CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie

Raadsvergadering 16 oktober 2025, gemeente GorinchemBij agendapunt: BESPREEKSTUK Uitgangspunten Warmteprogramma51.322 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Besluit van [datum] houdende wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met gemeentelijke instrumenten voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie) (KetenID WGK010406) Op voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van [datum], nr. [nummer] in overeenstemming met Onze Minister van Klimaat en Groene Groei; Gelet op de artikelen 2.24, eerste lid, 3.12, 4.3, eerste lid, 16.139, eerste lid, 20.1, derde lid, 20.6, eerste lid, 20.8, eerste lid, en 20.14, derde, vierde en vijfde lid, van de Omgevingswet en artikel 6.12a van de Energiewet; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. [kenmerk]); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van [datum], nr. [nummer]; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I (Besluit bouwwerken leefomgeving) Het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt als volgt gewijzigd: A Het opschrift van paragraaf 3.4.1 komt te luiden: § 3.4.1. Energieprestatie. B In artikel 3.83, eerste lid, wordt ‘energiezuinig’ vervangen door ‘duurzaam’. C Tabel 3.83 komt te luiden:

1

Tabel 3.83

Gebruiksfunctie

Leden van toepassing maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik

artikel lid 1 5 6 11

Woonfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Overige gebruiksfunctie 12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

3.84 1 1 1 1

2 2 2 2

3 3 3 3

4 4 4 4

5 5 5 5

6 6 6 6

7 7 7 7

8 8 8 8

gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik 3.84a 1 2 1 2 1 2 1 2

overgangsrecht maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik

uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel

afbakening maatwerkvoorschriften ter verduurzaming van het energiegebruik

labelverplichting kantoorgebouw

3.84b * * * *

3.85 * * * *

3.86 * * * *

3.87 1 1 -

2 2 -

3 3 -

4 4 -

5 5 -

uitzondering labelplicht kantoorgebouw

warmtetransitiegebied

uitzonderingen noodstroomvoorzieningen

6 6 -

3.87a * * -

3.87a1 1 1 1 1 1

2 2 2 2 2

3.87a2 * * * * *

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

*

*

*

-

-

-

-

-

-

-

1

2

*

2

D Na artikel 3.87a worden twee artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 3.87a1 (warmtetransitiegebied) 1. Een bouwwerk met een technisch bouwsysteem of een kooktoestel in een warmtetransitiegebied veroorzaakt ter plaatse geen koolstofemissies uit fossiele brandstoffen. 2. Het eerste lid geldt vanaf de bij omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bepaalde datum, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.87a2 (uitzonderingen noodstroomvoorziening) Artikel 3.87a1 is niet van toepassing op de voorzieningen voor het ter plaatse opwekken van elektriciteit ten tijde van een ongewoon voorval. E Artikel 3.87aa wordt vernummerd tot artikel 3.87a3. F Na artikel 4.248 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 4.248a (systeemeisen warmtetransitiegebied) In afwijking van artikel 4.248, eerste lid, voldoet een technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming in een warmtetransitiegebied aan de waarde ≤ 0,7. G In artikel 4.250 wordt ‘de artikelen 4.248, derde lid, en 4.249’ vervangen door ‘de artikelen 4.248, derde lid, 4.248a en 4.249’. H Tabel 5.8 komt te luiden:

3

Tabel 5.8 gebruiksfunctie

1

2

3 4

5

6 7 8 9 1 0 1 1

1 2

leden van toepassing verdere bescherming beperkin tegen geluid g van van uitbreidin gebouwinstall g van aties brand en beperkin g van rook 5.13a 5.14

constructie ve veiligheid

constructie ve veiligheid bij brand

hoogte afscheidin g

beperken van het ontstaan van een brandgevaarlij ke situatie

beperking van het ontwikkele n van brand en rook

beperkin g van uitbreidi ng van brand

artikel

5.9

5.10

5.12

5.13

1

2

*

5.10 a 1

5.11

lid

2

*

1

2

*

*

1

2

1

2

1

2

3

*

*

*

1 1

2 2

* *

1 –

– –

* *

1 1

– –

* *

* *

1 1

2 2

1 1

2 2

1 1

2 2

3 3

* *

* *

* *

1

2

*

–

–

*

1

–

*

–

1

–

1

2

1

2

3

–

–

–

1

2

*

–

–

*

1

–

*

–

1

–

1

2

1

2

3

–

–

–

1

2

*

–

–

*

1

–

*

–

1

–

1

2

1

2

3

–

–

–

1 1

2 2

* *

– –

– –

* *

1 1

– –

* *

– –

1 1

– –

1 1

2 2

1 1

2 2

3 3

– –

– –

– –

1

2

*

–

–

*

1

2

*

–

1

–

1

2

1

2

3

–

–

–

1

2

*

–

–

*

1

–

*

–

1

–

1

2

1

2

3

–

–

–

1 1 1 1 1

2 2 2 2 2

* * * * *

– – – – –

– – – – –

* * * * *

1 1 1 1 1

– – – – –

* * * * *

– – – – –

1 1 1 1 1

– – – – –

1 1 1 1 1

2 2 2 2 2

1 1 1 1 1

2 2 2 2 2

3 3 3 3 3

– – – – –

– – – – –

– – – – –

a

1

2

*

–

–

*

1

–

*

–

1

–

1

2

1

2

3

–

–

–

b

1

2

–

–

–

*

1

–

*

–

1

–

1

2

1

2

3

–

–

–

1

2

*

–

–

*

1

–

*

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

1

2

*

–

2

*

1

–

*

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

1

2

*

–

–

*

1

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

Woonfunctie a voor verhuur b overige woonfunctie Bijeenkomstfunctie a voor kinderopvang met bedgebied b andere bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidszorgfunctie a met bedgebied andere gezondheidszorgfuncti e Industriefunctie a lichte industriefunctie voor het houden van dieren b andere industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfunctie Sportfunctie Winkelfunctie

Luchtverversin g

afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingsluc ht

verblijfsgebie d en verblijfsruimt e

toiletruimte

badruimt e

5.15

5.16

5.17

5.18

5.19

Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer andere overige gebruiksfunctie Bouwwerk geen gebouw zijnde a wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m b voor langzaam verkeer c andere bouwwerk geen gebouw zijnde

gebruiksfunctie energiezuinigheid

energiezu inigheid

vluc hten bij bran d

leden van toepassing technische bouwsystemen

verslagleggi ng

onver warm de en ongek oelde verblij

oplaadpunten en leidingdoorvoeren

oplaa dpunt en elektr ische voert

4

artikel ener giez uini ghei d

Tech nisch e bouw syste men warm tetra nsitie gebie d

vluchte n bij brand

5.20

technische bouwsystemen

artikel

lid voor verhuur overige woonfunctie voor kinderopvang met bedgebied b andere bijeenkomstfunctie a met bedgebied andere gezondheidszorgfunctie a lichte industriefunctie voor het houden van dieren b andere industriefunctie a voor het personenvervoer b andere overige gebruiksfunctie Woonfunctie voor verhuur 1 2 overige woonfunctie 1 2 Bijeenkomstfun ctie voor kinderopvang met bedgebied 1 2 andere bijeenkomstfunctie 1 2 Celfunctie Gezondheidszor gfunctie met bedgebied 1 2 andere gezondheidszorgfunctie 1 2 Industriefunctie lichte industriefunctie voor het houden 1 2 van dieren andere industriefunctie 1 2 Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfuncti e Sportfunctie Winkelfunctie Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer – – andere overige gebruiksfunctie – – Bouwwerk geen gebouw zijnde a wegtu nnel met een tunnel lengte van a b a

1 a b 2 a b 3 4 a 5 a b 6 7 8 9 10 11 a b 12

5.21.0a verslaglegging

onverwarmde en ongekoelde verblijfsruimte

5.20

5.20 5.21 a oplaadpunten oplaadpunten elektrische voertuigen en leidingdoorvo eren

5.21.0a

2 2 2 2

3 3 3 –

4 4 4 4

5 5 5 5

6 6 6

7 7 7 7

8 8 8

* * * *

* * * –

1 1 1 1

2 2 2 2

3 3 3 3

4 4 4 4

5 5 5 5

6 6 6 6

1 1 1 1

2 2 2 2

* * * *

1 1 1 1

2 2 2 2

3 3 3 3

1

2

–

4

5

6

7

8

*

–

1

2

3

4

5

6

1

2

*

1

2

3

–

1 1

2 2

– –

4 4

5 5

6 6

7 7

8 8

* *

– –

1 1

2 2

3 3

4 4

5 5

6 6

1 1

2 2

* *

1 1

2 2

3 3

– –

1

2

–

4

5

–

–

–

*

–

1

2

3

4

5

6

1

2

*

1

2

3

–

1 –

2 –

– –

4 –

5 –

– –

– –

– –

* –

– –

1 1

2 2

3 3

4 4

5 5

6 6

1 1

2 2

* *

1 1

2 2

3 3

– –

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

1

2

3

4

5

6

1

2

*

1

2

3

*

3 3

4 4

– – 1

2

4 4 –

6 6

5 5 4

7 7

6 6 5

8 8

7 7 6

* *

8 8 7

* * 8

* *

1 1

2 2

– –

1 1 –

2 2

*

3 3

4 4

3 3 1

5 5

4 4 2

3

6 6

5 5 4

1 1

6 6 5

2 2

1 1 6

5.21c

* *

2 2 1

5.21 b

1 1

* * 2

2 2

1 1 *

3 3

2 2 1

– –

3 3 2

– – 3

–

– –

4 4

5 5

6 6

7 7

8 8

* *

– –

1 1

2 2

3 3

4 4

5 5

6 6

1 1

2 2

* *

1 1

2 2

3 3

– –

–

4

5

–

–

–

*

–

1

2

3

4

5

6

1

2

*

1

2

3

–

–

5

–

–

–

*

–

2

3

4

5

6

1

2

*

1

2

3

4 4 4

5 5 5

6 6 6

7 7 7

8 8 8

* * *

1 – – –

4 4

5 5

6 6

7 7

8 8

* *

– –

1 1 1

2 2 2

4 – – –

1 1

2 2

– –

– –

–

5 5

5.21a

5.21d

1 1 1 1

8

5.21

uigen 5.21c

5. 21 d * – – –

6

5.20a

fsruim te 5.21b

5.21a

– –

–

–

– –

–

– –

–

– –

–

– –

–

– –

–

– –

–

1 1

–

–

1 1 1

2 2 2

3 3 3

4 4 4

5 5 5

6 6 6

1 1 1

2 2 2

* * *

1 1 1

2 2 2

3 3 3

– – –

1 1

2 2

3 3

4 4

5 5

6 6

1 1

2 2

* *

1 1

2 2

3 3

– –

2 2

3 3

1

4 4

2

3

5 5

4

6 6

5

1 1

6

2 2

1

* *

2

1 1

*

2 2

1

3 3

2

– *

3

–

5

b

c

meer dan 250 m voor langz aam verke er ander e bouw werk geen gebou w zijnde

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

1

2

3

4

5

6

1

2

*

1

2

3

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

1

2

3

4

5

6

1

2

*

1

2

3

–

6

I Na artikel 5.21 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 5.21.0a (technische bouwsystemen warmtetransitiegebied) In afwijking van artikel 5.21, eerste lid, voldoet een technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming in een warmtetransitiegebied aan de waarde ≤ 0,7. J In artikel 5.21a wordt ‘artikel 5.21’ vervangen door ‘de artikelen 5.21 en 5.21.0a’. K In artikel 5.21b wordt ‘de artikelen 5.21, derde en vierde lid, en 5.21a’ vervangen door ‘de artikelen 5.21, derde en vierde lid, 5.21.0a en 5.21a’. L In bijlage I, onder A, wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: warmtetransitiegebied: warmtetransitiegebied als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

ARTIKEL II (Besluit kwaliteit leefomgeving) Het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt gewijzigd: A Aan artikel 1.1a, tweede lid, wordt onder vervanging van ‘; en’ aan het slot van onderdeel a door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door ‘; en’, een onderdeel toegevoegd, luidende: c. artikel 6.12a van de Energiewet. B Aan hoofdstuk 4 wordt een afdeling toegevoegd, luidende: AFDELING 4.5 WARMTEPROGRAMMA’S Artikel 4.32 (warmteprogramma) 1. Een warmteprogramma als bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de wet bevat in ieder geval: a. een overzicht van de locaties waarvoor in het omgevingsplan een warmtetransitiegebied kan worden aangewezen, het aantal gebouwen die op die locaties aanwezig zijn en het aantal gebouwen waarin methaangas wordt gebruikt voor milieubelastende activiteiten die op die locaties worden verricht; b. een overzicht van de toegedachte energie-infrastructuur ter vervanging van de aansluiting op methaangas voor de gebouwen per locatie als bedoeld onder a; c. het aantal gebouwen dat voorafgaand aan de aansluiting op de toegedachte-energieinfrastructuur, bedoeld onder b, naar verwachting wordt geïsoleerd; d. een beschrijving de toegedachte energie-infrastructuur, bedoeld onder b, in relatie tot het alternatief voor methaangas met de laagste totale nationale kosten; e.

een beschrijving van de verwachte indicatieve warmtebehoefte van de gebouwen, bedoeld onder a en c, aan het begin en het einde van de periode, bedoeld in het derde lid; en f. een beschrijving van de uitvoering en de resultaten van het vorige warmteprogramma met een samenvatting van de onder a tot en met e genoemde elementen.

7

2. Het aantal gebouwen, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt uitgedrukt in woningequivalenten. Op het berekenen van deze woningequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 3. Het warmteprogramma heeft betrekking op een periode van ten minste tien jaar, tot uiterlijk 31 december 2049. 4. Het eerste lid, onder f, geldt niet voor het eerste warmteprogramma. C Na paragraaf 5.1.5 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende: § 5.1.5a Tegengaan van klimaatverandering Artikel 5.131a (aanwijzing warmtetransitiegebied) 1. Een warmtetransitiegebied is de locatie die in een omgevingsplan kan worden aangewezen voor de verduurzaming van de warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover op dezelfde locatie milieubelastende activiteiten worden verricht, de energievoorziening voor die milieubelastende activiteiten. 2. Als warmtetransitiegebied kunnen alleen locaties worden aangewezen voor zover die in het warmteprogramma zijn opgenomen als locaties waarbinnen het gebruik van methaangas als warmtevoorziening van gebouwen of energievoorziening van milieubelastende activiteiten op een bepaald moment wordt beëindigd. 3. In het omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing van een warmtetransitiegebied vastgelegd. Artikel 5.131b (warmtetransitie) 1.

Voor zover in een omgevingsplan een warmtetransitiegebied is aangewezen, bepaalt het omgevingsplan voor die locatie: a. welke energie-infrastructuur voor de verwarming, de warmwatervoorziening en het kooktoestel van gebouwen wordt gebruikt; b. dat het gebruik van methaangas voor de warmtevoorziening van gebouwen en, voor zover op dezelfde locatie milieubelastende activiteiten worden verricht, de energievoorziening van milieubelastende activiteiten wordt beëindigd vanaf een bij dat omgevingsplan te bepalen datum; c. dat een gebouw vanaf de bij dat omgevingsplan bepaalde datum: 1°. is aangesloten op de energie-infrastructuur voor warmte; of 2°. gebruikmaakt van de energie-infrastructuur voor elektriciteit; en d. dat het gebruik van methaangas is beëindigd voor activiteiten die op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan nog niet worden verricht, waarbij het verbod niet ziet op bestaande bouwwerken zonder woonfunctie waarvan de gebruiksfunctie naar een woonfunctie wordt gewijzigd. 2. Het omgevingsplan bepaalt dat binnen het warmtetransitiegebied een alternatieve energieinfrastructuur voor de verwarming, de warmwatervoorziening of het kooktoestel van een gebouw kan worden gebruikt dan de energie-infrastructuur, bedoeld in het eerste lid, waarbij het eerste lid, onder c, niet van toepassing is. 3. Het omgevingsplan bepaalt dat: a.

het gebruik van een alternatieve energie-infrastructuur voor de warmtevoorziening van gebouwen alleen is toegestaan als: 1°. de eigenaar van dat gebouw binnen een daarbij te bepalen termijn het college van burgemeester en wethouders informeert over het voornemen om gebruik te maken van een alternatieve energie-infrastructuur; en 2°. degene die voorzieningen heeft getroffen waardoor die alternatieve energie-infrastructuur gereed is voor gebruik binnen vier weken na het gereed zijn daarvan het college van burgemeester en wethouders informeert; en b. de verplichtingen om het college van burgemeester en wethouders te informeren over het gebruik van een alternatieve energie-infrastructuur voor de warmtevoorziening van gebouwen, bedoeld onder a, niet gelden voor de eigenaar van een gebouw binnen het warmtetransitiegebied dat op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan om een warmtetransitiegebied aan te wijzen geen gebruik maakte van methaangas.

8

Artikel 5.131c (warmtetransitie – datum beëindiging methaangas) 1. Bij het bepalen van de datum, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder b, wordt een termijn van ten minste acht jaar gehanteerd vanaf het tijdstip van vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan. 2. In afwijking van het eerste lid kan een kortere termijn worden gehanteerd als: a. een gebouw dat vanwege beoogde bouw- en sloopwerkzaamheden of ingrijpende renovatie in een eerdere wijziging van het omgevingsplan niet was aangewezen, en die werkzaamheden of renovatie niet doorgaan na de wijziging; b. de wijziging van het omgevingsplan alleen ziet op het herstel van een kennelijke verschrijving bij de geometrische begrenzing van het warmtetransitiegebied; c. een gebouw wordt aangewezen op verzoek van een gebouweigenaar; d. het gaat om een gebouw dat is gelegen binnen een gebied voor vergevorderde warmtetransitieprojecten dat bij ministeriële regeling is aangewezen; e. in gebouwen het gebruik van methaangas alleen wordt beëindigd voor de warmwatervoorziening of het kooktoestel; f. de energie-infrastructuur voor methaangas vanwege technische redenen binnen een kortere termijn dan acht jaar moet worden vervangen; of g. wijziging van het omgevingsplan vereist is op grond van artikel 5.131k.

Artikel 5.131d (aanwijzing warmtetransitiegebied - uitzonderingen) Een locatie wordt in het omgevingsplan niet als warmtetransitiegebied aangewezen voor zover op die locaties activiteiten worden verricht: a. waarop de in artikel 16.5 van de Wet milieubeheer vervatte verboden betrekking hebben; of b. in het kader van het exploiteren van: 1°. het transmissiesysteem voor gas, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; 2°. een gasproductie-installatie behorend bij een gasvoorkomen; 3°. een gasopslagsysteem als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; 4°. een LNG-systeem als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; of 5°. een installatie voor de omzetting van de kwaliteit van gas, bedoeld in artikel 3.65 van de Energiewet. Artikel 5.131e (warmtetransitie – in acht nemen dat) 1. Bij de aanwijzing van een warmtetransitiegebied in het omgevingsplan wordt in acht genomen dat voor bewoners de verwachte kosten van de maatregelen gericht op de aansluiting van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan op de aangewezen energieinfrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder a, niet uitstijgen boven de verwachte baten van die maatregelen. 2. Aan het eerste lid wordt voldaan als die verwachte kosten niet uitstijgen boven die verwachte baten voor ten minste 70% van de woonfuncties in die gebouwen in dat warmtetransitiegebied.

Artikel 5.131f (warmtetransitie – rekening houden met) 1. Bij de aanwijzing van een warmtetransitiegebied in het omgevingsplan wordt rekening gehouden met: a. de verwachte gevolgen van de maatregelen gericht op de aansluiting van die gebouwen op de aangewezen energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder a, voor de maandelijkse woonlasten van de bewoners van de woningen in die gebouwen; b. de mate waarin eigenaar-bewoners van gebouwen of gedeeltes van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan toegang hebben tot de middelen om de investeringskosten te financieren van de maatregelen gericht op de aansluiting van die gebouwen op de aangewezen energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder a, en de gevolgen daarvan; c. de verwachte betaalbaarheid van de maatregelen gericht op de aansluiting van gebouwen met een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie op de aangewezen energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerde lid, onder a; d. de verwachte betaalbaarheid van de maatregelen gericht op de aansluiting van gebouwen met woonfunctie voor verhuur, op de aangewezen energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder a;

9

e. de totale nationale kosten die de realisatie van de energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder a, met zich meebrengt; en f. de gevolgen voor de aanleg en het beheer van de energie-infrastructuur door de netbeheerder voor elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, of de netbeheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet. 2. Bij de beoordeling van de gevolgen voor de maandelijkse woonlasten en de toegang tot middelen om investeringskosten te financieren, bedoeld in het eerste lid, aanhef, onder a en b, wordt rekening gehouden met kwetsbare afnemers als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet. Artikel 5.131g (warmtetransitie – uitzonderingen beoordeling betaalbaarheid) De artikelen 5.131e en 5.131f, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, en tweede lid zijn niet van toepassing op: a. een gebouw of gedeelte van een gebouw zonder aansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet op methaangas; b. een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarvoor het aannemelijk is dat het ingrijpend wordt gerenoveerd of gesloopt voor het einde van de termijn, bedoeld in artikel 5.131c, eerste lid, waarop het gebruik van methaangas wordt beëindigd; c. locaties waar de aanwezige bouwwerken moeten worden gemoderniseerd of worden vervangen door gelijksoortige bebouwing als bedoeld in artikel 4.18 van de wet; d.

locaties die zijn opgenomen in een wijziging van het omgevingsplan van ondergeschikte aard die niet leidt tot grotere nadelige gevolgen voor eigenaren of gebruikers van gebouwen; en e. locaties die zijn opgenomen in een wijziging van het omgevingsplan dat vereist is op grond van artikel 5.131k. Artikel 5.131h (warmtetransitie – kosten en baten) 1. Voor eigenaren-bewoners zijn de verwachte kosten van de maatregelen, bedoeld in artikel 5.131e, de som van: a. de verwachte investeringskosten; b. de verwachte onderhoudskosten; c. de verwachte energie- en netbeheerkosten; en d. de verwachte financieringskosten van de investeringsmaatregelen. 2. Voor huurders zijn de verwachte kosten van de maatregelen, bedoeld in artikel 5.131e, de som van: a. de verwachte energie- en netbeheerkosten, eventueel als onderdeel van de servicekosten; en b. de verwachte aanpassing van de huurprijs als gevolg van die maatregelen. 3. Op de verwachte kosten, bedoeld in het eerst en tweede lid, worden de kosten die door een subsidie of andere overheidsbijdrage worden gedekt in mindering gebracht. 4. Voor eigenaar-bewoners zijn de verwachte baten, bedoeld in artikel 5.131e, de som van: a. de verwachte vermeden investeringskosten bij het gebruik van methaangas; b. de verwachte vermeden onderhoudskosten bij het gebruik van methaangas; en c.

de verwachte vermeden energie- en netbeheerkosten bij het gebruik van methaangas. 5. Voor huurders bestaan de verwachte baten, bedoeld in artikel 5.131e, uit de verwachte vermeden energie- en netbeheerkosten bij het gebruik van methaangas, eventueel als onderdeel van de servicekosten. Artikel 5.131i (warmtetransitie – verandering maandelijkse woonlasten) 1. Voor eigenaren-bewoners zijn de verwachte gevolgen van de maatregelen voor de maandelijkse woonlasten, bedoeld in artikel 5.131f, eerste lid, onder a, de som van: a. de verwachte verandering in maandelijkse energiekosten van de eigenaar-bewoner; b. de verwachte verandering in maandelijkse onderhoudskosten van de eigenaar-bewoner; en c. de verwachte verandering in maandelijkse financieringskosten voor de investeringsmaatregelen van de eigenaar-bewoner. 2. Voor huurders zijn de verwachte gevolgen van de maatregelen voor de maandelijkse woonlasten, bedoeld in artikel 5.131f, eerste lid, onder a, de som van: a. de verwachte verandering in maandelijkse energiekosten van de huurder, eventueel als onderdeel van de servicekosten; en b. de verwachte verandering in maandelijkse huurprijs van de huurder.

10

Artikel 5.131j (warmtetransitie – berekenen van de betaalbaarheid) 1. De verwachte kosten en baten, bedoeld in artikel 5.131h, worden berekend over de levensduur van de investering. Op het bepalen van deze looptijd zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2. Op het berekenen van de hoogte van de verwachte kosten en baten, bedoeld in artikel 5.131h, en de maandelijkse woonlasten, bedoeld in artikel 5.131i, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Artikel 5.131k (wijziging datum naar aanleiding van resultaat monitoring) Als uit de monitoring, bedoeld in artikel 11.66a, blijkt dat de aanleg van de energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder a, of de aansluiting van gebouwen daarop voor een locatie binnen het aangewezen warmtetransitiegebied niet tijdig gerealiseerd kan zijn, wordt de datum waarop het gebruik van methaangas als energiebron wordt beëindigd, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder b, gewijzigd. D Aan afdeling 11.4 worden twee artikelen toegevoegd, luidende: Artikel 11.66a (monitoring warmtetransitie) 1. Door monitoring worden bewaakt: a. de voortgang van de aansluiting van gebouwen op de aangewezen energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder a, of op de andere energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, tweede lid; en b.

de voortgang van de uitvoering van de aanleg of verzwaring van de aangewezen energieinfrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder c. 2. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waar een warmtetransitiegebied is aangewezen, is belast met de uitvoering van de monitoring in die gemeente. Artikel 11.66b (gegevensverzameling warmtetransitie) Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waar een warmtetransitiegebied is aangewezen, verzamelt de volgende gegevens over de locaties gelegen in dat gebied: a. de aansluiting en voorgenomen aansluiting van gebouwen op de aangewezen energieinfrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder a; b. de afsluiting van gebouwen van de energie-infrastructuur voor methaangas; c. het voorgenomen gebruik en de gereedmelding voor gebruik van de alternatieve energieinfrastructuur, zoals aan hem verstrekt op grond van artikel 5.131b, tweede lid; en d. de voortgang van de uitvoering van de aanleg of verzwaring van de aangewezen energieinfrastructuur, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder c. Artikel 11.66c (verslag voortgang warmtetransitie) Het college van burgemeester en wethouders stelt een verslag op over de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.66a.

E Aan afdeling 12.4 wordt een artikel toegevoegd, luidende: Artikel 12.34 (aanwijzing warmtetransitiegebied transitievisie warmte) 1. Dit artikel is van toepassing op een omgevingsplan waarvan het ontwerp voor 1 januari 2032 ter inzage wordt gelegd. 2. In afwijking van artikel 5.131a, tweede lid, kunnen locaties als warmtetransitiegebied worden aangewezen voor zover zij in een document zijn opgenomen als locaties waarvoor een energieinfrastructuur is toegedacht ter vervanging van het gebruik van methaangas, als: a. dat document op of na 28 juni 2019 door een bestuursorgaan van de gemeente is vastgesteld en openbaar gemaakt; b. bij de voorbereiding van dat document burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken en bij de vaststelling is aangegeven wat de resultaten van die betrokkenheid zijn; en

11

c. dat document een beschrijving bevat van de verduurzaming van gebouwen met het oog op een lagere emissie van kooldioxide, die voor de periode tot en met 2030 in ieder geval omvat: 1°. een overzicht van het aantal gebouwen dat naar verwachting wordt geïsoleerd; 2°. een overzicht van het aantal gebouwen waarvoor naar verwachting het gebruik van methaangas als energiebron wordt beëindigd; 3°. een overzicht van het aantal gebouwen waarin naar verwachting een technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming wordt gerealiseerd dat voldoet aan de waarde ≤ 0,7; 4°. een overzicht van de toegedachte energie-infrastructuur voor de gebouwen, bedoeld onder 2°; en 5°. een beschrijving van welke toegedachte energie-infrastructuur, bedoeld onder 4°, de laagste kosten voor realisatie voor de maatschappij met zich meebrengt; en d. dat document voor de inwerkingtreding van deze bepaling van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van kracht wordt. F In bijlage I, onder A, worden in de alfabetische volgorde ingevoegd: methaangas: gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; warmtetransitiegebied: warmtetransitiegebied als bedoeld in artikel 5.131a, eerste lid; woonfunctie: woonfunctie als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; woonfunctie voor verhuur: woonfunctie voor verhuur als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;.

ARTIKEL III (Omgevingsbesluit) Het Omgevingsbesluit wordt als volgt gewijzigd: A Aan afdeling 10.4 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende: § 10.4.7 Warmteprogramma’s Artikel 10.19a1 (actualisatie, eerste vaststelling en operationaliteit maatregelen warmteprogramma) 1. Een warmteprogramma als bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de wet wordt ten minste elke vijf jaar geactualiseerd. 2. Het eerste warmteprogramma wordt vastgesteld uiterlijk op 31 december 2026. 3. Maatregelen in een warmteprogramma die zien op het beëindigen van het gebruik van methaangas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet als energiebron zijn uiterlijk vijf jaar na de actualisatie of vaststelling van het warmteprogramma operationeel. B Aan paragraaf 10.8.8 worden drie artikelen toegevoegd, luidende: Artikel 10.49e (gegevensverstrekking warmtetransitie) 1. Voor de voorbereiding van het vaststellen de wijziging van het omgevingsplan waarin een warmtetransitiegebied als bedoeld in artikel 5.131a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt aangewezen en voor de monitoring van de uitvoering van de aanleg van de energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 11.66a van dat besluit: a.

verstrekt de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de naam en het adres van de eigenaar van een onroerende zaak of de gerechtigde tot een appartementsrecht, bedoeld in artikel 20.7a, onder a, van de wet; en b. verstrekken netbeheerders en warmtebedrijven op verzoek van het college van burgemeester 12

en wethouders de gegevens over de aansluiting en toekomstige aansluiting, bedoeld in artikel 20.7a, onder b, van de wet. 2. Netbeheerders verstrekken de gegevens in afwijking van de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 3.77, eerste lid, van de Energiewet. 3. Als een natuurlijke persoon die handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf of een rechtspersoon de eigenaar is van een gebouw in een warmtetransitiegebied als bedoeld in artikel 5.131a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verstrekt deze voor de monitoring van de voortgang van de aansluiting van gebouwen op de aangewezen energie-infrastructuur, bedoeld in artikel 11.66a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders gegevens over de aansluiting of voorgenomen aansluiting. 4. De gegevens worden verstrekt binnen vier weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen, of, wanneer de gevraagde gegevens nog niet beschikbaar zijn, onverwijld nadat zij beschikbaar zijn gekomen. Artikel 10.49f (gegevensverstrekking register ACM) Het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad verstrekt binnen vier weken na inwerkingtreding van de aanwijzing van een warmtetransitiegebied als bedoeld in artikel 5.131a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan de Autoriteit Consument en Markt gegevens over: a.

de aangewezen locaties waar het gebruik van methaangas als energiebron voor gebouwen wordt beëindigd en waar de taak van de netbeheerder op grond van artikel 3.42, vierde en vijfde lid, van die wet komt te vervallen; en b. de vastgestelde data waarop het gebruik van methaan als energiebron voor gebouwen op de aangewezen locaties wordt beëindigd. Artikel 10.49g (verstrekking en publicatie verslag monitoring warmtetransitie) 1. Het college van burgemeester en wethouders doet aan de gemeenteraad verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in artikel 11.66a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Het verslag van de monitoring wordt voor eenieder elektronisch beschikbaar gesteld. C In bijlage I, onder A, wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: methaangas: gas als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;.

ARTIKEL V (inwerkingtreding)

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. ARTIKEL VI (citeertitel) Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 13

14

NOTA VAN TOELICHTING I ALGEMEEN ...............................................................................................3 1. 2.

Inleiding ............................................................................................................... 3 Hoofdlijnen van dit besluit .................................................................................... 5

2.1. De wijkgerichte aanpak in vogelvlucht ......................................................................................... 5 2.1.1. Warmtetransitiegebied ...................................................................................................... 5 2.1.2. Planproces ....................................................................................................................... 6 2.2. Warmteprogramma ................................................................................................................... 7 2.2.1. Verplichtingen op grond van de wet .................................................................................... 7 2.2.2. Vereisten ..................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 2.2.3. Uitvoeringsplicht..............................................................................................................11 2.3. Wijzigen omgevingsplan ...........................................................................................................11 2.4. Verbod op fossiele brandstoffen in aangewezen wijken .................................................................11 2.4.1. Verduurzaming warmtenetten ...........................................................................................12 2.4.2.

Verduurzaming elektriciteit ...............................................................................................12 2.4.3. Duurzame gassen ............................................................................................................12 2.5. De aanwijsbevoegdheid in relatie tot milieubelastende activiteiten .................................................13 2.6. Landelijke uitzonderingen .........................................................................................................14 2.7. Waarborgen bij het aanwijzen van een wijk .................................................................................15 2.7.1. Aanwijsbevoegdheid alleen voor wijken in een warmteprogramma.........................................16 2.7.2. Keuzevrijheid ..................................................................................................................16 2.7.3. Beschikbaarheid van de alternatieve energie-infrastructuur ..................................................17 2.7.4. Totale nationale kosten ....................................................................................................18 2.7.5. Betaalbaarheid voor huishoudens in de wijk .......................................................................18 2.7.5.1. Instructieregels betaalbaarheid eindgebruikers ....................................................19 2.7.5.2.

Uitgangspunten bij de instructieregels ................................................................20 2.7.5.3. Toetsregels ......................................................................................................22 2.7.5.4. Rekenregels.....................................................................................................24 2.7.6. Betaalbaarheid voor overige gebouwen in de wijk ...............................................................25 2.7.7. Redelijke termijn .............................................................................................................26 2.7.8. Register ACM ..................................................................................................................27 2.7.9. Vergewissen ...................................................................................................................28 2.7.9.1. Monitoring uitvoering ........................................................................................29 2.7.9.2. Zo nodig verzetten datum omgevingsplan ...........................................................30 2.8. Gegevensverzameling bij Kadaster, warmtebedrijven en netbeheerders..........................................30

3.

Verhouding tot hoger recht ................................................................................. 31

3.1. Recht op respect voor de woning (artikel 8 EVRM en artikel 7 Handvest) ........................................32 3.2. Richtlijn voor de Energieprestatie van Gebouwen .........................................................................34 3.3. Europees systeem voor emissiehandel: het Emissons Trading System (ETS) ...................................34 3.4. Europese Vrij verkeer van goederen en diensten ..........................................................................35

4.

Verhouding tot nationale regelgeving ................................................................. 36

4.1. Omgevingswet en onderliggende uitvoeringsregelgeving ...............................................................36 4.2. Gaswet/Energiewet ..................................................................................................................37 4.3. Regeling CO2-heffing industrie ...................................................................................................37 4.4. Huurregelgeving en VvE’s .........................................................................................................38 4.5. Energiebesparingsplicht ............................................................................................................38

5.

Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen) ................................................................ 39

5.1. Regeldrukeffecten ....................................................................................................................39 5.2. Milieueffecten ..........................................................................................................................40

6.

Uitvoering ........................................................................................................... 41

6.1. Doenvermogen ........................................................................................................................41 6.2. Ondersteuning gemeenten ........................................................................................................43 6.2.1. Financieel en algemeen ....................................................................................................43 6.2.2. Betaalbaarheid in de wijk .................................................................................................44 6.2.3. Milieueffectrapportage ......................................................................................................45 6.2.4. Omgevingswet ................................................................................................................45 6.3. Digitalisering van de regelgeving ...............................................................................................46

7.

Toezicht en handhaving ...................................................................................... 46

7.1 Toezicht en handhaving door gemeenten .....................................................................................46 7.2 Toezicht op gemeenten.............................................................................................................47

8.

Financiële gevolgen ............................................................................................ 48 1

9.

Advies en consultatie .......................................................................................... 49

9.1. MKB-toets ...............................................................................................................................49 9.2. Adviezen.................................................................................................................................49 9.2.1. Overlegplatform Bouwregelgeving .....................................................................................49 9.2.2. Adviescollege toetsing regeldruk........................................................................................49 9.2.3. Autoriteit Persoonsgegevens .............................................................................................50 9.2.4. Raad voor de rechtspraak .................................................................................................51 9.2.5. Raad voor Rechtsbijstand .................................................................................................51 9.2.6. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State ......................................................................51 9.3. Consultatie..............................................................................................................................51 9.3.1. Consultatie instructieregels betaalbaarheid .........................................................................55 9.4.

Voorhang Tweede Kamer en Eerste Kamer ..................................................................................55 9.5. Technische notificatie ...............................................................................................................55

10.

Overgangsrecht en inwerkingtreding .................................................................. 55

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING .............................................................. 56 Artikel I (wijziging Besluit bouwwerken leefomgeving) ............................................... 56 Onderdeel A (paragraaf 3.4.1 Bbl) ....................................................................................................56 Onderdeel B (artikel 3.83, eerste lid, Bbl)..........................................................................................56 Onderdeel C (tabel 3.83 Bbl) ...........................................................................................................56 Onderdeel D (artikelen 3.87a1 en 3.87a2 Bbl) ...................................................................................56 Onderdeel E (artikel 3.87a3 Bbl) ......................................................................................................57 Onderdelen F en I (artikelen 4.248a (nieuw) en 5.21.0a (nieuw) Bbl) ...................................................57 Onderdelen G, H, J en K (artikelen 4.250, 5.21a, 5.21b en tabel 5.8 Bbl) ..............................................57 Onderdeel L (bijlage I, onder A, Bbl).................................................................................................58

Artikel II (wijziging Besluit kwaliteit leefomgeving) .................................................... 58 Onderdeel A (artikel 1.1a Bkl) ..........................................................................................................58 Onderdeel B (afdeling 4.5 (nieuw) Bkl) .............................................................................................58 Onderdeel C (paragraaf 5.1.5a (nieuw) Bkl) ......................................................................................59 Onderdeel D (artikelen 11.66a, 11.66b en 11.66c (nieuw) Bkl) ............................................................69 Onderdeel E (artikel 12.34 (nieuw) Bkl) ............................................................................................70 Onderdeel F (bijlage I, onder A, Bkl) .................................................................................................71

Artikel III (wijziging Omgevingsbesluit)...................................................................... 71 Onderdeel A (paragraaf 10.4.7 (nieuw) Ob) .......................................................................................71 Onderdeel B (artikelen 10.49e, 10.49f en 10.49g (nieuw) Ob) .............................................................72 Onderdeel C (bijlage I, onder A, Ob) .................................................................................................73

2

I ALGEMEEN 1. Inleiding Het klimaat verandert. Het wordt steeds warmer op aarde. Het kabinet wil een welvarend land blijven én een schonere en gezondere wereld doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen. Daarbij is het belangrijk er minder afhankelijkheid is van andere landen voor de levering van energie en (kritieke) grondstoffen. In het regeerprogramma is daarom aangegeven dat het kabinet blijft investeren in de verduurzaming van woningen en gebouwen. Niet alleen om klimaat- en energiedoelen te halen, maar bovenal omdat het betere gebouwen oplevert waarin het prettig wonen, werken en leven is. Bovendien geeft het mensen en ondernemers meer grip op hun energierekening. De energietransitie in de gebouwde omgeving is inmiddels in volle gang. Mede aangejaagd door de oorlog in Oekraïne en de hoge gasprijzen die daarop volgden, wordt er volop geïsoleerd, worden er warmtepompen geïnstalleerd en staat de thermostaat in veel woningen en gebouwen een graadje lager. Men doet dat veelal zelf omdat het een lagere energierekening oplevert. Investeren in verduurzamen loont. Dit weerspiegelt zich in de CO2-reductie die in gang is gezet. In 2023 werd er nog zo’n 17 Mton CO2 uitgestoten in de gebouwde omgeving, ten opzichte van 30 Mton in 2010. 1 Deze ontwikkeling moet worden vastgehouden.

De energieprijzen zullen naar verwachting niet meer terugkeren naar het niveau van voor 2022 en de gaskraan in Groningen is inmiddels dicht. Daarbij onderstreept de huidige geopolitieke situatie het belang om onze afhankelijkheid van aardgas snel te verminderen, in het bijzonder als bescherming tegen de stijgende fossiele energieprijzen. In de gebouwde omgeving wordt het overgrote deel van de gebouwen nu nog door middel van aardgas verwarmd. In lijn met de Klimaatwet[1] dat de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul wordt gereduceerd en de EBPD IV met als doel dat alle gebouwen in 2050 emissievrij zijn moeten alle woningen, scholen, winkels, kantoren en andere gebouwen in 2050 goed geïsoleerd zijn en vrij zijn van fossiele emissies. Dat betekent dat er dan geen aardgas meer gebruikt wordt om de woning te verwarmen. Er wordt energie opgewekt via zonnepanelen, en duurzame bronnen als groen gas, geo- en aquathermie worden gebruikt om te voorzien in de resterende energie- en warmtevraag. Dit betekent de duurzame transformatie van de energievoorziening van meer dan 7,5 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen tot 2050. Dit is een technische, financiële en bestuurlijke, maar bovenal een grote sociale opgave. Het gaat immers over mensen die wonen, werken en verblijven in al die gebouwen.

De transitie in de gebouwde omgeving loopt langs twee fundamentele sporen. Allereerst is er een individueel spoor, waar in beginsel wordt aangesloten bij de natuurlijke momenten voor gebouweigenaren om iets aan hun gebouw te doen: een verhuizing, een verbouwing of de vervanging van installaties. Daarnaast is er een collectief spoor, waar onder regie van de gemeente een wijk stapsgewijs of in één keer vergaand wordt verduurzaamd, en waar nodig breder sociale en fysieke opgaven worden aangepakt zoals netcongestie. In de meeste gevallen wordt ook de energie-infrastructuur in de wijk vernieuwd, bijvoorbeeld bij de aanleg van een warmtenet of verzwaring van het elektriciteitsnet, om de wijk klaar te maken voor de toekomst. Een wijkgerichte aanpak levert bovenal in veel situaties voordelen op, door onder andere efficiëntie en opschaling2. Daarbij wordt er bij een collectieve overstap op een andere infrastructuur geen dubbele infrastructuur in stand gehouden voor enkele achterblijvers. In de wijkaanpak stapt immers de overgrote meerderheid van de gebouweigenaren over op het duurzame alternatief. Indien een gasnet in stand zou worden gehouden voor enkele gebruikers die niet van het aardgas af willen, terwijl er een redelijk alternatief beschikbaar is, leidt dat tot hogere kosten voor de samenleving als geheel, en bovendien tot inefficiënt ruimtegebruik in de ondergrond.

Een verdere daling in de CO2-uitstoot is tot slot niet realistisch als alleen ingezet wordt op (vrijwillige) isolatie en de overstap naar een (elektrische) warmtepomp. Het elektriciteitsnet loopt immers steeds verder vol, met alle gevolgen van dien. Bedrijven en Klimaat- en Energieverkenning 2024, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag (2024). Stb. 2023, 271. 2 Netbeheer Nederland (2021) Volledig uitgevoerde wijkaanpak: Verkennende analyse. 1

[1]

3

nieuwbouwwijken kunnen niet meer worden aangesloten. Daarbij zijn alle duurzame bronnen – waaronder restwarmte en geo- en aquathermie – nodig om te kunnen voorzien in de toekomstige warmtebehoefte. Zo is bijvoorbeeld ook de betrokkenheid van waterschappen van belang als mogelijke bron van restwarmte, maar ook om de waterkwaliteit- en veiligheid te borgen Door wijk voor wijk aan de slag te gaan, kunnen gemeenten samen met bewoners en gebouweigenaren een zorgvuldig proces doorlopen, waarin een afweging wordt gemaakt over wat per wijk het beste warmtealternatief is en wanneer woningen en gebouwen niet langer met aardgas worden verwarmd. Wat die beste oplossing is, zal namelijk per wijk verschillen. Er is niet één alternatief voor aardgas. Een wijkgerichte aanpak levert bovenal in veel situaties voordelen op, door onder andere efficiëntie en opschaling.3 Daarbij wordt er bij een collectieve overstap op een andere infrastructuur geen dubbele infrastructuur in stand gehouden voor enkele achterblijvers. In de wijkaanpak stapt immers de overgrote meerderheid van de gebouweigenaren over op het duurzame alternatief. Als een gasnet in stand zou worden gehouden voor enkele gebruikers die niet van het aardgas af willen, terwijl er een redelijk alternatief beschikbaar is, leidt dat tot hogere kosten voor de samenleving als geheel, en tot inefficiënt ruimtegebruik in de ondergrond.

Veel belanghebbenden zijn hierbij betrokken: gemeenten, bewoners, andere eindgebruikers zoals het mkb en maatschappelijke organisaties, gebouweigenaren zoals verhuurders, provincies, netbeheerders, waterschappen en andere partijen hebben allemaal een belangrijke rol bij de energietransitie in de gebouwde omgeving. Via de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (hierna: Wgiw) zijn in de Omgevingswet grondslagen opgenomen met als doel gemeenten bevoegdheden te geven om deze wijkgerichte verduurzaming tot uitvoering te brengen. De kern van de Wgiw vormt de zogenoemde aanwijsbevoegdheid. De aanwijsbevoegdheid houdt in dat een gemeente binnen haar grondgebied bepaalde wijken kan aanwijzen die overgaan op een duurzame energievoorziening ter vervanging van het aardgas. Voor die wijken bepaalt de gemeenteraad in het omgevingsplan dat er op een bepaald moment niet langer gebruik mag worden gemaakt van aardgas en dat op dat moment het transport van aardgas (door de netbeheerder) wordt beëindigd. In plaats daarvan komt in die aangewezen wijk een alternatieve energie-infrastructuur met duurzame energie beschikbaar. Hierdoor ontstaat duidelijkheid en handelingsperspectief voor betrokken partijen (overheid, burgers, bedrijven) in die wijk.

Beide worden nu vaak gemist, waardoor niemand goed weet waar en wanneer zij tot actie kunnen overgaan en hoe zich voor te bereiden op die overgang naar het duurzame alternatief. De aanwijsbevoegdheid op grond van de Wgiw dwingt niemand stappen te zetten die niet betaalbaar en vanuit maatschappelijk perspectief niet wenselijk zijn. Maar ligt er zo’n goede aanpak, met een aantrekkelijk aanbod voor bewoners en voldoende tijd voor de uitvoering, dan moet die aanpak niet geblokkeerd kunnen worden door enkele achterblijvers. De aanwijsbevoegdheid is daarmee een sluitstuk in het proces naar een duurzame energievoorziening. Met dit besluit is het proces in de wijkgerichte aanpak en de aanwijsbevoegdheid nader uitgewerkt. Zo regelt dit besluit de vereisten aan een warmteprogramma onder de Omgevingswet. Het warmteprogramma is het beleidsdocument over de verduurzaming van de gebouwde omgeving, dat het college van burgemeester en wethouders periodiek vaststelt (zie paragraaf 2.2). In het Klimaatakkoord is de term transitievisie warmte gebruikt voor dit beleidsdocument dat met de Wgiw is verankerd als warmteprogramma onder de Omgevingswet. Voor de al vastgestelde transitievisies warmte is in dit besluit een overgangsbepaling opgenomen (zie paragraaf 10).

Daarnaast zijn er instructieregels opgenomen voor het wijzigen van het omgevingsplan als de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet (zie paragraaf 2.3). Verder regelt dit besluit dat in een gebied waar de gemeenteraad de aanwijsbevoegdheid inzet, ook geen gebruik mag worden gemaakt van andere fossiele brandstoffen dan aardgas voor de voorziening van het afnemen en gebruiken van energie voor bouwwerken (zie paragraaf 2.4). Daarnaast is er aandacht besteed aan de milieubelastende activiteiten in de wijk in relatie tot de aanwijsbevoegdheid (zie paragraaf 2.5). Bovendien regelt dit besluit voor welke gebouwen of locaties landelijk geldt dat deze geen onderdeel uitmaken van de wijkgerichte aanpak. (zie paragraaf 2.6). In dit besluit is ook een deel van de waarborgen behorend bij de aanwijsbevoegdheid juridisch verankerd (zie paragraaf 2.7). Voor sommige van bovengenoemde waarborgen is het verwerken van gegevens, waaronder

3

Netbeheer Nederland (2021) Volledig uitgevoerde wijkaanpak: Verkennende analyse.

4

persoonsgegevens, noodzakelijk. De grondslag voor het verwerken van gegevens is opgenomen in de Omgevingswet via de Wgiw. In dit besluit is dit nader uitgewerkt (zie paragraaf 2.8). 2. Hoofdlijnen van dit besluit Het besluit wijzigt drie van de vier AMvB’s onder de Omgevingswet, te weten het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit. Dit besluit en de Wgiw faciliteren en ondersteunen de regierol van gemeenten in de wijkgerichte verduurzamingsaanpak in de gebouwde omgeving. Doel van dit besluit (en de Wgiw) is het verduurzamen van de warmtevoorziening in bestaande gebouwen en op die manier bijdragen aan de reductie van de broeikasgasemissies. Vrijwillige verduurzaming van de energievoorziening van bestaande gebouwen blijkt op dit moment niet toereikend omdat men aan het gasnet aangesloten kan blijven. Het gasnet moet dan in stand worden gehouden voor een kleine groep achterblijvers. Dit gaat samen met hoge maatschappelijke kosten. Het is noodzakelijk om de wijkgerichte verduurzaamingsaanpak met een wettelijke bevoegdheid te verankeren om zo de benodigde warmtetransitie te kunnen realiseren op een kosteneffectieve manier.4 Met dit besluit (en de Wgiw) kunnen gemeenten hieraan sturing geven. Het gaat hier nadrukkelijk om een bevoegdheid voor het verduurzamen en aardgasvrij maken van bestaande woonwijken.

Aardgasvrije nieuwbouw – en uitzonderingen daarop – zijn geregeld via de Wet van 9 april 2018 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet (voortgang energietransitie)5. 2.1. De wijkgerichte aanpak in vogelvlucht Deze paragraaf bevat een korte beschrijving van de wijkgerichte verduurzaming van de gebouwde omgeving. Een uitgebreidere beschrijving van de wijkgerichte aanpak staat in paragraaf 2.3 en 2.4 van de memorie van toelichting bij de Wgiw.6 Door wijk voor wijk aan de slag te gaan, kunnen gemeenten samen met bewoners en gebouweigenaren een zorgvuldig proces doorlopen waarin een afweging wordt gemaakt over wat per wijk het beste warmtealternatief is en wanneer woningen en gebouwen niet langer met aardgas worden verwarmd. Per wijk kan de oplossing verschillen, afhankelijk van de staat van de woningen, de wensen van bewoners, de beschikbaarheid van duurzame bronnen en de andere kenmerken van de wijk. De inzet van de gebiedsgerichte aanpak is dat bewoners, gebouweigenaren en VvE’s weten wat er in hun wijk staat te gebeuren en wat ze zelf kunnen verbeteren aan hun woning of gebouw en dat ze daarbij zoveel als mogelijk worden ontzorgd.

De gemeente doorloopt hiervoor een zorgvuldig proces, waarin het warmteprogramma, veelal het uitvoeringsplan en het omgevingsplan noodzakelijke stappen zijn om bewoners en andere gebouweigenaren en -gebruikers alternatieve duurzame warmteopties te kunnen aanbieden om uiteindelijk aardgas te kunnen uitfaseren. 2.1.1. Warmtetransitiegebied Er wordt gesproken over de wijkgerichte aanpak. Het staat gemeenten echter vrij om het schaalniveau te kiezen van de gebieden in het warmteprogramma (en het uitvoeringsplan) en de wijziging van het omgevingsplan: wijken, buurten, dorpen of kernen. Of een deel van een wijk, buurt, dorp of kern. Het staat de gemeente ook vrij om zelf de grenzen te bepalen van het gebied waarop het plan betrekking heeft. Deze grenzen zullen samenhangen met het duurzame warmtealternatief waarvoor de gemeente kiest en de schaalgrootte die daarbij passend is. Daarbij is de aard en het gebruik van de bebouwing en de mogelijkheden voor een alternatieve energieinfrastructuur met name bepalend voor het aanwijzen van die grenzen. Voor wijken met oudere

Zie de Kamerbrief van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 7 juni 2022 over de Verduurzaming kosteneffectiviteit en keuzevrijheid in de energietransitie in de gebouwde omgeving, Kamerstukken II 2021/22, 32813, nr. 1050. 5 Stb. 2018, nr. 109. 6 Kamerstukken 2022/23, 36387, nr. 3, p. 8-13. 4

5

bebouwing en monumenten zal bijvoorbeeld in de meeste gevallen een andere alternatieve energie-infrastructuur worden gekozen dan voor een recent gebouwde wijk. Als de gemeenteraad de aanwijsbevoegdheid wil inzetten, doet zij dat door in het omgevingsplan een warmtetransitiegebied aan te wijzen. Het warmtetransitiegebied is het gebied dat wordt aangewezen om over te stappen op een duurzame energievoorziening. Hiermee wordt dus de wijk, buurt of straat bedoeld die van het aardgas afgaat. Een warmtetransitiegebied kan uit één of meerdere locaties bestaan. De locatie betreft de ruimtelijke dimensie of ruimtelijke afbakening van een regel of een objecttype die in de regel beschreven wordt. Een gemeente kan in het omgevingsplan alleen een warmtetransitiegebied aanwijzen wanneer dit gebied ook is opgenomen in het warmteprogramma. Daarnaast zijn er verschillende instructieregels van toepassing op het wijzigen van het omgevingsplan om een warmtetransitiegebied aan te wijzen (zie paragraaf 2.3). 2.1.2. Planproces Het warmteprogramma is de eerste schakel in de stappen binnen de wijkgerichte aanpak. Programma’s vervullen voor het bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving een belangrijke rol. In programma’s wordt het beleid van bestuursorganen, zoals gemeenten, voor onderdelen van de fysieke leefomgeving uitgewerkt.

Programma’s van gemeenten worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In het Klimaatakkoord is gesproken over de transitievisie warmte. De transitievisie warmte is met de Wgiw komen te gelden als een verplicht programma onder de Omgevingswet, genaamd het warmteprogramma.7 In het warmteprogramma neemt het college van burgemeester en wethouders de plannen op voor tenminste de komende tien jaar met betrekking tot de verduurzaming van wijken. Met dit besluit zijn via instructieregels eisen gesteld aan het warmteprogramma, die worden beschreven in paragraaf 2.2.2. Het warmteprogramma kan worden geconcretiseerd in een uitvoeringsplan voor een wijk. Het uitvoeringsplan kan een belangrijke onderbouwing vormen voor de wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Een uitvoeringsplan is geen verplicht programma onder de Omgevingswet. Het uitvoeringsplan kan, net als het warmteprogramma, wel worden vormgegeven als een programma als bedoeld in de Omgevingswet. Over het omgevingsplan worden met dit besluit op rijksniveau instructieregels gesteld. Het is daarom niet nodig om op dit niveau ook instructieregels te stellen over het uitvoeringsplan wettelijk te verankeren als een programma onder de Omgevingswet. Wel kunnen gemeenten hun bevoegdheid benutten om het uitvoeringsplan als een vrijwillig programma vast te stellen.

Dit laatste ligt voor de hand in situaties waar acties nodig zijn van diverse partijen, zoals gebouweigenaren en netbeheerders. In het programma is dan opgenomen welke acties nodig zijn en welke planning daarbij hoort. Het programma kan bovendien als basis dienen voor afspraken met de actiehouders. Naar verwachting vloeien er meerdere uitvoeringsplannen voort uit een warmteprogramma. Het uitvoeringsplan, of een soortgelijke onderbouwing, beschrijft welke alternatieve energievoorziening er in de wijk gekozen wordt en wanneer de wijk (op termijn) van het aardgas gaat. Om een woning of gebouw behaaglijk te kunnen verwarmen met een duurzaam warmtealternatief, is een bepaald isolatieniveau nodig. Het benodigde isolatieniveau, of de daaruit volgende maximale warmtebehoefte, hangt samen met de keuze voor het alternatief voor aardgas. Het is daarom van belang dat het college van burgemeester en wethouders in het uitvoeringsplan ook duidelijk maakt welke maximale warmtebehoefte of welk minimale isolatieniveau nodig is om over te kunnen stappen op het alternatief. Op die manier weten bewoners naar welk niveau ze toe kunnen werken om in de toekomst op het alternatief over te kunnen stappen. De derde stap is de wijziging van het omgevingsplan.

Elke gemeente heeft vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet één omgevingsplan voor het hele grondgebied, dat lokale algemene regels bevat voor de fysieke leefomgeving. Deze algemene regels zijn algemeen verbindende voorschriften die bindend zijn voor eenieder. De werking van regels in een omgevingsplan is in veel gevallen gebonden aan locaties. Met het inzetten van de aanwijsbevoegdheid zal het omgevingsplan moeten worden gewijzigd, waarbij een gebied wordt Voor een toelichting op de regels over het warmteprogramma zie paragraaf 3.2.2 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wgiw, Kamerstukken 2022/23, 36387, nr. 3, p. 30-32. 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=ba03f78f-78fc-4601-9dfc-bb8708ded099