Agendabundel
Tekst van het document
Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december te 24.00 uur van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van de besluiten tot uittreding in kennis is gesteld. 9. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 10. Het besluit tot uittreding wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem toegezonden aan het college van gedeputeerde staten. Komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuw artikel 40, luidende: “Artikel 40 Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. 2. Het dagelijks bestuur zendt het besluit tot uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 3. De algemene uitgangspunten en voorwaarden met het oog op de uittreding door een deelnemer worden geregeld in een uittredings-/opheffingsregeling. 4. De uittredings-/opheffingsregeling als bedoeld in het derde lid, wordt op voorstel van het dagelijks bestuur vastgesteld door het algemeen bestuur.
Alvorens het dagelijks bestuur het voorstel voor de uittredings-/opheffingsregeling ter vaststelling zendt aan het algemeen bestuur, zendt het dagelijks bestuur het voorstel voor de uittredings-/opheffingsregeling toe aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. De colleges en raden van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende acht weken hun zienswijzen over het voorstel voor de 8
uittredings-/opheffingsregeling bij het dagelijks bestuur indienen. Het dagelijks bestuur voegt de ingediende zienswijzen bij het voorstel voor de uittredings-/opheffingsregeling dat het dagelijks bestuur zendt aan het algemeen bestuur. 5. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur de besluiten van de uittredende raad en het uittredende college van burgemeester en wethouders als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen. 6. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, stelt het algemeen bestuur, op voorstel van het dagelijks bestuur, met in achtneming van de uittredings-/opheffingsregeling, een uittredingsplan vast. In het uittredingsplan worden de specifieke condities, waaronder de financiële gevolgen van uittreding geregeld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op evenwichtige wijze worden afgewogen. Alvorens het dagelijks bestuur het voorstel voor het uittredingsplan ter vaststelling zendt aan het algemeen bestuur, zendt het algemeen bestuur het voorstel voor het uittredingsplan aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. De colleges en raden van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende acht weken na verzending van het voorstel hun zienswijzen over het voorstel voor het uittredingsplan bij het dagelijks bestuur indienen.
Het dagelijks bestuur voegt de ingediende zienswijzen bij het voorstel voor het uittredingsplan dat het dagelijks bestuur zendt aan het algemeen bestuur. 7. Met het oog op het regelen van de inhoud van het uittredingsplan, als bedoeld in het zesde lid, kunnen de uittredende deelnemer en het algemeen bestuur van Avres gezamenlijk besluiten om advies te vragen aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van een externe deskundige zijn voor rekening van de uittredende deelnemer. 8. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de uittreding niet eerder plaats dan op 31 december te 24.00 uur van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur van de besluiten tot uittreding in kennis is gesteld. 9. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 10. Het besluit tot uittreding wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem toegezonden aan het college van gedeputeerde staten.” Artikel VII: Artikel 42 opheffing, luidende: “Artikel 42 Opheffing 1. Zowel het algemeen bestuur, als de raad en het college van burgemeester en wethouders in gezamenlijkheid, kunnen voorstellen doen tot opheffing van de regeling. 2.
Een voorstel als bedoeld in het eerste lid dat uitgaat van de raden en de colleges van burgemeester en wethouders, dient te worden ondersteund door een aantal deelnemers dat tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in de vergadering van het algemeen bestuur vertegenwoordigt. 3. Het algemeen bestuur legt het voorstel tot opheffing ter beslissing voor aan de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten. 4. Opheffing van de regeling vindt plaats indien de raden en de colleges van burgemeester en wethouders, die tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in het algemeen bestuur vertegenwoordigen, daartoe besluiten. 5. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regelen. 6. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de gemeenten gedurende twee maanden hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. 7. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel. 9
8. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van Avres. 9. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 10. Het bestuur van Avres blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid. 11. Het besluit tot opheffing wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem toegezonden aan het college van gedeputeerde staten.” Komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuw artikel 42, luidende: Artikel 42 Opheffing 1. Zowel het algemeen bestuur, als de raad en het college van burgemeester en wethouders in gezamenlijkheid, kunnen voorstellen doen tot opheffing van de regeling. 2. Het algemeen bestuur legt het voorstel tot opheffing ter beslissing voor aan de colleges van burgemeester en wethouders en de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Opheffing van de regeling vindt plaats indien de raden en de colleges van burgemeester en wethouders, die tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in het algemeen bestuur vertegenwoordigen, daartoe besluiten. 4.
In afwijking van het bepaalde in het derde lid, vindt opheffing van de regeling eveneens plaats indien een van de deelnemers uittredingsbesluiten neemt als bedoeld in artikel 40, lid 1 van de regeling en er door ten minste één ander college van de overige deelnemers, alsmede door de raad van diezelfde deelnemer, gedurende de effectueringsperiode van de eerst ontvangen uittredingsbesluiten, ook een besluit tot uittreding wordt genomen, danwel een besluit wordt genomen houdende een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Avres. De besluiten tot uittreding van beide deelnemers, danwel de besluiten tot uittreding samen met de besluiten houdende een voorstel tot opheffing van de regeling worden alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. Een besluitvormingsproces als bedoeld in het derde lid blijft in dat geval achterwege. 5. Indien het algemeen bestuur binnen zes maanden na ontvangst van besluiten van een deelnemer houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, van een andere deelnemer eveneens besluiten ontvangt houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, worden deze besluiten alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. De besluitvormingsprocedure als bedoeld in het derde lid blijft in dat geval achterwege. Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk over de ontstane situatie. 6.
Met in achtneming van het bepaalde in artikel 40, lid 4 van deze regeling, worden de procedure en nadere algemene uitgangspunten met betrekking tot de opheffing geregeld in een uittredings-/opheffingsregeling. 7. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het algemeen bestuur daartoe, met in achtneming van de bepalingen in de uittredingsregeling/opheffingsregeling, een concept-liquidatieplan op. 8. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de colleges en raden van de gemeenten gedurende twee maanden hun zienswijze op het concept-liquidatieplan hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. 9. In de uittredings-/opheffingsregeling worden bepalingen opgenomen omtrent de vereffening van het vermogen ingeval de gemeenschappelijke regeling wordt ontbonden, evenals bepalingen omtrent de wijze waarop met de gevolgen voor het personeel bij opheffing wordt omgegaan, Daarnaast worden in de uittredings-/opheffingsregeling de overige onderwerpen benoemd die in ieder geval deel uitmaken van het liquidatieplan. 10. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie en treedt op als vereffenaar 11. Het bestuur van Avres blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid. 10
12. Het besluit tot liquidatie wordt door het bestuur van de gemeente Gorinchem samen met het vastgestelde liquidatieplan toegezonden aan het college van gedeputeerde staten.” Artikel VIII: De toelichting op artikel 40, luidende: in dit artikel wordt de uittreding uit de gemeenschappelijke regeling geregeld. De uittreding start met een uitredingsverzoek van de betreffende deelnemer met een daartoe strekkend besluit van de raad en het college aan het algemeen bestuur (lid 1). Het dagelijks bestuur zendt het besluit vervolgens door aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten (lid 2). Overigens vindt toepassing van de uittredingsregeling slechts plaats als zowel een besluit van het college als de raad van de uittredende gemeente is ontvangen, omdat het besluit van beide organen van de uittredende gemeente afkomstig dient te zijn (lid 5). De bepalingen rondom de uittreding zijn verder uitgewerkt in de leden 3 van de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres. Met betrekking tot deze bepalingen is ook advies gevraagd aan het bureau KokxDeVoogd. KokxDeVoogd heeft geadviseerd om in de uittredingsbepalingen een tweetal stappen te onderscheiden In de eerste plaats worden er met betrekking tot de uittreding algemene uitgangspunten en voorwaarden geformuleerd in een zogeheten uittredingsregeling (artikel 40, lid 3).
Deze regeling vormt als het ware het kader van algemene uitgangspunten en voorwaarden die in ieder geval van toepassing zijn, indien een uittreding aan de orde is. De uittredingsregeling zal (in samenhang met artikel 40 van de gemeenschappelijke regeling Avres) voorzien in een combinatie van procedurele en inhoudelijke aspecten. KokxDeVoogd heeft voor deze uittredingsregeling inmiddels een eerste proeve opgesteld. In het advies dat zij hebben opgesteld geeft KokxDeVoogd met betrekking tot deze proeve die als bijlage bij de stukken is gevoegd het volgende aan: “ Bij deze proeve passen enkele opmerkingen. Allereerst is het raadzaam om de definitieve versie van de Uittredingsregeling te voorzien van een korte toelichting. Een dergelijke toelichting geeft nader inzicht in de wijze waarop en omstandigheden waaronder de (op zich vrij technische en financieel georiënteerde) Uittredingsregeling kan of moet worden toegepast en hoe het daarin genoemde Uittredingsplan op passende wijze tot stand kan komen. In de tweede zij erop gewezen dat het in bijlage 1 opgenomen voorstel voor de Uittredingsregeling nog nadere (ambtelijke en bestuurlijke) bespreking vergt, alvorens tot een definitief concept kan worden gekomen.
Het verdient daarbij aanbeveling om het definitief concept en de toelichting op te stellen in samenspraak met controllers van de GR Avres en van deelnemers” De besturen van de Avelingen Groep en de RSD zijn van mening dat zorgvuldigheid op dit moment prevaleert en dat het opstellen van het definitieve concept en de toelichting daarop conform het advies van KokxDeVoogd inderdaad dient te gebeuren in samenspraak met controllers van de GR Avres en van de deelnemers, en waar noodzakelijk en gewenst, ook met andere betrokkenen uit de GR Avres en de gemeenten. Om deze reden wordt de besluitvormingsprocedure rondom de Uitredingsregeling dan ook verschoven naar een later tijdstip in 2015, danwel naar het begin van 2016. Om een eerste beeld voor de betrokken bestuursorganen zichtbaar te krijgen is deze proeve al wel reeds ter kennisname als bijlage bij de stukken gevoegd. Mogelijkerwijs zal - zoals ook is aangegeven in het advies van KokxDeVoogd - bij het opstellen van het definitieve concept van de uitredingsregeling blijken dat de thans voorliggende tekst met betrekking tot artikel 40 Gr Avres ook na het huidige vast11
stellingsproces nog aangepast moet worden. Indien van toepassing en alsdan zullen de bevoegde organen daaromtrent nog nadere voorstellen ontvangen. Met betrekking tot de vaststellingsprocedure van de uitredingsregeling is in artikel 40 het volgende opgenomen. In principe speelt hier hetzelfde als bij het vaststellen van de financiële verdeelsleutel. Het vaststellen van de uittredingsregeling is een bevoegdheid die in de regeling Avres is toegekend aan het algemeen bestuur. Mede naar aanleiding van gesprekken met het bureau KokxDeVoogd werd namelijk duidelijk dat ook hier het neerleggen van deze bevoegdheid bij de raden in strijd zou zijn met constitutionele bepalingen. Aspecten rondom de inrichting en het functioneren van een openbaar lichaam, voor zover niet anders geregeld in de Wgr en de gemeenschappelijke regeling, zijn namelijk voorbehouden aan het openbare lichaam zelf. De aspecten die hiermee zijn overgedragen kunnen niet - hetgeen in strijd is met constitutionele bepalingen - terug worden overgedragen aan degene die ze oorspronkelijk heeft overgedragen (vgl. artikel 10:13 Algemene wet bestuursrecht).
Een alternatief zou zijn geweest om de uittredingsbepalingen integraal op te nemen in de gemeenschappelijke regeling, maar daar is hier van afgezien, niet alleen met het oog op de hantering van de gemeenschappelijke regeling zelf, maar ook omdat bij een uittreding de algemene uitgangspunten en voorwaarden nog moeten worden geconcretiseerd in een uittredingsplan, welke vaststelling ook van een zienswijzeprocedure is voorzien (zie hieronder). Gelet op het bovenstaande is gezocht naar een alternatief. Dit alternatief is beschreven in het derde en het vierde lid van dit artikel, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de wens van maximale beïnvloeding vanuit de deelnemers. Dit alternatief behelst dat de uittredingsregeling wordt vastgesteld door het algemeen bestuur met een zienswijzeprocedure via de raden. Hierbij dient het algemeen bestuur wel bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen in te stemmen. Er is hier uitdrukkelijk niet gekozen voor een eensluidend besluit, maar dus voor een besluit dat instemming behoeft van twee derde van de leden. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een gemeente te allen tijde een veto kan uitspreken en de continuïteit van de gemeenschappelijke regeling onder druk zou kunnen zetten.
Mochten een of meerdere deelnemers het na een besluit van het algemeen bestuur nog niet met elkaar eens zijn, dan is de geschillenregeling op grond van artikel 43 van deze regeling van toepassing. Het geschil zal dan worden voorgelegd aan gedeputeerde staten, die hierop een beslissing neemt. Zoals hierboven al is aangegeven heeft KokxDeVoogd geadviseerd om in de uittredingsbepaling een tweede stap op te nemen. Met in achtneming van de algemene uitgangspunten en voorwaarden, stelt het algemeen bestuur bij een uittredingsverzoek vervolgens een uittredingsplan vast (lid 6). In dit uittredingsplan worden dan de specifieke condities, waaronder de financiële gevolgen, van de uittreding geregeld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemer op een evenwichtige wijze worden afgewogen. Er zijn derhalve algemene uitgangspunten en voorwaarden die zijn opgenomen in de uittredingsregeling en er vindt op basis daarvan vervolgens een nadere concretisering plaats in het uittredingsplan. Er is voor deze constructie gekozen omdat uiteindelijk niet iedere uittreding hetzelfde zal zijn; Wel vanuit zijn algemeenheid, maar niet vanuit de concrete situatie. Zoals het feit of het bijvoorbeeld een grotere gemeente of juist een kleinere betreft die uittreedt.
Uitgangspunt daarbij is ook dat uitdrukkelijk op een evenwichtige wijze gekeken wordt naar zowel de belangen van de uittredende deelnemer als die van de achterblijvende deelnemers. Met het oog op die concretisering kunnen de uittredende gemeente en Avres gezamenlijk besluiten om het advies in te winnen van een onafhankelijke deskundige (lid 7). De besluitvorming rondom het uittredingsplan, vindt ook via de zienswijzeprocedure plaats. Met andere woorden: ook met betrekking tot het concrete uittredingsplan vindt besluitvorming hieromtrent pas plaats nadat de raden hun mening hierover hebben kunnen geven. Voor wat betreft de besluitvorming in het algemeen bestuur vindt besluitvorming plaats bij een besluit dat instemming behoeft van twee derde van de leden. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld de uittredende gemeente te allen tijde een veto zou kunnen uitspreken en de continuïteit van de gemeenschappelijke regeling 12
en daarmee voor de achterblijvende gemeenten -onder druk zou kunnen zetten, omdat bijvoorbeeld geen besluit kan worden genomen over de toekomstige dekking van reeds gedane investeringen. Mochten de uittredende deelnemer en de achterblijvende deelnemers het na een besluit van het algemeen bestuur nog niet met elkaar eens zijn, dan is de geschillenregeling op grond van artikel 43 van deze regeling van toepassing. Het geschil zal dan worden voorgelegd aan gedeputeerde staten, die hierop een beslissing neemt. Omdat de uittreding ook gevolgen heeft voor de (tekst van) de gemeenschappelijke regeling stelt het algemeen bestuur een wijziging van de gemeenschappelijke regeling op. Deze wordt ter vaststelling toegestuurd aan de raden en de colleges van de overige deelnemende gemeenten aan de gemeenschappelijke regeling. De wijziging daarvan (zie ook artikel 41) kan pas plaatsvinden bij eensluidende besluiten van de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten. Het besluit tot uittreding en het besluit tot aanpassing van de gemeenschappelijke regeling (artikel 41) worden door de gemeente Gorinchem naar het College van gedeputeerde Staten verstuurd. De aanpassing van de gemeenschappelijke regeling gaat in op de feitelijke datum van uittreden.
De datum van uittreden is conform lid 9 niet eerder dan op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van opzegging, tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn hanteert. Komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuwe toelichting op artikel 40, luidende: In dit artikel wordt de uittreding uit de gemeenschappelijke regeling geregeld. De uittreding start met een uitredingsverzoek van de betreffende deelnemer met een daartoe strekkend besluit van de raad en het college aan het algemeen bestuur (lid 1). Het dagelijks bestuur zendt het besluit vervolgens door aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten (lid 2). Overigens vindt toepassing van de uittredings-/opheffingsregeling slechts plaats als zowel een besluit van het college als de raad van de uittredende gemeente is ontvangen, omdat het besluit van beide organen van de uittredende gemeente afkomstig dient te zijn (lid 5). De bepalingen rondom de uittreding zijn verder uitgewerkt in de leden 3 van de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres. Met betrekking tot deze bepalingen is ook advies gevraagd aan het bureau KokxDeVoogd.
KokxDeVoogd heeft geadviseerd om in de uittredingsbepalingen een tweetal stappen te onderscheiden In de eerste plaats worden er met betrekking tot de uittreding algemene uitgangspunten en voorwaarden geformuleerd in een zogeheten uittredings-/opheffingsregeling (artikel 40, lid 3). Deze regeling vormt als het ware het kader van algemene uitgangspunten en voorwaarden die in ieder geval van toepassing zijn, indien een uittreding aan de orde is. De uittredings-/opheffingsregeling zal (in samenhang met artikel 40 van de gemeenschappelijke regeling Avres) voorzien in een combinatie van procedurele en inhoudelijke aspecten. KokxDeVoogd heeft voor deze uittredings-/opheffingsregeling inmiddels een eerste proeve opgesteld. In het advies dat zij hebben opgesteld geeft KokxDeVoogd met betrekking tot deze proeve die als bijlage bij de stukken is gevoegd het volgende aan: “ Bij deze proeve passen enkele opmerkingen. Allereerst is het raadzaam om de definitieve versie van de Uittredings-/opheffingsregeling te voorzien van een korte toelichting. Een dergelijke toelichting geeft nader inzicht in de wijze waarop en omstandigheden waaronder de (op zich vrij technische en financieel georiënteerde) Uittredings-/opheffingsregeling kan of moet worden toegepast en hoe het daarin genoemde Uittredingsplan op passende wijze tot stand kan komen.
In de tweede zij erop gewezen dat het in bijlage 1 opgenomen voorstel voor de Uittredings-/opheffingsregeling nog nadere (ambtelijke en bestuurlijke) bespreking vergt, alvorens tot een definitief concept kan worden geko13
men. Het verdient daarbij aanbeveling om het definitief concept en de toelichting op te stellen in samenspraak met controllers van de GR Avres en van deelnemers” Het bestuur van Avres is van mening dat zorgvuldigheid op dit moment prevaleert en dat het opstellen van het definitieve concept en de toelichting daarop conform het advies van KokxDeVoogd inderdaad dient te gebeuren in samenspraak met controllers van de GR Avres en van de deelnemers, en waar noodzakelijk en gewenst, ook met andere betrokkenen uit de GR Avres en de gemeenten. Om deze reden wordt de besluitvormingsprocedure rondom de Uitredingsregeling dan ook verschoven naar een later tijdstip in 2015, danwel naar het begin van 2016. Om een eerste beeld voor de betrokken bestuursorganen zichtbaar te krijgen is deze proeve al wel reeds ter kennisname als bijlage bij de stukken gevoegd. Mogelijkerwijs zal - zoals ook is aangegeven in het advies van KokxDeVoogd - bij het opstellen van het definitieve concept van de uitredingsregeling blijken dat de thans voorliggende tekst met betrekking tot artikel 40 Gr Avres ook na het huidige vaststellingsproces nog aangepast moet worden. Indien van toepassing en alsdan zullen de bevoegde organen daaromtrent nog nadere voorstellen ontvangen. Met betrekking tot de vaststellingsprocedure van de uitredingsregeling is in artikel 40 het volgende opgenomen.
In principe speelt hier hetzelfde als bij het vaststellen van de financiële verdeelsleutel. Het vaststellen van de uittredings-/opheffingsregeling is een bevoegdheid die in de regeling Avres is toegekend aan het algemeen bestuur. Mede naar aanleiding van gesprekken met het bureau KokxDeVoogd werd namelijk duidelijk dat ook hier het neerleggen van deze bevoegdheid bij de raden in strijd zou zijn met constitutionele bepalingen. Aspecten rondom de inrichting en het functioneren van een openbaar lichaam, voor zover niet anders geregeld in de Wgr en de gemeenschappelijke regeling, zijn namelijk voorbehouden aan het openbare lichaam zelf. De aspecten die hiermee zijn overgedragen kunnen niet - hetgeen in strijd is met constitutionele bepalingen - terug worden overgedragen aan degene die ze oorspronkelijk heeft overgedragen (vgl. artikel 10:13 Algemene wet bestuursrecht). Een alternatief zou zijn geweest om de uittredingsbepalingen integraal op te nemen in de gemeenschappelijke regeling, maar daar is hier van afgezien, niet alleen met het oog op de hantering van de gemeenschappelijke regeling zelf, maar ook omdat bij een uittreding de algemene uitgangspunten en voorwaarden nog moeten worden geconcretiseerd in een uittredingsplan, welke vaststelling ook van een zienswijzeprocedure is voorzien (zie hieronder).
Bovendien blijkt bij de parlementaire behandeling van de wet, dat het niet noodzakelijks om alles in detail in de GR zelf te regelen. Gelet op het bovenstaande is gezocht naar een alternatief. Dit alternatief is beschreven in het derde en het vierde lid van dit artikel, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de wens van maximale beïnvloeding vanuit de deelnemers. Dit alternatief behelst dat de uittredings-/opheffingsregeling wordt vastgesteld door het algemeen bestuur met een zienswijzeprocedure via de raden. Hierbij dient het algemeen bestuur wel bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen in te stemmen. Er is hier uitdrukkelijk niet gekozen voor een eensluidend besluit, maar dus voor een besluit dat instemming behoeft van twee derde van de leden. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een gemeente te allen tijde een veto kan uitspreken en de continuïteit van de gemeenschappelijke regeling onder druk zou kunnen zetten. Mochten een of meerdere deelnemers het na een besluit van het algemeen bestuur nog niet met elkaar eens zijn, dan is de geschillenregeling op grond van artikel 43 van deze regeling van toepassing. Het geschil zal dan worden voorgelegd aan gedeputeerde staten, die hierop een beslissing neemt. Zoals hierboven al is aangegeven heeft KokxDeVoogd geadviseerd om in de uittredingsbepaling een tweede stap op te nemen.
Met in achtneming van de algemene uitgangspunten en voorwaarden, stelt het algemeen bestuur bij een uittredingsverzoek vervolgens een uittredingsplan vast (lid 6). In dit uittredingsplan worden dan de specifieke condities, waaronder de financiële gevolgen, van de uittreding geregeld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemer op een evenwichtige wijze worden afgewogen. Er zijn derhalve algemene uitgangspunten en voorwaarden die zijn opgenomen in de uittredings/opheffingsregeling en er vindt op basis daarvan vervolgens een nadere concretisering plaats in het 14
uittredingsplan. Er is voor deze constructie gekozen omdat uiteindelijk niet iedere uittreding hetzelfde zal zijn; Wel vanuit zijn algemeenheid, maar niet vanuit de concrete situatie. Zoals het feit of het bijvoorbeeld een grotere gemeente of juist een kleinere betreft die uittreedt. Uitgangspunt daarbij is ook dat uitdrukkelijk op een evenwichtige wijze gekeken wordt naar zowel de belangen van de uittredende deelnemer als die van de achterblijvende deelnemers. Met het oog op die concretisering kunnen de uittredende gemeente en Avres gezamenlijk besluiten om het advies in te winnen van een onafhankelijke deskundige (lid 7). De besluitvorming rondom het uittredingsplan, vindt ook via de zienswijzeprocedure plaats. Met andere woorden: ook met betrekking tot het concrete uittredingsplan vindt besluitvorming hieromtrent pas plaats nadat de raden hun mening hierover hebben kunnen geven. Voor wat betreft de besluitvorming in het algemeen bestuur vindt besluitvorming plaats bij een besluit dat instemming behoeft van twee derde van de leden.
Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld de uittredende gemeente te allen tijde een veto zou kunnen uitspreken en de continuïteit van de gemeenschappelijke regeling en daarmee voor de achterblijvende gemeenten -onder druk zou kunnen zetten, omdat bijvoorbeeld geen besluit kan worden genomen over de toekomstige dekking van reeds gedane investeringen. Mochten de uittredende deelnemer en de achterblijvende deelnemers het na een besluit van het algemeen bestuur nog niet met elkaar eens zijn, dan is de geschillenregeling op grond van artikel 43 van deze regeling van toepassing. Het geschil zal dan worden voorgelegd aan gedeputeerde staten, die hierop een beslissing neemt. Omdat de uittreding ook gevolgen heeft voor de (tekst van) de gemeenschappelijke regeling stelt het algemeen bestuur een wijziging van de gemeenschappelijke regeling op. Deze wordt ter vaststelling toegestuurd aan de raden en de colleges van de overige deelnemende gemeenten aan de gemeenschappelijke regeling. De wijziging daarvan (zie ook artikel 41) kan pas plaatsvinden bij eensluidende besluiten van de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten. Het besluit tot uittreding en het besluit tot aanpassing van de gemeenschappelijke regeling (artikel 41) worden door de gemeente Gorinchem naar het College van gedeputeerde Staten verstuurd.
De aanpassing van de gemeenschappelijke regeling gaat in op de feitelijke datum van uittreden. De datum van uittreden is conform lid 9 niet eerder dan op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van opzegging, tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn hanteert. Artikel IX De toelichting op artikel 42, luidende: Artikel 42 Opheffing Een besluit tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling kan niet licht worden genomen. Een belangrijke reden hiervoor is dat opheffing de belangen van andere partijen, die bijvoorbeeld een continuering voorstaan, behoorlijk zou kunnen schaden. Vandaar dat in het eerste lid is opgenomen dat een voorstel tot opheffing dat van de deelnemers uitgaat de instemming moet hebben van een aantal deelnemers dat tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in de vergadering van het algemeen bestuur vertegenwoordigt. In het vierde lid is bepaald dat een besluit tot opheffing kan worden genomen indien een aantal deelnemers dat tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in de vergadering van het algemeen bestuur vertegenwoordigt daarmee instemt.
indien een aantal deelnemers dat tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in de vergadering van het algemeen bestuur vertegenwoordigt daarmee instemt, de gemeenschappelijke regeling willen opheffen, zal immers de basis van de samenwerking zijn weggevallen en daarmee ligt dan ook de opheffing van de regeling voor de hand. De wetgever heeft overigens - in tegenstelling tot wijziging van, het toetreden tot en uittreden uit de gemeenschappelijke regeling - geen bepaling opgenomen over de vereiste meerderheid die noodzakelijk is om een gemeenschappelijke regeling op te heffen (vgl. artikel 1, lid 3 Wgr). 15