CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

03 (210628) Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Ridder van Catsweg 683, Gouda.pdf

Raadsvergadering 30 juni 2021, gemeente GoudaBij agendapunt: Ridder van Catsweg Bestemmingsplan, nota van zienswijzen + bijlagen 140.032 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Naar aanleiding van de zienswijzen is er nader onderzoek verricht naar de impact van de voorziene ontwikkeling op de verkeersdruk van de Ridder van Catsweg. Uitkomst daarvan is dat deze de ontwikkeling aan kan en er geen problemen ontstaan. De in- en uitrit van het tankstation wordt opgeheven wat gunstig is voor de verkeersveiligheid. De inrichting van de openbare ruimte zal plaatsvinden op basis van de richtlijnen van Duurzaam Veilig (Kennisinstituut CROW). De verkeerssituatie en verkeersveiligheid voor de gehele Ridder van Catsweg en aansluitende wegen is onderzocht in het Verkeerscirculatieplan Gouda. In dit plan worden (los van de ontwikkeling Van Loon) maatregelen voorgesteld. Het verkeerscirculatieplan wordt in juni 2021 voor vaststelling aan de gemeenteraad voorgelegd. Zienswijze 10 Het is noodzakelijk dat een bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Uitsluitend de planregels en de verbeelding van het bestemmingsplan vormen het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en de overheid, en aangeeft wat de maximaal toegestane ruimtelijke inrichting voor het plangebied is. Kennelijk is het ontwerpbestemmingsplan bedoeld voor een concreet bouwproject zoals opgenomen in de plantoelichting. De plantoelichting is echter niet juridisch bindend.

Dat wil zeggen, als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd die afwijkt van de toelichting, maar past binnen de planregels, dan kan deze door de gemeente bestuursrechtelijk niet worden geweigerd. De planregels en de verbeelding zijn dus bepalend. Wil er zekerheid voor omwonenden bestaan dat een concreet bouw- en inrichtingsplan wordt gerealiseerd (en deze waarborgen kunnen alleen de planregels en de verbeelding geven) dan moet dit bouw- en inrichtingsplan in de planregels en de verbeelding gedetailleerd worden omschreven. Dit geldt ook voor de doelgroepen, de prijsklassen en huur/koop en de mobiliteitsdoelstelling, parkeren en WKO. Dit geeft de zekerheid dat het plan (de omgevingsvergunningen) blijven binnen het raamwerk zoals het bestemmingsplan dit geeft. Deze waarborgen kunnen voor omwonenden niet gevonden worden via een (mogelijke) (anterieure) (niet-openbare) overeenkomst tussen projectontwikkelaar en gemeente. Deze overeenkomst kan immers tweezijdig worden gewijzigd/aangepast zonder enige rechtsbescherming en rechtszekerheid van omwonenden. Dit is ook bestendige jurisprudentie van de Raad van State. De verbeelding en de planregels in dit ontwerpbestemmingsplan zijn niet zodanig gedetailleerd dat deze aansluiten bij de plantoelichting. Het ontwerpbestemmingsplan biedt geen garantie dat de "impressies" van het plan worden gerealiseerd.

Evenmin bevatten de planregels waarborgen dat 15% groen binnen het plangebied wordt gerealiseerd of op termijn beschikbaar blijft, of dat waarborgen worden gesteld aan gedragsverandering voor autobezit.

18

Commentaar Het klopt dat alleen de verbeelding en de regels juridische binding hebben en de toelichting de motivering voor de wijze van bestemmen weergeeft. Dit bestemmingsplan is opgesteld om een redelijk concreet bouwplan mogelijk te maken en geeft daarbij de maximalen aan. Zie het commentaar op zienswijze 7. Het bestemmingsplan geeft de minimale parkeernormen en mogelijkheden tot afwijken ervan, gebaseerd op het gemeentelijke parkeerbeleid. . Op deze manier is het wel mogelijk een bouwplan te realiseren dat op onderdelen net iets anders is dan het bouwplan dat nu aan de orde is. Het overnemen van een gedetailleerdheid, zoals voorgesteld met de zienswijze, leidt ertoe dat dat niet meer mogelijk zou zijn, wat niet gangbaar is in de planmethodiek die in Gouda voor de bestemmingsplannen wordt gehanteerd. Afspraken over doelgroepen, prijsklassen en verhouding tussen huur en koopwoningen zijn vastgelegd in de anterieure overeenkomst. De principes van deze afspraken blijven ook na een gewijzigde vaststelling overeind. Daarmee kan de gemeente doelstellingen op het gebied van wonen blijven realiseren. Voor een goede ruimtelijke ordening is het niet strikt noodzakelijk hierover planregels op te nemen. De Structuurvisie Groen bevat de beleidsregels ten aanzien van de percentages aan openbaar groen.

Het bestemmingsplan geeft regels voor bestemmingen, waarvoor reeds onderzocht is of die voldoende zijn om te kunnen voldoen aan de beleidsregels. Bij de toetsing van de aanvraag om een omgevings-vergunning wordt het voorliggende bouwplan langs de beleidsregels van de Structuurvisie Groen gelegd. Deze beleidsregels vormen namelijk een zelfstandig toetsingskader. Zie ook de commentaren op zienswijzen 4 en 5 in § 2.1. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Zienswijze 11 De conclusie is dat de omwonenden en Klein Haastenburg direct geraakt worden in hun eigendom, hun privacy en hun woongenot en dus alle belang hebben bij dit plan. De bewoners komen op voor hun rechtmatige belangen met betrekking tot de waarde van hun eigendommen, hun privacy en woongenot. Door de bestaande achterstand in de woningvoorraad kent Gouda een woningbouwopgave van circa 5.000 woningen in de periode 2015-2030. Dit maakt een verhoging van de bouwproductie noodzakelijk (woningbouwversnelling). Door de realisatie van 196 appartementen in verschillende segmenten wordt bijgedragen aan de woningbouwopgave en wordt tevens de doorstroming op de woningmarkt bevorderd. Dit mag echter niet ten koste gaan van de omgevingskwaliteit van de huidige bewoners en de wijk.

De gemeente is belast met de bescherming van de kwaliteit en gezondheid van de totale woon- en leefomgeving, die de gemeente ook wil nemen volgens het Coalitieakkoord en de beleidsplannen van de gemeente Gouda (wijken met toekomstwaarde). De Wet ruimtelijke ordening schrijft voor dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening zodanige uitvoering aan het plan en de planopzet wordt gegeven dat zo min mogelijk schade wordt toegebracht aan omliggende percelen en eigendommen. Hierna zullen we zien dat het plan onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu van de 18 woningen van Klein Haastenburg, in het bijzonder aan Haastenburg 1,13 en 25 en Lekkenburg en Catsveld. Er is geen sprake meer van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door in de planvorming hier geen rekening mee te houden of hiervoor compenserende maatregelen en/of voorzieningen te treffen is het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening zoals de Wro verlangt. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 7 en 10 en het commentaar op zienswijze 1 in § 2.1. Het is altijd mogelijk een verzoek om een tegemoetkoming in planschade in de te dienen. Dit is op grond van Afdeling 6.1. van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 6.1. van het Besluit ruimtelijke ordening en de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Gouda 2009.

In een planschadeovereenkomst is reeds vastgelegd dat de kosten voor een eventuele tegemoetkoming worden doorgelegd naar de initiatiefnemer en dus niet oor rekening van de gemeente komen. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het bestemmingsplan.

19

Zienswijze 12 De toelichting geeft een prachtig wervend beeld van de toekomstige situatie in het plangebied, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. De plantoelichting geeft dan ook geen garanties (rechtszekerheid en rechtsbescherming) voor omwonenden dat deze artistieke afbeeldingen / impressies ook werkelijk worden gerealiseerd. Een anterieure overeenkomst biedt volgens constante jurisprudentie ook niet deze juridische zekerheid en rechtsbescherming omdat een overeenkomst tweezijdig kan worden gewijzigd/aangepast. Dit betekent dat niet de prachtige impressies en afbeeldingen van de toekomstige bouwwerken en inrichting bepalend zijn maar de planregels zijn maatgevend. Het ontwerpbestemmingsplan blijkt niet toegeschreven te zijn op een concreet omgevingsplan voor de bouwwerken in dit plan. Andere invullingen en tussentijdse aanpassingen zijn en blijven mogelijk. Bij inconsistentie tussen de plantoelichting en de planregels gelden juridisch de planregels. In onze zienswijzen wordt daarom uitgegaan van maximale planinvulling (contouren) volgens de planregels om de gevolgen van het plan op de omgeving te bezien ten behoeve van de hierop volgende (noodzakelijke) vergunningaanvragen. De impressies die de ontwikkelaar in de toelichting heeft opgenomen zijn niet van belang en zijn in deze zin misleidend.

Dit klemt temeer nu de planregels in zeer algemene bewoordingen zijn opgesteld en daarmee ruimte bieden voor andere invullingen, nu en in de toekomst. Commentaar Zie het commentaar op zienswijzen 10 en het commentaar op zienswijze 1 in § 2.1. De gebruikte impressies in de toelichting van het bestemmingsplan zijn niet misleidend en zijn opgenomen op inzichtelijk te maken hoe het bouwplan eruit zou kunnen komen te zien wanneer invulling gegeven zou worden aan de maximale kaders die met he bestemmingsplan worden gegeven. Zienswijze 13 Er is geen sprake van een kostbare saneringsopgave. Het plan is om een bedrijfsperceel, in een milieucategorie die op zichzelf passend is binnen de woonomgeving, nu te benutten voor woningbouw. Omdat sprake is van een heroriëntatie is er alle reden voor een zorgvuldige invulling en het stellen van eisen en randvoorwaarden aan deze nieuwe ontwikkeling. Bij het bepalen van de inrichting van de locatie en het ontwerp van de woontorens zijn volgens de plantoelichting de volgende stedenbouwkundige uitgangspunten aangehouden: - Herkenbare identiteit van de plek en de gebouwen. - Een fraaie vormgeving van alle kanten van het gebouw (alzijdige uitstraling). - Verschil in hoogtes van de gebouwen, aansluitend op de omgeving. Deze stedenbouwkundige analyse in het plan schiet ernstig tekort, omdat deze summier, onvolledig en onjuist is.

Summier, omdat volstaan wordt met korte algemene omschrijvingen die alleen beperkt worden tot de planlocatie. Onvolledig, omdat geen rekening wordt gehouden met de bouwhoogte van de omringende bebouwing (8-12-29 m) van Lekkenburg (leckenborch), Haastenburg en Catsveld en met het kwetsbare gebruik in de omringende bebouwing (Leckenborch). Onjuist, omdat geen rekening wordt gehouden met de doorsnijding door de stadsstraat Ridder van Catsweg, waardoor de locatie niet hoort bij de hoogbouw van het winkelcentrum Bloemendaal. De locatie vormt een overgangslocatie tussen Catsveld en Haastenburg en winkelcentrum Bloemendaal waar de hoogte van de huidige aanwezige bebouwing (9-12-18 meter) ook op is gebaseerd. De Nota Hoogbouw vermeldt maximaal mogelijke bouwhoogten van 25 en 35 meter. Deze bandbreedte van 25 tot 35 meter wil niet zeggen dat er persé ook in de zone tussen 25 meter en 35 meter gebouwd moet worden. Volgens de Nota Hoogbouw mag er ook minder hoog gebouwd worden. Het gaat altijd over de hoogte van een gebouw ten opzichte van de omgeving. In dat kader is dus de relatieve in plaats van de absolute maat van belang. Die relatieve maat wordt in de visie van de Nota Hoogbouw stap voor stap uitgezet8. Er is dus alle reden om de hoogte van de woontorens zorgvuldig te relateren aan de omringende bebouwing.

In de planvorming heeft deze zorgvuldige inpassing niet plaatsgevonden, nu het plan enorme negatieve invloed en uitstraling heeft op de omgeving. Dit heeft niet geleid tot een goede ruimtelijke ordening en planvorming. De maat, de schaal en de verschijningsvorm van de woontorens zijn niet afgestemd op de bestaande omliggende bebouwing. Het plan is vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt onverantwoord en onzorgvuldig door een ondeugdelijke, althans volstrekt te kort schietende stedenbouwkundige analyse en het gebrekkig stellen van eisen en randvoorwaarden. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 1 en 2 op zienswijze 1 in § 2.1 en zienswijze 3 in § 2.3.

20

Zienswijze 14 De Nota Hoogbouw eist een zelfstandige beoordeling van de hoogte van de woongebouwen in relatie tot de omgeving. Bij het bepalen van de maximale bouwhoogten wordt volgens de Nota in de eerste plaats gekeken naar de specifieke kenmerken (huidige stedenbouwkundige structuur, huidige bouwhoogten) van de buurt of de wijk waarin de hoogbouwzone zich bevindt. Het 'handschrift van de wijk' is bepalend. De woontorens worden in werkelijkheid 3,5 meter hoger dan de vermelde 20, 35 en 38 meter, omdat op het dak volgens de planregels van het ontwerp bestemmingsplan ook nog dakopbouwen en zonnecollectoren (kunnen) worden aangebracht. De werkelijke bouwhoogten volgens de planregels worden dus 23½, 38½ en 41½ meter! Het bouwvoornemen voldoet dus voor 2 woontorens duidelijk niet aan de Nota, want hier wordt een bouwhoogte van maximaal 35 meter acceptabel geacht en deze grens van 35 meter wordt aanzienlijk overschreden met 6½ en 3½ meter door dit ontwerpbestemmingsplan. In het plan wordt niet verantwoord waarom deze afwijkingen van de Nota noodzakelijk en/of toelaatbaar zijn en waarom deze afwijkingen toelaatbaar zijn in relatie tot de impact daarvan op de omgeving, o.a. schaduw en bezonning. Voor de westelijke woontoren wordt terecht beargumenteerd waarom rekening wordt gehouden met een (weliswaar te geringe!) lagere hoogte.

De gemeentelijke Nota Hoogbouw vermeldt dat, als een bouwvoornemen niet voldoet aan de kaders van de Nota, het zaak is dat betrokkenen en belanghebbenden in een zo vroeg mogelijk stadium bij de planvorming worden betrokken. Bij voorkeur nog voordat er een plan is gemaakt of een programma van eisen is opgesteld. Per afzonderlijk geval zal dan een passend besluitvormings- en interactieproces worden ingericht. Nu noch de hogere afwijkingen zijn onderbouwd, noch een passend besluitvormings- en interactieproces is ingericht en een deugdelijk programma van eisen is opgesteld, wordt in strijd gehandeld met de Nota Hoogbouw en wordt aan de omwonenden passende invloed onthouden op de planvorming. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 1 en 2 op zienswijze 1 in § 2.1 en zienswijze 3 in § 2.3. Zienswijze 15 De gemeente wil de verkeersveiligheid verbeteren en verkeersoverlast voorkomen en daarom elke ontwikkeling die verkeersgeneratie met zich meebrengt zorgvuldig toetsen (Mobiliteitsplan Gouda 2017-2026). De Ridder van Catsweg is een stadsstraat (gebiedsontsluitingsweg) in het Mobiliteitplan Gouda 2017-2026. De functie van deze weg is het verzamelen van het gemotoriseerde verkeer van een stadsdeel (verschillende wijken) naar de stadsweg Van Rheenensingel. Ter plaatse van het plangebied ontbreekt een VRI (verkeerslichten) of middenberm.

De gemeente wil het gebruik van deelauto's stimuleren. Voor het parkeren is een nota Parkeerbeleid Gouda vastgesteld. Commentaar Zoals aangegeven in § 3.2.2 van de toelichting van het bestemmingsplan is getoetst aan Mobiliteitsplan Gouda 2017-2026. Uit de berekeningen met het verkeersmodel blijkt dat de Ridder van Catsweg het extra verkeer aan kan en ruim binnen grenswaarden intensiteit Stadsstraten blijft. Er is aangesloten op het Parkeerplan Gouda 2020 met de inzet van onder andere deelauto’s. Zienswijze 16 Voor de mobiliteitseffecten van dit plan is "maatwerk" verricht in de vorm van een mobiliteitsplan (bijlage 1 ontwerpbestemmingsplan). Het plangebied wordt ingericht volgens het STOMP-principe: vanuit de woningen zijn de fietsstallingen het makkelijkst te bereiken, vervolgens de deelauto's, het OV en op de laatste plaats de privéauto’s. Er komen 222 parkeerplekken voor privéauto’s en 13 parkeerplekken voor elektrische deelauto's (gemixt aanbod). Het doel is om lager autobezit, minder autokilometers, minder uitstoot en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de gezamenlijk gedeelde auto's te bereiken. De realisatie van een extra gebouwde 2e parkeerdek wordt daarmee door de projectontwikkelaar (kostenbesparing) voorkomen. Voor de fietsbehoefte van de toekomstige jongeren en ouderen komen er 3 elektrische deelbakfietsen en 890 fietsparkeerplekken.

Deze "toekomstbestendige" fietsparkeervoorzieningen gaan het fietsgebruik stimuleren (lees: faciliteren11) bij deze gestapelde woningbouw in een stedelijke context om te voorkomen dat deze op straat belanden. De fietsparkeerbehoefte is berekend op 196 x 2,7 =530 fietsparkeerplaatsen zodat het fietsgebruik wordt gestimuleerd (lees: gefaciliteerd). Dit STOMP-principe is experimenteel en gebaseerd op gedragsbeïnvloeding en kent nog geen praktijkervaringen in Gouda om een inschatting te maken van de mate van gebruik en het effect op de leefomgeving. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gebruikelijk het gemiddelde aangehouden van de bandbreedte van CROW en wordt niet uitgegaan van het maximum. Het gepresenteerde mobiliteitsconcept is wervend, ambitieus en beloftevol

21

opgesteld en verplicht tot sturing op en nodigt uit tot een lager autobezit, minder autokilometers, minder uitstoot en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de gezamenlijk gedeelde deelauto's. Deze gedragsverandering vraagt echter lange tijd van sturing en begeleiding en succes op termijn is niet zeker. Vooral omdat het hier om de doelgroep jongeren (1-2 persoons huishoudens) gaat met veel tussentijds verloop. Dus opnieuw gedrag sturen bij nieuwe bewoners en geen stabiele community van gebruikers. Bovendien vindt vanuit de omgeving geen gedragsbeïnvloeding plaats (omwonenden houden hetzelfde mobiliteitspatroon en geven daarmee een foutieve voorbeeldwerking). Dit roep vragen op als: Welke (positieve en negatieve) effecten heeft het ontmoedigingsbeleid? Welke waarborgen zijn gesteld als de gedragsverandering niet lukt of minder succesrijk is (gedragsverandering is erg moeilijk te realiseren)? Welke terugval-optie is ingebouwd en zijn daarover passende afspraken gemaakt door de gemeente en zo ja, welke en waar? Is er een waarborgfonds bij de gemeente, gevuld door de ontwikkelaar (besparing 2e parkeerdek), om aanvullende gedragsbeïnvloeding te betalen? Dit mag straks toch niet ten laste van de Goudse belastingbetaler komen? In het ontwerpbestemmingsplan ontbreekt een dergelijke verantwoording.

Commentaar Voor wat betreft het mobiliteitsplan wordt verwezen naar de commentaren op zienswijzen 5, 6 en 7 in § 2.3. Naar aanleiding van de dialoogsessies en wijzigingen in het bouwplan is ook het mobiliteitsplan aangepast. De ontwikkelaar heeft een contract afgesloten met een bekende aanbieder Juuve. De gemeente heeft met de ontwikkelaar afspraken gemaakt voor een effectieve inzet van de 12 deelauto’s en andere maatregelen uit het mobiliteitsplan voor minimaal 5 jaar. Ook zijn financiële afspraken gemaakt voor de woningbouwontwikkeling. De parkeersituatie wordt gemonitord en indien nodig zullen aanvullende maatregelen worden getroffen. Zienswijze 17 Verkeerde of suggestieve uitgangspunten leiden tot onjuiste rapporten. Het CROW geeft geen specifieke kengetallen voor het tankstation. Daarom stelt de projectontwikkelaar zelf een aanname voor de huidige (planologische) situatie. Voor het tankstation worden circa 500 klanten per dag(!) gesteld waardoor sprake is van circa 500*2=1.000 verkeersbewegingen per weekdagetmaal.

Het nieuwe plan genereert 845 extra verkeersbewegingen, dus is de juichende) conclusie volgens plantoelichting: "ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden zal door dit ontwerpbestemmingsplan ter plaatse van het plangebied sprake zijn van een afname van de verkeersgeneratie en in een worst case scenario kan uitgegaan worden van slechts een beperkte toename in de gebruiksfase". Deze aanname is aantoonbaar onjuist en onrealistisch, en berust niet op een representatieve bedrijfssituatie. Ten eerste berust het getal van "500" niet op een deugdelijke onderbouwing. Ten tweede is het aantal van 500 klanten elke dag onwaarschijnlijk hoog12. Ten derde gaat deze aanname ervan uit dat alle 500x2=1.000 verkeersbewegingen worden veroorzaakt door klanten die geen gebruik maken van de Ridder van Catsweg. Dus zouden er 500 auto's elke weekdagetmaal speciaal omrijden naar dit tankstation om hier te tanken. Dit is niet het geval. Er is ruime beschikbaarheid van benzinetankstations in Gouda en in de onmiddellijke omgeving van het plangebied. De aanname moet zijn dat het nagenoeg uitsluitend (99%) weggebruikers zijn die al regulier gebruik maken van de Ridder van Catsweg. Ten vierde is dit getal in strijd met de onderliggende rapportages (luchtverontreiniging, geluid) die de extra verkeersbewegingen van de bewoners berekenen op 845-1.012 verkeersbewegingen per weekdagetmaal.

Deze hanteren het juiste uitgangspunt. De conclusie in het ontwerpbestemmingsplan dat de toekomstige verkeerssituatie niet leidt tot mogelijk belangrijke nadelige gevolgen is dus niet solide onderbouwd, suggestief en onjuist. Herstel van deze onjuiste aanname werkt door in de effecten van het plan op de verkeersveiligheid, de verkeerscongestie en hinder (lawaai) op de Ridder van Catsweg. Commentaar Zie het commentaar op zienswijze 6 in § 2.3. Zienswijze 18 Er komt een eigen brede gezamenlijke in- en uitrit voor auto's vanuit het plangebied op de Ridder van Catsweg. Voor fietsers en voetgangers worden meerdere ontsluitingen gerealiseerd die aansluiten op het aan de noord- en oostzijde van het projectgebied aanwezige fietspad. Gesteld wordt in het ontwerpbestemmingsplan dat de Ridder van Catsweg de bij dit plan behorende verkeersgeneratie

22

eenvoudig en veilig kan afwikkelen. Rondom het wegtraject van het plangebied komen 6 wegen bij elkaar met in- en uitvoegende verkeersbewegingen. Namelijk Albrechtsveld, Haastenburg en Catsveld aan de zuidzijde en Plaswijckweg, in- en uitrit parkeerplaats Swadenburg winkelcentrum. Lekkenburg en Blommensteinsingel aan de noordzijde van de Ridder van Catsweg. Daarnaast steken fietsers en voetgangers op dit traject de Ridder van Catsweg over naar het winkelcentrum. Dit geeft nu al regelmatig aanleiding tot verkeersopstoppingen en verkeersonveilige situaties. Daar worden nu door het plan een gezamenlijke in- en uitrit met 845 autobewegingen en vele fiets- en voetgangersbewegingen aan toegevoegd. De verkeersbewegingen naar en van het tankstation betreffen hoofdzakelijk langsverkeer (uitvoegen, tanken, en weer invoegen op de Ridder van Catsweg). De verkeersbewegingen door het plan zullen in belangrijke mate van een andere type verkeersbeweging zijn, namelijk in- en uitgaand verkeer dwars op de rijrichting van de Ridder van Catsweg (oversteken). Hierdoor ontstaat een onoverzichtelijke en chaotische situatie, met name voor de doelgroep ouderen in en rondom het plangebied. Regelmatig vinden nu al verkeersopstoppingen plaats door de verschillende verkeersbewegingen.

Het plan besteedt ten onrechte geen aandacht aan deze verkeerschaos in de nieuwe situatie en/of treft hier doeltreffende (verkeers)voorzieningen voor. De conclusie in de plantoelichting dat de voorliggende in-/uitrit-situatie als optimaal/veilig kan worden beschouwd en de bij het plan behorende verkeersgeneratie op een verkeersveilige manier kan afwikkelen "gelet op de huidige voorzieningen" en dus aanvaardbaar wordt geacht, is onjuist en gebaseerd op verkeerde, althans niet onderbouwde aannames. De conclusie dat voorzien wordt in een passende invulling van het aspect mobiliteit is onjuist en niet houdbaar. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 3 in § 2.1 en 6 in § 2.3. Zienswijze 19 Het mobiliteitsplan voor de locatie zet in op nieuwe mobiliteitspatronen. Namelijk op bewoners die hun mobiliteitspatroon veranderen naar een duurzame keuze, zonder (kennelijk) verlies van comfort of financiële mogelijkheden. Het veranderen van mobiliteitspatronen is een grote gedragsverandering en hier legt de gemeente zich dus met dit ontwerpbestemmingsplan een enorme opgave op. STOMP en MaaS zijn nog in ontwikkeling en de eerste pilots worden nog op verschillende (hoogstedelijke) plekken in Nederland uitgevoerd. Volgens de plantoelichting vindt de introductie voor de nieuwe bewoners direct bij oplevering plaats via een kennismakingsaanbod, informatieavonden en een informatiebrochure.

Om gebruik te stimuleren wordt binnen de toekomstige VvE een servicebijdrage opgenomen voor de inzet van de deelauto's. Opschalen naar modaliteiten als scooters, e-bikes, steps en scootmobielen ligt zelfs in het verschiet volgens het enthousiaste Mobiliteitsplan. Om één en ander mogelijk te maken wordt (wie? Toekomstige VvE?) samengewerkt met A2B Sharing via een 5 jarig contract. De exploitatie zou daarmee geborgd zijn. Concluderend kan gesteld worden, aldus de plantoelichting, "dat zeker een tweede auto overbodig is op de Van Loon locatie". Er wordt robuust afgeweken van het vigerende parkeerbeleid van de gemeente Gouda. Er is sprake van een verkeersontwikkeling in de verkenningsfase, waarvoor grote gedragsverandering nodig is. Het is geen regulier verkeersgedrag. Als de opzet echter mislukt of minder goed verloopt dan gesteld (het is immers een experiment) dan ontstaat er parkeerdruk (uitwaaieren) naar de omgeving. Dit raakt de belangen van de omwonenden rechtstreeks. Welke waarborgen heeft de gemeente gesteld? Wat gebeurt er bij faillissement van A2B Sharing? Wat als gedragsverandering mislukt? Kan ook voor bezitters van een privéauto via de servicebijdrage een bijdrage worden verlangd? Dit is toch voor hen geen service? Het ontwerpbestemmingsplan geeft geen garanties of inzicht in de realiteit van deze gedragsverandering of stelt daar randvoorwaarden aan.

Commentaar Zie de commentaren op zienswijze 16 en zienswijzen 5 en 7 in § 2.3. De ontwikkelaar sluit een contract af met Juuve in plaats van A2B Sharing. Deze partij heeft veel ervaring en belang bij een effectieve inzet van de deelauto’s. Mocht er sprake zijn van een faillissement dan is de ontwikkelaar contractueel verantwoordelijk uitvoering maatregelen mobiliteitsplan. Zienswijze 20 Het Mobiliteitsplan brengt via 3 stappen het door de gemeenteraad in het Parkeerplan Gouda voorgeschreven aantal van 310 (196x1,6 inclusief 0,3 voor bezoekers) parkeerplaatsen terug naar 235 en omschrijft dit als "maatwerk". Dit bespaart de ontwikkelaar 831 m2 ruimte aan parkeervakken en de realisatie van een extra gebouwde parkeerlaag. Allereerst (stap 1) wordt de voorgeschreven parkeereis volgens Parkeerplan Gouda "gewogen" door middel van de middeling van de minimum en

23

maximum bezetting op basis van aanwezigheidspercentages (meervoudig gebruik van parkeerplaatsen). Het resultaat daarvan is dat de maximum parkeereis (310) op basis van het gewogen gemiddelde terug gebracht wordt naar 290 parkeerplaatsen. Dus 20 parkeerplaatsen minder. Vervolgens (stap 2) wordt geconstateerd dat in het gemeentelijk Parkeerplan van Gouda geen rekening (waarom niet?) wordt gehouden met het type woningen en de doelgroep. De ontwikkelaar vindt het wel relevant om de woningtypes (jongeren, starters en senioren/ouderen) en het daarmee verband houdende lagere autobezit, mee te nemen in de parkeereis. Voor de planlocatie wordt daarom een afslag van 0,2 op de parkeernorm voor sociale huurwoningen voor het bewonersdeel berekend. Dat wil zeggen: 41 huurwoningen x 1,3 =8,6 parkeerplekken minder. Als laatste (stap 3) wordt nog verder afgeweken van het Parkeerplan Gouda. Het Parkeerplan Gouda geeft een netto reductie van 4 parkeerplaatsen per deelauto, maar biedt daarnaast de mogelijkheid om een reductie van 20% toe te passen bij aanbieden van MaaS. De cijfers van CROW zouden evenwel aantonen dat de autodelers niet 20% maar 30 % minder auto's bezitten. Omdat het rapport vindt dat op basis van dit Mobiliteitsplan een volwaardig pakket (garantie op succes?) wordt gepresenteerd, wordt de parkeereis verder gereduceerd met deze 30%.

Deze (3e) stap leidt tot een netto reductie van 84,4 minus -13 (deelauto's) is 71,4 parkeerplekken. Door deze hele rekenkundige exercitie wordt het voorgeschreven aantal benodigde parkeerplekken van 310 terug gebracht tot 211. Dat is een "robuuste" reductie op de parkeernorm van Gouda van in totaal nagenoeg 100 parkeerplekken. Deze exercitie is evenwel niet reëel. STOMP en MaaS zijn nog in ontwikkeling en de eerste pilots worden nog op verschillende plekken in Nederland uitgevoerd. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt meestal het gemiddelde van de bandbreedte van CROW gehanteerd en geen maximale cijfers. Het Parkeerplan Gouda is bovendien toegeschreven op onze lokale Goudse situatie. Waarom landelijke cijfers van het CROW hanteren voor de Goudse situatie bij terrein Van Loon en 30% in plaats van maximaal 20% hanteren? De visie van A2B Sharing (bijlage 2 bij Mobiliteitsplan) vraagt veel inzet en begeleiding; er worden alleen positieve verwachtingen vermeld. Welke waarborgen heeft de gemeente gesteld bij terugval en/of uitblijven van succes en de behoefte weer naar de 310 parkeerplaatsen (norm) toegroeit? Eindconclusie is dat de planregels onvoldoende regeling en daarmee onvoldoende rechtszekerheid bieden voor voldoende parkeerplekken. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 16 en 19 en zienswijzen 5 en 7 in § 2.3. Zienswijze 21 Er worden 235 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Gesteld wordt dat dit leidt tot een (rekenkundige) overcapaciteit van parkeerplaatsen. De kans dat de parkeerdruk in de omliggende buurt omhoog gaat, wordt door het Mobiliteitsplan nihil geacht. Het (berekende) aanbod (235 parkeerplaatsen) overstijgt immers de (berekende) vraag (211 parkeerplaatsen). Bovendien zou overloop mogelijk zijn in de parkeervelden Swadenburg en Lekkenburg (bezettingsgraad 's nachts 35,4 % en 37,8%). Bij overdruk in de avond zouden er dus voldoende parkeerplaatsen in de omgeving zijn op dit op te vangen. Dit is echter onjuist. De parkeerplekken zijn planologisch bedoeld en berekend voor winkelcentrum (overdag) en omwonenden ('s avonds). Het winkelcentrum kent meer en meer ruimere openstellingtijden 's avonds en op zondag. Het geconstateerde gebruik op enig moment is niet bepalend (momentopname). Bepalend is de verkeerskundige toerekening van de parkeerplekken aan de omliggende woningen en de verwachte toename daarvan op basis van het gemeentelijke parkeerbeleid (aantal woningen x parkeernorm). Nu deze verkeerskundige berekening ontbreekt kan planologisch niet gesteld worden dat nu en in de toekomst voldoende parkeerplekken in de omgeving aanwezig zijn om eventuele overdruk op te vangen. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 16 en 19 en op zienswijzen 5 en 7 in § 2.3.

De gemeenteraad heeft bij behandeling van het Parkeerplan Gouda 2020 en het mobiliteitsplan Van Loon ingestemd met de afwijking van de parkeernormen uit de Parapluherziening parkeren 2018. Met de maatregelen uit het mobiliteitsplan wordt het parkeren op eigen terrein opgelost.

24

Zienswijze 22 De woonvisie van Gouda kent 5 hoofdthema's. In de plantoelichting worden slechts 2 hoofdthema's aan de orde gesteld: "betaalbaar, beschikbaar en toegankelijk" (§ 4.4.2.2) en "versnelling en vraagsturing woningproductie" (§ 4.4.2.3). Geen aandacht wordt besteed aan de andere 3 thema's die echter ook voor de planlocatie van belang zijn: - Wijken met toekomstwaarde: woon- en leefkwaliteit - Kwaliteit bestaande woningen : duurzaam energetisch, veilig en levensloop geschikt - Thuis voor kwetsbare groepen De impact van het plan op de thema’s woon- en leefkwaliteit, de kwaliteit van bestaande woningen en de aanwezigheid van kwetsbare ouderen (o.a. Leckenborch) rondom de planlocatie wordt niet uitgewerkt. De zorgen van de omwonenden zitten juist op dit vlak. Het plan is onvolledig en sluit niet aan op de gemeentelijke Woonvisie. Commentaar De woon- en leefkwaliteit van de directe omgeving wordt verbeterd, doordat een garagebedrijf met tankstation uit een woonbuurt verdwijnt. Met het aangepast plan wordt meer rekening gehouden met de bezonningssituatie van de Leckenborch. De kwaliteit en toekomstwaarde wordt voor een groot deel bepaald door een gezonde balans en variëteit van woningen en inwoners. Het plan voorziet hierin door een mix van sociale huur, middenhuur en koopwoningen. Bij de kwaliteit van bestaande woningen, gaat het om toekomstig bestendig maken ervan.

Het voorliggende bestemmingsplan maakt nieuwbouw mogelijk dat voldoet aan de eisen voor een energetische verbetering van de woningvoorraad, waarmee het een bijdrage levert aan de opgave om Gouda in 2040 CO2-neutraal te zijn. Het bestemmingsplan gaat niet over het toekomst bestendig maken van woningen buiten het plangebied. Een andere bijdrage die wordt geleverd met de realisatie van dit bestemmingsplan is een thuis te zijn voor kwetsbare groepen. Door de toevoeging van 43 sociale huurwoningen wordt er een betaalbaar segment toegevoegd, waar niet alleen mensen in een kwetsbare situatie maar ook jongeren een thuis kunnen vinden. Deze en andere nieuwe bewoners kunnen juist een positief effect hebben op de bestaande omgeving. In de ruimtelijke uitwerking is aandacht voor ontmoetingsruimte, wat ten goede kan komen aan de sociale cohesie in de buurt. Ook ontstaat er zo een doorstromingsmogelijkheid voor ouderen die in de wijk willen blijven wonen, maar op zoek zijn naar een gelijkvloerse woning. Zienswijze 23 Het groenbeleid van de gemeente is gericht op het vergroten van de leefbaarheid door toename van openbaar groen, het behouden van groen en ook nieuw groen aan te leggen. Daartoe wil de gemeente (beleidsregels) de oppervlakte van bestaand openbaar groen tenminste behouden en tenminste 15% van het totale projectgebied openbaar groen laten worden.

In de plantoelichting (paragraaf 3.1 en afbeelding 3.3; let op, deze hebben geen juridische betekenis) wordt gesteld dat de voorliggende ontwikkeling een forse afname van verharding en hiermee toename van groen tot gevolg heeft. Dit staat echter niet in de planregels opgenomen. In de planregel Groen (artikel 3) is geen enkele beperking tot 15% (15%x7000=1.050m2) voor (echte) groenvoorzieningen binnen het plangebied opgenomen. De verbeelding suggereert ten onrechte veel groene kleur. Onder de bestemming "groen" kunnen ongelimiteerd voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen met een oppervlakte van ten hoogste 15 m2 en met een hoogte van maximaal 3 meter, worden aangelegd. Bovendien kunnen via planregel 8.4.f ongelimiteerd afvalinzamelsystemen zowel boven als ondergronds binnen de groenbestemming worden gebouwd. Tenslotte is niet omschreven wat tot "groenvoorzieningen" binnen het plan worden gerekend. Worden hiertoe ook de halfopen verharding van de parkeerplaatsen naast de in-/uitrit, de vegetatiedaken die vervolgens worden afgedekt met zonnepanelen of de bestemming Tuin gerekend? De bestemmingen Wonen en Verkeer - Verblijf vermelden immers ook als medebestemming: "groenvoorzieningen".

Kortom: waar liggen de 1050 m 2 aan vereiste groenvoorzieningen in de planregels? Nu de planregels volledige bebouwing en verharding van de bestemming groen toestaan en de definiëring van "groenvoorzieningen" open is gelaten, is de structurele (nu en in de toekomst) aanwezigheid van de vereiste groenvoorzieningen niet geborgd in de planregels. Door dit niet te detailleren voldoet het ontwerpbestemmingsplan niet aan gestelde voorwaarden van de Structuurvisie Groen.

25

Commentaar Zie het commentaar op zienswijze 8 in § 2.3. Zienswijze 24 Vanuit klimaatadaptatie bevordert de gemeente maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten en wateroverlast en hittestress te verminderen. Wat doet dit ontwerpbestemmingsplan met de klimaatadaptatie? De plantoelichting stelt dat door de afname van verhard oppervlak en toename van het groen, dit positieve gevolgen heeft voor hemelwaterberging en hittestress. Dit is echter een volstrekt onjuiste redenering. Dit vergelijkt de hittestress van een woonbestemming met de hittestress op een bedrijfsterrein. Er is evenwel sprake van een hele nieuwe bestemming (nieuw bestemmingsplan) en de hittestress door het plan moet beoordeeld worden op basis van deze nieuwe woonbestemming: is de hittestress door het plan nog aanvaardbaar voor de nieuwe woonbestemming. Hittestress op een bedrijfsterrein is immers van een heel andere orde. Leidt het plan tot aanvaardbare hittestress voor onze woonomgeving? Het plan genereert veel hittestress o.a door isolatie, parkeerdek, verharding, uitlaatgassen en geparkeerde auto's op het parkeerdek in de brandende zon. Het klimaat wordt extremer (hittegolven). Bewoners en omwonenden krijgen in hun woningen te maken met deze hittestress. Het plan ontwikkelt woningen met extreme isolatie (geluid voorzijde, duurzaamheid).

Goede isolatie verergert hittestress, doordat woningen hierdoor warmte vasthouden. Hittestress kun je verminderen door 's nachts te ventileren en overdag de zon te weren. Lukt dit niet of onvoldoende dan zijn bewoners en omwonenden gedwongen om een airco installeren. Maar airco's gebruiken veel elektriciteit. Dit is in strijd met het duurzaamheidbeleid van de gemeente. Hittestress in de woonomgeving kan aanzienlijk worden verminderd, bijvoorbeeld door het parkeerdek uit te rusten met een blauwgroen dak. Bij blauwgroene daken ligt onder de laag (sedum)planten een reservoir voor de opslag van regenwater (de blauwe laag). Doordat er continu water beschikbaar is voor de planten, blijven deze in een betere conditie, wat weer goed is voor de biodiversiteit. Het aanwezige water koelt het dak en de omgeving in de heetste en droogste maanden van het jaar. Het plan geeft aandacht aan duurzame energie door warmtekoude opslag (bodemenergiesysteem) bij de nieuwbouw in te zetten en door zonnepanelen aan te brengen op "groene daken". Het ontwerpbestemmingsplan geeft onvoldoende aandacht aan het probleem van generatie van aanvaardbare hittestress in het plangebied en houdt daarmee geen of onvoldoende rekening met de doelstellingen van Gouda op het gebied van duurzaamheid en is daardoor in strijd met Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Gouda 2016-2019. Er kan meer worden bereikt.

Commentaar Zie het commentaar op zienswijze 9 in § 2.3. Zienswijze 25 Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij alle ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit ter plaatse. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van de luchtkwaliteit wordt ingeschaald op neutraal. Dit is onjuist omdat het aantal verkeersbewegingen significant door het plan zal toenemen. Het plan leidt aantoonbaar tot forse toename van het verkeer en van verkeersbewegingen (brede in- en uitrit; hellingbaan; parkeerbewegingen) in het plangebied zelf en op de Ridder van Catsweg. De luchtkwaliteit door het plan verbetert daardoor niet en blijft (per saldo) dus ook niet tenminste gelijk maar zal in betekenende mate gaan bijdragen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet ook een onderzoek worden verricht naar deze luchtkwaliteit op de locatie zelf. De nieuwe verkeersbewegingen en vooral het gebruik van de hellingbaan leiden tot extra stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Dit onderzoek ontbreekt. De resultaten daarvan komen bovenop de resultaten van de maximale bijdrage aan de luchtkwaliteit van het wegverkeer op de Ridder van Catsweg door het plan.

Deze totale cumulatieve effecten op de luchtkwaliteit van het plan moeten meegenomen worden in de besluitvorming, met de mogelijkheid om vooraf zienswijzen in te dienen. Commentaar In de bijlagen bij de toelichting zat ook de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling herontwikkeling Ridder van Catsweg 683, Gouda. In hoofdstuk 3 daarvan wordt ingegaan op luchtkwaliteit. Ondanks dat er naar verwachting niet of nauwelijks sprake zal zijn van een toename van verkeersbewegingen is er een NIBM-berekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de

26

luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van luchtkwaliteit wordt ingeschaald op neutraal, aangezien naar verwachting het aantal verkeersbewegingen niet wezenlijk zal toenemen. De aangepaste aanmeldnotitie wordt als bijlage 9 opgenomen bij de toelichting. Hetzelfde geldt voor het onderzoek naar luchtkwaliteit dat alsnog is verricht, ook al is er geen noodzaak toe, omdat het aantal te realiseren woningen ruimschoots onder de aangegeven grens van 1.500 woningen zoals opgenomen in het Besluit NIBM blijft. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt als bijlage 5 aan de toelichting toegevoegd. Een onderzoek naar stikstofdepositie was reeds uitgevoerd en zat als bijlage 4 als bij het ontwerpbestemmingsplan. In het vast te stellen bestemmingsplan is deze omgenummerd naar bijlage 6. Zienswijze 26 Het Besluit Gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Het gaat dan o.a. om verzorgings- en bejaardenhuizen.

In het plan wordt de ontwikkeling zelf niet aangemerkt als een gevoelige bestemming. Dit, ondanks dat het plan ook bedoeld is voor de doelgroep senioren/ouderen. Het wooncomplex Leckenborch, een seniorencomplex met 214 woningen met in totaal zo'n 300 senioren in de leeftijd van 55 jaar en ouder, grenst direct aan de overzijde van de weg aan het plangebied. Zowel de doelgroep van het plan zelf als het wooncomplex Leckenborch zijn gelijk te stellen met gevoelige bestemmingen. In het bestemmingsplan ontbreekt een beoordeling van de effecten van het plan op deze gevoelige bestemmingen, hetgeen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Commentaar Verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen worden in het besluit inderdaad gezien als gevoelige bestemmingen. Maar het Besluit gevoelige bestemmingen de beperkt vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Daarvan is hier in he geheel geen sprake en hoefde er ook geen nader onderzoek verricht op basis van dit besluit. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Zienswijze 27 Het ontwerpbestemmingsplan leidt tot toename van wegverkeer en de geluidsbelasting daarvan op de gevels. In de bestaande situatie is de geluidsbelasting al veel te hoog; de voorzijde van de woontorens worden daarom extra geïsoleerd.

De gevels van Klein Haastenburg en Leckenborch hebben wel te maken met dit extra verkeerslawaai. Ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden heeft het plan een betekenende toename van de verkeersgeneratie tot gevolg in de gebruiksfase. Het woonbeleid van de gemeente Gouda kent als hoofdthema ook beleid voor de kwaliteit van bestaande woningen. Het plan leidt tot negatieve gevolgen voor de bestaande woningen in de omgeving. Het bestemmingsplan beoordeelt ten onrechte niet de gevolgen van het plan in het licht van het door de gemeente voorgestane duurzaamheidsbeleid voor bestaande woningen. Commentaar De functie ‘wonen’ is in beginsel niet milieubelastend voor de omgeving in relatie tot geluid. In voorliggend geval is echter wel sprake van een verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen en de realisatie van een parkeerdek. Naar aanleiding van deze en andere zienswijzen is nader onderzoek verricht. Geconcludeerd is dat er geen sprake is van een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. De indirecte hinder ten gevolge van de ontwikkeling bedraagt maximaal 49 dB (L den). De geluidbelasting van de bestaande doorgaande wegen is maximaal 63 dB (L den). Derhalve is de indirecte hinder als akoestisch niet van wezenlijk belang te beschouwen.

De uitkomsten zijn opgenomen in de aangepaste aanmeldnotatie die als bijlage 9 wordt opgenomen bij de toelichting. Zienswijze 28 De gemeente (zie gemeentelijke mail) zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening (terecht) nog een onderzoek verrichten naar de productie van geluid op de locatie zelf. Het gaat dan om het geluid en de resonantie daarvan door het optrekkend en afdalend verkeer op de hellingbaan en de verkeersbewegingen op bezoekersparkeerplaatsen, in- en uitrit en parkeerdek. Deze resultaten zouden echter pas worden meegenomen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. In het

27

ontwerpbestemmingsplan ontbreekt deze informatie en aan omwonenden wordt op deze wijze hun wettelijk recht onthouden om daar zienswijzen op in te dienen. Dit is in strijd met de bestuurlijke rechtsbeginselen van een zorgvuldige voorbereiding van het plan en procedurele fair play. Commentaar Het hoogst berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van verkeersbewegingen over het verkeersdek bedraagt 42, 44 en 36 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en voldoet aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit, almede aan stap 2 van de VNG-publicatie voor gemengd gebied. Het maximale geluidniveau ten gevolge van dichtslaan van portieren op het verkeersdek bedraagt ten hoogste 64 dB(A), waarbij sprake is van een acceptabel geluidniveau in een stedelijke omgeving. Hier wordt eveneens voldaan aan stap 2 van de VNG-publicatie voor gemengd gebied. Hierbij wordt opgemerkt dat de piekgeluiden gebiedseigen geluid betreft, hetgeen in de huidige situatie reeds aanwezig is met zelfs hogere maximale geluidniveaus ter plaatse van de gevels van woningen. Zie verder het commentaar op zienswijze 27. De uitkomsten zijn opgenomen in de aangepaste aanmeldnotitie die als bijlage 9 wordt opgenomen bij de toelichting. Zienswijze 29 Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon in de tuin en op de gevel en om schaduwwerking.

Zonlicht heeft een grote invloed op de gezondheid, het welzijn en het welbevinden van mensen. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of de gevels en tuinen van de woningen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt (gezondheidseffecten; vochtige en donkere plaatsen). Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen en kwetsbare groepen (bijvoorbeeld ouderen die meer aan huis gebonden zijn). De woonvisie van Gouda kent dan ook mede als hoofdthema Thuis voor kwetsbare groepen". Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. De meeste gemeenten hanteren daarom de TNO-norm. Ook Gouda heeft geen eigen beleid. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. TNO kent een lichte norm en een strenge norm voor de gezondheid, het welzijn en welbevinden van mensen in woningen. De lichte (minimale) TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. De strenge TNO-norm: tenminste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht.

Bezonningsdiagrammen maken de toename van schaduw op de omgeving door nieuwbouw inzichtelijk. Met een 3D-model wordt de bestaande situatie vergeleken met de toekomstige situatie op 22 december (laagste zon), 21 maart (halfstand), 21 juni (hoogste stand) en 23 september (halfstand) op de tijdstippen 9-12-15-18 uur. Als een bestemmingsplan nieuwe bebouwing toestaat moet beoordeeld worden of deze bebouwing effect heeft op de omgeving. Dit kan dan met een bezonningsdiagram en de TNO-normen. De bruikbaarheid van tuinen, terrassen e.d. mag niet onaanvaardbaar afnemen. In het bestemmingsplan kan door de wijze van bestemmen van de bouwmassa's en openbare ruimte voorkomen worden dat er onaanvaardbare schaduwwerking optreedt, bijvoorbeeld door lagere bebouwing. Bezonning en schaduw hebben ook gevolgen voor de klimaatregeling (verwarming) en het daglichtniveau in omliggende woningen. Het bevoegd gezag (gemeenteraad) weegt af of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 1 in § 2.1 en 2 en 4 in § 2.3. Zienswijze 30 Er is een bezonningsdiagram gemaakt door de architect. Deze laat zien dat de woontorens van het plan enorme gevolgen hebben voor bezonning van de omringende lagere woonbebouwing van Klein Haastenburg en voor het seniorencomplex Leckenborch.

Door het plan is er nog zon voor de bewoners van Klein Haastenburg in de periodes rond de volgende data: - 20 december: nog een half uur (tussen 12.00 en 12.30 uur) - 20 maart/23 september: nog 2 uur (tussen 11.00 en 13.00 uur) - 20 juni: nog 3,5 uur (tussen 10.00 en 13.30 uur). Hoe de schaduw valt op deze tijdstippen is te bekijken via https://voutu.be/cZZc4HRIWwll. Daarbij moet opgemerkt worden dat de werkelijke hoogte van de woontorens volgens het voorliggende bestemmingsplan 3½ meter hoger is door de toegestane dakopbouw en zonnecollectoren. Het ontwerpbestemmingsplan besteedt geen enkele aandacht aan de bezonnings- en schaduwwerking

28

van het plan op de omgeving en daarmee op de gezondheid, het welzijn en het welbevinden van omwonenden. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 1 in § 2.1, en 2, 3 en 4 in § 2.3. Zienswijze 31 De noordelijke en oostelijke woontorens van het nieuwe plan ontnemen veel zonlicht in dit complex. Het ligt voor de hand om voor dit wooncomplex de strengste TNO-norm te hanteren omdat hier sprake is van woonsituaties voor (kwetsbare) ouderen/senioren die voor een groot deel van de tijd aan huis zijn gebonden. Dit leidt anders tot schrijnende situaties. Door hier in de planvorming geen aandacht aan te besteden en geen passende maatregelen te nemen is er strijd met een goede ruimtelijke ordening. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 1 in § 2.1, en 2 en 3 in § 2.3. Zienswijze 32 In de huidige planologische situatie is sprake van een maximale bouwhoogte op het terrein Van Loon van 5 meter. De bewoning van het complex Klein Haastenburg is volledig op het oosten (naar het terrein Van Loon) georiënteerd. Het complex Klein Haastenburg is daardoor volledig afhankelijk van de ochtendzon: er is (nagenoeg) volledige zon vanaf zonsopgang tot de eigen schaduw van het complex (middag). Het bezonningsdiagram, gemaakt door de architect, leidt tot de conclusie dat door dit ontwerpbestemmingsplan de bezonning aanzienlijk daalt.

Deze daalt onder zelfs de lichtste TNOnorm voor in ieder geval de woningen Haastenburg 1 en 25. Deze ontvangen in plaats van 8 maanden zonlicht zoals voorgeschreven volgens de lichtste TNO-norm, nog slechts 6 maanden zonlicht14. Volgens de (juridisch bindende) planregels van het ontwerpbestemmingsplan kan de bouwhoogte van de woontorens 3½ meter hoger worden. De werkelijke bezonning daalt daardoor nog verder onder de laagste norm die TNO nog aanvaardbaar vindt voor de gezondheid, het welbevinden en het welzijn in woningen. Klein Haastenburg komt jaarrond nagenoeg volledig in de schaduw te liggen van deze buitenproportionele woontorens. Dit heeft ook gevolgen voor de klimaatregeling in deze woningen en het niveau van daglicht in de woonkamers. De duurzame nieuwbouw op terrein Van Loon leidt daarmee tot een tegenstrijdige verhoogde gasafname in woningen van Klein Haastenburg, in strijd met gemeentelijk beleid voor bestaande woningen. Door het ontwerpbestemmingsplan en de wijze van bestemmen van de bouwmassa's treedt onaanvaardbare schaduwwerking op voor de gezondheid, het welbevinden en het welzijn van de bewoners van Klein Haastenburg. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 1 in § 2.1, en 2 en 3 in § 2.3. Zienswijze 33 Door de schaduwwerking komt minder daglicht in de woning. Vooral in de benedenwoningen zal het daglichtniveau aanzienlijk afnemen door het plan.

Het plan handelt daarmee in strijd met het Bouwbesluit dat voorschrijft dat een gebouw voldoende daglichttoetreding moet hebben volgens het rechtens verkregen daglichtniveau bij bestaande woningen. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 1 in § 2.1, en 2 en 4 in § 2.3. Zienswijze 34 De beoordeling van windhinder is nodig vanuit een goede ruimtelijke ordening. Windhinder treedt op rond hoge (hoger dan 30 meter) gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden. Als lager dan 30 meter wordt gebouwd, dan moet een afweging plaatsvinden of de bebouwing kan leiden tot windhinder. Direct tussen Klein Haastenburg en de westelijke woontoren in het plan ontstaat een windtunnel over open water. Door een onderzoek kan vooraf worden vastgesteld of een stedenbouwkundig ontwerp windhinder of windgevaar met zich meebrengt en kan beoordeeld worden of deze aanvaardbaar is. In een bestemmingsplan kan door de wijze van bestemmen van de bouwmassa's voorkomen worden dat er windhinder optreedt. In een bestemmingsplan kunnen vervolgens voorwaardelijke verplichtingen in de planregels worden gesteld waardoor noodzakelijke maatregelen ook daadwerkelijk worden getroffen. Een windonderzoek (ook voor de hoge woontorens)

29

ontbreekt in het ontwerpbestemmingsplan. Door het niet in kaart brengen van de windhinder en het windgevaar, met de mogelijkheid om vooraf zienswijzen in te dienen, is het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende onderbouwd. Commentaar Zie de commentaren op zienswijzen 1 in § 2.1, en 2 in § 2.3. Zienswijze 35 Kunstmatige verlichting kan hinder geven. De toelichting van een bestemmingsplan bevat een verantwoording dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit lichthinder. In dit ontwerpbestemmingsplan ontbreekt een paragraaf en een juridische regeling over de wijze waarop wordt omgegaan met het aspect licht. Het plan is van een hoogstedelijke dichtheid en genereert veel kunstlicht naar het Catsveld en Haastenburg op korte effectafstand. Genoemd kunnen worden: licht van lantaarnpalen langs de in- en uitrit, licht van lantaarnpalen op parkeerdek 18 meter hoog, inschijnend licht in woonkamers van koplampen op bezoekersparkeerplaatsen, verstrooiend licht bij autobewegingen binnen het plangebied (parkeren op parkeerdek, op helling en in- en uitrit; door verkeersbewegingen) en spiegelende oppervlakken van auto's in de felle zon. Hinder ontstaat wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan dit aanwezige kunstlicht, terwijl er wel behoefte aan is. Bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Door middel van maatregelen kan aan lichthinder tegemoet worden gekomen.

Bijvoorbeeld door het maken van vaste afschermende lichtdichte voorzieningen langs de waterkant ter hoogte van de in- en uitrit en op het parkeerdek. Een planregel kan bepalen dat het plangebied (nagenoeg) volledig moet worden afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling als gevolg van het gebruik van het plangebied. De hoogte van lantaarnpalen kan worden beperkt. Nu het plan geen verantwoording bevat dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit lichthinder en het plan geen voorwaardelijke maatregelen bevat in de planregels om horizontale en verticale lichtuitstraling als gevolg van het gebruik van het plangebied tot een aanvaardbaar niveau te borgen, is het bestemmingsplan niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Commentaar Er is geen regelgeving die directe vertaling voorschrijft van het aspect licht in de juridische regeling van het bestemmingsplan in stedelijk gebied waar kunstlicht te verwachten valt. Er is ook geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat lichtgevoelige functies definieert. In de regels is opgenomen dat hoogte van lichtmasten niet meer dan 10 meter magen bedragen. Nog niet duidelijk is waar de lichtmasten komen te staan. In verband met een goede ruimtelijke ordening zal daar bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wel op gelet worden.

Op het parkeerdek zullen geen lichtmasten toegestaan worden, wat ook opgenomen wordt in de regels. Ook zal in de toelichting van het bestemmingsplan een paragraaf opgenomen worden over lichthinder. Zienswijze 36 Door het plan wordt het westelijke woongebouw dicht bij het complex Klein Haastenburg geplaatst Dit tast de rust en de privacy aan ("gluren bij de buren"). Bij de beoordeling van de vraag of een plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening moeten ook de belangen van de omwonenden worden meegenomen. Rust en privacy spelen daarbij een rol, zowel auditief (horen/lawaai) als visueel (inkijk). Door de projectontwikkelaar is toegezegd (wat door de gemeente per mail is bevestigd) dat er geen uitkragende balkons, loggia's of openslaande ramen aan de westkant van het westelijke woongebouw worden gerealiseerd in verband met de korte afstand tot de terrassen en voortuin van Klein Haastenburg. Op grond van de planregels 8.4 en 9.216 kunnen hier toch balkons en luifels worden toegestaan. Deze toezegging wordt dus niet nagekomen. Recreatief verblijf kan ingrijpende gevolgen hebben voor de rust en privacy in de woonomgeving. Het plan sluit het gebruik van de appartementen voor recreatief verblijf (b.v. Airbnb) ten onrechte niet uit.

Tenslotte is het volgens de planregels toegestaan dat aan de westzijde van het plangebied, direct tegenover Klein Haastenburg, voorzieningen voor warmte koude opslag worden gerealiseerd. Continu (dag en nacht) geluid van pompen en ventilatoren vormen een zeer hinderlijke bron van verstoring van de (nacht)rust van de bewoners van Klein Haastenburg.

30

Commentaar Zie de commentaren op zienswijze 1 en zienswijze 1 in § 2.1. Voor het gebruik binnen de bestemming “Wonen” is aansluiting gezocht op de invulling die is gegeven aan de reeds van toepassing zijnde bestemming “Wonen” in het bestemmingsplan “Plaswijck”. Voorzieningen voor warmte- en koudeopslag kunnen op zich op elke plek binnen de bestemmingen “Verkeer – Verblijf” en “Wonen” gerealiseerd worden. Zie ook het commentaar op zienswijze 5 in § 2.3. Voor warmte- en koudeopslag is geen omgevingsvergunning milieu nodig. Afhankelijk van het soort systeem, de omvang van het systeem en de lozingsroutes kunnen wel een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) en/of een watervergunning nodig zijn. Zienswijze 37 Kennelijk is het bestemmingsplan bedoeld voor een concreet bouwproject. De toelichting is echter niet juridisch bindend; als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd dat afwijkt van de toelichting maar past binnen de planregels dan kan deze door de gemeente bestuursrechtelijk niet worden geweigerd en moet worden verleend. De planregels zijn echter niet toegeschreven op dit specifieke bouwproject. De ruimte die de verbeelding en de planregels geven zijn bepalend. Commentaar Zie het commentaar op zienswijze 7. Zienswijze 38 De verbeelding is eenvoudig maar suggestief. Deze verbeelding suggereert ten onrechte dat in het plan veel groen komt.

Door de nadere invulling via de planregels "verschiet" deze groene kleur echter aanmerkelijk van kleur in bebouwing. Dit is misleidend; deze weergave van de bestemming kan alleen goed worden begrepen door lezing van de planregels. Commentaar Zie het commentaar op zienswijze 8 in § 2.3. Zienswijze 39 Deze planregel kent geen enkele beperking tot 15% voor (echte) groenvoorzieningen binnen het plangebied (15%x7000=1.050m2). Onder deze bestemming groen kunnen immers ongelimiteerd voeten fietspaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen met een oppervlakte van ten hoogste 15 m2 en met een hoogte van maximaal 3 meter worden aangelegd. Bovendien kunnen via 8.4.f ongelimiteerd afvalinzamelsystemen zowel boven als ondergronds binnen de groenbestemming worden gebouwd. Tenslotte is niet omschreven in planregel 1 van het bestemmingsplan wat tot "groenvoorzieningen" wordt gerekend. Zo blijft duister of dit ook geldt voor de vegetatiedaken op de woontorens die vervolgens worden afgedekt met zonnepanelen of voor de bestemming Tuin of voor open bestrating binnen de bestemming Verkeer Verblijf (5.1.f)? Waar liggen de 1.050 m2 aan groenvoorzieningen? Commentaar Zie het commentaar op zienswijze 8 en 9 in § 2.3. Zienswijze 40 Lichtmasten zijn toegestaan langs in-/uitrit tot 10 m (5.2.l.c).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=46699c82-fcdb-42f6-ab63-7e1df05f191c