CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Re-integratieverordening Avres 2023 Breed offensief 25092023

Raadsvergadering 30 november 2023, gemeente GorinchemBij agendapunt: HAMERSTUK Zienswijzeprocedure voor de re-integratieverordening van Avres18.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De vraag naar ondersteuning of voorzieningen is namelijk afhankelijk van een veelheid aan sociaaleconomische factoren en/of van factoren die persoonsgebonden zijn. Het is aan het dagelijks bestuur om te bepalen in hoeverre en welke van deze factoren meewegen bij het bieden van ondersteuning of het beschikbaar stellen van een voorziening. Dit ontslaat het dagelijks bestuur niet van de verplichting voor het scheppen van een voldoende aanbod van participatie-instrumenten, want het dagelijks bestuur heeft de specifieke opdracht een zodanig aanbod te realiseren zodat zoveel mogelijk personen van een voorziening gebruik kunnen maken of ondersteund kunnen worden. Dit is met name van belang omdat Avres de aanspraak op een voorziening bijvoorbeeld niet zonder meer kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is. Er dient altijd een alternatief voorhanden te zijn. Ondersteuning of voorzieningen kunnen onder meer bestaan uit begeleiding, coaching, scholing, training in werknemersen/of vakvaardigheden, sociale activering en stages. In artikel 4 van deze verordening (lid 1) staan – niet limitatief (lid 2) – de voorzieningen opgesomd waarvan het dagelijks bestuur gebruik kan maken. 19

Er is sprake van beleidsvrijheid voor de inzet van re-integratieinstrumenten welke niet expliciet worden genoemd in de Participatiewet. De vormgeving en de mate waarin deze ondersteuning of voorzieningen worden ingezet, bepaalt het dagelijks bestuur zelf. De wet stelt daar geen verdere eisen aan. Op deze wijze kan het dagelijks bestuur de ondersteuning optimaal afstemmen op de lokale arbeidsmarkt en het beleid op de terreinen van zorg, welzijn, economie, integratie en educatie van de afzonderlijke regiogemeenten. Ook krijgt het dagelijks bestuur ruime mogelijkheden personen met medische belemmeringen en/of meervoudige problemen een passend aanbod te doen, zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen. Voor deze personen is reguliere arbeid in veel gevallen niet op korte termijn te realiseren. Het dagelijks bestuur kan (aan) deze groepen (toeleiden naar) voorzieningen of ondersteuning, waaronder sociale activering in hun eigen woon- en leefomgeving, (aanbieden) die vooralsnog zelfstandige participatie als tussendoel hebben. Inschakeling in reguliere arbeid blijft volgens de wet daarbij het einddoel. In sommige gevallen kan – voordat tot inzet van participatie-instrumenten wordt besloten – een nader advies noodzakelijk zijn. Het dagelijks bestuur kan dit in handen leggen van een bedrijf dat gespecialiseerd is in het uitvoeren van diagnoses.

Rekening houden met omstandigheden en beperkingen Het dagelijks bestuur moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, tweede lid, is opgenomen waarmee het dagelijks bestuur in ieder geval rekening moet houden. Voorzieningen en instrumenten uit eigen infrastructuur In het zesde lid is opgenomen dat het dagelijks bestuur bij de verstrekkingen van voorzieningen zoveel als mogelijk gebruik maakt van de voorzieningen en ondersteuning(sinstrumenten) die binnen de infrastructuur van Avres aanwezig zijn. Onder infrastructuur wordt hier niet alleen de fysieke infrastructuur verstaan, maar ook de inzet van medewerkers van Avres en de bij hen aanwezige kennis en deskundigheid. Deze bepaling sluit niet uit dat extern een beroep op voorzieningen door het dagelijks bestuur kan worden gedaan, maar dat wel eerst wordt beoordeeld of toekenning van de voorziening ook kan plaatsvinden binnen de infrastructuur van Avres. Artikel 3.

Algemene bepalingen over voorzieningen

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen en ondersteuning het dagelijks bestuur aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening of ondersteuning gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Voorzieningen die bij uitvoeringsbesluiten nader worden vastgesteld kunnen zijn gericht op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring/vakvaardigheden. Ook is het mogelijk in individuele gevallen een persoonsgebonden reintegratiebudget (zie artikel 36, het individueel vrij besteedbaar budget) ter beschikking te stellen. Bij ondersteuning moet gedacht worden aan doorverwijzing naar arts of psycholoog of praktische hulp, zoals hulp bij het invullen van formulieren. Maar ook het aanbieden van een traject schulddienstverlening moet hier onder worden geschaard. Schulden kunnen immers voor personen een enorme belemmering zijn om succesvol een re-integratieaanpak te doorlopen of een betaalde baan te accepteren of te behouden. Weigeringsgronden Het eerste lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan.

De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die 20

voorzieningen. Ook zal het dagelijks bestuur bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen. Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het dagelijks bestuur altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Beëindigingsgronden Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3, tweede lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, sub 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt.

Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het dagelijks bestuur ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Afstemming Het derde lid regelt het uitgangspunt dat het dagelijks bestuur, afgestemd op de situatie van de persoon, de goedkoopst adequate voorziening verstrekt.

Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de klant te ondersteunen, dan kunnen/zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het derde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen.

21

In het vierde lid en vijfde lid wordt aan het dagelijks bestuur de mogelijkheid geboden om een plaatsingsplafond respectievelijk een subsidieplafond in te stellen voor een voorziening of ondersteuning. Deze mogelijkheid bestaat met oog op een evenwichtige inzet van de financiële middelen tussen de verschillende voorzieningen en de beheersing van de kosten voor het totale Participatiebudget. In deze verordening is op voorhand reeds één plaatsingsplafond opgenomen: ten aanzien van de Participatievoorziening beschut werk (artikel 20, derde lid). Overigens brengt het instellen van een plaatsingof subsidieplafond met zich mee dat in dergelijke gevallen wel een alternatief moet worden geboden. Artikel 4.

Soorten voorzieningen

In artikel 4, eerste lid worden de voorzieningen en vormen van ondersteuning opgesomd die het dagelijks bestuur in ieder geval aanbiedt. Dit betreft geen limitatieve lijst. Daarnaast kunnen ook andere voorzieningen of vormen van ondersteuning worden aangeboden. Het tweede lid van artikel 4 legt daarvoor de basis. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als uit een pilot of best-practice voorbeeld (elders) blijkt dat een bepaalde aanpak of voorziening (daar) bijzonder effectief is of nog beter maatwerk voor de betreffende persoon kan bieden. Het formele juridische kader moet in dat geval geen beletsel zijn om een dergelijke voorziening of vorm van ondersteuning niet aan te bieden omdat deze niet in de verordening is genoemd. Artikel 5.

Traject startafdeling

In de algemene toelichting van deze verordening is aangeven dat in deze verordening de route op weg naar werk is beschreven. Deze route start voor iedere persoon met het traject startafdeling. In dit traject staan met name het stellen van een diagnose met betrekking tot de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, de inventarisatie van de talenten van een persoon en het meten van diens motivatie en belastbaarheid centraal. Het in kaart brengen van voorgaande aspecten vindt mede plaats aan de hand van concrete werkzaamheden die de persoon verricht. Deze werkzaamheden zijn onbetaald en met behoud van uitkering. Uitkomsten van het traject startafdeling kunnen zijn directe bemiddeling naar of plaatsing op betaald werk (jobfinding); een vervolgtraject door de inzet van andere re-integratievoorzieningen, zoals een werkfit traject of scholing; danwel toeleiding naar een sociale activeringsplaats als (een traject richting) betaald werk (tijdelijk) niet mogelijk is. De tijdsduur van een traject startafdeling bedraagt 25 (werk)dagen. Na afloop van het traject startafdeling is het (eerste) vervolg van het traject richting betaald werk duidelijk. Met het oog op rechtszekerheid worden afspraken, rechten en plichten vastgelegd in een plan van aanpak. Artikel 6.

Sociale activering

Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter voorlopig nog een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400). Begrip sociale activering Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe be22

geleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 35). Het dagelijks bestuur biedt zelf geen trajecten sociale activering aan, maar kan wel ondersteuning bieden bij de toeleiding daarvan. Doelgroep sociale activering Voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Dagelijks bestuur stemt duur activiteiten af op de persoon Het derde lid geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het dagelijks bestuur moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Artikel 7.

Werkfittraject

Na het doorlopen van een traject startafdeling kan het dagelijks bestuur een persoon een werkfittraject aanbieden. Dit traject richt zich met name op het aanleren van werknemersvaardigheden; het opdoen van arbeidsritme door het verrichten van werkzaamheden – de persoon verricht deze werkzaamheden onbetaald en met behoud van uitkering – en het vergroten van de belastbaarheid die bijdraagt tot bevordering van verdere re-integratieactiviteiten. Verder wordt de persoon in dit traject inzicht gegeven in overige re-integratievoorzieningen met het oog op vervolgstappen in het reintegratietrajecten. Het aanleren van bepaalde vakvaardigheden staat in dit traject nog niet centraal. Een werkfittraject vindt plaats binnen de infrastructuur van Avres. In bepaalde situaties kan het passend zijn om het (verder) aanleren van werknemersvaardigheden en opdoen van arbeidsritme (tijdelijk) te laten plaatsvinden buiten de infrastructuur van Avres. In dat geval wordt de persoon een Participatieplaats (artikel 9) aangeboden. Uitkomsten van een werkfittraject kunnen zijn directe bemiddeling naar of plaatsing op betaald werk (jobfinding), bijvoorbeeld omdat vakvaardigheden al aanwezig zijn, maar werknemersvaardigheden en/of arbeidsritme eerst nog ontbraken; of een vervolgtraject door de inzet van andere reintegratievoorzieningen, zoals een traject ontwikkellijnen of scholing.

De looptijd bedraagt 13 weken, met een mogelijkheid tot verlenging met telkens 13 weken tot maximaal een periode van een jaar verlenging. Ook bij een werkfittraject worden met het oog op rechtszekerheid afspraken, rechten en plichten vastgelegd in een plan van aanpak. Artikel 8.

Traject ontwikkellijnen

Na het afronden van een traject startafdeling - de persoon beschikt in dat geval in de basis al over voldoende werknemersvaardigheden en arbeidsritme – en/of het werkfittraject, kan het dagelijks bestuur een traject ontwikkellijnen aanbieden. In dit traject staat – naast het (verder) opdoen van werknemersvaardigheden en het (verder) opdoen van arbeidsritme – het aanleren van vakvaardigheden centraal. Avres biedt met het oog daarop een aantal (vak)inhoudelijke ontwikkellijnen aan die aansluiten bij de behoefte vanuit sectoren/werkgevers op de arbeidsmarkt. Na het afronden van een traject in een van de ontwikkellijnen is vanwege de borging van werknemersvaardigheden en arbeidsritme, samen met de opgedane vakvaardigheden de kans op bemiddeling richting of de plaatsing op betaald werk – en daarmee structurele en duurzame uitstroom – groot. Ook tijdens het traject ontwikkellijnen 23

verricht de persoon werkzaamheden onbetaald met behoud van uitkering. Het traject ontwikkellijnen vindt plaats binnen of vanuit de infrastructuur van Avres. Een traject waar met name de ontwikkeling van vakvaardigheden centraal staat kan in bepaalde situaties ook extern plaatsvinden. Indien dit aan de orde is kan het dagelijks bestuur aan de persoon een voorziening aanbieden in de vorm van een ontwikkelplek (artikel 10) of een proefplaats (artikel 11). Uitkomst van het traject is gericht op duurzame en structurele uitstroom naar een dienstverband met betaald werk. Om die reden maakt het aspect jobfinding (artikel 15) ook uitdrukkelijk onderdeel van het traject uit. Plaatsing richting duurzame en structurele uitstroom naar een dienstverband met betaald werk bij een externe werkgever heeft daarbij de voorkeur. Echter in voorkomende gevallen kan dit voor een persoon (tijdelijk) (nog) een te grote stap zijn. In dergelijke gevallen kan het dagelijks bestuur de desbetreffende persoon - na afloop van de maximale looptijd van het traject, inclusief verlenging - de voorziening ontwikkelbaan (artikel 16) aanbieden. Dit is een (tijdelijk) betaald dienstverband binnen de infrastructuur bij Avres, gedurende welk dienstverband nog verder gewerkt kan worden aan borgen en uitbouwen van vaardigheden. De looptijd bedraagt 13 weken, met een mogelijkheid tot verlenging met 13 weken.

Met het oog op het verkrijgen van een praktijkverklaring kan de looptijd na een periode van reguliere verlenging nogmaals met twee keer 13 weken worden verlengd. Ook bij een traject ontwikkellijnen worden met het oog op rechtszekerheid afspraken, rechten en plichten vastgelegd in een plan van aanpak. Artikel. 9.

Participatieplaats

Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de Participatiewet en het eerste lid van artikel 8). Het dagelijks bestuur kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. Een participatieplaats ligt in het verlengde van een werkfittraject en kan na afloop van een dergelijk traject worden ingezet. In tegenstelling tot een Werkfittraject vinden de te verrichten werkzaamheden niet plaats binnen de infrastructuur van Avres, maar bij een externe werkgever.

De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Avres beoordeelt na negen maanden of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot. Zo niet dan wordt de participatieplaats na 12 maanden beëindigd. Indien de werkzaamheden op de participatieplaats wel hebben bijgedragen tot vergroting van de kans op arbeidsinschakeling, kan het dagelijks bestuur besluiten om de duur voor nogmaals een termijn van maximaal 12 maanden te verlengen. De afspraken, rechten (bijvoorbeeld de wijze van begeleiding) en plichten worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen Avres, de betrokken werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 24

Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats verricht deze werkzaamheden onbetaald, met behoud van uitkering, maar kan wel een premie toegekend krijgen. Voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het dagelijks bestuur voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 150,- per zes maanden. Artikel 10.

Ontwikkelplek

Daar waar bij een participatieplaats het belangrijkste doel is het (verder) opdoen van arbeidsritme en werknemersvaardigheden, ligt het ontwikkel-/trainingsaspect bij een ontwikkelplek daarnaast met name bij het opdoen van vakvaardigheden en om te ervaren te ervaren of de (vakinhoudelijke) aard van de te verrichten werkzaamheden in een reguliere werkomgeving voor de persoon ook passend zijn. De ontwikkelplek ligt in het verlengde van het traject ontwikkellijn, maar de vakvaardigheden worden bij een ontwikkelplek niet (verder) aangeleerd binnen of vanuit de infrastructuur van Avres, maar juist bij een werkgever op de arbeidsmarkt. Het tweede lid van het artikel geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de ontwikkelplek, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en in een juridische procedure loonbetaling kan afdwingen. Een ontwikkelplek onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: - Het persoonlijk verrichten van arbeid; - Het ontvangen van loon of salaris voor de verrichte werkzaamheden; en - De aanwezigheid van een gezagsverhouding.

Daarnaast wordt gekeken naar een aantal andere aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. In dat verband heeft de Hoge Raad bepaald dat er bij ontwikkelplekken weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een ontwikkelplek in geen sprake van beloning. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten, of een premie worden toegekend Het feit dat er bij een ontwikkelplek geen sprake is van een arbeidsrechtelijke verhouding volgt ook uit de tweede volzin van het tweede lid, waarin is bepaald dat de werkzaamheden plaatsvinden met behoud van uitkering, zijn met uitzondering van de premie als bedoeld in het zesde lid, onbeloond. In het derde lid is bepaald dat het dagelijks bestuur de persoon uitsluitend plaatst als de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt 25

plaatsvindt. Er is geen sprake van verdringing als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van een werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer; of - gewettigd ontslag om dringende redenen. De afspraken, rechten (bijvoorbeeld de wijze van begeleiding) en plichten worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen Avres, de betrokken werkgever en de persoon die de werkzaamheden op een ontwikkelplek gaat verrichten. De looptijd van de voorziening ontwikkelplek bedraagt maximaal zes maanden, met de mogelijkheid tot een verlenging met maximaal zes maanden. Artikel 11.

Proefplaats

Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet Avres in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het dagelijks bestuur toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 11 geeft hier invulling aan. De proefplaats lijkt in zijn aard op een ontwikkelplek. Echter, groot verschil is dat bij de voorziening proefplaats er een duidelijke koppeling is aan een (mogelijk) dienstverband op termijn bij de betreffende werkgever (derde lid onder e), danwel dat een proefplaats als voorziening niet wordt toegekend als een persoon ook zonder proefplaatsing in dienst zou kunnen treden bij de werkgever (lid 4). Met andere woorden: in tegenstelling tot een ontwikkelplek wordt bij de voorziening proefplaats het aspect van een (mogelijke) toekomstige arbeidsrechtelijke verhouding bij de betreffende werkgever uitdrukkelijk meegewogen. Artikel 12.

Scholing

Scholing kan worden ingezet als onderdeel van een ontwikkelingsaanpak. Het kan hier gaan om kortdurende cursussen, specifiek gericht op ontwikkeling van vaardigheden die benodigd zijn op de weg om arbeid te kunnen verwerven. Bij de inzet van scholing wordt in ieder geval beoordeeld of dit noodzakelijk is voor de kortste aanpak die leidt tot inschakeling in de arbeid. Startkwalificatie Onder startkwalificatie wordt verstaan een Havo- of VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor re-integratie. Jongeren Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het kader van het door het Rijk bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het vierde lid. Overigens is een dergelijke uitsluiting van voorzieningen niet van toepassing voor jongeren met een arbeidsbeperking. 26

Scholing in combinatie met Participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een Participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het dagelijks bestuur aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de Participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het dagelijks bestuur hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar haar oordeel de krachten en bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. Verwerven Nederlandse taalvaardigheden Het verwerven van de Nederlandse taalvaardigheid wordt niet specifiek als re-integratievoorziening aangeboden. Op grond van de Wet inburgering en de Wet Educatie en beroepsvorming bestaan namelijk diverse mogelijkheden voor personen om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen om deze vaardigheid te behalen.

Wel kan de verwerving van taalvaardigheden onder regie van derden onderdeel uitmaken van een gecombineerde re-integratieaanpak of als re-integratieactiviteit onder regie van derden als vervolgstap richting arbeidsinschakeling. Artikel 13.

Leer-werkaanpak

Het dagelijks bestuur kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, een persoon een leer-werkaanpak aanbieden. Indien dit naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk wordt geacht, kan het dagelijks bestuur daarnaast besluiten om gedurende een leer-werkaanpak ook andere ondersteuning aan te bieden. Het aanbieden van een leer-werkaanpak is beperkt tot de doelgroep van jongeren: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b. van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Dit artikel is feitelijk een vangnet voor de jongeren die op grond van artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet zijn uitgesloten voor toekenning van een re-integratievoorziening (zie ook artikel 12 scholing). Indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur er geen alternatieven aanwezig zijn en ondersteuning toch gewenst is, kan aan hen een leer-werkaanpak worden aangeboden. De inhoud van de beoogde leer-werkaanpak is wettelijk niet vastgelegd. Het kan voorzieningen (of elementen daaruit) bevatten die door Avres regulier worden aangeboden aan personen uit de doelgroep, maar ook andere ondersteuning (bijvoorbeeld schulddienstverlening). Artikel 14.

Traject leerroute

In voorkomende gevallen is voor een persoon in het laatste deel van het proces tot het aanvaarden van werk of het aanvaarden van participatieactiviteiten nog een klein beetje extra ondersteuning/begeleiding noodzakelijk. Dit kan zowel vóór het startmoment van de aanvaarding liggen, als daarna. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan een training om meer zelfvertrouwen te krijgen, meer assertief te worden, beter om te kunnen gaan met stressvolle situaties, etc. Dergelijke belemmeringen, die de betreffende persoon zelf wellicht als groot ervaart, zijn naar hun aard echter beperkt in omvang in vergelijking met bijvoorbeeld verslavings-/schulden-/traumaproblematiek. Door gerichte coaching en training kan een kandidaat snel stappen zetten om de belemmeringen die naar hun aard “beperkt” zijn beter te kunnen hanteren. Uitdrukkelijk is in het tweede lid van dit artikel opgenomen dat de ondersteuning zich niet alleen beperkt tot het moment van voor de aanvaarding. In het kader van nazorg kan het ook gewenst zijn dat ondersteuning en begeleiding nog korte tijd plaatsvindt na het moment van aanvaarding. Ook aspecten als het opdoen van sollicitatievaardigheden en vitaliteit kunnen onderdeel zijn van een leerroute. De invulling van een leerroute zal voor iedere kandidaat anders zijn, afgestemd op de per27

soonlijke behoefte en dus maatwerk. De duur van een traject leerroute is dan ook variabel en ligt in zijn algemeenheid tussen de zeven en negen dagen. Artikel 15.

Jobfinding

Jobfinding is voor kandidaten die klaar zijn voor de arbeidsmarkt. Dit houdt in dat iemand regulier werk aan kan, betrouwbaar is, afspraken nakomt, gemotiveerd is en geestelijke- en lichamelijk in staat is om arbeid te verrichten. Tevens dient iemand te beschikken over een up-to-date CV. Tijdens het traject jobfinding wordt aan een kandidaat ondersteuning geboden bij het zoeken naar werk op de arbeidsmarkt. Dit kan bestaan uit matching op vacatures, plaatsing op een ontwikkelplek, maar ook het op maat maken van een werkplek door middel van jobcarving. Als het onderdeel matching wordt ingezet kunnen de volgende aspecten aan de orde komen: - Kennismakingsgesprek tussen kandidaat en accountmanager werkgevers; - Actief benaderen werkgevers (door accountmanager) aan de hand van CV en profiel kandidaat; - Inzet op persoonlijke ontmoetingen werkgever met kandidaat; - Ondersteuning van kandidaat bij sollicitatiegesprekken met werkgevers; - Evaluatiegesprek voeren over sollicitatie met werkgever en kandidaat; - Ondersteuning bespreken arbeidscontract en arbeidsvoorwaarden (indien van toepassing). Artikel 16.

Ontwikkelbaan

De ontwikkelbaan is niet nieuw. Ten tijde van de Wet werk en bijstand maakte deze voorziening reeds onderdeel uit van de re-integratieverordening. Met de invoering van de Participatiewet is deze voorziening uit de verordening verdwenen, omdat er (wettelijk) andere vormen van ondersteuning ter beschikking kwamen. Ondanks dat er met de komst van de Participatiewet andere, nieuwe vormen van ondersteuning zijn ontstaan, zoals loonkostensubsidie, is het denkbaar dat een ontwikkelbaan een oplossing is, als het voor een persoon gewenst is dat hij of zij via een dienstverband aan het werk gaat en daarmee inkomsten verwerft. Om dit laatste mogelijk te maken is de ontwikkelbaan als voorziening sinds 2018 opnieuw in de re-integratieverordening opgenomen. Het dienstverband wordt gesloten tussen Avres en de betreffende persoon. De werkzaamheden kunnen plaatsvinden binnen de infrastructuur van Avres, maar ook detachering via Avres naar een werkgever behoort tot de mogelijkheden. Bij detachering zal de inlenende werkgever een marktconforme inleenvergoeding verschuldigd zijn aan Avres. De inleenvergoeding is gerelateerd aan de functie/uit te voeren taken en de mate van productiviteit van de werknemer. Een dergelijke detachering is anders van aard dan de detacheringsbanen als bedoeld in artikel 17 van deze verordening.

Bij detachering in het kader van een ontwikkelbaan vindt de detachering via Avres plaats vanuit het dienstverband dat tussen de persoon en Avres bestaat. Bij een individuele of groepsdetacheringsbaan is er geen dienstverband tussen Avres en de persoon, maar wel tussen de persoon en een derde (bijvoorbeeld uitzendbureau of detacheringsbureau). Deze derde detacheert de persoon vervolgens bij een werkgever (zie ook artikel 17). Doel van het dienstverband is om binnen 2 jaar na aanvang van het dienstverband een baan op de reguliere arbeidsmarkt te bemachtigen. Daarom heeft het dienstverband in eerste instantie een looptijd van maximaal 2 jaar. Indien na 2 jaar (nog) geen zicht is op een baan op de reguliere arbeidsmarkt is verlenging van het dienstverband mogelijk. Tijdens het dienstverband ontvangt de werknemer een loon op basis van het toepasselijke wettelijk minimumloon. Artikel 17.

Individuele en groepsdetachering 28

De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep via een derde een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen, danwel werkzaamheden te verrichten. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waaronder de banen vormgegeven kunnen worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacherings-/uitzendbureau zijn. In het tweede lid wordt ingegaan op de detacheringsovereenkomst. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. De detachering kan geschieden op individuele basis – of bijvoorbeeld in het kader van een project – ook via groepsdetachering. Artikel 18.

Persoonlijke ondersteuning

De voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk is nader uitgewerkt in hoofdstuk III. Deze bepaling verwijst daarom naar dit hoofdstuk, waarbij ook wordt verwezen naar de uit artikel 3 voortvloeiende algemene voorwaarden die gelden voor alle op grond van deze verordening te verstrekken voorzieningen. Door dit artikel kan de voorziening persoonlijke ondersteuning derhalve ook worden toegekend aan personen die niet behoren tot de doelgroepen geïndiceerden beschut werk, geïndiceerden Wet banenafspraak die vallen in de doelgroep loonkostensubsidie en niet uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die geen beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening Artikel 19.

Voorzieningen specifiek voor de doelgroepen geïndiceerden beschut werk, geïndiceerden Wet banenafspraak die vallen in de doelgroep loonkostensubsidie; en niet uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die geen beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening

In artikel 18 is expliciet aangegeven dat de voorzieningen uit hoofdstuk III specifiek zijn gericht op de doelgroepen geïndiceerden beschut werk, geïndiceerden Wet banenafspraak en niet uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die geen beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening. Dit vloeit voort uit de bepalingen van de Participatiewet. Enige uitzondering hierop is de voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk (artikel 18). Personen uit de doelgroepen geïndiceerden beschut werk, geïndiceerden Wet banenafspraak en niet uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die geen beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening, kunnen daarnaast overigens ook een voorziening krijgen aangeboden zoals beschreven in hoofdstuk II van deze verordening. Artikel 20.

Participatievoorziening beschut werk

Met ingang van 1 januari 2017 is het dagelijks bestuur verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het dagelijks bestuur, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Dit is geregeld in het eerste lid van artikel 20 van deze verordening.

29

Het eerste lid laat in het midden of de werkzaamheden beschut intern plaatsvinden of bij een derde. De dienstbetrekking zelf dient arbeidsrechtelijk overigens altijd overheidsgerelateerd te zijn en kan niet bij een derde belegd worden. Overheidsgerelateerd betekent niet dat per definitie een dienstverband bij een openbaar lichaam is vereist, dit kan ook bij een privaatrechtelijke rechtspersoon die rechtstreeks is gelieerd aan een overheidsorganisatie. Avres maakt hiervoor gebruik van de Stichting Avres nieuw beschut. De verplichting tot het aanbieden van beschut werk is begrensd: het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald. Hiertoe is in artikel 20 het derde lid opgenomen, waarmee tegelijkertijd een plaatsingsplafond wordt ingevoerd. Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. Het algemeen bestuur kan bij verordening niet langer bepalen dat geen beschut werk wordt aangeboden. Wel is het algemeen bestuur, gelet op artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet verplicht om bij verordening in elk geval vast te stellen: a.

welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om adequaat functioneren op een beschutte werkplek mogelijk te maken; en b. welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt. Ad a wordt geregeld in het tweede lid. Daar worden als voorzieningen genoemd: - Fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; - Uitsplitsing van taken; of - Aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. Ad b wordt geregeld in het vijfde lid. Daar worden als voorzieningen genoemd: - Arbeidsmatige dagbesteding, als bedoeld in de van toepassing zijnde artikelen van de Wmoverordening van de deelnemende gemeenten aan de gemeenschappelijke regeling Avres, echter niet eerst dan na verkregen instemming van de betreffende gemeente; - Sociale activering, als bedoeld in artikel 6 van deze verordening; - Scholing, als bedoeld in artikel 12 van de verordening. Tenslotte is in het vierde lid een bepaling opgenomen dat het dagelijks bestuur regels moet stellen over de volgorde van plaatsing op een dienstbetrekking voor het geval er een wachtlijst zou ontstaan omdat er meer geïndiceerden zijn dan beschikbare dienstbetrekkingen. Feitelijk wordt aan het derde, het vierde en het vijfde lid onder b.

door de deelnemende gemeenten aan de GR inmiddels invulling gegeven door samen met Avres het dienstverband wachtlijstbanen aan te bieden. Dit dienstverband wordt ingezet voor personen die wel zijn geïndiceerd, maar nog niet in aanmerking komen voor een door het ministerie gefinancierd dienstverband, omdat er meer geïndiceerde personen dan gefinancierde banen zijn. Een wachtlijstbaan is overeenkomstig een dienstverband beschut werk, echter deze wordt deels gefinancierd door de gemeenten. Het Rijk financiert ieder jaar meer banen beschut werk (=groeimodel). Bij nieuwe beschikbare dienstverbanden beschut werk, wordt aan de persoon die een dienstverband wachtlijstbanen heeft vervolgens een dienstverband beschut werk aangeboden. Artikel 21.

Aanvraagproces loonkostensubsidie

Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). 30

Het eerste lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever. Verder is in het eerste lid bepaald dat de loonkostensubsidie zowel ambtshalve als op aanvraag kan worden verstrekt. Bij een ambtshalve aanvraag is reeds een indicatiestelling voorhanden en is duidelijk dat de persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Het doelgroepregister biedt hierover de noodzakelijke duidelijkheid en het bepalen of de persoon tot de doelgroep behoort, hoeft dan niet alsnog te worden vastgesteld. Bij een aanvraag loonkostensubsidie is die duidelijkheid nog niet. Of de persoon vervolgens tot de doelgroep behoort - en naar aanleiding daarvan een loonkostensubsidie kan worden verstrekt - kan volgens het vijfde lid slechts op 2 manieren plaatsvinden: a. Er is op voorhand een indicatie Wet banenafspraak of indicatie beschut werk, welke is vastgesteld door het UWV (registratie in het doelgroepregister heeft bijvoorbeeld nog niet plaatsgevonden; b. Via een loonwaardemeting in het kader van de praktijkroute voor personen, uiterlijk binnen zes maanden na aanvang van het dienstverband.

Het tweede lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het dagelijks bestuur wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, - een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen -, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen. Het zesde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde bij een aanvraag wordt vastgesteld Artikel 22.

Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die Pro/Vso-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de reintegratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c).

Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de (maatschappelijke) baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g). 31

Artikel 23.

(Aanvraag)proces persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Dit artikel regelt de (aanvraag)procedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kunnen hetzij ambtshalve danwel via een aanvraagprocedure worden verstrekt. De aanvraagmogelijkheid is geen verplichting; het dagelijks bestuur kan ook zelf ambtshalve - dat wil zeggen zonder aanvraag - beoordelen wat nodig is, bijvoorbeeld omdat de persoon in het re-integratieproces al bekend is. In de praktijk zal er dan ook veelal sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het dagelijks bestuur zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft in dergelijke gevallen dan ook meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het dagelijks bestuur in geval van een aanvraag moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen.

Overigens is een zelfde zorgvuldigheid vereist in geval van een ambtshalve behandeling Het artikel 21 vloeit voort uit artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet “op welke wijze het dagelijks bestuur voorzieningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”. Bij het onderzoek houdt het dagelijks bestuur rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Dit geldt zowel bij een ambtshalve behandeling als een afhandeling op aanvraag. Als dat nodig is, wint het dagelijks bestuur een specifiek deskundig oordeel in (lid 6). In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het achtste lid is daartoe bepaald dat het dagelijks bestuur tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) in samenspraak met bijvoorbeeld sociale teams bij de afweging betrekt en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening Artikel 24.

Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet te voldoen. Artikel 25.

Persoonlijke ondersteuning bij werk

Persoonlijke ondersteuning bij werk kan in twee vormen plaatsvinden: a. Via jobcoaching; of b. Via interne werkbegeleiding. Jobcoaching kan zowel in natura ambtshalve of op aanvraag, als via subsidie op aanvraag worden verstrekt (lid 1, juncto lid 3), interne werkbegeleiding alleen in natura (lid 2). Jobcoaching in natura vindt altijd plaats door middel van de inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij de gemeenschappelijke regeling Avres of door middel van de inzet een jobcoach die in opdracht van de gemeenschappelijke regeling op basis van formatieve inhuur deze werkzaamheden verricht (lid 1). 32

Jobcoaching niet in natura vindt plaats via subsidie door een interne of externe jobcoach, zijnde een jobcoach die geen dienstverband bij de gemeenschappelijke regeling Avres heeft, danwel niet een jobcoach is die in opdracht van de gemeenschappelijke regeling op basis van formatieve inhuur deze werkzaamheden verricht (lid 3). De subsidievoorwaarden die hierbij van toepassing zijn, zijn opgenomen in het jobcoachprotocol, dat als bijlage bij deze verordening is gevoegd. Avres beschikt over de passende formatie om zelf inhoud en invulling (bijvoorbeeld voldoende gekwalificeerd) te kunnen geven aan de voorziening jobcoaching. Daarom is in het vierde lid bepaald dat bij de verstrekking van jobcoaching als voorziening, het dagelijks bestuur de jobcoaching in natura bij voorrang aanbiedt. In dergelijke gevallen wordt jobcoaching derhalve niet via subsidie verstrekt. Het vierde lid maakt duidelijk dat de in het eerste en tweede lid bedoelde ondersteuning ook kan worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een dienstverband. Artikel 26.

Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk

Het eerste lid, dat de voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk zowel ambtshalve als op aanvraag kan worden verstrekt, is overeenkomstig het eerste lid van artikel 23. Het tweede lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Het derde lid bevat de basisaspecten waarmee het dagelijks bestuur rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning en benadrukt het belang van het leveren van maatwerk. In artikel 25 wordt dit verder uitgewerkt. Artikel 27.

Jobcoaching

Het eerste lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het dagelijks bestuur stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. Bedoelde eisen zijn vastgelegd in het jobcoachprotocol, dat als bijlage 1 bij deze verordening is gevoegd. Het tweede lid is een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Dit heeft betrekking op het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching. De duur en intensiteit van jobcoaching is maatwerk, echter als zodanig wel te categoriseren in een aantal begeleidingsregimes. Deze begeleidingsregimes zijn eveneens vastgelegd in het jobcoachprotocol, zoals dit is bijgevoegd als bijlage 1 bij deze verordening. Het derde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van de in het tweede lid bedoelde begeleidingsregimes. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan. Artikel 28.

Jobcoaching in natura 33

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het dagelijks bestuur zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door de inzet van jobcoaching in natura. Dit artikel voorziet hierin. Artikel 29.

Subsidie voor het organiseren van jobcoaching

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt verder dat in de verordening moet worden geregeld hoe dagelijks bestuur zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Dit artikel voorziet hierin. In het tweede lid zijn de randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Bij de keuze voor deze voorwaarden is, met het oog op het realiseren van een zo uniform mogelijk kader, aansluiting gezocht bij door het UWV gehanteerde voorwaarden op grond van artikel 12 van het Reïntegratiebesluit. Het derde lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het dagelijks bestuur kenbaar wordt gemaakt. Het dagelijks bestuur moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven te vermelden op de website van Avres. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het dagelijks bestuur vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het dagelijks bestuur moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het dagelijks bestuur gehouden is het meerdere te verstrekken.

Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen. De tarieven die het dagelijks bestuur voor het kalenderjaar 2023 hanteert zijn opgenomen in het jobcoachprotocol, zoals dat in bijlage 1 van deze verordening is bijgevoegd. Het vierde lid maakt transparant dat het dagelijks bestuur de in de verordening gestelde eisen nader uit kan werken in beleidsregels. Met het vijfde lid wordt duidelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur niet alleen subsidie kan verlenen voor jobcoaching die is bedoeld om de persoon in staat te stellen om de aan hem opgedragen taken in het kader van de arbeidsovereenkomst uit te voeren, maar dat de gesubsidieerde jobcoach ook een breder takenpakket kan uitvoeren. Artikel 30.

Interne werkbegeleiding

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder dat in de verordening moet worden geregeld hoe het dagelijks bestuur zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning bij werk. Naast Jobcoaching is ook interne werkbegeleiding een mogelijke vorm van ondersteuning. In artikel 25 is al opgenomen dat deze vorm van persoonlijke ondersteuning alleen in natura wordt aangeboden. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20) die door Avres wordt aangeboden. Artikel 31.

Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het dagelijks bestuur zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie, stageplek of andere fysieke omgeving waarin werkzaamheden/re-integratieactiviteiten plaatsvinden, kan bereiken. Dit 34

artikel regelt in het eerste lid onder welke voorwaarden dit mogelijk is. Een vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt In het tweede lid is aangegeven dat het uitgangspunt voor een passende werkplek, proefplaats, opleidingslocatie, stageplek of andere fysieke omgeving waarin werkzaamheden/re-integratie-activiteiten plaatsvinden, met zich meebrengt dat een persoon zich daar zelfstandig of gebruikmakend van het openbaar vervoer naar toe kan verplaatsen. Dit is ook in lijn met hetgeen in artikel 2, tweede lid is gesteld dat aan een persoon een voorziening of ondersteuning wordt verstrekt die het meest passend/doeltreffend is. Indien een persoon derhalve zich (vooralsnog) niet zelfstandig of gebruik makend van het openbaar vervoer naar een werkplek, proefplaats, opleidingslocatie, stageplek of andere fysieke omgeving waarin werkzaamheden/re-integratieactiviteiten plaatsvinden, kan verplaatsen, dan wordt die in (beginsel) dus niet als passend beschouwd. Er zal in dergelijke situaties dan ook naar een werkplek, proefplaats, opleidingslocatie, stageplek of andere fysieke omgeving waarin werkzaamheden/re-integratieactiviteiten plaatsvinden, worden gezocht die wel zelfstandig of gebruik makend van het openbaar vervoer kan worden bereikt en daarmee passend is. Het bovengenoemde uitgangspunt is echter niet absoluut (vgl.

het woord in beginsel). Er kunnen immers omstandigheden zijn, danwel sprake zijn van dusdanige beperkingen bij de persoon, dat een alternatief niet voorhanden is. Alsdan wordt de werkplek, proefplaats, opleidingslocatie, stageplek of andere fysieke omgeving waarin werkzaamheden/re-integratieactiviteiten plaatsvinden, passend beschouwd en kan uiteraard een vervoersvoorziening worden toegekend. Dit kan ook een tijdelijk karakter hebben (lid 3). Soms is het voor een persoon vooralsnog niet mogelijk om zich zelfstandig of gebruik makend van het openbaar vervoer naar een werkplek, proefplaats, opleidingslocatie, stageplek of andere fysieke omgeving, waarin werkzaamheden/re-integratieactiviteiten plaatsvinden te begeven, maar blijkt bijvoorbeeld uit diagnose dat dit op termijn wel mogelijk zal zijn, bijvoorbeeld door middel van een training en een begeleiding om dit aan te leren (lid 4). Om een periode van training en begeleiding te overbruggen, kan in dergelijke situaties ook tijdelijk een vervoersvoorziening worden verstrekt. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 3, derde lid, de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt.

De verordening biedt het dagelijks bestuur de mogelijkheid om nadere beleidsregels te ontwikkelen voor het verstrekken van een vervoersvoorziening onder aftrek van een eigen bijdrage in de kosten van het vervoer. Met deze bepaling wordt aan het dagelijks bestuur de mogelijkheid geboden om aan te sluiten bij de huidige uitvoeringspraktijk binnen Avres. Ook voor de (collectieve) vervoersvoorzieningen voor de medewerkers die onder de doelgroep SW vallen, is een eigen bijdrage van toepassing. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 32.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=934361ef-29d2-42c9-821e-d4a2ab2581f6