CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek

Parallelsessie raadzaal 13 februari 2025, gemeente GorinchemBij agendapunt: I&O/B&A Vaststellen bestemmingsplan Haarweg/Hoogbloklandseweg in Gorinchem15.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3 Veldonderzoek

3.1 Methoden Veldonderzoek Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een booronderzoek, karterende fase. Voor het bebouwde deel van het plangebied betrof het gezien de geringere boordichtheid een verkennende fase. De onderzoeksmethode is door het bevoegd gezag (gemeente Gorinchem) bepaald op basis van de resultaten van tot dusver uitgevoerd onderzoek en het protocol inventariserend veldonderzoek uit de KNA versie 3.1 (§2.4; Van Rooijen & Floore, 2009). De vondstzichtbaarheid aan het oppervlak, overwegend bestaande uit grasland, was ten tijde van het veldonderzoek slecht en op basis daarvan is een oppervlaktekartering niet uitgevoerd. In het gebied is tegelijk met het booronderzoek een visuele inspectie uitgevoerd. De visuele inspectie is gericht op opvallende terreinkenmerken (zoals hoogteverschillen in het terrein), die aanvullende informatie kunnen opleveren ten aanzien van de eventuele aanwezigheid en aard van archeologische waarden in het plangebied. Conform het PvE is de huidige situatie in het plangebied gefotografeerd, het gaat hier om zichtbare fenomenen die van cultuurhistorisch en/of archeologisch belang zijn (figuren 4 t/m 10). Figuren 11 t/m 15 geven een impressie van het uitgevoerde veldonderzoek en het plangebied.

Tijdens het veldonderzoek zijn 1085 boringen verricht overwegend in een grid van 30 bij 35 m met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. (kaartbijlage 1). De boringen in een raai versprongen ten opzichte van die in de naastgelegen raai, waardoor een systeem van gelijkbenige driehoeken ontstond. In het bebouwde deel tussen de Mollenburgseweg en het Merwedekanaal zijn enkele losse raaien gezet met een onderlinge boorafstand van 30 m. De boringen zijn lithologisch conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatie-instituut, 1989) beschreven en met een GPS of meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). De hoogte (z-waarde) is ingemeten met een GPS of afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Op basis van het geologisch bureauonderzoek zijn in het Programma van Eisen (PvE) per zone richtlijnen met betrekking tot de boordiepte gegeven. De boringen worden doorgezet tot een relevant niveau. Boringen binnen de stroomgordelcontour van de stroomgordel van Spijk dienen tot 2,0 m -Mv gezet te worden. In het deel van het plangebied waar de stroomgordel Gorkum-Arkel en crevasseafzettingen worden verwacht, wordt geboord tot een diepte waarop de loop en diepteligging hiervan is vast te stellen. Voor de stroomgordel Gorkum-Arkel en bijbehorende zandige zone wordt een diepte van circa 4,0 à 5,0 m -Mv verwacht.

Voor de crevasseafzettingen geldt een maximale boordiepte van circa 2,0 m -Mv. In het overige deel van het plangebied wordt tot minstens 2,0 m -Mv geboord. Voor het gehele plangebied geldt dat om de 10 boringen één boring

29

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Figuur 5. Foto genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing van Haarweg 7.

dieper gezet dient te worden om inzicht te krijgen in de onderliggende bodemopbouw, tot circa 5,0 m -Mv. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat de boordieptes niet overal toereikend waren om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. De boringen zijn veelal dieper dan 2 m doorgezet en in enkele gevallen tot 6 à 7 m -Mv afhankelijk van de verwachting en aangetroffen bodemopbouw. De gemiddelde boordiepte bedraagt 4,6 m -Mv (in totaal is er 4,95 km diep geboord); er is tot maximaal 7 m -Mv geboord. De gehanteerde methode wordt geschikt geacht voor het opsporen van de meeste in dit gebied te verwachten nederzettingsterreinen uit de periode IJzertijd t/m Late Middeleeuwen en voor het in kaart brengen van de geo(morfo)logische opbouw van het gebied. De methode is tevens geschikt om grotere nederzettingsterreinen met een archeologische laag uit het Neolithicum t/m Bronstijd op te sporen. Deze methode is niet geschikt om kleinere, vondstarme nederzettingsterreinen en verkavelingspatronen, graven en andere zeer lokale archeologische resten in kaart te brengen (Tol e.a., 2004). Het opgeboorde materiaal is in het veld gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals houtskool, vuursteen, aardewerk, metaal, bot, verbrande leem en fosfaatvlekken).

30

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Het onderzoek is nagenoeg conform de gestelde randvoorwaarden uitgevoerd. Op een klein aantal punten is in overleg met het bevoegd gezag afgeweken van de eisen in het PvE. Deze punten betreffen: - De boordiepte: veel boringen in het kom- en crevassegebied zijn dieper doorgezet dan 2 m; - Op enkele locaties was veldonderzoek niet mogelijk vanwege aanwezige ophoging, bodemvervuiling of geen betredingstoestemming (onder andere de velden van het dierenasiel ten zuiden van de Haarweg). Deze locaties staan weergegeven op kaartbijlage 1.

Nummering boringen en oriëntatie boorgrid De nummering van de boringen behoeft enige toelichting. Zoals op kaartbijlage 1 te zien is, zijn de boringen in de raaien niet altijd doorgenummerd. Afhankelijk van de aanwezigheid van vee en dammetjes over sloten konden raaien niet altijd direct vervolgd worden. Een deel van het onderzoek is met twee teams tegelijkertijd uitgevoerd. Om dubbele boornummers te vermijden is het tweede team bij boornummer 2000 begonnen. Uiteindelijk zijn de boornummers 1 t/m 812 en 2000 t/m 2272 uitgedeeld. De oriëntatie van het boorgrid is vanuit praktisch oogpunt globaal afgestemd op de verkaveling. Het gebied ten noorden van de Haarweg en ten oosten van de Hoogbloklandseweg heeft een oostwest oriëntatie en het overige deel van het plangebied een noord-zuidoriëntatie. De boorbeschrijvingen zijn op cd-rom aan het rapport toegevoegd (bijlage 1).

Figuur 6. Foto genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing van Haarweg 19.

31

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Interpretatie van de boringen Van alle boringen is in het veld direct op laagniveau een lithogenetische interpretatie (oeverafzettingen, komafzettingen, etc.) gegeven. Deze interpretaties zijn in de uitwerkfase eventueel op basis van de profielen aangepast. Deze lithogenetische interpretaties vormen de basis voor het vervaardigen van een reconstructie van het paleolandschap van het gebied (Jansen & Van der Laan, 2009). De gehanteerde lithogenetische eenheden betreffen: • Komafzettingen : matig tot zwak siltige, humeuze klei, doorgaans kalkloos, met organische resten als hout en riet. Ook veen behoort tot de komafzettingen voorzover het geen detritus (verslagen veen) of Gyttja (organisch bezinksel in geulen en meren) betreft. • Oeverafzettingen : sterk tot uiterst siltige of zandige klei of uiterst siltig zand al dan niet gelaagd. Doorgaans komen in oeverafzettingen kenmerken van rijping (bodemvorming) voor. De kenmerken van rijping betreffen verbruining en het voorkomen van ijzer- en mangaanvlekken. De top van oeverafzettingen is vaak ontkalkt en oeverafzettingen kenmerken zich door een naar beneden toe lichter wordend profiel (van klei overgaand naar zavel en/of zand). Doorgaans bestaat de top van oeverafzettingen uit stevige, compacte klei. • Beddingafzettingen : matig tot zwak siltig zand met enkele klei- of detrituslagen.

Onder oeverafzettingen vaak gelig van kleur, onder geulafzettingen vaak (licht) grijs. • Geulafzettingen : - kleiige geulafzettingen : sterk tot uiterst siltige, humeuze, kalkrijke, grijze tot grijsbruine klei in min of meerdere mate gelaagd (zand, detritus en/of humuslagen); - zandige geulafzettingen : zwak tot uiterst siltig, kalkrijk, grijs zand met een variërende hoeveelheid (humeuze) klei- en/of detritus lagen. • Crevasseafzettingen : veelal overeenstemmend met oever- of geulafzettingen maar slecht tot zeer slecht gesorteerd. De hierboven weergegeven indelingscriteria zijn uiteraard alleen wat algemene kenmerken van de verschillende lithogenetische interpretaties. Bij het vaststellen van de interpretatie op laagniveau spelen ook criteria als genese en samenstelling van boven en onderliggende lagen vaak een cruciale rol. Maar ook de mate van compactie van het sediment kan een rol spelen bij het vaststellen van de interpretatie; beddingzand is doorgaans stevig/compact terwijl geulzanden vaak iets losser gepakt zijn. Enkele van de genoemde kenmerken zijn ook arbitrair en kunnen per situatie anders geïnterpreteerd worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor oever- en kleiige geulafzettingen. Deze kunnen qua samenstelling vrijwel identiek zijn, dit geldt ook voor zandige geul- en beddingafzettingen.

Naast de lithogenetische interpretatie vormen laklagen een goed handvat om grip te krijgen op de paleogeografische ontwikkeling van een gebied. Laklagen ontstaan als gevolg van humusaanrijking in perioden van verminderde of geheel afwezige sedimentatie. Laklagen, ook wel aangeduid als vegetatiehorizonten, zijn herkenbaar aan een (donker) grijze kleur en kunnen in zowel de hogere delen (oeverwallen) als in de lager gelegen delen (kommen) van een fluviatiel landschap ontstaan. Doorgaans zijn de laklagen die gevormd zijn onder nattere omstandigheden donkerder van kleur. Feitelijk betreffen laklagen dus afgedekte A-horizonten ofwel oude oppervlakken. De

32

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Figuur 7. met de de huidige bebouwing van van Haarweg 10. 10. Figuur 7. Foto’s Foto'sgenomen genomenvanaf vanafdedeHaarweg Haarweg met huidige bebouwing Haarweg

33

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

aanwezigheid van een laklaag impliceert daarmee de aanwezigheid van een oud loopoppervlak, waarbij de hogere delen van het bijbehorende landschap als potentieel archeologisch niveau aangeduid kunnen worden.

3.2 Resultaten 3.2.1 Geologie en bodem De bodemopbouw is overwegend intact. Er zijn geen grootschalige (diepe) bodemverstoringen aangetroffen. Alleen ten zuiden van de Haarweg ter hoogte van de Hoogbloklandseweg is de bodem tot in of direct onder de bouwvoor verstoord. Dit is het gevolg van het vroegere circuit, dat ten behoeve van de aanleg van de Betuwe-route is afgebroken. Deze is nog zichtbaar op de topografie van bijlagen 1, 3 en 4 uit de publicatie van Van der Roest (2007). Verder is de bodem midden op het terrein van de groenvoorziening (zuidoostelijke hoek van het plangebied) verstoord tot direct onder de oorspronkelijke bouwvoor. In hoofdlijnen komt het algemene beeld in horizontale zin goed overeen met de resultaten van het bureauonderzoek. In het plangebied zijn geen rivierduinen in de ondergrond aangetroffen. Het komgebied wordt doorsneden door stroomgordels, crevasses en veenstroompjes op verschillende niveaus. De ligging in horizontale zin komt grotendeels overeen met de verwachting op basis van het geologisch onderzoek van Kluiving & Van Suijlekom (2008). In verticale zin blijkt het verwachte

Figuur 8. Foto genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing op de hoek Haarweg/Grote Haarsekade.

34

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Figuur 9. Foto genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing op de hoek Haarweg/Kleine Haarsekade.

crevassesysteem niet binnen 2 m -Mv aanwezig te zijn, maar zijn op deze locatie binnen 5 m -Mv beddingafzettingen aangetroffen. Dit komt meer overeen met het aan de Gorkum-Arkel stroomgordel geassocieerde niveau. Hoewel uit de boorgegevens een grote hoeveelheid aan detailinformatie van kom-ontwateringsgeulen (en eventueel kleine crevassegeulen), inclusief crevassevorming valt te destilleren, is in het kader van dit onderzoek gekozen om in hoofdlijnen de paleogeografische ontwikkeling in kaart te brengen. Deze wordt in onderstaande paragrafen besproken aan de hand van profielen (kaarbijlage 2) en de op basis van de boringen opgestelde geo(morfo)logische kaart (kaartbijlage 1). Om inzicht te krijgen in de verspreiding van beddingafzettingen in horizontale en verticale zin is de diepte van de top van het beddingzand geïnterpoleerd (figuur 16). Bij de interpretatie dient wel rekening gehouden te worden met het feit dat het interpolaties betreft. Hierdoor kunnen verbindingen tussen geulen niet meer zichtbaar zijn, indien de geulen bijvoorbeeld te smal zijn voor het gehanteerde boorgrid. Of er kunnen verbindingen tussen geulen gevormd worden die in werkelijkheid niet bestaan. Een probleem bij de interpretatie van de geologische ontwikkeling van het gebied vormt het feit dat in nagenoeg alle boringen geulachtige sedimenten aanwezig lijken.

Een deel van deze afzettingen behoort daadwerkelijk tot (rest)geulafzettingen; sediment dat door afnemend debiet na een geulverlegging in de oorspronkelijke waterloop terecht is gekomen. Er zijn echter ook veel kom-ontwateringsgeulen in het komgebied aanwezig, die een redelijke hoeveelheid sediment door opstuwing hebben vervoerd. Mogelijk liggen sommige op de overgang met een

35

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Figuur 10. Foto genomen vanaf de Haarweg met Grote Haarsekade (rechts) en Kleine Haarsekade (links). In het midden de ligging van de voormalige vliet.

crevassesysteem. Dit maakt het onderscheid tussen (rest)geulen van stroomgordels, kleiige crevasses en kom-ontwateringsgeulen soms minder duidelijk.

Gorkum-Arkel stroomgordel Verspreid over het gehele plangebied zijn afzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel en de bijbehorende geulen aangetroffen (kaartbijlage 1). De top van de beddingafzettingen bevindt zich globaal tussen 5 en 6,5 m -NAP (tussen 4 en 6 m -Mv). Deze diepte komt overeen met de verwachte diepteligging van de bijbehorende geulen. De korrelgrootte van het beddingzand varieert overwegend van zeer fijn tot matig grof. Tussen het beddingzand en het bovenliggende veen is een laag (zandige) klei aanwezig, die geïnterpreteerd is als oeverafzetting. Verder van de beddingafzettingen af is soms nog de top van de oeverafzettingen aangetroffen binnen de maximale boordiepte. De verspreiding hiervan is weergegeven op de geo(morfol)ogische kaart. De afzettingen behorende tot de Gorkum-Arkel stroomgordel bevinden zich in het oosten van het plangebied dieper ten opzichte van het maaiveld dan in het westen. Dit is vanwege de hogere ligging van het maaiveld ten opzichte van NAP in het oosten van het plangebied (figuur 3). In het oosten van het plangebied zijn om die reden meerdere boringen tot 6 m beneden maaiveld gezet. In het noordoosten van het plangebied is de top van de Gorkum-Arkel stroomgordel overwegend matig stevig. In het overige deel van het plangebied loopt de consistentie uiteen van slap tot matig stevig.

De top is ontkalkt variërend van enkele centimeters tot decimeters.

36

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Waarschijnlijk hebben de restgeulen van dit systeem nog een tijd dienst gedaan als kom-ontwateringsgeul. De top van de geul lijkt hierdoor in enkele boring hoger te liggen. Maar het betreft een latere fase in de landschappelijke ontwikkeling van het gebied.

Schaik stroomgordel Op basis van het bureauonderzoek werd een crevassesysteem (Schaik stroomgordel) binnen 2 m beneden maaiveld verwacht, die (grotendeels) goed zichtbaar is op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De verwachte ligging van de Schaik stroomgordel komt grotendeels overeen met het patroon van de aanwezige beddingafzettingen binnen 5 à 6 m -NAP. Een ondiepere stroomgordel is hier niet aangetroffen. Dit betekent dat de zichtbare structuren op het AHN samenhangen met het aan de Gorkum-Arkel stroomgordel geassocieerde niveau en niet met crevasses behorende tot de Schaik stroomgordel. Wel is in de noordwesthoek van het plangebied een crevasse aangetroffen. Deze lijkt meer op de ligging van de Schaik stroomgordel volgens Berendsen & Stouthamer (2001; figuur 2). De top van het zand (geul- of beddingafzettingen) bevindt zich tussen 2,6 en 2,9 m -Mv (tussen 3,5 en 3,8 m -NAP). Langs de zuidrand van het plangebied is een crevassegeul vermoedelijk zeer schuin in de boorraai aangeboord, waardoor deze veel breder lijkt dan hij is. De top van het zand (geul- of beddingafzettingen) bevindt zich tussen 2,4 en 3,2 m -Mv (tussen 3 en 3,2 m -NAP). Naar boven gaat het zand zeer geleidelijk over naar slappe klei. Bijbehorende oeverafzettingen zijn bij beide niet aangetroffen. Dit kan het resultaat zijn van korte activi-

Figuur 11. Foto genomen vanuit het zuiden met de huidige situatie (winter 2010) direct ten oosten van de Mollenburgseweg en ten noorden van de Betuwe-route in het plangebied.

37

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Figuur 12. Foto genomen richting het oosten van de boomgaard gelegen ten noorden van de Haarweg direct ten westen van de Vlietskade.

teit van de crevasse waarbij geen tijd is geweest om oevers te ontwikkelen of eventueel alleen een zeer smalle strook met oeverafzettingen. Of de crevassegeul in het zuiden van het plangebied ook tot de Schaik stroomgordel behoort is onduidelijk.

Spijk stroomgordel De Spijk stroomgordel is in verschillende boringen aangetroffen en ligt voornamelijk ten zuiden van de Haarweg direct aan het oppervlak. Richting de A27 buigt de stroomgordel af naar het zuiden en loopt niet onder de A27 door, zoals werd verwacht op basis van het geologisch bureauonderzoek (Kluiving & Van Suijlekom, 2008; kaartbijlage 1). De uitstulpingen naar het noorden toe (figuur 2), die afgeleid zijn van het AHN, hangen samen met kunstmatige ophogingen. Het beddingzand is in enkele boringen al binnen 1 m -Mv aangetroffen en bestaat voornamelijk uit matig fijn tot matig grof zand. De stroomgordel lijkt niet afgedekt te zijn door komafzettingen. Het is mogelijk dat deze opgenomen zijn in de bouwvoor. De oeverafzettingen van de Spijk stroomgordel gaan in horizontale richting geleidelijk over naar de komafzettingen.

38

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Kleiige crevasses en kom-ontwateringsgeulen (veenstroompjes) Behalve deze stroomgordels zijn ook veel kleinere geulen aangetroffen. Deze geulen zijn op verschillende diepten aangetroffen verspreid over het plangebied. Ze bestaan overwegend uit sterk tot uiterst siltige klei met een slappe consistentie. Hierin zijn humeuze kleilagen en/of een enkele zandlaag aanwezig. De klei is kalkrijk en gaat naar beneden toe abrupt of geleidelijk over naar het veen. Dit zal mede het gevolg zijn van de afstand tot de rivier. Des te dichter bij de rivier des te groter de gemiddelde stroomsnelheid van het water. Bij een grotere stroomsnelheid kan zandtransport plaatsvinden en is de kans op erosie van onderliggende afzettingen groter. Veel van de kom-ontwateringsgeulen zullen via een crevassegeul in verbinding staan met de rivier. De overgang van een crevassegeul naar een kom-ontwateringsgeul zal diffuus zijn waarbij veel tussenvormen zullen bestaan. Gezien de hoeveelheid aan geultjes is het binnen dit onderzoek niet mogelijk geweest om deze aan elkaar te relateren en er een structuur in aan te geven. Duidelijke bijbehorende oevers en/of laklagen zijn niet aangetroffen. Gezien de kleiige opvulling zullen de oevers slecht ontwikkeld zijn.

De kom-ontwateringsgeulen of kleiige crevasses hebben waarschijnlijk bijna geen oeverwallen en zijn vermoedelijk niet (lang) geschikt geweest voor (permanente) bewoning. Wel zal het gebied geschikt zijn geweest voor onder andere houtkap en jacht.

Figuur 13. Impressie van het centrale deel van het plangebied (ten noorden en oosten van de Hoogbloklandseweg); foto genomen vanuit het oosten richting de Hoogbloklandseweg.

39

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Figuur 15. Impressie van het zuidelijk deel van het plangebied (ten zuiden van de Haarweg en ten westen van de Mollenburgseweg) ter hoogte van de Spijk stroomgordel. Foto is genomen vanuit het zuiden richting de Haarweg.

Figuur 14. Impressie van het veldonderzoek direct ten oosten van de A27 (o.a. inmeten van de boringen met GPS). Foto is genomen vanuit het noorden.

40

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

De anastomoserende riviersystemen, zoals de Schaik en Gorkum-Arkel stroomgordel, staan bekend om de vele bijbehorende crevasses. Vermoedelijk behoren de hierboven beschreven kleine geulen als uitlopers tot verschillende fases van een of meerdere crevassesystemen. Een duidelijke crevassegeul is in de noordwestelijke hoek van het plangebied aangetroffen en langs de zuidrand van het plangebied (zie Schaik stroomgordel; kaartbijlage 1).

Laklagen In de komafzettingen en het veen zijn zeer donkere laklagen aangetroffen, deze zijn gevormd onder natte condities en wijzen niet op een bewoonbaar oppervlak. Ook in de top van verscheidene geulen is een zeer donkere laklaag aangetroffen met een slappe consistentie. Zoals ook in de top van de geul die langs de zuidrand van het plangebied is aangesneden (kaartbijlagen 1 en 2). Deze is gevormd onder zeer natte condities en is daarmee niet (langdurig) geschikt voor bewoning geweest. In het noordoosten van het plangebied is binnen 70 cm -Mvd een laklaag aangetroffen in de oeverafzettingen. Dit duidt op twee fases van afzetting. De oudste oeverafzettingen behoren waarschijnlijk tot de Spijk stroomgordel. De jongste behoren waarschijnlijk tot de Linge stroomgordel. De zone waar de oeverafzettingen van de Spijk afgezet zijn op geul- en/of beddingafzettingen zal te hoog hebben gelegen om afgedekt te worden door een dikker pakket afzettingen van de Linge. Het vegetatieniveau is hier opgenomen in de huidige bouwvoor eventueel samen met een dunne laag afzettingen van de Linge.

Komgebied Aan het oppervlak is een goed gerijpte sterk tot matig siltige klei aangetroffen met ijzer- en mangaanvlekken en/of concreties. Naar beneden toe gaat de klei geleidelijk tot diffuus over naar kleiig tot mineraalarm bosveen. In het noorden van het plangebied is een zone waar de top van het bosveen (licht) veraard is (kaartbijlage 1). In enkele boringen zijn kleibrokjes in de top van het veenpakket aangetroffen. Het bosveen gaat geleidelijk over naar (kleiig) rietveen. In het veenpakket komen kleilagen voor die geïnterpreteerd zijn als komklei of oevers. Na bestudering van de gegevens blijkt dat veel dunne lagen die in het veld beschreven zijn als potentiele oeverafzetting, vermoedelijk siltigere komafzettingen betreffen. Ze zijn over een groot oppervlak afgezet, vermoedelijk als gevolg van een grote overstroming. De kleilagen zijn over het algemeen allemaal ontkalkt en slap. Ze zijn niet geschikt geweest voor bewoning.

3.2.2 Archeologie Bekende vindplaatsen ARCHIS-waarnemingsnummer 408388 betreft een melding van een verhoging in het landschap, geïnterpreteerd als huisterp. Tijdens veldonderzoek is deze verhoging niet waargenomen en in omliggende boringen (tevens gezet binnen de voormalige begrenzing van het monument) heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Ter hoogte van ARCHIS-waarnemingsnummers 36693 zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een terp. Het kan echter niet uitgesloten worden dat de bebouwing van Haarweg

41

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

10 direct op een terp is gebouwd. Daarmee zal de huidige bebouwing de mogelijk aanwezige terp (deels) hebben verstoord. ARCHIS-waarnemingsnummer 36694 ligt momenteel ter hoogte van een voormalige vuilstortplaats. Hier is de bodem deels afgegraven en volgestort. Indien dit de juiste locatie van de waarneming betreft, dan zal de terp reeds vergraven zijn. Rondom de alternatieve locatie van deze terp, Haarweg 7, zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor archeologische resten uit de Middeleeuwen. Het kan echter niet uitgesloten worden dat de bebouwing van Haarweg 7 direct op een terp is gebouwd. Daarmee zal de huidige bebouwing de mogelijk aanwezige terp (deels) hebben verstoord.

Gorkum-Arkel stroomgordel In en op de afzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische laag. Wel is verspreid in de afzettingen van dit systeem houtskool aangetroffen. Veelal betreffen het spikkels houtskool of fragmentjes van een enkele millimeter. Het lijkt aannemelijk dat het natuurlijk houtskool betreft; mogelijk is het houtskool onder invloed van de wind of stromend water afkomstig uit de omgeving. In de boringen 573 en 2072 zijn enkele fragmenten houtskool van circa 0,5 cm aangetroffen en in boring 577 een brok van 1,5 cm. Ook grotere fragmenten kunnen door stromend water zijn meegevoerd. Er zijn geen duidelijke clusters aangetroffen met houtskool en andere archeologische indicatoren ontbreken. Alleen op twee locaties bevinden zich 3 boringen bij elkaar waar houtskool is aangetroffen (kaartbijlage 3). Op locatie HK1 zijn kleine en grotere stukjes houtskool aangetroffen tussen 3,85 en 4,2 m -Mv in een uiterst tot zwak zandige klei. Op deze locatie zijn ook relatieve grote stukken hout aangetroffen. Op locatie HK2 zijn kleine stukjes houtskool aangetroffen tussen 4,1 en 4,2 m -Mv in uiterst siltige tot matig zandige klei aangetroffen. In boring 295 bevindt het houtskool zich op 4,9 m -Mv in zeer humeus zand. De overige afzettingen zijn kalkloos en zwak humeus en geïnterpreteerd als oeverafzettingen.

Houtskool betreft een mogelijk antropogeen object (Tol, e.a., 2004). Sommige objecten zijn van menselijke oorsprong of door de mens teweeggebracht, terwijl dit aan het object zelf niet te zien is. Veelal gaat het om zaken die niet bewust door mensenhand gemaakt zijn, maar wel samenhangen met menselijke activiteiten. Houtskool, onverbrand bot, fosfaatconcentraties of steen zijn hier voorbeelden van. De aanwezigheid hiervan kan echter ook een natuurlijke oorsprong hebben. Helaas is het bij de huidige stand van de wetenschap niet te bepalen of een fragment houtskool ontstaan is door het stoken van een vuur voor de bereiding van voedsel of door een natuurlijke bosbrand. Argumenten voor een antropogene oorsprong van houtskool zijn concentratie van materiaal en het in samenhang voorkomen met antropogene objecten (zoals aardewerk) en/of grondsporen. Omdat tijdens de karterende fase vaak geen antropogene objecten of grondsporen worden aangetroffen, zijn we in de praktijk sterk afhankelijk van houtskool, waarvan de antropogene oorsprong niet direct kan worden bewezen. Er is dan per definitie geen sprake van een archeologische site. Er kan echter wel een sterk vermoeden bestaan (Tol, e.a., 2004).

42

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)











  



 











    













 











Figuur 16. Interpolatie van de top van het beddingzand in meters t.o.v. NAP geprojecteerd op de ligging van de  stroomgordels volgens Kluiving & Van Suijlekom (2008).

43





 







RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Spijk stroomgordel Het gebied ten zuiden van de Haarweg en het gebied ten oosten van de Vlietskade is dieper geroerd (resulterend in een bouwvoor van grofweg 50 cm) dan in het overig deel van het plangebied (bouwvoor van grofweg 25 cm). Daarnaast is in de bovenste geroerde laag (meer) puin, kachelslik en enkele fragmenten aardewerk daterend uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Door de nabijheid van de huidige en voormalige bebouwing uit de 19e/20e eeuw heeft men hier waarschijnlijk meer afval over het land verspreid ten behoeve van bemesting. Tijdens het karterend booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor overige archeologische resten (bijvoorbeeld nederzettingsterreinen), anders dan de hierboven beschreven archeologische resten uit de Nieuwe tijd, aangetroffen op/in de afzettingen behorende tot de Spijk stroomgordel.

Komgebied In het komgebied zijn verspreid door het plangebied in het (kleiige) rietveen houtskoolfragmenten aangetroffen. Ook zijn zwarte plantenresten aangetroffen. Dit betreffen plantenresten die vermoedelijk door vertering/rotting zwart geworden zijn. Het onderscheid tussen de zwarte plantenresten en de houtskool was niet altijd eenduidig. De houtskool kan wijzen op een natuurlijke brand of een archeologische vindplaats in de wijdere omgeving. Houtskool is zeer licht en kan met water gemakkelijk meedrijven of door de wind worden meegevoerd en over grotere afstanden worden getransporteerd. In geen van de gevallen is het als een laagje aangetroffen. Indien houtskool als laagje in het veen wordt aangetroffen, kan het ook wijzen op bewust afbranden van de vegetatie door de mens. In dit geval wordt de houtskool geïnterpreteerd als natuurlijk. In het noorden van het plangebied is de top van het veen (licht) veraard en zijn in enkele boringen kleibrokjes aangetroffen. Kleibrokjes kunnen als gevolg van bioturbatie in het veen terecht zijn gekomen, maar het kan ook eventueel door menselijk handelen, bijvoorbeeld akkerbouw, veroorzaakt zijn.

44

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

4 Conclusies en aanbevelingen

4.1 Conclusies Geo(morfo)logie In hoofdlijnen komt het algemene beeld overeen met de resultaten van het geologische bureauonderzoek van Kluiving & Van Suijlekom (2008). In het plangebied zijn geen rivierduinen (donken) in de ondergrond aangetroffen. Het komgebied wordt wel doorsneden door stroomgordels, crevasses en veenstroompjes op verschillende niveaus. De ligging komt in horizontale zin grotendeels overeen met de verwachting op basis van het geologische bureauonderzoek. In verticale zin blijken de verwachte crevasses (Schaik stroomgordel) niet binnen 2 m -Mv aanwezig te zijn, maar er bevindt zich een dieper gelegen systeem binnen 5 m -Mv. Dit komt overeen met de Gorkum-Arkel stroomgordel en de bijbehorende geulen.

Archeologie In het bebouwde deel van het plangebied staan op de kadastrale minuut enkele huisplaatsen afgebeeld. Deze gaan mogelijk terug tot in de Late Middeleeuwen. De huidige verkaveling gaat bijna in zijn geheel terug tot in begin van de 19e eeuw en waarschijnlijk tot in de Late Middeleeuwen. Tijdens veldonderzoek is geen verhoging in het landschap ter hoogte van ARCHIS-waarnemingsnummer 408388 waargenomen en omliggende boringen (tevens gezet binnen de voormalige begrenzing van het monument) hebben geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische resten. Op de exacte locatie van de ARCHIS-waarnemingsnummer 36693 zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een terp en ter hoogte van ARCHISwaarnemingsnummer 36694 is de bodem afgegraven en volgestort met materiaal van elders. Indien de huisterpen al aanwezig zijn, dan liggen deze zeer waarschijnlijk respectievelijk ter hoogte van Haarweg 10 en Haarweg 7. Tijdens het karterend booronderzoek zijn binnen de onderzochte delen geen aanwijzingen voor archeologische resten (bijvoorbeeld nederzettingsterreinen) aangetroffen op/in de afzettingen behorende tot de Spijk stroomgordel, behalve een bouwvoor die duidelijk teruggaat tot in de Nieuwe tijd. Verspreid over de afzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel en bijbehorende geulen is alleen houtskool aangetroffen.

Er zijn geen duidelijke clusters aangetroffen met houtskool en andere indicatoren ontbreken. Het lijkt aannemelijk dat het natuurlijk houtskool betreft; mogelijk is het houtskool onder invloed van de wind of stromend water afkomstig uit de omgeving. Alleen op twee locaties bevinden zich 3 boringen bij elkaar waar grotere fragmenten houtskool (ca. 0,5 cm) zijn aangetroffen in de top van dit systeem (oeverafzettingen). Houtskool betreft een mogelijk-antropogeen object (Tol, e.a., 2004). De aanwezigheid hiervan kan echter ook een natuurlijke oorsprong hebben. Argumenten voor een antropogene oorsprong

45

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

van houtskool zijn concentratie van materiaal en het in samenhang voorkomen met antropogene objecten (zoals aardewerk) en/of grondsporen. Omdat tijdens de karterende fase vaak geen antropogene objecten of grondsporen worden aangetroffen, zijn we in de praktijk sterk afhankelijk van houtskool, waarvan de antropogene oorsprong niet direct kan worden bewezen. Er is dan per definitie geen sprake van een archeologische site. Er kan echter wel een sterk vermoeden bestaan, dat vervolgens alleen getoetst kan worden door een waarderend onderzoek uit te voeren. In dit geval is het dan raadzaam om een waarderend onderzoek uit te voeren, hoewel tijdens de karterende fase geen antropogene objecten zijn aangetroffen (Tol, e.a., 2004). In het komgebied zijn verspreid door het plangebied in het (kleiige) rietveen fragmenten houtskool aangetroffen. Het lijkt aannemelijk dat het natuurlijk houtskool betreft; mogelijk is het houtskool onder invloed van de wind of stromend water afkomstig uit de wijdere omgeving. Gezien de grote hoeveelheid kom-ontwateringsgeulen die het gebied rijk is, zal het komgebied geschikt zijn geweest voor bijvoorbeeld jacht (voedselvoorziening) en hakhout. De resten die hiervan eventueel in de bodem zijn achtergebleven zijn niet op te sporen door middel van het uitgevoerde archeologische booronderzoek.

Onderzoeksvragen In het PvE zijn een aantal vragen geformuleerd. Hieronder volgt de beantwoording van deze vragen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat sommige vragen dusdanig specifiek zijn dat het te ver voert om op deze plek een volledig antwoord te geven. In die gevallen wordt verwezen naar de betreffende paragrafen in het rapport. Beantwoording van de onderzoeksvragen: - Hoe is de geo(morfo)logische opbouw van het plangebied? Wat is de begrenzing, omvang en diepteligging van de in het plangebied aanwezige stroomgordels en crevasseafzettingen? Wat is de datering ervan? Komt dit overeen met de verwachtingen in het geologische bureauonderzoek? De verspreiding in horizontale zin van de aanwezige stroomgordels komt grotendeels overeen met de resultaten van het geologische bureauonderzoek. De stroomgordel Spijk buigt alleen af voor de A27 en loopt niet rechtdoor. De uitstulpingen naar het noorden toe (figuur 2), die afgeleid zijn van het AHN, hangen samen met kunstmatige ophogingen. In de noordwesthoek van het plangebied is een kleine crevasse aangetroffen. De verwachte crevasseafzettingen van de Schaik stroomgordel zijn niet aangetroffen. Op deze locaties is een dieper gelegen systeem aangetroffen: het zandniveau behorende tot de Gorkum-Arkel systeem.

- Zijn er donken in het plangebied aanwezig? Komen hierop archeologische resten voor? In het plangebied zijn geen (dagzomende) rivierduinen aangetroffen. - Is de bodemopbouw intact of is er sprake van (grootschalige) verstoringen? Zo ja, waar? De bodemopbouw is overwegend intact. Er zijn geen grootschalige (diepe) bodemverstoringen aangetroffen. Alleen ten zuiden van de Haarweg ter hoogte van de Hoogbloklandseweg is de bodem tot in of direct onder de bouwvoor verstoord. Dit is het gevolg van het vroegere circuit,

46

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

dat ten behoeve van de aanleg van de Betuwe-route is afgebroken. Deze is nog zichtbaar op de topografie van bijlagen 1, 3 en 4 uit de publicatie van Van der Roest (2007). Verder is de bodem midden op het terrein van de groenvoorziening (zuidoostelijke hoek van het plangebied, verstoord tot direct onder de oorspronkelijke bouwvoor. - Komen er archeologische vindplaatsen voor in het plangebied? Zo ja, wat is de aard en datering ervan? In het plangebied zijn geen vindplaatsen aangetroffen. Wel is in het plangebied in de afzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel houtskool aangetroffen rond 4 m -Mv. In het noordwestelijke deel van het plangebied bevinden zich drie boringen geclusterd met meerdere (grotere) fragmenten houtskool. Overige indicatoren zijn niet aangetroffen. Het is onduidelijk of het houtskool door water is meegevoerd of dat het duidt op archeologische resten. Verder wijzen de resultaten van het onderzoek erop dat het landgebruik ten zuiden van de Haarweg in ieder geval teruggaat tot in de Nieuwe tijd.

- In hoeveel niveaus zijn grondsporen aanwezig en wat is de diepteligging? Niet van toepassing - Wat is de omvang en locatie van de archeologische vindplaatsen? Waar ligt de begrenzing? Niet van toepassing - Hoe is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen vindplaatsen? Niet van toepassing - Hoe is de samenhang van de vindplaatsen met de landschappelijke ligging en wat is hun stratigrafische positie? Niet van toepassing - Moeten de verwachtingskaarten (CHS/IKAW) voor dit gebied of de omgeving worden aangepast? Waar moet een hoge, redelijke of lage verwachting gelden? Met betrekking tot de Spijk stroomgordel dient alleen de ligging ter hoogte van A27 aangepast te worden op de verwachtingskaart van BAAC. De ligging volgens de CHS kan hiervoor als leidend worden beschouwd. De IKAW en de CHS maken geen onderscheid tussen de Schaik - en Gorkum-Arkel stroomgordel, maar de verwachtingskaart van BAAC wel. Met betrekking tot de Schaik stroomgordel is alleen een kleine crevasse in de noordwesthoek van het plangebied aangetroffen. De overige structuren behoren tot de Gorkum-Arkel stroomgordel dat zich niet goed laat afbakenen in het plangebied. De structuren die zichtbaar zijn op het AHN, zijn vermoedelijk de grootste of zandigste geulen geweest. Daarbuiten is echter op veel plaatsen de top van het systeem net binnen 5 m -Mv aangetroffen.

Daarmee geldt eigenlijk voor bijna het hele gebied een middelhoge verwachting. - Welke locaties komen in aanmerking voor waarderend onderzoek? De locatie HK1 zou eventueel voor vervolgonderzoek in aanmerking kunnen komen. Aangezien

47

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

weinig bekend is van de Gorkum-Arkel stroomgordel en toch in drie aaneengesloten boringen (grotere) fragmenten houtskool zijn aangetroffen, kan dit gezien worden als de meest kansrijke locatie voor de aanwezigheid van archeologische resten. - (na waarderend onderzoek) Wat is de waarde van de aangetroffen vindplaatsen? Waarderend onderzoek moet nog uitgevoerd worden.

4.2 Aanbevelingen Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het plangebied in het kader van de bodemingrepen het volgende aanbevolen (kaartbijlage 3):

ARCHIS-waarnemingsnummer 408388 Aangezien het onderzoek geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, wordt voor deze locatie geen vervolgonderzoek aanbevolen.

ARCHIS-waarnemingsnummers 36693 en 36694 Op de exacte locatie van de ARCHIS-waarnemingsnummers 36693 en 36694 wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Indien de huisterpen al aanwezig zijn, dan liggen deze zeer waarschijnlijk ter hoogte van Haarweg 10 en Haarweg 7.

Haarweg - ontginningsas Voor de locaties Haarweg 7 en Haarweg 10, alsmede voor de locaties waar bebouwing op de kadastrale minuut staat afgebeeld, wordt aanbevolen, indien bodemingrepen gaan plaatsvinden, om een archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van zoeksleuven. Indien dit vanwege bijvoorbeeld nog aanwezige bebouwing niet goed uitvoerbaar is, dient een booronderzoek uitgevoerd te worden. Verder dient de aanbeveling om de bebouwing op Haarweg nummer 10 te behouden (figuur 7). Indien de bestaande bebouwing gesloopt wordt voor aanvang van het archeologisch onderzoek, dan verdient het de aanbeveling te slopen tot aan het maaiveld totdat de gemeente een selectiebesluit heeft kunnen nemen op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Hierbij dient opgemerkt te worden dat mogelijk enkele huizen uit de 19e eeuw wellicht eerst bouwhistorisch onderzocht dienen te worden om te bepalen of ze behouden dienen te worden als gebouwd monument (bijvoorbeeld de bebouwing afgebeeld op figuren 6, 8 en 9).

Cultuurhistorisch landschap Het plangebied omvat een cultuurhistorisch waardevol landschap (zie ook CHS; figuren 4, 12 t/m 15). De huidige verkaveling gaat bijna in zijn geheel terug tot in begin van de 19e eeuw en waarschijnlijk tot in de Late Middeleeuwen. Het verdient de aanbeveling om een deel van dit landschap of wel binnen dan wel buiten het plangebied te behouden. Indien het binnen de nieuwe inrichting van het plangebied mogelijk is, zou men de huidige verkaveling, ligging van wegen en hoofdsloten

48

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

zoveel mogelijk terug kunnen laten komen in de nieuwe indeling. Hiermee blijft een link naar de oude verkaveling enigszins behouden.

Spijk stroomgordel Voor de nog niet onderzochte (bebouwde) delen van de Spijk stroomgordel geldt dat hier nog wel archeologische resten verwacht kunnen worden. Met name het gronddepot en de grasvelden van het dierenasiel zijn kansrijk. Indien hier ingrepen gaan plaatsvinden dient hier een karterend booronderzoek plaats te vinden. Op de stroomgordel en de overgangszone naar de kom kunnen archeologische resten worden verwacht. Op de archeologische verwachtingskaart is deze zone als 100 m brede buffer rondom de Spijk stroomgordel weergegeven. Alle vindplaatsen uit de Late IJzertijd zullen zich binnen 1,5 m -Mv bevinden. Als de Spijk stroomgordel niet langer actief is en geheel verland is, wordt deze in zijn geheel bewoonbaar. De vindplaatsen vanaf de Romeinse tijd bevinden zich dan ook direct aan of onder het oppervlak. In de reeds bebouwde delen zijn deze vindplaatsen zeer waarschijnlijk al verstoord. Dieper ingegraven grondsporen kunnen eventueel nog aanwezig zijn. De vindplaatsen ten tijde van de actieve periode van de Spijk stroomgordel kunnen zich dieper in de bodem bevinden en afhankelijk van de verstoringsdiepte van de bebouwing nog (deels) intact zijn.

Gorkum-Arkel stroomgordel Voor de Gorkum-Arkel stroomgordel wordt aanbevolen om eerst op locatie HK1 een waarderend booronderzoek uit te voeren. Aangezien weinig bekend is van de Gorkum-Arkel stroomgordel en toch in drie aaneengesloten boringen (grotere) fragmenten houtskool zijn aangetroffen, kan dit gezien worden als de meest kansrijke locatie voor de aanwezigheid van archeologische resten. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek kan eventueel ook op HK2 waarderend onderzoek worden uitgevoerd of het kan leiden tot het advies om verder geen vervolgonderzoek uit te voeren. Voor deze zone wordt voor bodemingrepen tot 2 m -Mv geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Bij het gebruik van heipalen wordt verwezen naar de richtlijnen van de archeologische beleidsadvieskaart (Boshoven, e.a., 2009)

Overig deel van het plangebied Voor overige delen van het plangebied gelden geen restricties met betrekking tot de archeologie. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Na beoordeling van de bevindingen van onderhavig onderzoek zal het bevoegd gezag (gemeente Gorinchem; gemeentelijk archeoloog: drs. P. Floore) een selectiebesluit nemen.

49

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

50

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Literatuur ANWb, 2004. Topografische atlas Zuid-Holland, schaal 1:25.000. ANWB bv, Den Haag. Berendsen, H.J.A., 2004a. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorkum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2004b. Landschappelijk Nederland. Van Gorkum, Assen. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001. Palaeogeographic development of the Rhine- Meuse Delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Boshoven, E.H., e.a., 2009. Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden: een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. BAAC rapport V-08.0185. BAAC, ‘s-Hertogenbosch. Deeben, J.H.C. (red.), 2008. De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), derde generatie (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 155). Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort (info: www.cultureelerfgoed.nl). Jansen, B. & D.H. de Jager, 2000. Plangebied Laag-Dalem, gemeente Gorinchem; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI). RAAP-rapport 603. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Jansen, B. & E. van der Laan, 2009. Plangebied Rijnenburg, gemeente Utrecht; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-rapport 1867. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Kluiving, S.J. & J.J. van Suijlekom, 2008. Geologisch bureauonderzoek, plangebied GorkumNoord (gemeente Gorinchem). GEO-LOGICAL, Delft. Louwe Kooijmans, L., e.a.

(redactie), 2001. Hardinxveld-Giessendam Polderweg. Een Mesolithisch jachtkamp in het rivierengebied (5500-500 v. Chr.). Rapportage Archeologische Monumenenzorg 83. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ROBAS Producties, 1989. Historische atlas Zuid-Holland: chromotopografische kaart des rijks, schaal 1:25.000. (Facsimile uitgave van historische kaarten) ROBAS Producties, Den Ilp. Roest, J. van der, 2007. Archeologisch onderzoek Bedrijventerrein Gorinchem-Noord, bureauonderzoek, concept. Grontmij Archeologische Rapporten 60. Grontmij, Houten. Smit, B.I. & J.W. de Kort, 2001. Plangebied Laag-Dalem, gemeente Gorinchem; archeologisch onderzoek t.b.v. inrichtingsadvies ‘Dalemse Donk’. RAAP-Rapport 749. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Tol, A., P. Verhagen, A. Borsboom & M. Verbruggen, 2004. Prospectief boren; een studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheologie. RAAPRapport 1000. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Verbraeck, A., 1970. Toelichting bij de geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000. Blad Gorinchem Oost (38 O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Verbruggen, M., 1992. Geoarchaeological prospection of the Rommertsdonk. Analecta Praehistorica Leidensia 25: 117-128. Vos, S. de., 2006.

Gorinchem (ZH), Haarweg 23. Archeologisch vooronderzoek. Rapportnummer 2006/97. BILAN, Tilburg.

51

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990. Grote historische atlas van Nederland, schaal 1:50.000; Deel 1: West-Nederland 1839-1859. (Facsimile uitgave van historische kaarten) Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, Groningen.

Gebruikte afkortingen AHN

Actueel Hoogtebestand Nederland

AMK

Archeologische MonumentenKaart

ARCHIS

ARCHeologisch Informatie Systeem

BP

Before Present; staat gelijk aan het jaar 1950

CHS

Cultuurhistorische HoofdStructuur

DINO

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond

IKAW

Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden

KICH

KennisInfrastructuur CultuurHistorie

KNA

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie

-Mv

beneden maaiveld

NAP

Normaal Amsterdams Peil

OAT

Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel

PvE

Programma van Eisen

SIKB

Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer

52

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Verklarende woordenlijst afzetting Neerslag of bezinking van materiaal anastomoserende rivier (vlechtende) rivier die bestaat uit een stelsel van meerdere ondiepe waterlopen die zich herhaaldelijk splitsen en samenvoegen. Deze term wordt gebruikt naast o.a. meanderende rivieren (zie aldaar). coarsening upwards Het naar boven toe toenemen van de korrelgrootte van het sediment; bijvoorbeeld van klei naar boven toe overgaand naar zand crevasse Doorbraakgeul door een oeverwal. detritus gyttja Fijn organisch bezinksel in stilstaand, relatief diep water (meren). eolisch Door wind gevormd, afgezet. fining upwards Het naar boven toe afnemen van de korrelgrootte van het sediment; bijvoorbeeld van zand naar boven toe overgaand naar klei fluviatiel Door rivieren gevormd, afgezet. Formatie Een sedimentpakket dat qua herkomst en lithologische samenstelling een eenheid vormt. genese Wording, ontstaan. gyttja Organische meerafzetting (zie detritus-gyttja). Holoceen Jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste IJstijd: ca. 8800 jaar voor Chr. tot heden). inklinking daling van het maaiveld onder invloed van het eigen gewicht; veelal het gevolg van ontwatering/verlaging grondwaterstand. kom Laag gebied waar na overstroming van een rivier vaak water blijft staan en klei kan bezinken. Knuppelpaden Paden aangelegd door een moerasachtig terrein, gemaakt van dwars op de wegrichting liggende palen.

Ze worden ook wel knuppelwegen of veenwegen genoemd. meanderende rivier Een kronkelende rivier met min of meer lusvormige bochten.

53

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

paleogeografie Wetenschap die de verdeling van continenten, oceanen, gebergtesystemen, geosynclines, enz. in elke geologische periode van de geschiedenis der aarde behandelt. Pleistoceen Geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud. Na de laatste IJstijd begint het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.). Prehistorie Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. stratigrafie Opeenvolging van lagen. Saalien Geologische periode (voorlaatste ijstijd, waarin het landijs tot in Nederland door drong), ca. 200.000-130.000 jaar geleden. stroomgordel Het geheel van rivieroeverwal-, rivierbedding- en kronkelwaardafzettingen, al dan niet met restgeul(en). Weichselien Geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte), ca. 120.00010.000 jaar geleden.

54

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen Figuren Figuur 1. Ligging van het plangebied (zwarte lijn) op de CHS van de provincie Zuid-Holland (lichtgroen: kom; donkergroen: stroomgordels; geel: rivierduinen; lichtbruin: historische dorps- of stadskern) geprojecteerd op een luchtfoto (bron: www.google-earth.nl); inzet: ligging in Nederland (ster). Figuur 2. Plangebied met ligging van de stroomgordels volgens Berendsen & Stouthamer (2001; boven) en met de geologische ondergrond volgens Kluiving & Van Suijlekom (2008; onder) op een luchtfoto (bron: www.google-earth.nl). Figuur 3. Resultaten bureauonderzoek. Figuur 4. Foto genomen vanuit het westen richting de Hoogbloklandseweg met bomen en begroeiing bij de perceelsopgang. Figuur 5. Foto genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing van Haarweg 7. Figuur 6. Foto genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing van Haarweg 19. Figuur 7. Foto’s genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing van Haarweg 10. Figuur 8. Foto genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing op de hoek Haarweg/ Grote Haarsekade. Figuur 9. Foto genomen vanaf de Haarweg met de huidige bebouwing op de hoek Haarweg/ Kleine Haarsekade. Figuur 10. Foto genomen vanaf de Haarweg met Grote Haarsekade (rechts) en Kleine Haarsekade (links). In het midden de ligging van de voormalige vliet. Figuur 11.

Foto genomen vanuit het zuiden met de huidige situatie (winter 2010) direct ten oosten van de Mollenburgseweg en ten noorden van de Betuwe-route in het plangebied. Figuur 12. Foto genomen richting het oosten van de boomgaard gelegen ten noorden van de Haarweg direct ten westen van de Vlietskade. Figuur 13. Impressie van het centrale deel van het plangebied (ten noorden en oosten van de Hoogbloklandseweg); foto genomen vanuit het oosten richting de Hoogbloklandseweg. Figuur 14. Impressie van het veldonderzoek direct ten oosten van de A27 (o.a. inmeten van de boringen met GPS). Foto is genomen vanuit het noorden. Figuur 15. Impressie van het zuidelijk deel van het plangebied (ten zuiden van de Haarweg en ten westen van de Mollenburgseweg) ter hoogte van de Spijk stroomgordel. Foto is genomen vanuit het zuiden richting de Haarweg. Figuur 16. Interpolatie van de top van het beddingzand in meters t.o.v. NAP geprojecteerd op de ligging van de stroomgordels volgens Kluiving & Van Suijlekom (2008).

Tabellen Tabel 1.

Geologisch en archeologische tijdschaal.

Tabel 2.

Ouderdom van de stroomgordels in jaren Before Present (BP) en in archeologische perioden.

55

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

(Kaart)bijlagen Bijlage 1. Boorbeschrijvingen (cd-rom). Kaartbijlage 1. Resultaten veldonderzoek: geo(morfo)logische kaart van het plangebied. Kaartbijlage 2. Resultaten veldonderzoek: boorprofielen. Kaartbijlage 3. Resultaten veldonderzoek: archeologie en aanbevelingen.

56

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Bijlage 1. Boorbeschrijvingen De boorbeschrijvingen staan op de bijgeleverde cd-rom.

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=28933e76-b442-42b1-8c47-d747c393a08c