03 Nota van Zienswijzen - De Blaauwe Haan.pdf
Tekst van het document
De eisen gelden niet voor vergunningsaanvragen die gedaan zijn vóór 1 april 2021, zoals de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het project De Blaauwe Haan. overigens is het niet verplicht om voor een bestemmingsplan akoestisch onderzoek te verrichten voor warmtepompen.
17
Het ontwerpbestemmingsplan lag samen met ontwerpbesluit omgevingsvergunning vanaf donderdag 25 maart, dus voor de inwerkingtreding van de nieuwe eisen voor warmtepompen ter inzage. Desalniettemin heeft de ontwikkelaar ruim daarvoor al aangegeven rekening te willen houden met deze eisen. Naar aanleiding van de zienswijzen is een geluidsrapport opgesteld door ABT en gepresenteerd aan de indieners van de zienswijzen. Hieruit blijkt dat het geluid onder de norm blijft, die geldt vanaf 1 april 2021. Overigens is het niet zo, dat wanneer er geen warmtepompen aangebracht worden, er niet voldaan kan worden aan het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid. Gebruik van warmtepompen wordt niet voorgeschreven en er zijn andere mogelijkheden om in duurzame energie te voorzien. Ook zonder warmtepompen is het bestemmingsplan uitvoerbaar en is er nog sprake van een goede ruimtelijke ordening. Deze zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan door het akoestische rapport naar geluidsuitstraling van de installaties toe te voegen als bijlage bij de toelichting. Zienswijze 19 Voor zeven van de acht huishoudens is als extra punt opgenomen dat wordt opgemerkt dat de aanmeldnotitie zoals bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd is gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard en niet aan de gemeente Gouda. Verder wordt in de toelichting (par.
5.11.1) vermeld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda deze aanmeldnotitie op 16 maart 2021 heeft vastgesteld en op basis hiervan heeft besloten dat een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is. Ten aanzien van deze beoordeling zijn bewoners van mening dat het college van burgemeester en wethouders helemaal niet bevoegd is om op de aanmeldnotitie te beslissen. Het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit te nemen waarop de aanmeldnotitie betrekking heeft, is tevens bevoegd de beslissing te nemen op de aanmeldnotitie. Aangezien de aanmeldnotitie betrekking heeft op het (ontwerp)bestemmingsplan en de gemeenteraad hiervoor het bevoegd gezag is, dient ook de gemeenteraad, én dus niet het college van burgemeester en wethouders, te beslissen op de aanmeldnotitie. Voor zover het college wel bevoegd zou zijn om op de aanmeldnotitie te beslissen, merken bewoners op dat de beslissing niet bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd. Hoewel een dergelijke beslissing niet in de Staatscourant hoeft te worden gepubliceerd, dient de beslissing wel te worden opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, zodat daarop tijdens de zienswijzenperiode van het ontwerpbestemmingsplan ook (inhoudelijk) kan worden gereageerd.
Naast procedurele (vorm)fouten is het voor bewoners nu dus niet mogelijk om te achterhalen hoe het college van burgemeester en wethouders tot haar conclusie is gekomen. De enkele zinsnede: “Geconcludeerd wordt dat, gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, een nadere m.e.r.-beoordeling niet nodig is”, achten zij onvoldoende. Commentaar De omissie in de adressering wordt hersteld, maar de inhoud van de notitie zelf behoeft geen aanpassing. In artikel 7.1 lid 4 Wet milieubeheer is bepaald dat onder bevoegd gezag wordt verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel het vaststellen van een plan of een besluit. Daarmee is voor de gehele m.e.r.-regeling wettelijk vastgelegd dat daar waar taken aan het bevoegd gezag zijn toegekend, die ook steeds vervuld mogen worden door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden van het besluit of het plan waarvoor de m.e.r.-(beoordeling) wordt uitgevoerd. Het college van burgemeester en wethouders bereidt het bestemmingsplan voor. De basis hiervoor ligt in artikel 160, lid 1, onder b, Gemeentewet, en in het verlengde daarvan artikel 1.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.
Op grond van artikel 7.19 van de Wet milieubeheer moet het besluit over de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. genomen zijn voordat een ontwerpbesluit of een -bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.
18
Aangezien het college de voorbereidende werkzaamheden verzorgt, is het college het bevoegde gezag voor een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r. Het besluit om de aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling vast te stellen en op basis daarvan te besluiten geen milieueffectrapport of plan-m.e.r. op te stellen is opgenomen onder agendapunt 2.4 van de Besluitenlijst BenW vergadering van 16 maart, die op gebruikelijke manier bekend is gemaakt. Omdat de aanmeldnotitie in haar geheel als bijlage bij de toelichting is gevoegd, volstaat de beschrijving zoals gegeven in § 5.11 van de toelichting. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. is als bijlage 8 bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. In de zienswijzenperiode had dan ook hierop gereageerd kan worden. Deze zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan, door de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r, als bijlage bij de toelichting te vervangen door een versie waarin de omissie verholpen is. Zienswijze 20 Voor zes van de acht huishoudens is als extra punt opgenomen dat bewoners constateren, op basis van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan (par. 7.1), dat de economische uitvoerbaarheid niet, althans onvoldoende is aangetoond. Voor onderhavig plan is blijkens de toelichting geen exploitatieplan opgesteld en is het kostenverhaal ook (nog) niet anderszins verzekerd.
Omdat het kostenverhaal niet is verzekerd, is het ontwerpbestemmingsplan economisch niet uitvoerbaar en kan het derhalve ook niet worden vastgesteld. Commentaar Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan waren nog gesprekken gaande over hoe afspraken over het gemeentelijke hoofdriool en aansluitingen erop van toekomstige woningen en die van de woningen aan de Van Beverninghlaan in de anterieure overeenkomst gevat konden worden. In die anterieure overeenkomst worden ook afspraken over het kostenverhaal gemaakt, waarmee de financiële uitvoerbaarheid is verzekerd. Het bestemmingsplan wordt niet eerder vastgesteld dan dat er een anterieure overeenkomst met een kostenverhaal tussen gemeente en ontwikkelende partij gesloten is. Er zal daarom ook geen exploitatieplan op- en vastgesteld te worden. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Zienswijze 21 In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid merken bewoners allereerst op dat het meeste vooroverleg (ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) enkel heeft plaatsgevonden in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan. Zij vragen zich af welk voorontwerpbestemmingsplan dit is geweest aangezien er bij hun weten nooit een voorontwerpbestemmingsplan is gepubliceerd en ter inzage heeft gelegen.
Daarbij vragen zij zich af hoe bijvoorbeeld de provincie aankijkt tegen het nu voorliggende ontwerpbestemmingsplan; dat komt immers niet naar voren uit de stukken. Hierbij komt dat het enkele invullen van het E-formulier een eenzijdige handeling vanuit de gemeente betreft, wat niet als vooroverleg is aan te merken. Naast het vooroverleg concluderen bewoners ook dat de participatie op onderdelen niet volledig en/of correct is weergegeven. Dit is relevant omdat zonder een goed beeld van de participatie nooit een zorgvuldige belangenafweging kan worden gemaakt bij de vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan. Ten aanzien van de bijeenkomst op 11 februari 2020 merken zij het volgende op. Tijdens deze bijeenkomst zijn de opmerkingen van de klankbordgroep gepresenteerd. Deze opmerkingen zijn daarna gedeeltelijk meegenomen in het ontwerp. In zowel de klankbordgroep als op de avond in februari 2020 zijn meerdere opmerkingen geplaatst over het ontwerp van de woningen. De belangrijkste opmerking was het feit dat de voorgestelde (platte) daken niet passend zijn in de omgeving en schuine dakvlakken (met dakpannen) veel beter aansluiten op de omgeving en passen in het karakter van de buurt. Daarnaast was er sprake van een maximale bouwhoogte van 9,0 meter, die nu zonder verdere toelichting in het ontwerpbestemmingsplan 10,0 meter is geworden.
Verder ontbreekt in het overzicht van bijeenkomsten dat er, vanwege Covid-19, een bewonersavond in april/mei 2020 niet is doorgegaan en ontbreekt ook de bewonersavond op 22 juli 2020 in het Kaaspakhuis. Tijdens deze avond is enkel nog gesproken over de architectuur van de nieuwe woningen. Voorafgaand aan deze avond in juli 2020 hebben bewoners een brief verstuurd aan Sens
19
waarin zij onduidelijkheden, hun bezwaren en hun vragen hebben benoemd, waaronder de kapvorm. Op deze wensen kon Sens, blijkens hun reactie, niet meer ingaan. Enige wijzigingen die daarna nog zijn doorgevoerd waren details ten aanzien van het parkeren en de ontsluiting. Allereerst bevreemdt het bewoners dat er blijkbaar over voor hen essentiële onderdelen vanaf juli 2020 (bijna een jaar geleden) niet meer kon worden gesproken. Dit getuigt niet van een zorgvuldige en serieuze participatie. Daarnaast klopt het dus ook niet dat de wijzigingen zijn afgestemd op de voorkeuren van omwonenden. Naast deze inhoudelijke inconsistenties in het verhaal rondom de participatie missen bewoners in de toelichting vooral de argumentatie waarom naar bepaalde wensen en zorgen vanuit hen als omwonenden wel is geluisterd en waarom naar andere wensen en zorgen niet is geluisterd. Op dit onderdeel mist dus een zorgvuldige motivatie en belangenafweging. Bewoners stellen zich dan ook niet alleen op het standpunt dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid onvoldoende is aangetoond, maar ook dat onder meer sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb). Commentaar Het klopt dat er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd is geweest.
Wel is aan overlegpartners voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gevraagd te reageren op het concept van het ontwerpbestemmingsplan, zoals ook aangegeven in § 7.2 van de toelichting van het bestemmingsplan. Daarbij kan een ontwerpbestemmingsplan bij de Provincie ZuidHolland niet anders aangeboden worden dan via een daartoe bestemd E-formulier. Het participatieproces dat de ontwikkelende partij SENS real estate heeft opgezet, is uitvoerig geweest. Zo was er al op 8 juli 2019 een eerste overleg met het wijkteam Nieuwe Park. En zijn 10 september 2019 de schetsplannen gepresenteerd aan de klankbordgroep en gaf het wijkteam diezelfde avond een eerste reactie. Overigens plaatst het wijkteam geregeld artikelen in de breed verspreide wijkkrant Nieuwe Park over het project, zodra er nieuws te melden valt. Op 11 februari 2020 heeft een bewonersavond plaatsgevonden in zorgcentrum Gouwestein. Naar aanleiding van reacties uit de buurt is de opzet van het plan gewijzigd. Zo was er oorspronkelijk een ontsluitingsweg rondom de nieuw te bouwen grondgebonden woningen en diende de zuidoostelijke inrit aan de Kattensingel nog als ontsluiting voor de westelijke helft van het plangebied. Ook is het aantal woningen naar beneden bijgesteld.
Dat niet rekening is gehouden met de wensen of voorkeuren van alle omwonenden, betekent niet dat er geen sprake is van een zorgvuldige en serieuze participatie. Zo kunnen verscheidene bewoners van de Van Beverninghlaan gebruik maken van een achterom via het projectgebied van De Blaauwe Haan, maar voorziet het plan niet in instandhouding van delen van schuren die in het verleden over de erfgrens zijn gebouwd. Zoals vermeld in § 7.2 heeft op 24 november 2020 een digitale participatiebijeenkomst plaatsgevonden. Daarvoor en daarna heeft de ontwikkelende partij ook in kleiner verband of individuele gesprekken gevoerd met buurtbewoners om tot een gezamenlijke oplossing te komen. Zo is er vrij vroeg in het proces gesproken met een vertegenwoordiging van het Crabethhuis over de inrichting van de hoofdontsluiting van het projectgebied. Ook zijn contactmomenten geweest met bewoners van de Van Beverninghlaan over de manier waarop de oorspronkelijke ontsluiting als een lus langs hun achtertuinen ging. Ook zijn er afzonderlijke gesprekken gevoerd met de bewoners die direct naast de zuidwestelijke ontsluiting aan de Kattensingel wonen. Met een bewoner van de Van Swietenstraat is gesproken over de kleuren van de te kiezen bakstenen en de aan te planten bomen. En met een bewoner van de Kattensingel zijn drie gesprekken gevoerd.
In de periode dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage lag is op 30 april 2021 een informatieavond georganiseerd geweest over de plannen de Blaauwe Haan op locatie aan de Kattensingel. En op 8 juni 2021 was er een avond om met buurtbewoners van gedachten te wisselen over de belangrijkste punten die naar voren kwamen uit de zienswijzen. Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, twee avonden tijdens en na de terinzagelegging plus de verschillende overlegmomenten voorafgaand eraan, is voldoende rekenschap gegeven aan participatie voor dit project. En met de behandeling van de zienswijzen en bespreking met buurtbewoners over de belangrijkste onderwerpen uit die zienswijzen is er dan ook geen sprake van strijdigheid met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
20
Deze zienswijze leidt tot aanpassingen in § 7.2 van de toelichting van het bestemmingsplan door uitvoeriger in te gaan op de overleg- en contactmomenten. 2.2 Zienswijze bewoners Van Swietenstraat Bewoners geven aan dat zij in algemene zin positief staan tegenover het realiseren van een woningbouwplan op het terrein van het voormalige kaaspakhuis. Dat is altijd beter dan dat dit terrein nog jaren braak blijft liggen. Zij begrijpen bovendien de behoefte aan nieuwe woningen. Ook de hoofdlijnen van het voorliggende plan, bestaande uit royale parkwoningen, spreken hen aan. Echter, ten aanzien van een aantal punten hebben zij zorgen. Bovendien missen zij bij een aantal onderwerpen een goede onderbouwing. Bewoners concluderen dat het ontwerpbestemmingsplan nog niet in deze vorm door de gemeenteraad kan worden vastgesteld. Zienswijze 1 Bewoners hebben bedenkingen bij de enorme massa aan bouwblokken (woningen) die het plan mogelijk maakt. Daarbij speelt ook de bouw- en goothoogte een rol, alsmede de vorm van de daken. De maximale bouwhoogte van 10 meter in combinatie met het feit dat er wordt gekozen voor platte daken en de hoogteverschillen in het terrein maken dat bewoners tegen rechte en hoge achtergevels gaan uitkijken, die zij als te hoog en te massief ervaren.
Zicht op de woningen aan de Van Swietenstraat en hun achtererven Commentaar De woningen aan de Van Swietenstraat hebben twee bouwlagen met afwisselende kappen. Op enkele plekken zijn er dakopbouwen, waardoor ook drie bouwlagen met een platdak ontstaat. In het bestemmingsplan kennen de woningen aan de Van Swietenstraat een toegestane goothoogte van 7 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter. Voor de woningen nabij de Van Beverninghlaan mogen zowel de goot- als de bouwhoogte 1 meter hoger. De nieuw te bouwen woningen kennen een maximale bouwhoogte van 10 meter en blijven dus onder de bouwhoogte van de woningen aan de Van Swietenstraat. Daarnaast zijn de tuinen van de woningen aan de Van Swietenstraat 14 meter diep. De nieuwbouw komt op ongeveer 24 meter afstand van de bestaande woningen te staan, wat ruim is in een stedelijke omgeving. Het niet ongebruikelijk dat de afstand tussen bebouwing in een stedelijke omgeving aanzienlijk minder is dan hier het geval is. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is dit goed inpasbaar en is de confrontatie gering.
21
De woningen worden dusdanig gebouwd dat er al rekening gehouden is met een uitbouw op de begane grond. Dit is allemaal passend binnen de bouwvlakken, zoals die zijn opgenomen op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan. Wel wordt en wijziging voorgesteld om binnen de bouwvlakken hoogtescheidingslijnen op te nemen om te regelen dat de achtergevels, zoals aangegeven op de tekeningen van de omgevingsvergunning, in de toekomst niet gelijkgetrokken kunnen worden met die van een eventuele uitbouw. Deze zienswijze leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan in die zin dat op de verbeelding hoogtescheidingslijnen aan de achterzijden van de woningen worden opgenomen. Daarmee wordt geregeld dat uitbouwen op de begane grond mogelijk zijn, maar de achtergevel daarvan niet doorgetrokken kunnen worden naar hoger gelegen bouwlagen. Zienswijze 2 Bewoners geven aan dat op geen enkele wijze uit de plannen blijkt dat de beoogde ontwikkeling stedenbouwkundig aanvaardbaar is en op een goede wijze in de omgeving wordt ingepast. Er wordt in de cultuurhistorische analyse wel geschreven over stedenbouw, maar deze analyse gaat enkel over de vraag of de beoogde plannen de cultuurhistorische waarden aantasten. Dat is in hun ogen iets anders dan een stedenbouwkundige beoordeling op de vraag of dit voorgenomen bouwplan stedenbouwkundig in de omgeving past.
Omdat een stedenbouwkundige beoordeling ontbreekt, zijn zij van mening dat het ontwerpbestemmingsplan in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 3 in § 2.1. Zienswijze 3 Daarnaast pleiten bewoners ervoor om het beleven en ervaren van de massale bouwblokken te ondervangen door de maximale goothoogte te verlagen en/of te kiezen voor een andere kapvorm. Andere typen kapvormen zorgen niet alleen voor een minder massaal beeld, maar passen ook veel beter in de omliggende omgeving en tasten de cultuurhistorische waarde zeker niet aan. Dit sluit ook beter aan bij de Stedenbouwkundige visie voor de binnenstad en haar randen, waar overigens in het gehele ontwerpbestemmingsplan ook geen aandacht voor is en dat is toch opvallend gelet op de locatie van onderhavig projectgebied. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 4 in § 2.1. Zienswijze 4 Tenslotte vragen bewoners om hen, zoals de ontwikkelaar heeft toegezegd tijdens de een-na-laatste informatieavond, te informeren over de kleur van de gevelstenen van de achtergevels waar zij vanuit hun woning op uitkijken. De ontwikkelaar gaf toen aan te zullen proberen om hiervoor niet de meest donkere stenen te gebruiken. Commentaar Op 27 mei 2021 is de ontwikkelaar bij bewoner langs geweest om de gekozen baksteen toe te lichten.
Na de avond waarop de zienswijzen zijn besproken is op 11 juni 2021 een presentatie verstuurd waarin de gekozen bakstenen met referentiebeeld zijn opgenomen. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Zienswijze 5 Gelet op de situering van de nieuwe woningen, de hoogteverschillen in het terrein en de mogelijkheden tot het realiseren van bijgebouwen maken omwonenden zich zorgen over de aantasting van de privacy. Zij beseffen zich dat privacy in beginsel een privaatrechtelijke aangelegenheid is en de bouwblokken allemaal op minimaal twee meter uit de erfgrens zijn gesitueerd, maar zij hebben toch enkele bezwaren. De grootste zorg heeft betrekking op de mogelijkheden tot uitbouwen die het ontwerpbestemmingsplan en de daarin opgenomen planregels biedt. Op grond van artikel 17 lid 2 onder c kan er veel aan bijbehorende bouwwerken worden toegevoegd, waarbij bewoners het vergunningsvrij bouwen op grond van het Besluit omgevingsrecht buiten beschouwing laten.
22
Het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt door de planregels in het zij- en achtererfgebied weliswaar grotendeels beperkt, maar in het voorerfgebied een stuk minder. Dit is relevant nu het ontwerpbestemmingsplan niet bepaalt c.q. vastlegt waar de voorgevelrooilijn van gebouwen nu, maar ook in de toekomst, dient te lopen. Daarmee biedt het ontwerpbestemmingsplan planologisch de ruimte om de (formele) voorgevel te situeren richting de omliggende bebouwing en ontstaat er derhalve een voorerfgebied tussen de nieuwe woningen en de bestaande woningen rondom het projectgebied. Wij zouden dan ook graag zien dat de voorgevelrooilijn niet alleen in het bestemmingsplan wordt gedefinieerd, maar ook dat de voorgevelrooilijn daadwerkelijk wordt vastgelegd, zodat geen discussie kan ontstaan over het zij-, achter- en/of voorerfgebied. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 7 in § 2.1. Zienswijze 6 Bewoners zien graag in de planregels een koppeling met de mogelijkheden tot vergunningsvrij bouwen uit het Besluit omgevingsrecht. Op basis van de huidige planregels is namelijk bebouwing mogelijk tot 50% / (afhankelijk van het type woning) 30 m2 of 55 m2 per woning, maar daarbovenop zijn vervolgens ook nog mogelijkheden om vergunningsvrij door te bouwen.
Dit maakt dat grote delen ook dicht tegen onze erfgrenzen kunnen worden bebouwd; dit gaat niet alleen ten koste van onze privacy, maar heeft ook nadelige effecten voor onder andere de waterhuishouding. Wij zouden in de planregels dan ook graag een koppeling zien door in artikel 8.2 onder c onder 1, 5 en 6 toe te voegen dat het gaat om ‘al dan niet met een omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken’ of iets in die trant. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 8 in § 2.1. Zienswijze 7 In paragraaf 4.3.4 wordt gesproken over de Welstandsnota 2017 en wordt aangegeven dat de bouwplannen in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning aan deze nota zullen worden getoetst. Opgemerkt zij dat de Welstandsnota 2017 niet van toepassing is op onderhavige plannen. Wij vragen ons dan ook af waarom in het ontwerpbestemmingsplan niet wordt uitgegaan van het actuele Welstandsbeleid 2020, zoals door de gemeenteraad van Gouda vastgesteld op 9 december 2020 en in werking per 1 januari van dit jaar. Derhalve is onduidelijk hoe de plannen zich verhouden tot dit ‘nieuwe’ Welstandsbeleid en dat is met name van belang gelet op de ligging van het projectgebied in het beschermd stadsgezicht. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 10 in § 2.1.
Zienswijze 8 In de toelichting wordt gesteld dat de ontsluiting van het gemotoriseerd verkeer plaatsvindt via twee inen uitritten ter hoogte van de Kattensingel. Verder wordt gesteld dat er door het projectgebied een langzaamverkeersverbinding loopt die de Kattensingel verbindt met de Van Beverninghlaan en het achterliggende Van Bergen IJzendoornpark. Voorgaande wordt ook in het rapport van Over Morgen (bijlage 9 bij de toelichting) bevestigd, waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat de doorsteek naar de Van Beverninghlaan via een ‘zakpaal’ wordt afgesloten voor eventueel doorgaand verkeer, of ter voorkoming van sluipverkeer. Bewoners zijn voorstanders van een langzaamverkeersverbinding, maar constateren wel dat het ontwerpbestemmingsplan dit op geen enkele manier borgt. Op basis van de planregels bij het ontwerpbestemmingsplan is een doorgaande verbinding voor gemotoriseerd verkeer planologisch toegestaan en ook het aanbrengen van een ‘zakpaal’ wordt nergens in de planregels voorgeschreven. Bewoners maken zich zorgen dat een dergelijke (planologische) mogelijkheid nu, dan wel in de toekomst, maakt dat er meer verkeersbewegingen komen en ook verkeersonveilige situaties zullen ontstaan ter hoogte van de Van Beverninghlaan. De angst voor een eventuele doorsteek voor motorvoertuigen wordt daarbij ook vergroot gelet op de inhoud van het nieuwe ontwerp verkeerscirculatieplan.
Bewoners zien dan ook graag dat de langzaamverkeersverbinding tussen het projectgebied en de Van Beverninghlaan ook als zodanig expliciet wordt bestemd in de planregels.
23
Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 11 in § 2.1. Zienswijze 9 Bewoners zijn bang voor een toename van de parkeerdruk in de omliggende straten rondom het projectgebied. Het ontwerpbestemmingsplan verwijst voor de te hanteren parkeernormen naar bijlage 1 bij de planregels (Parkeernormen). Op basis van deze parkeernormen dienen er afgerond 113 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarvan 95 voor toekomstige bewoners en 18 voor bezoekers. Bewoners constateren dat in het plan slechts wordt voorzien in totaal 71 parkeerplaatsen (incl. twee voor deelauto’s en waarvan acht voor bezoekers). Bewoners kunnen zich niet vinden in de motivatie om af te wijken van de parkeernorm en zetten grote vraagtekens bij de onderbouwing van de parkeerbalans (bijlage 9 bij de toelichting). Allereerst wordt opgemerkt dat het bureau Over Morgen de onderbouwing tot afwijking van de parkeernorm (grotendeels) baseert op het Parkeerplan Gouda 2020. Hierbij wordt gelijk door bewoners opgemerkt dat hoofdstuk 4 uit het Parkeerplan Gouda 2020, luidend Parkeernormen auto’s, op 29 januari 2020 helemaal niet door de gemeenteraad is vastgesteld. De onderbouwing ter afwijking van de parkeernorm is daarom gebaseerd op niet relevant én niet vastgesteld beleid en alleen in zoverre is er al geen sprake van een zorgvuldige afweging c.q. besluitvorming.
Het ontwerpbestemmingsplan is in zoverre dan ook onder meer in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb). Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 12 in § 2.1. Zienswijze 10 Verder wordt opgemerkt dat niet de CROW als basis geldt voor de te hanteren parkeernormen, maar de eigen ‘Goudse’ parkeernormen, zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan (bijlage 1 bij de planregels). Ook zetten bewoners veel vraagtekens bij de onderbouwing van Over Morgen. Het verlagen van de parkeernormen wordt beargumenteerd door een enkele vergelijking met station Haarlem (p. 10), een vermoeden dat het project bewoners trekt die minder behoefte hebben aan een auto (p. 12) en de gemeentelijke hoop dat bewoners kiezen om te delen, onder andere in de vorm van deelauto’s (p. 15), waarbij bewoners zich ook afvragen hoe het effect van deelmobiliteit is berekend (er wordt volstaan met de enkele mededeling -4,0 parkeerplaatsen (p.17). Het afwijken van de parkeernorm is dus niet alleen gebaseerd op expliciet niet door de gemeenteraad vastgesteld beleid, maar is ook in strijd met de eigen gemeentelijke parkeernormen uit het ontwerpbestemmingsplan.
Daarnaast is de inhoudelijke motivatie gebaseerd op een enkele vergelijking met station Haarlem (de vraag is of dit vergelijkbare gevallen zijn, waarbij bewoners dat zeker niet vinden), een vermoeden en vooral hoop vanuit gemeentelijke doelen. Dit brengt hen tot de conclusie dat de onderbouwing ter afwijking van de parkeernorm onzorgvuldig is en slecht is gemotiveerd. De motivatie om af te wijken is vooral gestoeld op aannames en verwachtingen in plaats van feiten. Dit maakt dat bewoners bezorgd zijn over extra parkeerdruk in de omliggende straten en afbreuk van hun woongenot. Het ontwerpbestemmingsplan getuigt op dit punt zeker niet van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en kan in deze hoedanigheid dan ook onmogelijk worden vastgesteld. Bewoners zien graag dat de volledige parkeereis (113 parkeerplaatsen) wordt opgelost op eigen terrein ter voorkoming van extra parkeerdruk. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 13 in § 2.1. Zienswijze 11 Bewoners merken op dat artikel 17 van de planregels ziet op onder andere het aanbrengen van (in voldoende mate) parkeergelegenheid, maar merken gelijktijdig op dat artikel 17 noch een ander artikel in de planregels een voorwaardelijke verplichting bevat voor het daadwerkelijk realiseren van voldoende parkeergelegenheid.
Bewoners stellen zich op dit standpunt omdat artikel 17 lid 1 onder a bijvoorbeeld geen relatie legt met omgevingsvergunningsplichtige activiteiten, zoals vermeld in artikel 2.1 lid 1 Wabo, en ook het ontwerpbestemmingsplan zelf niet in artikel 1 van de planregels definieert wanneer ‘de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft’. Artikel 17 bevat
24
dus geen voorwaardelijke verplichting, waarmee het aanleggen van parkeerplaatsen op geen enkele manier in het ontwerpbestemmingsplan wordt voorgeschreven. Derhalve vormt het aspect parkeren wel een belemmering voor het voorgenomen plan en het vaststellen van het (ontwerp)bestemmingsplan. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 14 in § 2.1. Zienswijze 12 In de plannen wordt uitgegaan van de kap van een aantal bomen binnen het projectgebied. Bewoners snappen dat het bestemmingsplan niet gaat over het kappen van bomen, willen aangeven dat zij de kap van de bomen en met name de grote en voor hen zeer waardevolle treurwilg niet begrijpen en onacceptabel vinden. Zij kunnen uit de voorgenomen plannen en stukken niet opmaken waarom de bomen dienen te worden gekapt, althans welk zwaarwegend belang de ontwikkelaar daarbij heeft. Daarbij komt dat de bomen een waardevolle bijdrage leveren aan de biodiversiteit in het gebied, ecologische stepping stones vormen, bijdrage leveren aan de seizoensbeleving, natuurlijke geluidswering vormen, zorgen voor koeling en waterhuishoudkundige functies vervullen. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 16 in § 2.1. Zienswijze 13 In de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan wordt gesproken over de waterhuishouding in het projectgebied (par. 5.10.1), maar dit stelt bewoners allerminst gerust.
In de toelichting wordt aangegeven dat de verharding in het gebied ten opzichte van de huidige situatie zal afnemen (circa 70% wordt circa 67%), maar het ontwerpbestemmingsplan legt dit niet vast. Op basis van de planregels is, ondanks een beperking van bebouwing, (in de toekomst) wel 100% (oppervlakte)verharding mogelijk. Aangezien het ontwerpbestemmingsplan de oppervlakteverharding niet maximeert is allerminst zeker of de waterhuishoudkundige situatie zal verbeteren, althans zijn de onverharde oppervlaktes waarnaar wordt gerefereerd niet afdwingbaar. Hetzelfde geldt voor de aanleg van wadi’s die in geval van (extreme) regenval zullen fungeren als buffer- en infiltratievoorziening. De conclusie dat het aspect water geen belemmering vormt voor de planontwikkeling is derhalve gestoeld op oplossingen, zoals onverharde oppervlaktes en wadi’s, die geenszins zijn geborgd in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan. Bewoners is nu dus onvoldoende duidelijk hoe de afwatering zal plaatsvinden zonder dat zij hiervan (extra) hinder ondervinden. Daarmee vormt het onderdeel water dus wel een belemmering voor de vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 17 in § 2.1.
Zienswijze 14 Bewoners merken op dat in het kader van de gemeentelijke duurzaamheidsambities bij de nieuwe woningen onder andere gebruik zal worden gemaakt van warmtepompen. Het is inmiddels algemeen bekend dat warmtepompen voor geluidsoverlast kunnen zorgen richting belendende percelen. In het kader van geluid is voor onderhavig ontwerpbestemmingsplan echter enkel aandacht voor de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen afkomstig van weg- en spoorwegverkeer. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek (bijlage 7 bij de toelichting) is ook geen aandacht voor de plaatsing en eventueel nadelige (geluids)effecten van warmtepompen. Bewoners begrijpen dat deze toetsing, aan het Bouwbesluit, formeel hoort bij het ontwerpbesluit omgevingsvergunning, maar zij stellen zich op het standpunt dat ook in het ontwerpbestemmingsplan hier reeds rekening mee dient te worden gehouden. Wanneer warmtepompen immers (geluidstechnisch) niet mogelijk blijken, kan het plan in mindere mate voldoen aan de, door de gemeente, gestelde duurzaamheidsambities en is het dus de vraag hoe in een dergelijk geval het project zich verhoudt tot onder meer het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2016-2019 en de Handreiking duurzaamheid.
Bewoners constateren dus dat het geluid afkomstig van installaties ten onrechte niet is meegenomen in de berekeningen en uitgevoerde onderzoeken én derhalve getuigt het ontwerpbestemmingsplan niet van een goede ruimtelijke ordening en kan het niet worden vastgesteld.
25
Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 18 in § 2.1. Zienswijze 15 Bewoners merken op dat de aanmeldnotitie zoals bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd is gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard en niet aan de gemeente Gouda. Verder wordt in de toelichting (par. 5.11.1) vermeld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda deze aanmeldnotitie op 16 maart 2021 heeft vastgesteld en op basis hiervan heeft besloten dat een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is. Ten aanzien van deze beoordeling zijn bewoners van mening dat het college van burgemeester en wethouders helemaal niet bevoegd is om op de aanmeldnotitie te beslissen. Het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit te nemen waarop de aanmeldnotitie betrekking heeft, is tevens bevoegd de beslissing te nemen op de aanmeldnotitie. Aangezien de aanmeldnotitie betrekking heeft op het (ontwerp)bestemmingsplan en de gemeenteraad hiervoor het bevoegd gezag is, dient ook de gemeenteraad, én dus niet het college van burgemeester en wethouders, te beslissen op de aanmeldnotitie. Voor zover het college wel bevoegd zou zijn om op de aanmeldnotitie te beslissen, merken bewoners op dat de beslissing niet bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd.
Hoewel een dergelijke beslissing niet in de Staatscourant hoeft te worden gepubliceerd, dient de beslissing wel te worden opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, zodat daarop tijdens de zienswijzenperiode van het ontwerpbestemmingsplan ook (inhoudelijk) kan worden gereageerd. Naast procedurele (vorm)fouten is het voor bewoners nu dus niet mogelijk om te achterhalen hoe het college van burgemeester en wethouders tot haar conclusie is gekomen. De enkele zinsnede: “Geconcludeerd wordt dat, gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, een nadere m.e.r.-beoordeling niet nodig is”, achten zij onvoldoende. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 19 in § 2.1. Zienswijze 16 Bewoners constateren, op basis van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan (par. 7.1), dat de economische uitvoerbaarheid niet, althans onvoldoende is aangetoond. Voor onderhavig plan is blijkens de toelichting geen exploitatieplan opgesteld en is het kostenverhaal ook (nog) niet anderszins verzekerd. Omdat het kostenverhaal niet is verzekerd, is het ontwerpbestemmingsplan economisch niet uitvoerbaar en kan het derhalve ook niet worden vastgesteld. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 20 in § 2.1.
Zienswijze 17 In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid merken bewoners allereerst op dat het meeste vooroverleg (ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) enkel heeft plaatsgevonden in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan. Bewoners vragen zich af welk voorontwerpbestemmingsplan dit is geweest aangezien er bij hun weten nooit een voorontwerpbestemmingsplan is gepubliceerd en ter inzage heeft gelegen. Daarbij vragen zij zich af hoe de provincie aankijkt tegen het nu voorliggende ontwerpbestemmingsplan; dat komt immers niet naar voren uit de stukken. Hierbij komt dat het enkel invullen van het E-formulier een eenzijdige handeling vanuit de gemeente betreft, wat niet als vooroverleg is aan te merken. Naast het vooroverleg concluderen bewoners ook dat de participatie op onderdelen niet volledig en/of correct is weergegeven. Dit is relevant omdat zonder een goed beeld van de participatie nooit een zorgvuldige belangenafweging kan worden gemaakt bij de vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan. Ten aanzien van de bijeenkomst op 11 februari 2020 merken zij het volgende op. Tijdens deze bijeenkomst zijn de opmerkingen van de klankbordgroep gepresenteerd. Deze opmerkingen zijn daarna gedeeltelijk meegenomen in het ontwerp. In zowel de klankbordgroep als op de avond in februari 2020 zijn echter meerdere opmerkingen geplaatst over het ontwerp van de
26
woningen. De belangrijkste opmerking was het feit dat de voorgestelde (platte) daken niet passend zijn in de omgeving en schuine dakvlakken (met dakpannen) veel beter aansluiten op de omgeving en passen in het karakter van de buurt. Daarnaast was er sprake van een maximale bouwhoogte van 9,0 meter, die nu zonder verdere toelichting in het ontwerpbestemmingsplan 10,0 meter is geworden. Verder ontbreekt in het overzicht van bijeenkomsten dat er, vanwege Covid-19, een bewonersavond in april/mei 2020 niet is doorgegaan en ontbreekt ook de bewonersavond op 22 juli 2020 in het Kaaspakhuis. Op 1 en 8 november 2019 heeft een aantal bewoners van de van Swietenstraat in een gezamenlijke brief een aantal reacties en vragen aan de ontwikkelaar voorgelegd, waarin een groot aantal punten staat dat ook in deze zienswijze is verwerkt. Naast deze inhoudelijke inconsistenties in het verhaal rondom de participatie missen bewoners in de toelichting vooral de argumentatie waarom naar bepaalde wensen en zorgen vanuit hen als omwonenden wel is geluisterd en waarom naar andere wensen en zorgen niet is geluisterd. Op dit onderdeel mist dus een zorgvuldige motivatie en belangenafweging.
Bewoners stellen zich dan ook niet alleen op het standpunt dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid onvoldoende is aangetoond, maar ook dat onder meer sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb). Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 21 in § 2.1. 2.3
Zienswijze bewoner Van Swietenstraat
Zienswijze 1 Bewoner wijst erop dat de bouw van de woningen aan de noordzijde van het terrein gepland staan tegen de loop van de voormalige, gedempte Jan Verzwollewetering. Dit water is begin jaren 50 gedempt. Hiervoor is op dezelfde plaats een centraal riool aangelegd. Wellicht is het verstandig voor de aanvang van de heiwerkzaamheden rekening mee te houden met het volgende. A. De locatie van de heipalen. Zo min mogelijk in de buurt van het riool. B. De plaats en het gewicht van de heistellingen. Hierdoor kan eveneens schade worden aangericht aan het aanwezige riool. C. Wanneer het riool toch beschadigt, wordt dit pas later ontdekt en zullen alle tuintjes open moeten i.v.m. het herstel van de leiding. Hier zit niemand op te wachten. Commentaar In het bestemmingsplan is rekening gehouden met de ligging van de voormalige Jan Verzwollewetering en het daarin gelegen gemeentelijke hoofdriool door een aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – wetering’ en een bestemming “Tuin – 3” met zeer beperkte bouwmogelijkheden op te nemen. Hier zijn heipalen dus niet toegestaan In de anterieure overeenkomst worden ook afspraken gemaakt over werkzaamheden aan het gemeentelijke hoofdriool en toegang ertoe, zou dat nodig zijn voor toekomstige werkzaamheden. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
Zienswijze 2 Bewoner plaatst zijn vraagtekens bij de verbinding van de Van Swietenstraat met het wooncomplex van de Blauwe Haan. Zie ook bijgaande tekening met geel gemaakte strook. Komt er een verbinding vanaf het wooncomplex met de Van Swietenstraat of is deze poort bedoelt voor de bewoners van de Van Beverninghlaan met slechts 4 huizen van het complex?
27
Waarom deze vraag? - Bij een directe verbinding van de straat met de rest van het complex ontstaat de mogelijkheid dat meerdere bezoekers van de woningen hun auto gaan parkeren in de Van Swietenstraat. Hierdoor blijft er minder of geen ruimte over voor de bewoners van Van Swietenstraat zelf. Dit wordt nu al een probleem. - Met 4 verbindingen en zeker zo’n klein poortje wordt het inbrekers makkelijker gemaakt bij het vluchten vanuit het terrein van de Blauwe Haan, na een inbraak. Daarom maakt bewoner hier bezwaar tegen. Commentaar In de huidige situatie is het grootste deel van het pad samen met de gronden van de moestuin in eigendom bij de gemeente. Bij de ontwikkeling van het projectgebied van De Blaauwe Haan blijft dit pad naar de Van Swietenstraat in gebruik als achterom voor verscheidene woningen aan de Van Beverninghlaan, die het zodanige gebruik ervan willen kunnen voortzetten. Er komt geen open verbinding tussen het projectgebied van De Blaauwe Haan en de Van Swietenstraat. Het pad wordt afgesloten door een hekwerk langs de moestuin, dat aansluit op de privétuinen van het plangebied en de privétuin van een woning aan de Van Swietenstraat. Het is dus niet mogelijk om via het doodlopende pad het binnenterrein van De Blaauwe Haan te bereiken.
De bestemming en het toegestane gebruik van het bestaande pad blijven ten opzichte van het bestemmingsplan “Nieuwe Park Wonen” hetzelfde met het verschil dat met het bestemmingsplan “De Blaauwe Haan” ook de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - wetering' van toepassing zal zijn voor dit pad. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. 2.4 Zienswijze bewoners Van Swietenstraat Als omwonenden van dit - momenteel braakliggende en onderhavige - terrein willen bewoners laten weten erg blij te zijn met de huidige voorstellen en vormgeving van de voorgestelde architectuur. Zij zijn door de projectontwikkelaar, de architect én de landschapsarchitect vanaf het begin van het proces goed meegenomen in de verschillende besluiten en er is voldoende geluisterd naar bezwaren en zorgen van de huidige buurtbewoners.
28
In overleg met de omwonenden zijn er door de ontwikkelaar meerdere aanpassingen gedaan op het oorspronkelijke plan, waarbij goed tegemoet is gekomen aan de wensen van álle omwonenden. Bewoners denken dat het nieuwe wijkje met parkachtige uitstraling een optimale verbetering is van de huidige situatie. Tevens denken bewoners dat het bouwen van moderne, klimaat neutrale woningen van groot maatschappelijk belang is vanwege het huidige woningtekort. Gezien bovenstaand omschreven goede samenwerking vanuit alle omwonenden met de projectontwikkelaar, willen bewoners hierbij laten weten dat zij de zienswijzen van enkele buurtgenoten, waarbij plotseling weerstand gerezen is tegen de plannen, niet onderschrijven. Commentaar Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. 2.5
Zienswijze twee huishoudens Van Swietenstraat
Zienswijze 1 Er zal geluidsoverlast ontstaan door het plaatsen van luchtwarmtepompen op de daken van de 35 grondgebonden woningen en de 24 appartementen. Met name de grondgebonden woningen, die grenzen aan de Van Swietenstraat en dan vooral de woning met bouwnummer 26 (welke volgens plan op 8,5 meter van de erfgrens van de woning is geprojecteerd) zullen gezamenlijk een te groot geluidsvolume produceren, waardoor bewoners in hun woongenot zullen worden beperkt. Dat zal met name het geval zijn, als zij met mooi weer in de tuin verblijven. Echter, dat woongenot wordt ook aangetast als zij in hun woning zijn en door een open raam of deur het geluid van de diverse luchtwarmtepompen binnendringt. Reden, waarom zij van de gemeente verlangen, dat er zodanige voorwaarden worden geschapen, dat de hierboven geschetste geluidsoverlast wordt voorkomen. Graag vernemen zij concreet welk geluidsniveau uitgedrukt in decibels zal worden toegestaan, zowel individueel per luchtwarmtepomp als collectief van meerdere luchtwarmtepompen, zowel overdag als ’s nachts. Tevens vernemen zij graag hoe dit gaat worden gehandhaafd, indien toch de gestelde normen worden overschreden. Commentaar Uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening dienen de gevolgen van het project als geheel voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden in ogenschouw te worden genomen.
Zie de uitspraak van de Raad van State van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2690. Er is een akoestisch geluidsrapport opgesteld, waarin de gevolgen van de luchtwarmtepompen zijn onderzocht. Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 18 in § 2.1. Zienswijze 2 Er is een te verwachten toename van de parkeerdruk na realisatie van het project door zowel bewoners van het project als hun bezoekers. Dit punt is ter sprake gekomen tijdens de digitale informatieavond, die de projectontwikkelaar op 30-04-2021 voor de omwonenden heeft belegd. Er werd gesteld dat voor iedere grondgebonden woning en ieder appartement 1 parkeerplaats is voorzien. In totaal derhalve 35 + 24 = 59 parkeerplaatsen. Daarnaast komen er 8 parkeerplaatsen voor bezoekers en 2 plaatsen voor deelmobiliteit. Verder werd benadrukt dat de toekomstige eigenaren geen parkeervergunning kunnen krijgen voor sector 2, zijnde de omliggende straten / wijk. Alhoewel bewoners direct aannemen dat projectontwikkelaar op basis van de hem bekend zijnde informatie tijdens de informatieavond de juiste informatie heeft verstrekt, staat en valt het wel of niet ontstaan van parkeeroverlast met het wel of niet verstrekken van parkeervergunningen voor sector 2 aan toekomstige bewoners van het project De Blaauwe Haan.
Immers, als men wel een dergelijke parkeervergunning kan krijgen, dan zal er in de omliggende straten wel veel parkeeroverlast ontstaan, zowel door auto’s van bewoners (indien er sprake is van meerdere auto’s per gezin), als ook door de auto’s van bezoekers, omdat de bewoners dan de kentekens van de bezoekende auto’s via hun parkeervergunning op internet kunnen aanmelden voor een bepaalde tijd. Reden, waarom bewoners aan het college verzoeken om in een vergadering van de gemeenteraad te doen besluiten, dat er geen parkeervergunningen voor sector 2 zullen worden verleend aan de toekomstige bewoners van het project De Blaauwe Haan, omdat in het plan van dit project reeds is voorzien om op het terrein van het project te parkeren, zowel voor bewoners als bezoekers.
29
Commentaar Zie de reacties onder de commentaren op zienswijzen 12 en 13 in § 2.1. 2.6 Zienswijze bewoners Kattensingel Op grond van onderstaande bezwaren verzoeken bewoners de gemeenteraad de beslissing over het ontwerpbestemmingsplan ‘De Blaauwe Haan’ uit te stellen totdat deze zijn verduidelijkt c.q. opgelost. Zienswijze 1 Het eerste bezwaar van bewoners is de enorme massa aan bouwblokken (woningen) die het plan mogelijk moet maken. Daarbij speelt ook de bouw- en goothoogte een rol, alsmede de vorm van de daken. De maximale bouwhoogte van bijna 10 meter in combinatie met het feit dat er wordt gekozen voor platte daken, maakt dat wij als omwonenden tegen rechte en hoge, massale achtergevels gaan uitkijken. Commentaar De woningen aan de Kattensingel hebben een heel diepe achtertuin van ruim 40 meter diep. Dat maakt dat de toekomstige woningen op ruim 50 meter van de bestaande woningen aan de Kattensingel komen te liggen. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is dit goed inpasbaar en is de confrontatie gering. De gekozen typologie op deze plek is daarmee te rechtvaardigen. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
Zienswijze 2 Daarnaast pleiten bewoners er ook voor – zij hebben dit immers al meerdere malen bij de ontwikkelaar aangegeven – om het beleven en ervaren van de massale bouwblokken te ondervangen door de maximale goothoogte te verlagen en/of te kiezen voor een andere kapvorm, bijvoorbeeld een zadeldak, schilddak en/of mansardedak. Schuine dakvlakken (met dakpannen) zouden hier in deze begin twintigste eeuw gebouwde omgeving veel beter passen. Deze andere type kapvormen zorgen niet alleen voor een minder massaal beeld, maar passen in onze optiek ook veel beter in de omliggende omgeving en tasten de cultuurhistorische waarde zeker niet aan. Dit sluit ook beter aan bij de Stedenbouwkundige visie voor de binnenstad en haar randen, waar overigens in het gehele ontwerpbestemmingsplan ook geen aandacht voor is en dat is toch opvallend gelet op de locatie van onderhavig projectgebied. Bewoners zouden dan ook graag zien dat de kapvorm wordt aangepast en/of dat in de bouw- en goothoogte een en ander wordt verminderd. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 4 in § 2.1. Zienswijze 3 De bouwplannen gaan uit van de kap van zes bomen, waaronder een grote en voor bewoners waardevolle treurwilg nabij de Van Beverninghlaan. Naast de treurwilg betreft het ook nog twee esdoorns en drie platanen.
Bewoners verzoeken nogmaals de mogelijkheden om de bomen niet te hoeven kappen serieus te onderzoeken. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 16 in § 2.1. Zienswijze 4 Bewoners merken op dat in het kader van de gemeentelijke duurzaamheidsambities bij de nieuwe woningen onder andere gebruik zal worden gemaakt van warmtepompen. Het is inmiddels algemeen bekend dat warmtepompen voor geluidsoverlast kunnen zorgen richting belendende percelen. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek is echter geen aandacht voor de plaatsing en eventueel nadelige (geluids)effecten van warmtepompen. Commentaar Zie de reactie onder het commentaar op zienswijze 18 in § 2.1.
30
2.7
Zienswijze Stichting Platform Binnenstad en haar Randen
Zienswijze 1 Op het terrein staat het gebouw dat in gebruik was als controlestation voor de producten van de kaasfabriek. Dat gebouw heeft blijkens de Cultuur Historische analyse een cultuurhistorische waarde. In het nieuwe bestemmingsplan is dit gebouw niet meer terug te vinden. Het platform pleit voor behoud van dit gebouw. Dit bewuste gebouw heeft niet alleen als gebouw zijn waarde om te behouden gezien de architectuur, maar ook als functie die het gebouw had. Er waren in ons land heel weinig van dit soort controlestations dus als kaasstad is het van belang dit gebouw, in ieder geval deels, te behouden. Het staat namelijk buiten de verkaveling en verkeersstructuur en helemaal als de minder waardevolle westvleugel wordt ingekort. Commentaar Het klopt dat gebouw in de cultuurhistorische analyse een hoge cultuurhistorische waarde is toegekend. Verschillende mogelijkheden tot (gedeeltelijke) instandhouding of herbestemming zijn verkend, maar het is echter helaas niet mogelijk gebleken om het pand een plek te bieden in het plan. Onderzocht is of het karakteristieke pand een woonfunctie kan krijgen om het daarmee geheel of gedeeltelijk te behouden. Een aanpassing van het pand an sich is mogelijk, maar vraagt een forse aanpassing van het bouwplan. Ook als alleen maar de westelijke helft in stand blijft, zal dit ten koste gaan van het aantal woningen en parkeerplaatsen.
Rendabele alternatieven voor herontwikkeling zijn er niet en behoud van het gebouw is niet financieel haalbaar gebleken. Als een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen als op voorhand duidelijk is, dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3422). Aan die eis wordt niet voldaan. Het melkcontrolestation staat ongunstig gepositioneerd ten opzichte van de beoogde groene ruimte en zeker in zijn oriëntatie. De oriëntatie van voorgevel van het station is namelijk noordwest, terwijl gestreefd wordt naar voorkanten aan de groene ruimte in het zuidoosten. Om dit aan te passen zou de gevel van het voormalige melkcontrolestation te veel gewijzigd moeten worden en verliest het pand daarmee zijn ‘kracht’ en kwaliteit. Ook leidt een ingrijpende aanpassing tot grote vertraging en (veel) extra ontwikkelkosten. De huidige bestemming ‘Bedrijf’ wordt al jaren niet meer gebruikt. Het koste wat kost vasthouden aan de bedrijfsbebouwing, is niet in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
De ontwikkelaar is nadrukkelijk gevraagd om op verschillende plekken de cultuurhistorische waarden voor het voetlicht te brengen in de architectuur en in ruime mate in het voorlichtingsmateriaal op locatie. Daarom is toch gekozen voor sloop en nieuwbouw. In het ontwerp van de nieuwbouw is rekening gehouden met de markante locatie en haar geschiedenis. De opbouw van de nieuwbouw heeft in massa eenzelfde opzet als de bedrijfsbebouwing. Het ontwerp sluit mede door de bouwstijl aan bij de oude bouwstijl en de bestaande omgeving. Een van de adviezen in de cultuurhistorische analyse luidt dat de verbinding met het Van Bergen IJzendoornpark en de later ontstane verbinding met de stad behouden moet blijven, of de verbinding dan wel zichtlijn tussen het park en de binnenstad op te nemen in het nieuwbouwplan. Aan dit aspect is in dit plan veel aandacht besteed door centraal in het projectgebied een parkaanleg te realiseren en de nieuwbouw eromheen te positioneren. Daarbij wordt een verbinding tussen het Van Bergen IJzendoornpark en de singels versterkt door de inrichting én de toegankelijkheid voor anderen. Om deze kwalitatieve ruimte mogelijk te maken was het noodzakelijk om het voorgestelde programma te realiseren en op die manier een passende begrenzing te maken rondom de binnenruimte.
Ook het advies om de gedempte Jan Verzwollewetering als open structuur, evenals de eeuwenoude rooilijn van de Kattensingel te behouden is overgenomen (zie ook de reactie onder zienswijze 2). Verder worden de niet-planologische adviezen overgenomen. Zo komt het thema kaas terug in de naamgeving van het project en sluit de horizontale geleding alsmede de breedte van het appartementencomplex aan op de massa van het kaaspakhuis en zijn voorganger. Voordat er overgegaan wordt tot sloop van de panden, wordt eerst bouwhistorisch onderzoek verricht.
31
Het thema kaas blijft in het plan voortbestaan, door invulling te geven aan de navolgende punten: - De naamgeving De Blaauwe Haan; - Bij de onderdoorgang van het appartementengebouw, aan de gevel van de Kattensingel, komt een beeld van een blauwe haan, zoals die vroeger ook aan de gevel hing; - In de onderdoorgang van het appartementengebouw komt een tableau waarop de geschiedenis van het terrein en het melkcontrolestation wordt verteld; - In het park komen twee beelden (kunstwerken) die refereren naar de geschiedenis van het terrein; - Ook zal een boek worden opgesteld over de geschiedenis van het terrein. Op 22 juni 2021 en 1 juli 2021 hebben overleggen plaatsgevonden op het Huis van de Stad respectievelijk de locatie van het kaaspakhuis tussen het platform en de ontwikkelaar in bijzijn van een vertegenwoordiging van de gemeente. Daarin kwam naar voren dat op basis van nieuwe informatie het verhaal achter het melkcontrolestation enigszins bijgesteld moet worden. Het pand is oorspronkelijk gebouwd als kantoor- met ontvangstruimte van de kaashandel, en een bedrijfswoning. Pas later- eind jaren zeventig, begin jaren tachtig - is het omgevormd naar een melkcontrolestation en is het tien tot hooguit twintig jaar als zodanig in gebruik geweest.
Daarmee is het pand voor het platform vooral van belang als nog enig herkenbaar element langs de voormalige Jan Verzwollewetering, dat de loop ervan aangeeft. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Zienswijze 2 Tussen de achterkanten van zowel de Van Beverninghlaan en de nieuw te bouwen woningen ligt de plek van de Jan Verzwollewetering. Dit is het moment om de loop van de wetering zichtbaar te maken. Dit bestemmingsplan is de laatste kans om deze oorspronkelijke afwatering van polder Bloemendaal (uit 1350) meer afleesbaar te maken en niet uit te stuffen. De bebouwingsstrook met achtergevel op deze voormalige wetering ligt bovendien niet evenwijdig, wat de zichtlijn stoort. Het is mogelijk om een binnenplanse aanpassing te doen, door de lijn van de bebouwingsstrook te draaien. Daartoe moet woning nr. 29 op die plaats vervallen en gedraaid opschuiven aansluitend tegen nr. 30, waarbij de oude wetering bepalend is voor de positie van deze bebouwingsstrook. De wetering liep exact evenwijdig aan de Kattensingel. Voor een goede beleving van de aanwezigheid van wat ooit de wetering was, is gewenst dat bouwsels (bergingen) en hoge schuttingen achterwege blijven. Op de bijgevoegde kopie-situatietekening van architectenbureau Galis is de zichtlijn toegevoegd en ook het te verschuiven kavelnummer 29.
Commentaar Uit het kaartmateriaal (zoals bijvoorbeeld afbeeldingen 21, 22 en 23) uit de cultuurhistorische analyse komt naar voren dat de wetering niet geheel evenwijdig aan de Kattensingel loopt. Het zichtbaar maken van plek waar de Jan Verzwollenwetering gelegen heeft, is tijdens het ontwerpproces onderzocht. In eerste instantie waren daar een ontsluitingsweg en achtertuinen gedacht, maar naar aanleiding van reacties van omwonenden is de ontsluitingsweg, die ook zorgde voor meer openheid tussen de bestaande en de nieuwe woningen, komen te vervallen en vervangen door een achterpad. Als gevolg hiervan is de strook met parkwoningen in noordwestelijke richting opgeschoven. Daarbij is afgewogen hoever die opschuiving kon, rekening houdend met de zone van de Jan Verzwollewetering en de aanleg van de centrale parkaanleg als verbinding tussen het Van Bergen IJzendoornpark en de Kattensingel.
32
In het bestemmingsplan is voor de achtertuinen van deze woningen geregeld dat de achtertuinen die gesitueerd worden waar de wetering heeft gelegen, niet de gebruikelijke bestemming “Wonen” kennen, maar de bestemming “Tuin - 2” die aanzienlijk minder bouwmogelijkheden toekent aan deze achtertuinen. Aan schuren en berging is niet meer toegestaan dan op grond van het Bouwbesluit aan bergingsruimte verplicht wordt gesteld. Deze zijn in de omgevingsvergunning op de achterste deel van de woonpercelen voorzien om de achtertuinen zo open mogelijk te houden. Op 22 juni 2021 en 1 juli 2021 hebben overleggen plaatsgevonden op het Huis van de Stad respectievelijk de locatie van het kaaspakhuis tussen het platform en de ontwikkelaar in bijzijn van een vertegenwoordiging van de gemeente. In de gesprekken kwam naar voren dat vooral het terug laten komen van de loop van de voormalige wetering van belang is voor het platform. De aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – wetering’ en een bestemming “Tuin – 2” dragen hieraan bij. In de vormgeving zal een (deels aan te planten) bomenrij de loop van de wetering accenturen. Nabij de verbinding voor langzaam verkeer naar het Van Bergen IJzendoornpark worden ter hoogte van de achtertuinen twee schermen geplaatst, die refereren aan de voormalige brug die over de wetering heeft gelegen.
Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wel is de aanvraag om de omgevingsvergunning aangepast. Zienswijze 3 Gebouw aan de Singelwand voldoet niet aan de volgens de Stedenbouwkundige Visie voor de Binnenstad en haar Randen gewenste parcellering. Ook schrijft de visie voor dat nieuw te bouwen panden voorzien moeten zijn van een kap. Tevens is het niet toegestaan uitkragende balkons aan te brengen en de ontsluiting via een galerij aan te brengen. Commentaar Er heeft op deze plek aan de Katensingel altijd een groot, breed gebouw gestaan. De voorganger van het huidige kaaspakhuis was een aanwezig pand aan de singel. Het kende een duidelijk horizontale geleding met een centrale entree die hoger was dan alleen de eerste bouwlaag. Deze elementen komen terug in het ontwerp dat mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan.
Het huidige ontwerp dat met het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, past in die lijn. Juist door niet te parcelleren en er een kloek gebouw van te maken, ontstaat een duidelijke verwijzing naar het pakhuisverleden.
33
In het gegeven geval is een verwijzing naar het kaaspakhuisverleden (en anderszins ook naar het wasserijverleden van de voormalige Blaauwe Haan) juist een belangrijke factor. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit heeft in die zin ook geadviseerd het meer één zelfstandig gebouw te laten zijn met een horizontale gelaagdheid en is inmiddels akkoord met het ingediende voorstel bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. De verticaliteit waarin de Stedenbouwkundige Visie en haar Randen beschrijft, betreft een algemene beschrijving van de algemene, overheersende gevelopbouw die met name gebaseerd is op woonhuistypologie. In dit geval prevaleert dus de afwijking van dit algemene beeld: het pakhuistype. In dat opzicht voldoet het voorstel voor bebouwing aan de Kattensingel juist aan een van de ruimtelijke ambities van de Stedenbouwkundige Visie Binnenstad en haar Randen: bij nieuwe ruimtelijke ingrepen dient zowel stedenbouwkundig als architectonisch de historische kavelmaat gerespecteerd te worden. Hier is de historische kavelmaat van het pakhuis leidend. Op 22 juni 2021 en 1 juli 2021 hebben overleggen plaatsgevonden op het Huis van de Stad respectievelijk de locatie van het kaaspakhuis tussen het platform en de ontwikkelaar in bijzijn van een vertegenwoordiging van de gemeente.