeersbewegingen ten gevolge van de verkeersgeneratie van de woningen, alsmede de geluidbelasting van de piekgeluiden veroorzaakt door gebruik van de parkeerplaatsen (dichtslaan portieren) ter plaatse van bestaande woningen. Daarnaast is beschouwd wat de geluidbelasting ten gevolge van de indirecte hinder in de omgeving is. Hierna wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksconclusies. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Het hoogst berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van verkeersbewegingen over het verkeersdek bedraagt 42, 44 en 36 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en voldoet aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit, almede aan stap 2 van de VNG-publicatie voor gemengd gebied.
Het maximale geluidniveau ten gevolge van dichtslaan van portieren op het verkeersdek bedraagt ten hoogste 64 dB(A), waarbij sprake is van een acceptabel geluidniveau in een stedelijke omgeving. Hier wordt eveneens voldaan aan stap 2 van de VNG-publicatie voor gemengd gebied. Hierbij wordt opgemerkt dat de piekgeluiden gebiedseigen geluid betreft, hetgeen in de huidige situatie reeds aanwezig is met zelfs hogere maximale geluidniveaus ter plaatse van de gevels van woningen. De indirecte hinder ten gevolge van de ontwikkeling bedraagt maximaal 49 dB (L den). De geluidbelasting van de bestaande doorgaande wegen is maximaal 63 dB (L den). Derhalve is de indirecte hinder als akoestisch niet relevant te beschouwen. Ook wordt de maximaal toelaatbare waarde uit de Circulaire niet overschreden. Daarmee wordt tevens voldaan aan stap 3 uit de VNG-publicatie. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele relevante milieubelastende functies/bedrijven gelegen danwel gevestigd.
Het betreft echter uitsluitend (maatschappelijke, dienstverlenende en overige lichte) functies met een maximale milieucategorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 10 meter (gemengd gebied). De onderlinge afstand tussen deze functies en de bouwvlakken waarbinnen de woongebouwen moeten worden gebouwd bedraagt in alle gevallen meer dan 30 meter, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom vormt voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. 5.5.4
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Zoals waarneembaar in afbeelding 5.2 is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ gelegen op een afstand van circa 3,4 kilometer ten oosten van het plangebied (rode ster).
Afbeelding 5.2
Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura-2000 (Bron: provincie Zuid-Holland)
Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is van directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habittatypen binnen het Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in dit BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld kader ook rekening gehouden met de toekomstige aanwijzing van het gebied ‘Polder Stein’ als stikstofgevoelig. Hierbij zijn rekenpunten toegevoegd ter plaatse van de dichtstbijzijnde grens van het gebied ‘Polder Stein’ en ter plaatse van de dichtstbijzijnde grens van het gebied waar de stikstofgevoelige Kievitsbloem aanwezig is. Hierna wordt de belangrijkste conclusie weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. De emissie leidt niet tot een meetbare depositie NOx op Natura 2000-gebieden of op het gebied ‘Polder Stein’. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De provincie Zuid-Holland kent naast het Natuurnetwerk Nederland ook eigen beleid genaamd Netwerk Natuur Zuid-Holland (NNZH). Het plangebied is zoals te zien is in afbeelding 5.3, niet gelegen binnen de begrenzing van NNN of het Netwerk Natuur Zuid-Holland.
De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN of NNZH zijn gelegen op meer dan 1,5 kilometer afstand van het plangebied.
Afbeelding 5.3
Uitsnede kaart Natuurnetwerk Zuid-Holland (Bron: Provincie Zuid-Holland)
Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten deze gebieden alsmede de aard en omvang van het plan, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNZH en het NNN. 5.6.2
Soortenbescherming
Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld In het kader van soortenbescherming is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek en een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd voor voorliggend plan. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en conclusies weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportages wordt verwezen naar bijlagen 7 (quickscan) en 8 (nader vleermuizenonderzoek) bij deze toelichting. Quickscan natuurwaardenonderzoek Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, nestelen er vogels, bezetten sommige vleermuissoorten er een verblijfplaats en bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats. Van de vogels die in het plangebied nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn strikt beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten, dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd worden.
Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De gebouwen in het plangebied vormen een potentiële verblijfplaats voor vleermuizen en op basis van het uitgevoerde onderzoek kan de aanwezigheid van een verblijfplaats niet uitgesloten worden. Om de functie en betekenis van de bebouwing voor vleermuizen scherp te krijgen is nader onderzoek vereist. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een ontheffing van de verbodsbepalingen negatief beïnvloed worden. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren, conform het vleermuisprotocol. De functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Aanvullend vleermuizenonderzoek In de zomer en het najaar van 2019 de bebouwing aan de Ridder van Catsweg 681 onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen.
Het onderzoek is uitgevoerd volgens het daarvoor geldende protocol en is volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat vleermuizen geen verblijfplaats bezetten in de te slopen bebouwing. Het slopen van de bebouwing leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. 5.6.3
Conclusie
Het plan heeft geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Gouda heeft haar archeologiebeleid onder andere doorvertaald naar de zogenoemde ‘Archeologische basiskaart’. Op deze basiskaart zijn de vanuit archeologisch oogpunt interessante locaties in Gouda te zien. Op basis van deze kaart kent het plangebied een lage archeologische verwachting. Dit is waarneembaar in afbeelding 5.4.
Afbeelding 5.4
Uitsnede Archeologische basiskaart (Bron: gemeente Gouda)
Op grond van het gemeentelijke archeologie beleid geldt ter plaatse van gronden met een lage archeologische verwachting dat archeologisch onderzoek nodig is bij projecten met een bodembeslag groter dan 10.000 m 2 waarvan de bodemingrepen dieper reiken dan 0,5 meter onder maaiveld. In voorliggend geval heeft het plangebied een omvang van circa 7.000 m². Archeologisch onderzoek is hiermee niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat in het kader van dit plan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
•
Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie plangebied
Voorliggende ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het plan is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. Daarnaast voldoet het plan aan de definitie van een besluit (kolom 3). De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
In voorliggend geval wordt de oppervlakte van 100 hectare niet overschreden en is geen sprake van een ontwikkeling dat een aaneengesloten gebied betreft waarbij meer dan 2.000 woningen worden gerealiseerd. Van een directe m.e.r.-plicht is dan ook geen sprake. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. In bijlage 9 bij deze toelichting is de bij dit plan behorende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgenomen. De vormvrije m.e.r.beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.9
Windhinder
5.9.1
Algemeen
De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties windklimaatonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek met CFDof windtunnelsimulatie noodzakelijk geacht. Aangezien in voorliggend geval sprake is van de realisatie van een tweetal woongebouwen met een bouwhoogte van minimaal 30 meter is door Peutz een windklimaatonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande woonbebouwing. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksconclusies. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze toelichting. 5.9.2
Situatie plangebied
Uit de resultaten van het onderzoek wordt de conclusie getrokken dat in voorliggend geval sprake is van een gunstig windklimaat in en rond het plangebied. Er zijn in dit kader dan ook geen verdere maatregelen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan Ridder van Catsweg 683, Gouda Vastgesteld noodzakelijk in relatie tot het aspect windhinder en het windklimaat ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving. 5.9.3
Conclusie
Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.10
Bezonning
5.10.1 Algemeen Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Wel bestaan er de zogenaamde 'lichte' en 'strenge' TNO-norm voor bezonning van woonkamers. Deze vinden hun oorsprong in het woonwaarderingsstelsel uit 1962. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van een voldoende bezonning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren/dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober (gedurende 8 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Gemeenten met eigen bezonningseisen hebben deze meestal gebaseerd op de lichte TNO-norm. In de gemeente Gouda zijn geen formele eisen gesteld aan de bezonning. In dit geval heeft de gemeente echter aangegeven de lichte TNO-norm te willen hanteren. 5.10.2 Situatie plangebied Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft Peutz een bezonningsstudie uitgevoerd. Doel van het onderzoek was het inzichtelijk maken van de effecten van de geplande nieuwbouw op de bezonning van de omliggende bebouwing. Naast een kwantificering van de afname van de mogelijke bezonningsduur ten opzichte van de huidige bestemmingsplansituatie is er getoetst of in de geplande bebouwingssituatie wordt voldaan aan de zogeheten “lichte TNO-norm”. Hierna wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksconclusies.