CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek

Parallelsessie raadzaal 13 februari 2025, gemeente GorinchemBij agendapunt: I&O/B&A Vaststellen bestemmingsplan Haarweg/Hoogbloklandseweg in Gorinchem15.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAAP-RAPPORT 2114

Plangebied Gorinchem-Noord Gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

drs. S. de Kruif

RAAP Archeologisch Adviesbureau BV, 2010

Colofon Opdrachtgever: Gemeente Gorinchem Titel: Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem; archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase) Status: eindversie Datum: 4 november 2010 Auteur: drs. S. de Kruif Projectcode: GOND Bestandsnaam: RA2114 _GOND Projectleider: drs. S. de Kruif Projectmedewerker: drs. K. Wink, E. Lyklema MA, drs. C. Coppens, drs. J.H.M. van Eijk & J. Sprangers Msc ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer/CIS-code: 36840 Bewaarplaats documentatie: RAAP West-Nederland Autorisatie: dr. B.I. Smit

ISSN: 0925-6229

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b 1382 LV Weesp Postbus 5069 1380 GB Weesp

telefoon: 0294-491 500 telefax: 0294-491 519 E-mail: raap@raap.nl

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2010 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Samenvatting In opdracht van de gemeente Gorinchem heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in het najaar van 2009 en in de winter van 2010 een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met het opstellen van het bestemmingsplan Gorinchem-Noord in de gemeente Gorinchem. Doel van dit onderzoek was allereerst het middels bureauonderzoek verwerven van informatie over bekende en te verwachten archeologisch relevante geo(morfo)logische afzettingen en archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Het doel van het veldonderzoek was vervolgens die verwachting te toetsen en, voor zover mogelijk, een eerste indruk te geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische vindplaatsen. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen in het plangebied is vervolgens een advies met betrekking tot archeologisch vervolgonderzoek geformuleerd. In hoofdlijnen komt het algemene beeld van de resultaten van het booronderzoek overeen met de resultaten van het geologisch bureauonderzoek van Kluiving & Van Suijlekom (2008). In het plangebied zijn geen rivierduinen (donken) in de ondergrond aangetroffen. Het komgebied wordt wel doorsneden door stroomgordels, crevasses en veenstroompjes op verschillende niveaus.

De ligging komt in horizontale zin grotendeels overeen met de verwachting op basis van het geologisch bureauonderzoek. In verticale zin blijken de verwachte crevasses (Schaik stroomgordel) niet binnen 2 m beneden maaiveld aanwezig te zijn. Wel bevindt zich een dieper gelegen systeem binnen 5 m beneden maaiveld. Dit komt overeen met de Gorkum-Arkel stroomgordel en bijbehorende geulen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het plangebied in het kader van de bodemingrepen het volgende aanbevolen:

Haarweg - ontginningsas Voor de locaties Haarweg 7 en Haarweg 10, evenals voor de locaties waar bebouwing op de kadastrale minuut staat afgebeeld, wordt aanbevolen, indien bodemingrepen gaan plaats vinden, om een archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van zoeksleuven. Indien dit vanwege bijvoorbeeld nog aanwezige bebouwing niet goed uitvoerbaar is, dient een booronderzoek uitgevoerd te worden. Verder wordt aanbevolen om de bebouwing op Haarweg nummer 10 te behouden (figuur 7). Indien de bestaande bebouwing gesloopt wordt voor aanvang van het archeologisch onderzoek, verdient het de aanbeveling te slopen tot aan het maaiveld totdat de gemeente een selectiebesluit heeft kunnen nemen op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Hierbij dient opgemerkt te worden dat mogelijk enkele huizen uit de 19e eeuw wellicht eerst bouwhistorisch onderzocht dienen te worden om te bepalen of ze behouden moeten worden als gebouwd monument (bijvoorbeeld de bebouwing afgebeeld op figuren 6, 8 en 9).

5

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Cultuurhistorisch landschap Het plangebied omvat een cultuurhistorisch waardevol landschap (zie ook CHS; figuren 4, 12 t/m 15). De huidige verkaveling gaat bijna in zijn geheel terug tot in begin van de 19e eeuw en waarschijnlijk tot in de Late Middeleeuwen. Het verdient de aanbeveling om een deel van dit landschap of wel binnen dan wel buiten het plangebied te behouden. Indien het binnen de nieuwe inrichting van het plangebied mogelijk is, zou men de huidige verkaveling, ligging van wegen en hoofdsloten zoveel mogelijk terug kunnen laten komen in de nieuwe indeling. Hiermee blijft een link naar de oude verkaveling enigszins behouden.

Spijk stroomgordel Op de stroomgordel en de overgangszone naar de kom kunnen archeologische resten worden verwacht. Op de archeologische verwachtingskaart is deze zone als 100 m brede buffer rondom de Spijk stroomgordel weergegeven. Alle vindplaatsen uit de Late IJzertijd zullen zich binnen 1,5 m -Mv bevinden. Als de Spijk stroomgordel niet langer actief is en geheel verland is, wordt deze in zijn geheel bewoonbaar. De vindplaatsen vanaf de Romeinse tijd bevinden zich dan ook direct aan of onder het oppervlak. In de bebouwde delen zijn deze vindplaatsen zeer waarschijnlijk al verstoord. Dieper ingegraven grondsporen kunnen eventueel nog aanwezig zijn. De vindplaatsen ten tijde van de actieve periode van de Spijk stroomgordel kunnen zich dieper in de bodem bevinden en afhankelijk van de verstoringsdiepte van de bebouwing nog (deels) intact zijn. Tijdens het karterend booronderzoek zijn binnen de onderzochte delen geen aanwijzingen voor archeologische resten (bijvoorbeeld nederzettingsterreinen) aangetroffen op/in de afzettingen behorende tot de Spijk stroomgordel, behalve een bouwvoor die duidelijk teruggaat tot in de Nieuwe tijd. Voor de nog niet onderzochte (bebouwde) delen van de Spijk stroomgordel geldt dat hier nog wel archeologische resten verwacht kunnen worden. Met name het gronddepot en de grasvelden van het dierenasiel zijn kansrijk.

Indien hier ingrepen gaan plaatsvinden, dient hier een karterend booronderzoek plaats te vinden.

Gorkum-Arkel stroomgordel Verspreid over de afzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel en bijbehorende geulen, is alleen houtskool aangetroffen. Er zijn geen duidelijke clusters aangetroffen met houtskool en andere indicatoren ontbreken. Het lijkt aannemelijk dat het natuurlijk houtskool betreft; mogelijk is het houtskool onder invloed van de wind of stromend water afkomstig uit de omgeving. Alleen op twee locaties bevinden zich 3 boringen bij elkaar waar grotere fragmenten houtskool (ca. 0,5 cm) zijn aangetroffen in de top van dit systeem (oeverafzettingen). Voor de Gorkum-Arkel stroomgordel wordt aanbevolen om eerst op locatie HK1 een waarderend booronderzoek uit te voeren. Aangezien weinig bekend is van de Gorkum-Arkel stroomgordel en toch in drie aaneengesloten boringen (grotere) fragmenten houtskool zijn aangetroffen, kan dit gezien worden als de meest kansrijke locatie voor de aanwezigheid van archeologische resten. Voor deze zone wordt voor bodemingrepen tot 2 m -Mv geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Bij het gebruik van heipalen wordt verwezen naar de richtlijnen van de archeologische beleidsadvieskaart (Boshoven, e.a., 2009).

6

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Overig deel van het plangebied Voor overige delen van het plangebied gelden geen restricties met betrekking tot de archeologie. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Na beoordeling van de bevindingen van onderhavig onderzoek zal het bevoegd gezag (gemeente Gorinchem; gemeentelijk archeoloog: drs. P. Floore) een selectiebesluit nemen.

7

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

8

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Inhoud

Samenvatting ........................................................................................................................................ 5 1 Inleiding .......................................................................................................................................... 11 1.1 Kader en doelstelling ...................................................................................................................... 11 1.2 Administratieve gegevens ............................................................................................................... 13 1.3 Toekomstige situatie ....................................................................................................................... 13 1.4 Onderzoeksopzet en richtlijnen ....................................................................................................... 13

2 Bureauonderzoek ........................................................................................................................ 15 2.1 Methoden ....................................................................................................................................... 15 2.2 Resultaten ...................................................................................................................................... 16 2.3 Gespecificeerde archeologische verwachting .................................................................................. 26

3 Veldonderzoek .............................................................................................................................. 29 3.1 Methoden ....................................................................................................................................... 29 3.2 Resultaten ...................................................................................................................................... 34

4 Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................ 45 4.1 Conclusies ..................................................................................................................................... 45 4.2 Aanbevelingen ................................................................................................................................ 48

Literatuur .............................................................................................................................................. 51 Gebruikte afkortingen ..................................................................................................................... 52 Verklarende woordenlijst ............................................................................................................... 53 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ............................................................................ 55 Bijlage 1. Boorbeschrijvingen (cd-rom)

9

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

10

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

1 Inleiding

1.1 Kader en doelstelling In opdracht van de gemeente Gorinchem heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in het najaar van 2009 en in de winter van 2010 een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met het opstellen van het bestemmingsplan Gorinchem-Noord in de gemeente Gorinchem. Dit onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologisch relevante geo(morfo)logische afzettingen en archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Doel van het veldonderzoek was het toetsen van die gespecificeerde archeologische verwachting en, indien mogelijk, een eerste indruk geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische resten.

Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen (Van Rooijen & Floore, 2009): - Hoe is de geo(morfo)logische opbouw van het plangebied? Wat is de begrenzing, omvang en diepteligging van de in het plangebied aanwezige stroomgordels en crevasseafzettingen? Wat is de datering ervan? Komt dit overeen met de verwachtingen in het geologische bureauonderzoek? - Zijn er donken in het plangebied aanwezig? Komen hierop archeologische resten voor? - Is de bodemopbouw intact of is er sprake van (grootschalige) verstoringen? Zo ja, waar? - Komen er archeologische vindplaatsen voor in het plangebied? Zo ja, wat is de aard en datering ervan? - In hoeveel niveaus zijn grondsporen aanwezig en wat is de diepteligging? - Wat is de omvang en locatie van de archeologische vindplaatsen? Waar ligt de begrenzing? - Hoe is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen vindplaatsen? - Hoe is de samenhang van de vindplaatsen met de landschappelijke ligging en wat is hun stratigrafische positie? - Moeten de verwachtingskaarten (CHS/IKAW) voor dit gebied of de omgeving worden aangepast? Waar moet een hoge, redelijke of lage verwachting gelden? - Welke locaties komen in aanmerking voor waarderend onderzoek? - (na waarderend onderzoek) wat is de waarde van de aangetroffen vindplaatsen? Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen is vervolgens

in hoofdstuk 4 een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel archeologisch vervolgonderzoek.

11

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)





 

 





    

                





  





12





 



 

 

   



  

     

 



   Figuur 1. Ligging van het plangebied (zwarte lijn) op de CHS van de provincie Zuid-Holland (lichtgroen: kom; donkergroen: stroomgordels; geel: rivierduinen; lichtbruin: historische dorps- of stadskern) geprojecteerd op een luchtfoto (bron: www.google-earth.nl); inzet: ligging in Nederland (ster).

Figuur 1. Ligging van het plangebied (zwarte lijn) op de CHS van de provincie Zuid-Holland (lichtgroen: kom; donkergroen: stroomgordels; geel: rivierduinen; lichtbruin: historische dorps- of stadskern) geprojecteerd op een luchtfoto (bron: www.google-earth.nl); inzet: ligging in Nederland.







RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

1.2 Administratieve gegevens Het plangebied ligt ten noorden van de Betuwe-route en Rijksweg A15 (figuur 1). In het westen wordt het plangebied begrensd door de Rijksweg A27 en in het oosten door de spoorlijn Gorinchem -Geldermalsen en het Merwedekanaal. Het gebied staat afgebeeld op kaartblad 38G van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 155 ha (figuur 1). Bestaande bebouwing en oppervlakteverharding, infrastructuur en de begraafplaats maken geen deel uit van het plangebied en zijn derhalve niet onderzocht. Dit bebouwde gebied ligt langs de Haarweg en het grootste deel ligt voornamelijk ingeklemd tussen de Haarweg, Mollenburgseweg, het Merwedekanaal en de Betuwe-route. Dit deel van het plangebied is in overleg met het bevoegd gezag beperkt onderzocht om inzicht te krijgen in de bodemopbouw. Gemeente: Gorinchem Plaats: Gorinchem Plangebied: Plangebied Gorinchem-Noord Coördinaten: Noordwest: 125.300 / 429.920, Noordoost: 127.020 / 429.390, Zuidwest: 125.050 / 429.040, Zuidoost: 126.870 / 428.780 ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 36840

1.3 Toekomstige situatie De gemeente Gorinchem bereidt momenteel het bestemmingsplan Gorinchem-Noord voor. De planologische regelingen worden op basis van dit onderzoek geactualiseerd in bestaand gebied. Daarnaast is in het bestemmingsplan een bedrijventerrein en treinstation opgenomen. In de naaste toekomst zal het lint (bebouwde deel) worden verstrekt door enkele woningen met bedrijven aan huis. De uitvoering van de plannen zal leiden tot verstoring van de bodem. De exacte ligging en diepte van de voorgenomen bodemingrepen zijn momenteel nog niet bekend.

1.4 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het onderzoek bestond uit een aanvullend bureauonderzoek en een veldonderzoek. Het veldonderzoek bestond uit een karterend booronderzoek. Het onderzoek in het zuidoostelijk deel van het bebouwde gebied kan gezien de omvang van het boorgrid worden beschouwd als een verkennend booronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg) en volgens het goedgekeurde Programma van Eisen (PvE; Van Rooijen & Floore, 2009). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. RAAP beschikt over een opgravingsvergunning, verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden. Achter in dit rapport is een lijst met gebruikte afkortingen opgenomen en worden enkele vaktermen beschreven (zie verklarende woordenlijst).

13

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Geologische perioden Tijdvak

Chronozone

Archeologische perioden Datering

Datering

Tijdperk

Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C) Laat Subatlanticum

Nieuwe tijd

B

- 1650

A

- 1500

Laat - 1150 na Chr.

Vol

Merovingisch laat

Laat

Romeinse tijd

Holoceen

Karolingisch Merovingisch vroeg

Vroeg Subatlanticum

Midden Vroeg

-0

Laat

IJzertijd

- 450 voor Chr.

Midden Vroeg Laat

Bronstijd

Subboreaal

Midden Vroeg Laat

Neolithicum

- 3700

(Nieuwe Steentijd)

Laat Glaciaal

Preboreaal Late Dryas Allerød Vroege Dryas Bølling Laat Midden

Denekamp

Mesolithicum

- 8700

(M idden Steentijd)

Midden Vroeg

- 9700

- 900 - 725 - 525 - 450 - 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000 - 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700

- 11.050 - 11.500

Laat

- 12.000

- 12.500

Jong B

- 12.500 - 13.500 - 30.500

- 16.000

Jong A - 35.000

Hengelo - 60.000

Vroeg

Weichselien Pleniglaciaal

Vroegste Dryas

Laat

- 7300

Prehistorie

Boreaal

Moershoofd

Paleolithicum - 71.000

Vroeg Glaciaal

Pleistoceen

Midden Vroeg

Atlanticum

- 1250 - 1050

Ottoons Vroeg

Middeleeuwen

- 1795

(O ude Steentijd)

Odderade Midden Brørup - 114.000

Eemien Saalien II Oostermeer Saalien I Belvedère/Holsteinien Glaciaal x Holsteinien

- 126.000 - 236.000 - 241.000

- 250.000

- 322.000 - 336.000

Oud

- 384.000 - 416.000

Elsterien 463.000

tabel1_standaard_GeoBioArcheo_RAAP_2010

Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.

14

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

2 Bureauonderzoek

2.1 Methoden Het bureauonderzoek is uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Daartoe zijn reeds bekende archeologische en aardkundige gegevens verzameld en is het grondgebruik in het plangebied in het heden en verleden geïnventariseerd. In 2003 is door Grontmij een bureauonderzoek uitgevoerd. In 2006 is een revisie hiervan uitgevoerd (Van der Roest, 2007). Door Geo-Logical is vervolgens in 2008 een geologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Kluiving & Van Suijlekom, 2008). De resultaten hiervan zijn verwerkt in onderstaand bureauonderzoek. Het bureauonderzoek heeft betrekking op het gehele plangebied. Ten tijde van de uitvoer van het veldonderzoek is een archeologische waarden- en beleidskaart opgesteld (Boshoven e.a., 2009). De informatie uit het onderzoek van Boshoven e.a. (2009) is na afronding van het veldonderzoek alsnog toegevoegd aan het bureauonderzoek. De dateringen van de stroomgordels uit Berendsen & Stouthamer (2001) in jaren Before Present (BP: 1950) zijn in tabel 2 weergegeven samen met de datering in archeologische perioden. Voor het verkrijgen van een representatieve datering kan men niet 1950 van de 14C datering aftrekken. Om 14C dateringen om te rekenen naar gecalibreerde jaren voor/na Chr. gebruikt men een calibratie-curve.

Dit resulteert meestal in een periode waarbinnen het begin of eind van de activiteit van de stroomgordel valt. In voorgaand onderzoek is wel 1950 jaar van de 14C afgetrokken. Dit geeft met name een verschil in ouderdom bij de Gorkum-Arkel stroomgordel. Geraadpleegd zijn de volgende bronnen: - het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS); - de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); - de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); - literatuur en historisch en aardkundig kaartmateriaal (zie literatuurlijst); - de recente topografische kaart 1:25.000; - recente luchtfoto’s uit Google Earth (http:/www.earth.google.com); - het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); - het informatiesysteem Kennis Infrastructuur CultuurHistorie (KICH; http:/www.kich.nl); - de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie (http://geo.zuid-holland.nl/geoloket/kaart_chs.html) - de molendatabase (http:/www.molendatabase.nl).

15

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

2.2 Resultaten 2.2.1 Huidige situatie Op recente topografische kaarten 1:25.000 is het plangebied afgebeeld als grasland met sloten en bebouwing aan de zuidkant (ANWB, 2004). Recente luchtfoto’s uit Google Earth bevestigen dit grondgebruik (figuren 1 en 2). Het gebied ten noorden van de Haarweg is voornamelijk agrarisch in gebruik (voornamelijk gras- en akkerland en boomgaarden). Ten zuiden van de Haarweg bevindt zich de meeste bebouwing. In het westelijke gedeelte tussen de Mollenburgseweg en de A27 komen enkele losse huizen voor en wordt het gebied benut door onder andere een kynologenclub (hondenfokkers) en als gronddepot. Verder liggen hier enkele niet meer in gebruik zijnde boomgaarden. Direct ten zuiden van Haarweg 7 bevindt zich een vervuilde locatie. Hier is na het afgraven van de bodem stadsafval gestort. In het centrale deel (tussen de Mollenburgseweg en de Grote Haarsekade) ligt het scholengebied “Schotdeuren”, enkele woningen, een dierenasiel en een hippische vereniging. Langs de Betuwe-route ligt een strook die grofweg 2 m is opgehoogd geweest met zand. In februari/maart 2010 is deze ophoging afgegraven en gestart met de aanleg van een parkeerplaats. In het oostelijke deel (tussen de Kleine Haarsekade en het Merwedekanaal) bevinden zich de begraafplaats De Haarhof, de gemeentelijke onderhoudsdienst en groenvoorziening, alsmede enkele woningen en bedrijven.

Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) varieert de maaiveldhoogte in het plangebied van circa 1 m -NAP in het noorden tot circa 1 m +NAP in het zuiden. Volgens de gegevens van de KLIC-melding wordt het plangebied in oost-westelijke richting doorsneden door een gasleiding en waterleiding (figuur 3). Daarnaast liggen met name langs de aanwezige wegen en in de directe omgeving van de bebouwing meerdere kabels en leidingen.

2.2.2 Aardkundige situatie Geo(morfo)logie De ondergrond in het plangebied bestaat uit laat-pleistocene, zandige rivierafzettingen afgezet door vlechtende rivieren. Deze afzettingen behoren tot de zogenaamde Kreftenheye-Formatie en liggen op 8,0 tot 10,0 m -Mv. Mogelijk bevonden de geulen zich tijdens het laatste stadium van activiteit van de Kreftenheye-rivieren ter hoogte van het plangebied (Verbraeck, 1970). In een warmere periode gedurende het Laat Weichselien, het Bølling/Allerød-interstadiaal, zijn de zandige afzettingen afgedekt met lemige rivierafzettingen: de Afzettingen van Wijchen. Volgens de geologische kaart komt in de top van de pleistocene afzettingen matig grof zand voor. Op basis hiervan wordt aangenomen dat de Afzettingen van Wijchen afwezig zijn in het plangebied. Rivierduinen In de koudere periode die volgde op het Bolling-Allerød-interstadiaal, de Jonge Dryas (ook wel Late Dryas genoemd), zijn rivierduinen ontstaan. Vanuit de ‘s winters droogliggende rivierbeddingen kon in deze periode verstuiving optreden, waardoor langs de rivieren rivierduinen werden gevormd. Door de overheersende zuidwestelijke windrichting komt het rivierduinzand in zuidoostnoordwest georiënteerde ruggen voor, voornamelijk daar waar de windrichting loodrecht op de vroegere rivierbeddingen stond (Berendsen, 2004). Als rivierduinen boven de jongere sedimenten

16

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

uitsteken (dagzomen) dan spreekt men van donken. Direct ten oosten van Gorinchem is bij LaagDalem een donk aangetroffen (Jansen & De Jager, 2000; Smit & De Kort, 2001). Volgens de geologische kaart komt in het noordoosten van het plangebied en direct ten noordwesten van het plangebied rivierduinzand in de ondergrond voor. Het betreffen twee geïsoleerde zandvoorkomens. Verder naar het noordwesten komt een groter gebied met rivierduinzand voor, waartoe de donken van Hoogblokland en Hoornaar behoren. Het geologisch bureauonderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van rivierduinen in het plangebied. Ten noorden van het plangebied is in de diepere ondergrond vermoedelijk rivierduinzand aanwezig. Het betreft mogelijk de voet van een rivierduin (Kluiving & Van Suijlekom, 2008). Stroomgordels Het pleistocene landschap is in het Holoceen afgedekt door rivierafzettingen behorende tot de Formatie van Echteld afgewisseld met veen behorende tot de Formatie van Nieuwkoop. Tijdens het grootste deel van het Atlanticum (7300 tot 3700 voor Chr.) is het onduidelijk wat er in het plangebied is gebeurd, een verplaatsing van het riviersysteem, of een algemene vermindering van de afvoer (Verbraeck, 1970). In het oostelijk deel van het plangebied bevindt zich een stroomgordel van het Gorkum-Arkel systeem.

Dit systeem was actief tussen circa 6515 en 5500 BP en bestaat uit een met zand opgevuld geullichaam en oeverwalafzettingen die bestaan uit zandige klei. De top van deze oeverwalafzettingen bevindt zich naar verwachting tussen 3,5 en 5,0 m -Mv. Op grotere afstand van de rivier werden komafzettingen afgezet. De Gorkum-Arkel stroomgordel is slechts gedeeltelijk gekarteerd, waardoor beneden- en bovenstroomse aansluitingen onzeker zijn. Het hoogste zandvoorkomen van deze stroomgordel ligt ter hoogte van het plangebied tussen 3 en 5 m -Mv (ca. 4 m -NAP; Kluiving & Van Suijlekom, 2008). Behalve ter hoogte van de ligging van de Gorkum-Arkel stroomgordel volgens de CHS en Berendsen & Stouthamer (2001; figuren 1 en 2) komt daarbuiten op meerdere locaties zand op circa 5 m -NAP in de ondergrond voor. Mogelijk betreffen het twee oost-west georiënteerde (crevasse)geulen die geassocieerd kunnen worden met de Gorkum-Arkel stroomgordel (Kluiving & Van Suijlekom, 2008; figuur 2). In (de directe omgeving van) het plangebied bestaat de lithologie van het zand van dit diepere systeem uit kalkrijk, grijs tot blauwgrijs overwegend sterk siltig zand (Zs3), overwegend matig fijn tot zeer fijn in korrelgrootte. De enige uitzondering hierop is DINO-boring 826 waar het zand uit een laag grijskleurig zeer grof zand bestaat (Kluiving & Van Suijlekom, 2008).

Het systeem maakt deel uit van anastomoserende rivierlopen (Berendsen & Stouthamer, 2001). In Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard zijn de anastomoserende riviersystemen gekenmerkt door het op grote schaal voorkomen van crevasseafzettingen (Berendsen, 2004b). Een anastomoserend riviersysteem bestaat uit meerdere stabiele geulen die onderling zijn verbonden. De beddingafzettingen zijn scherp begrensd en de oeverwallen zijn goed ontwikkeld (Berendsen, 2004a). In het noordwesten van het plangebied komen crevasseafzettingen behorende tot de Schaik stroomgordel voor. Dit systeem was actief tussen circa 5285 en 4250 BP. Een crevasseafzetting in het rivierengebied ontstaat doordat het water over de laagste plekken van de oever stroomt, waar-

17

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

bij door erosie geulen (crevassegeulen) ontstaan. Deze geulen gedragen zich als een miniatuur rivierbedding en de geulen kunnen enkele meters diep worden. Kenmerkend is dat de geulafzettingen aan de basis vaak verslagen organische resten bevatten en een coarsening upwards gevolgd door een fining upwards sequentie hebben. In en langs de geulen vindt sedimentatie (crevasseafzettingen) plaats. De geulen worden opgevuld met zand en vervolgens bedekt met oeverafzettingen. De lithologische variatie van deze afzettingen is op korte afstand zeer groot. Crevasseafzettingen vormen zich als grote, zandige lobben, die in een sterk vertakt stelsel de komgebieden binnendringen. De actieve periode van een dergelijk crevassecomplex beslaat slechts circa 100 jaar. Soms komen meerdere cycli boven elkaar voor (Berendsen, 2004a). De crevasseafzettingen van de Schaik stroomgordel zijn mogelijk in twee perioden afgezet. De belangrijkste periode van sedimentatie heeft plaatsgevonden na circa 3700 voor Chr.. Het hoogste zandvoorkomen van de stroomgordel van Schaik ter hoogte van het plangebied bevindt zich zeer waarschijnlijke tussen 1 en 3 meter -NAP (Berendsen & Stouthamer, 2001). Uit het geologische bureauonderzoek (o.a. d.m.v.

analyse van DINO-gegevens en het AHN) is gebleken dat de crevasseafzettingen in het noordwesten van het plangebied veel uitgebreider zijn dan op de CHS en de kaart van Berendsen & Stouthamer (2001) is weergegeven (figuren 1 en 2; Kluiving & Van Suijlekom, 2008). Op het AHN is de uitgebreidere aanwezigheid van stroomgordels goed te zien (figuur 3). Direct ten westen van de A27 is in DINO-boring 808 het zandvoorkomen van de Schaik stroomgordel direct op het zand van het diepere systeem (behorende tot de Gorkum-Arkel stroomgordel) aangetroffen. In de DINO-boring wordt geen onderscheid gemaakt, dus precieze laagdiktes zijn niet te berekenen. In de enige kwalitatief goede DINO-boring (nummer 818) is de textuur omschreven als uiterst fijn. Het is onbekend of na de actieve stroomgordel van de Schaik nog rivieren aanwezig zijn geweest in het plangebied totdat in 2510 BP een nieuwe actieve stroomgordel ontstaat. Vermoedelijk lag het plangebied in deze periode in zijn geheel in een komgebied en vond er voornamelijk veenvorming plaats. In eerste instantie zal zich rietveen hebben gevormd en vervolgens bosveen. Het veen zal af en toe overstroomt zijn vanuit verder weg gelegen rivieren, waarbij klei werd afgezet. Verder zijn in een komgebied vaak meerdere kleine geulen aanwezig.

Deze kom-ontwateringsgeulen hebben enerzijds de functie bij overstromingen het water de kom in te leiden en anderzijds zorgen ze voor de afwatering van de kom. Lithologisch zijn ze meestal niet van hun omgeving te onderscheiden (Berendsen, 1982). In een veengebied worden ze ook wel veenstroompjes genoemd. Veenstroompjes, die het veengebied ontwaterden, kenmerken zich door het nagenoeg ontbreken van sediment. Voor zover het aanwezig is, is het bij hoge waterstanden vanuit de rivieren het veengebied ingevoerd. De kom-ontwateringsgeulen en veenstroompjes hebben nauwelijks oeverwallen (Berendsen, 2004b). In het zuidelijk deel van het plangebied ontstaat 2510 BP een van oost naar west smalle meanderende rivier, de Spijk stroomgordel. Deze was zeer waarschijnlijk actief tot 2200 BP. De Spijk stroomgordel is in tegenstelling tot de Gorkum-Arkel stroomgordel niet gefundeerd. Dit betekent dat deze niet is ingesneden in de Pleistocene ondergrond. Ten westen van de Linge neemt de hoogte van het zandvoorkomen met een meter toe vanwege het eroderen van de onderliggende Gorkum-Arkel stroomgordel. Het hoogste zandvoorkomen van de Spijk stroomgordel ligt op basis

18

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Figuur 2. Plangebied met ligging van de stroomgordels volgens Berendsen & Stouthamer (2001; boven) en met de geologische ondergrond volgens Kluiving & Van Suijlekom (2008; onder) op een luchtfoto (bron: www. google-earth.nl).

19

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

     



  









   



     

     

     



  





       



     

   

  



  

  

       

        

     

  

     



    



  

     

   

  





             

  

  

   

  

     

  

  

               

     

   

     

     

     

    

    

   

  

    

     

     

    



   

          



  

    

              

  



     

   





     

  

  

   

     



                                       

     

     

    







  

  

  

                        

                   



  

      

  



  

               

  

  



  

  









  

  

       





Figuur 3. Resultaten bureauonderzoek.









Figuur 3. Resultaten bureauonderzoek.

20





 



 

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

van interpolatie van de gegevens van Berendsen & Stouthamer (2001) ter hoogte van het plangebied rond de 0 m NAP en bestaat volgens DINO-gegevens uit uiterst fijn zand (Kluiving & Van Suijlekom, 2008). Volgens de geologische kaart ligt de Spijk stroomgordel dicht onder het maaiveld en wordt deze alleen door een dunne laag komafzettingen bedekt (Verbraeck, 1970). De Spijk stroomgordel buigt volgens de geologische kaart en Berendsen & Stouthamer (2001) voor de A27 af naar het zuiden om vervolgens ten westen van de A27 weer terug te buigen. Kluiving & Van Suijlekom (2008) laten de stroomgordel naast afbuigen ook rechtdoor onder de A27 doorlopen. Boshoven e.a. (2009) laat de stroomgordel alleen rechtdoor onder de A27 doorlopen. Hiermee blijft het onduidelijk wat de precieze loop is van de stroomgordel ter hoogte van de A27. De Spijk stroomgordel is ouder dan de Linge stroomgordel, deze laatste ontstaat rond dezelfde tijd als de sedimentatie van de Spijk stroomgordel eindigt (Berendsen & Stouthamer, 2001). In de 12e eeuw is de Linge afgedamd en komt een einde aan de sedimentatie vanuit de Linge. Als gevolg van de bedijkingen van rivieren vanaf de 12e eeuw komt aan de sedimentatie een einde, behalve als gevolg van dijkdoorbraken die tot in de 19e eeuw regelmatig voorkwamen.

Stroomgordel

Begin (in 14C jaren BP)

Eind (in 14C jaren BP)

Begin (in archeologische periode)

Eind (in archeologische periode)

Gorkum-Arkel

6515

5590

Laat Mesolithicum

Vroeg Neolithicum

Schaik

5285

4250

Midden Neolithicum

Laat Neolithicum

Spijk

2510

2200

Vroege IJzertijd

Midden IJzertijd

Linge

2160

643

Late IJzertijd

Late Middeleeuwen

Tabel 2. Ouderdom van de stroomgordels in jaren Before Present (BP) en in archeologische perioden.

Archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden Rivierduinen zijn in het Holoceen gedurende lange tijd hoge en daarmee droge plaatsen gebleven in het natte komgebied vanaf op zijn vroegst het Laat Paleolithicum. Op vrijwel elk bekend rivierduin zijn sporen van prehistorische bewoning teruggevonden (Verbruggen, 1992; Louwe Kooijmans, e.a., 2001). Tot op heden zijn archeologische resten uit het Mesolithicum en jonger aangetroffen op rivierduinen. In 2000 is tijdens archeologisch onderzoek door RAAP Archeologisch Adviesbureau bij Laag Dalem, direct ten oosten van Gorinchem, een dagzomende rivierduin (donk) aangetroffen. Over de hele donk verspreid werden, tot 7,5 m -NAP, aanwijzingen voor de aanwezigheid van bewoningssporen aangetroffen. Daarbij zijn meerdere afvallagen uit verschillende perioden aangetroffen uit het Neolithicum en mogelijk de Vroege Bronstijd. De afvallagen werden zowel in de rondom de donk aanwezige kleilagen als in het veen aangetroffen. De omvang van de vindplaats bedraagt 245 bij 140 m (Smit & De Kort, 2001; Jansen & De Jager, 2000). Stroomgordels zijn geschikte locaties voor bewoning geweest ten tijde van activiteit, vanwege de hogere ligging van de oevers (oeverwallen) ten opzichte van het komgebied en de aanwezigheid van drinkwater.

Bovendien vormden ze verbindingsroutes over water (geul) en land (oever) door het natte komgebied (Boshoven, e.a., 2009). De oeverwallen wiggen uit over het komgebied. De breedte van deze overgangszone is afhankelijk van de grootte en mate van activiteit van de rivier. Na het einde van activiteit blijven het aantrekkelijke bewoningslocaties vanwege de hogere lig-

21

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

ging ten opzichte van het omliggende komgebied. Vervolgens worden ze al dan niet overgroeid met veen of afgedekt met klei en blijven ze (mede) door differentiële inklinking verhogingen in het landschap. Dit laatste geldt voor zowel stroomgordels van de grote rivieren als voor veenstroompjes, indien hierin door opstuwing van water klei is afgezet. Zand klinkt namelijk minder in dan klei en klei klinkt op zijn beurt minder in dan veen. De kleinschalige verhogingen in het landschap (verlande veenstroompjes, kleinere crevasses, etc.) zijn minder aantrekkelijk geweest als grotere nederzettingslocaties, vanwege een veel kleiner bewoonbaar areaal, dan de grotere stroomgordels. Veenstroompjes en kleine crevasses hebben veelal geen tot slecht ontwikkelde oeverwallen en zijn tijdens de actieve fase niet geschikt als bewoningslocatie. Tijdens stilstandsfasen in de sedimentatie kunnen zich vegetatieniveaus (laklagen) ontwikkelen. Deze niveaus kunnen potentiële bewoningsniveaus zijn, indien de afzettingen goed genoeg gerijpt of zandig dan wel siltig genoeg zijn en onder droge omstandigheden gevormd zijn. Laklagen kunnen ontstaan onder zowel droge als onder natte omstandigheden. Terrestrische laklagen (droge omstandigheden) zijn grijs van kleur, aquatische (natte omstandigheden) gevormde zijn donkergrijs of zwart (Berendsen, 2004a).

Op de Gorkum-Arkel stroomgordel zijn tot op heden nog geen eenduidige archeologische resten aangetroffen. Op de Schaik stroomgordel zijn archeologische resten aangetroffen daterend uit het Mesolithicum (afkomstig van een geërodeerde rivierduin), de Bronstijd, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Archeologische resten die met de Spijk stroomgordel kunnen worden geassocieerd dateren uit de Vroege en Midden Romeinse tijd (Berendsen & Stouthamer, 2001).

Bodem De bodem in het plangebied bestaat in het noorden uit kalkloze drechtvaaggronden en ter hoogte van de Spijk stroomgordel uit kalkhoudende poldervaaggronden. Het overige deel bestaat uit kalkloze poldervaaggronden. Drechtvaaggronden bestaan uit klei op veen, waarbij het veen tussen 0,4 en 0,8 m -Mv begint. Poldervaaggronden bestaan uit gerijpte klei met binnen 0,5 m -Mv hydromorfe kenmerken (oxidatie van ijzer en/of mangaan). De droogste gronden bevinden zich ter hoogte van de Spijk stroomgordel. Voor een uitgebreidere beschrijving van de bodem wordt verwezen naar Van der Roest (2007) en Boshoven e.a. (2009).

2.2.3 Bekende archeologische waarden en verwachtingen ARCHIS en AMK Tijdens eerder uitgevoerd archeologisch veldonderzoek in het plangebied (figuur 3) zijn geen archeologische resten aangetroffen. Behalve bij onderzoeksmelding 17922; hier zijn in het noordelijk deel van het plangebied tot circa 110 cm -Mv. fragmenten baksteen en twee fragmenten aardewerk aangetroffen die dateren uit de Nieuwe tijd. Deze vondsten wijzen erop dat de bodem in het verleden geroerd is. Op basis hiervan wordt een vindplaats uit de Nieuwe tijd in het plangebied of in de directe nabijheid daarvan verwacht (De Vos, 2006). Op basis van het booronderzoek is vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen indien ingrepen dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld. Op dit moment is geen informatie beschikbaar of dit onderzoek al is uitgevoerd. Er is echter geen vondstmelding of waarneming in ARCHIS aanwezig van deze locatie.

22

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

In ARCHIS staan vier archeologische vindplaatsen geregistreerd uit het plangebied. Ter hoogte van de A27 ligt ARCHIS-waarnemingsnummer 26067. Deze waarneming betreft drie scherven aardewerk daterend uit de Romeinse tijd. Over de vondstomstandigheden wordt niets gezegd. De vondsten zijn (vermoedelijk) van twee locaties afkomstig. De tweede locatie wordt beschreven onder ARCHIS-waarnemingsnummer 26066, gelegen ten noorden van het plangebied. Vermoedelijk betreft de ligging van de waarnemingsnummers niet de exacte vondstlocatie, aangezien de RDcoördinaten grotendeels exact op een hele of halve kilometer liggen. Mogelijk houden deze scherven verband met de ten westen van het plangebied aangetroffen bewoningsporen uit de Romeinse tijd (ARCHIS-waarnemingsnummer 24772). Op basis van de nauwkeurigheid kan niet veel waarde gehecht worden aan deze waarneming. Op basis van deze waarneming kan wel gesteld worden dat in de omgeving van het plangebied in deze periode bewoning heeft plaatsgevonden. Langs de Haarweg bevinden zich twee huisterpen daterend uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd (ARCHIS-waarnemingsnummer 36693 en 36694). Er is op beide locaties geen melding gemaakt van vondsten of enige beschrijving aan de waarneming toegevoegd.

Aangezien huisterpen verspreid langs de ontginningsassen lagen en niet verder van de ontginningsas af (midden) op de landbouwgrond, betreft ARCHIS-waarnemingsnummer 36693 vermoedelijk de locatie van Haarweg huisnummer 10 (genaamd Hoeve Lang-Scheiwijk) en ARCHIS-waarnemingsnummer 36694 vermoedelijk de locatie van Haarweg huisnummer 7. Op de archeologische waardenkaart van Gorinchem (Boshoven, e.a., 2009) wordt op deze twee locaties de aanwezigheid van een woonheuvel (huisterp) weergegeven. ARCHIS-waarnemingsnummer 408388 betreft een voormalig monument. Hier is nooit onderzoek uitgevoerd. Er is melding gemaakt van een verhoging in het landschap, geïnterpreteerd als huisterp.

Historische situatie en mogelijke verstoringen Het plangebied is gelegen in de Alblasserwaard en meer specifiek in de polder Arkel (oosten) en polder Lang Scheiwijk (westen). De Hoogbloklandseweg vormt de scheiding tussen deze twee polders. Ten zuiden van de Haarweg staat op de huidige topografische kaart geen polderbenaming meer weergegeven (ANWB, 2004). In het begin van de 20e eeuw (ROBAS Producties, 1989) werd het gebied ten zuiden van de Haarweg aangeduid als de ‘Polder Banne van Gorinchem en Kwakernaat’ met een verdere onderverdeling in ‘De Haar’ ten westen van de Mollenburgseweg en ‘Lange slagen’ (tussen de Mollenburgseweg en de Grote Haarsekade) en ‘Korte Slagen’ (ten oosten van de Kleine Haarsekade). De polders zijn in de Late Middeleeuwen ontgonnen ten behoeve van de akkerbouw. De veenontginningen hebben geresulteerd in een regelmatige strokenverkaveling, specifiek een opstrekkende verkaveling. De ontginningsas voor de polder Arkel betrof zeer waarschijnlijk de Linge. Vanaf de Linge is het gebied richting het westen ontgonnen. Het gedeelte ten zuiden van de Haarweg en ten westen van de Mollenburgseweg is mogelijk ontgonnen vanaf de Haarweg, alsmede het gedeelte ten westen van de Hoogbloklandseweg. Dit betreffen vermoedelijk restontginningen. Restontginningen betreffen overgebleven gebieden tussen al bestaande ontginningen.

Hierdoor ontbreken meestal rechte grenzen en kenmerken ze zich door een meer onregelmatige strokenverkavelingspatroon (www.kich.nl). Omdat het veen in het gebied voornamelijk uit bosveen bestaat, heeft er

23

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

(bijna) geen vervening plaatsgevonden. Bosveen brandt slecht en levert veel as op vanwege de aanwezigheid van minerale bestandsdelen (bijvoorbeeld klei ) en is daardoor minder geschikt als brandstof. Door de ontwatering van het gebied klonk het veen sinds de ontginning in de Late Middeleeuwen in (inklinking). Het gebied werd te nat en akkerbouw werd vervangen door veeteelt (graslanden). Alleen met name de hoger gelegen gronden (bijv. voormalige stroomgordels), zoals langs de Haarweg, werden nog gebruikt voor akkerbouw. Tot eind 19e eeuw vond er nog voornamelijk akkerbouw plaats langs de Haarweg (met name ten zuiden van de Haarweg). Vervolgens kreeg vanaf het eind van de 19e eeuw hier de fruitteelt langzamerhand de overhand (www.kich.nl: gorinchem.pdf). In de regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden is het maaiveld sinds de ontginning in de Late Middeleeuwen ongeveer twee meter gedaald (Boshoven, e.a., 2009). Bij toegangen tot percelen werden veelal bomen aangeplant om door middel van de boomwortels de bodem te verstevigen (Van der Roest, 2007; figuur 4). De kadastrale minuut uit de periode 1811-1832 en de topografische kaarten uit circa 1850 en 1900 laten in het gebied ten noorden van de Haarweg een verkavelingspatroon zien dat vrijwel overeenkomt met de huidige situatie (http://watwaswaar.nl; Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990; ROBAS Producties, 1989).

Ten zuiden van de Haarweg heeft de bebouwing dit met name ten oosten van de Mollenburgseweg veranderd.

Figuur 4. Foto genomen vanuit het westen richting de Hoogbloklandseweg met bomen en begroeiing bij de perceelsopgang.

24

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Aan het begin van de 19e eeuw was volgens de kadastrale minuut ten noorden van de Haarweg tussen de Hoogbloklandseweg en het Merwedekanaal geen bebouwing aanwezig. Ter hoogte van de Haarweg 10, 19 en ter hoogte van de A27 staat een huis al dan niet met bijgebouw (schuur) afgebeeld, alsmede aan de Kleine - en Grote Haarsekade ter hoogte van de kruising met de Haarweg (figuur 3). In deze periode was de Vlietskade nog een vliet (waterweg) in plaats van een weg en werd het de ‘Schotdeurse Vliet’ genoemd. Aan weerszijde van de vliet was een smalle strook onderverdeeld in percelen zonder bebouwing. Volgens de bij deze kaart behorende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel (OAT) was de smalle strook percelen in gebruik als bos/hakhout (http://watwaswaar.nl). Langs de Haarweg ligt het gehucht Groote Haar, voorheen ook ‘De Haar’ genoemd. Rond 1840 telde het gehucht 11 huizen (www.kich.nl: gorinchem.pdf). Tegenwoordig wordt het door de A27 doorsneden. In 1883 is de spoorlijn tussen Geldermalsen en Gorinchem gerealiseerd. Vervolgens is tussen 1885 en 1893 het Merwedekanaal aangelegd. De Vliet is in de 20e eeuw gedempt met stadsafval. Ten zuiden van de Haarweg lag ter hoogte van de Hoogbloklandseweg een circuit (www.watwaswaar.nl).

Als gevolg van de aanleg van de Betuwe-route in de jaren 90 is dit circuit afgebroken alsmede bebouwing ten westen van de Grote Haarsekade direct langs de Betuwe-route. Beide zijn nog zichtbaar op de topografie van bijlagen 1, 3 en 4 uit de publicatie van Van der Roest (2007). Het raadplegen van de molendatabase heeft geen relevante archeologische informatie opgeleverd.

IKAW, CHS en overige bronnen Op de IKAW valt het plangebied in een zone met een hoge kans op het aantreffen van archeologische resten ter hoogte van de Spijk stroomgordel en de crevasses van de Schaik stroomgordel, een middelhoge kans ter hoogte van de Gorkum-Arkel stroomgordel en voor het overige deel een lage kans. Deze waardering is gebaseerd op de geo(morfo)logische opbouw van de bodem in het plangebied overeenkomstig met de ligging van de stroomgordels volgens Berendsen & Stouthamer (2001; Deeben, 2008; zie ook www.cultureelerfgoed.nl). De archeologische verwachting volgens de Cultuurhistorische HoofdStructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland is sterk vergelijkbaar met de IKAW. Op de CHS omvat de Schaik stroomgordel nog een uitloper vanaf de A27 naar het oosten (figuur 1). Volgens de CHS zijn de Hoogbloklandse weg, de Haarweg en de Vlietskade als historisch landschappelijke lijnelementen van hoge waarde. De polders Arkel en Lang Scheiwijk zijn beiden historisch-landschappelijk gezien van redelijk hoge waarde. Een gedeelte van de Haarweg, vanaf de Mollenburgseweg richting het westen tot buiten het plangebied, wordt gezien als polderlint. Polderlinten zijn ontstaan langs een ontginningsbasis: veenriviertjes, wegen of weteringen. Van oorsprong betreft het, op enige afstand van elkaar gelegen, boerderijen op de kop van de strookvormige kavels.

Het polderlint is verder niet specifiek gewaardeerd. De regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden is door de provincie Zuid-Holland vrijwel geheel als ‘Topgebied cultureel erfgoed’ en tevens als ‘Belvedèregebied’ aangemerkt. Van bijzondere waarde zijn de verkavelingspatronen, de wegprofielen, de bebouwingstroken, de beschermde gezichten van enkele plaatsen als Kinderdijk, Gorinchem, etc.

25

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

In 2009 is een archeologische verwachtingskaart gemaakt voor de gemeente Gorinchem. Deze is gedetailleerder qua diepteligging dan de CHS (regionaal) en de IKAW (landelijk). Volgens de archeologische verwachtingskaart gemeente Gorinchem (Boshoven, e.a., 2009) geldt voor de Gorkum-Arkel stroomgordel een hoge archeologische verwachting tussen 1,5 en 5 m -Mv voor de periode Prehistorie tot Middeleeuwen. Voor dezelfde archeologische periode geldt voor de Spijk stroomgordel een hoge archeologische verwachting voor aan of nabij het oppervlak. Voor de Schaik stroomgordel geldt een middelmatige archeologische verwachting voor de periode Prehistorie tot Middeleeuwen. Voor het overig deel van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Het oppervlak van de stroomgordels is vergroot met een bufferzone. Deze bufferzone betreft de overgangszone van oeverafzettingen naar komafzettingen. Deze zone kan geschikt zijn geweest voor bewoning, maar is veelal niet meegenomen in de begrenzingen van stroomgordels. Voor de twee aanwezige woonheuvels geldt een zeer hoge archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

2.3 Gespecificeerde archeologische verwachting De resultaten van het bureauonderzoek leiden tot de volgende gespecificeerde archeologische verwachting:

Rivierduinen Mogelijk zijn in de diepere ondergrond nog tot op heden onbekende rivierduinen aanwezig. Op dergelijke rivierduinen kunnen archeologische resten daterend vanaf het Mesolithicum aanwezig zijn. Theoretisch gezien zullen de resten op zijn vroegst terug gaan tot het Laat Paleolithicum. De resten uit de Vroege Prehistorie kunnen bestaan uit onder andere haardkuilen, houtskool, bewerkt natuursteen (vuurstenen werktuigen) en afval van de vervaardiging daarvan, archeobotanisch en archeozoöloogisch materiaal. Afvallagen kunnen zich tot in het komgebied uitstrekken. De rivierduinen kunnen vanaf het maaiveld tot meerdere meters beneden NAP voorkomen. Des te hoger de ligging van de rivierduin des te langer de rivierduin bewoonbaar is geweest, maar dit wil niet zeggen dat er ook op gewoond is. Aangezien de geul van de Gorkum-Arkel zich heeft ingesneden in de Formatie van Kreftenheye worden onder de geulafzettingen geen intacte rivierduinafzettingen meer verwacht.

Gorkum-Arkel stroomgordel De stroomgordel van de Gorkum-Arkel en de twee mogelijk bijbehorende (crevasse)geulen hebben een middelmatige archeologische verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum. Theoretisch gezien kunnen de archeologische resten teruggaan tot het Mesolithicum. Naar verwachting zijn eventueel aanwezige archeologische resten op de stroomgordel vermoedelijk ongestoord vanwege de ligging in de diepere ondergrond. Alleen daar waar de stroomgordel wordt doorsneden door de Spijk stroomgordel, zullen de afzettingen niet meer intact zijn. De resten kunnen bestaan uit onder andere een cultuurlaag, grondsporen, paalkuilen, haardkuilen, waterkuilen, greppels, houtskool, bewerkt natuursteen (vuurstenen werktuigen) en afval van de vervaardiging daarvan. De top van het zand (geul-/beddingafzettingen) bevindt zich ter hoogte van de Gor-

26

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

kum-Arkel stroomgordel op circa 4 m -NAP en bij de bijbehorende geulen op circa 5 m -NAP. De top van de oeverafzettingen kan zich eventueel hoger bevinden (ca. 1 m) op circa 3 a 4 m -NAP.

Schaik stroomgordel Archeologische resten uit het Neolithicum kunnen zich ook op de (crevasses van de) Schaik stroomgordel bevinden. Voor deze stroomgordel geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met de Middeleeuwen. De archeologische resten worden tussen 1,5 en 3,0 m -NAP verwacht.

Spijk stroomgordel Voor de Spijk stroomgordel geldt een hoge archeologische verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten daterend vanaf de IJzertijd. Deze resten zullen zich naar verwachting tussen 1 en 0 m +NAP bevinden.

Ontginningslinten Voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen geldt langs de ontginningsas (de Haarweg) een middelmatige archeologische verwachting. Verspreid langs de ontginningsas worden al dan niet opgehoogde huisplaatsen verwacht. Deze kenmerken zich door een archeologische (ophogings-)laag met (mogelijk) structurele resten van bewoning en een grondsporenniveau. In de rest van het plangebied worden sporen van ontginning verwacht. Waarschijnlijk gaat het huidige verkavelingspatroon terug op het middeleeuwse verkavelingspatroon. Ter hoogte van Haarweg 7 en 10 bevindt zich een huisterp, alsmede in het noordoosten van het plangebied. Eventueel aanwezige archeologische resten uit deze perioden worden aan of direct onder het maaiveld verwacht, waardoor de kans groot is dat eventuele vindplaatsen (deels) verstoord zijn. Op grond van de kadastrale minuut uit de periode 1811-1832 dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van overblijfselen (funderingen) van (een) gebouw(en) uit de Nieuwe tijd (19e eeuw; figuur 3) langs de Haarweg. Mogelijk gaat bebouwing op deze locaties terug tot in de Late Middeleeuwen. Indien aanwezig bevinden dergelijke overblijfselen zich aan of direct onder het maaiveld. Ter hoogte van de A27 zijn eventueel aanwezige archeologische resten verstoord.

Kenmerken bewoningsniveaus De bewoningsniveaus in de oevers- en geulafzettingen zullen zich bodemkundig kenmerken door een vegetatieniveau en ontkalking van het sediment. Daarnaast wordt in deze laag een waarneembare vondststrooiing en kleuring van het sediment verwacht. De vindplaatsen betreffen kleinere en grotere, vondstrijke nederzettingen en kenmerken zich door een archeologische laag met (mogelijk) structurele resten van bewoning en een grondsporenniveau. Een archeologische laag kan zich kenmerken door de aanwezigheid van kleibrokken, aardewerk, fosfaat, hout en vanaf de Romeinse tijd ook puin, onder andere baksteenfragmenten en mortel. Op basis van de natte bodemgesteldheid in het komgebied geldt hiervoor een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten. Maar het is mogelijk dat in dit natte gebied knuppelpaden (veenwegen) lagen. Ook kunnen zich (resten van) gebruiksvoorwerpen voor bijvoorbeeld

27

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

de jacht en houtkap, rituele deposities en dergelijke in het gebied bevinden. De kans op het aantreffen van dergelijke resten wordt echter klein geacht. Mogelijk dat bij een grootschalig (buitenproportioneel) onderzoek deze resten wel aangetroffen kunnen worden. Crevasseafzettingen kunnen gering in omvang zijn waardoor ze soms lastig te lokaliseren zijn middels een booronderzoek. De verwachte crevasses van de Schaik stroomgordel, die zichtbaar zijn op het AHN, hebben een dusdanige omvang dat deze wel door middel van een booronderzoek te onderzoeken zijn.

28

RAAP-RAPPORT 2114 Plangebied Gorinchem-Noord, gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een aanvullend bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=28933e76-b442-42b1-8c47-d747c393a08c