CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Parallelsessie raadzaal 9 februari 2023, gemeente Gorinchem23.517 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. 6. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. 7. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied.

26

Doelen Aan de hand van de principes worden diverse doelen nagestreefd voor de planperiode 2022-2027. Navolgend worden een aantal doelen weergegeven welke betrekking hebben op onderhavig plan. − In peilgebieden waar we peilen registreren, realiseren we gedurende 85% van de tijd de vastgestelde peilen. − In 2027 hebben we in 100% van de belangrijkste watergangen het waterbeheer zodanig gestuurd dat het past bij de functies die we willen bedienen. − In 2027 zijn we ten opzichte van 2019 beter voorbereid op en minder kwetsbaar voor de gevolgen van weersextremen. Betere inrichting voor goed peilbeheer Ons dagelijks beheer richt zich op de handhaving van de waterpeilen, zoals deze zijn vastgelegd in peilbesluiten en streefpeilenplannen. We hebben een goede inrichting van ons watersysteem nodig om de juiste peilen en de gewenste aan- en afvoer te realiseren. Ook het beheer en onderhoud moeten daarvoor op orde zijn. Een beter stuurbaar waterbeheer Om aan- en afvoer goed te regelen hebben we een stuurbaar systeem nodig. We hebben voldoende grote watergangen en voldoende kunstwerken nodig om peilen en waterstromen mee te sturen. Op basis van data en modellen krijgen we een beeld van de toestand van het watersysteem en van de waterbehoefte. We kunnen daarop anticiperen en ons waterbeheer aanpassen.

Voorbereid op weersextremen Om schade door weersextremen zoveel mogelijk te voorkomen kijken we naar de inrichting van het watersysteem en de (her)inrichting van het gebied met passende functies. Landelijk is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatadaptief is ingericht en dat we al vanaf 2020 klimaatrobuust handelen. Om de gezamenlijke aanpak van klimaatadaptatie te versnellen en de aanpak te intensiveren is het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie opgesteld. Het Deltaplan is een gezamenlijk plan van Rijk, gemeenten, waterschappen en provincies om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. We bereiden ons doorlopend voor op het veranderende klimaat en zijn in staat om in samenspel met mede-overheden en stakeholders de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken. Het Nationaal Deltaprogramma Zoetwater heeft als hoofddoel dat Nederland in 2050 weerbaar is op het gebied van zoetwatertekort. Men beseft dat de beschikbaarheid van zoetwater eindig is. Ook in ons eigen beheergebied komen de grenzen van het watersysteem in zicht. Dit komt onder meer door de uitbreiding van het areaal van hoogwaardige teelten en de effecten van klimaatverandering. Samen met partners en gebruikers werken we aan de waterbeschikbaarheid. Keur Naast het beheerprogramma beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren.

Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Deze water-

27

vergunning wordt vervolgens door het waterschap verleend of geweigerd. Ook is het mogelijk dat nadere eisen worden gesteld aan de vergunningverlening. Middels de watertoets, waarvan de resultaten in de navolgende paragrafen worden beschreven heeft toetsing aan het beleid van het waterschap plaatsgevonden. Gemeentelijk beleid - Waterplan Gorinchem De gemeente Gorinchem en het waterschap Rivierenland hebben in 2006 gezamenlijk een waterplan opgesteld voor Gorinchem. De doelstelling van het waterplan is enerzijds het ontwikkelen van een visie op het stedelijk water en anderzijds het realiseren van een gezond en veilig functionerend watersysteem, waardoor duurzaam en evenwichtig gebruik mogelijk is en het beeld van Gorinchem als waterstad wordt versterkt. Het waterplan is niet het enige gemeentelijke plan op watergebied. Voor Gorinchem zijn bijvoorbeeld ook een Stiwasplan (waterkwaliteit), een afkoppelplan en een baggerplan opgesteld. Maatregelen uit deze eerdere plannen blijven van kracht. Het waterplan dient als overkoepelend plan dat waar nodig naar verschillende andere plannen verwijst. De kern van het waterplan bestaat uit het ontwikkelen van een visie waarin de wensen ten aanzien van het functioneren van het watersysteem zijn verwoord. Deze visie bestaat uit drie thema’s. Deze thema’s worden hieronder kort toegelicht.

Thema 1: Water en kwantiteit De visie voor thema 1 is gericht op het op orde hebben van het watersysteem. Dit betekent dat er geen wateroverlast optreedt bij de dan geldende klimaatomstandigheden. Ook is een geschikte waterhuishoudkundige conditie bereikt voor de verschillende gebiedsfuncties. Neerslagwater wordt zo veel mogelijk in het systeem vastgehouden of geborgen en aanvoer van gebiedsvreemd water moet worden beperkt. Thema 2: Natuur, ecologie en waterkwaliteit De visie voor thema 2 is gericht op schoon water en een schone waterbodem met verwaarloosbare risico’s voor het aquatisch-ecologisch functioneren van het ecosysteem. De Europese Kaderrichtlijn Water gaat een belangrijke rol spelen bij dit thema. Het beleid is erop gericht alle wateren een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel gerealiseerd te hebben. De afgeleide meetbare doelstellingen zijn dus gebaseerd op bestaand beleid, waarbij het beleid van de verschillende overheden zo veel mogelijk op elkaar is afgestemd. Thema 3: Water en ruimte De visie voor thema 3 is gericht op de rol van water als sturend element voor de ruimtelijke inrichting. In de visie versterken nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en water elkaar.

Instrumenten hiervoor zijn bijvoorbeeld het uitvoeren van de watertoets bij nieuwbouwplannen, hydrologisch neutraal bouwen en het realiseren van nieuwbouwplannen op locaties die daarvoor geschikt zijn. Waardevolle ruimtelijke gebieden worden beschermd tegen negatieve invloeden.

28

Nieuwe ruimtelijke plannen moeten passen binnen de langetermijnvisie van het waterplan. De doelen voor waterkwantiteit en waterkwaliteit zijn vertaald in een ruimtelijk waterplan, met wateridentiteiten die de ruimtelijke structuur van Gorinchem versterken. Watertoets Voor onderhavig plan is de digitale watertoets doorlopen6. Uit de digitale watertoets blijkt dat het plan onder de normale procedure valt. Dit betekent dat overleg moet plaatsvinden met Waterschap Rivierenland. Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering. Wel bevindt zich direct ten noorden en ten oosten van het plangebied een C-waterloop. C-watergangen hebben geen beschermingszone. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij een C-watergang kunnen aanleiding zijn voor een statuswijziging. De verwachting is dat als gevolg van dit plan sprake zal zijn van een toename van het verhard oppervlak in de vorm van bebouwing in het stedelijk gebied van maximaal 130 m2. Deze 130 m2 heeft betrekking op de bebouwing welke gerealiseerd wordt binnen het bouwvlak. Naast de bebouwing is er sprake van erfverharding, zoals de parkeerplaats met een oppervlakte van 1.080 m2. Voor de erfverharding wordt gebruikt gemaakt van grasbetontegels met een waterdoorlatende fundering, toegepast zoals omschreven in het document Waterdoorlatende bestratingen 7.

De grasbetontegels worden gezien als halfverharding en dienen voor 50% meegeteld te worden. De 130 m2 aan verharding voor de bebouwing moet gecompenseerd worden omdat de ontwikkeling gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse, aangezien de aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging mogelijk van belang. De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m3 per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m3 bij bui T=100+10%, mits er geen complicerende zaken als kwel aan de orde zijn. De maximaal toelaatbare peilstijging bij bui T=10+10% bedraagt 0,20 meter in het beheergebied van Waterschap Rivierenland. De benodigde waterberging voor de oppervlak aan bebouwing is zodoende 130 m2 x 0,0436 m3 = 5,7 m3, dit komt overeen met een wateroppervlak van circa 28,5 m2 op zomerwaterpeil (5,7 m3 / 0,2 m peilstijging).

Voor de grasbetontegels zorgt dit voor een extra benodigde waterberging van 540 m2 x 0,0436 m3 = 23,544 m3, dit komt overeen met een wateroppervlak van circa 118 m2 op zomerwaterpeil (23,544 / 0,2 m peilsteiging). Totaal dient er dus 29,244 m3 waterberging te zijn, wat overeen komt met een wateroppervlak van circa 146 m 2.

6

Digitale watertoets (2021), Haarweg ten behoeve van het plan van de paardenvereniging Hippos 17-11-2021.

7

FEBESTRAL, Waterdoorlatende verhardingen met betonstraatstenen. 29

Om aan deze voorwaarde te voldoen, wordt er een nieuwe watergang op het perceel ten behoeve van de wettelijke vastgestelde hoeveelheid m2 waterberging aangelegd. De watergang is weergegeven in de inrichtingsschets in paragraaf 2.4 en wordt door middel van een duiker aangesloten op de watergang langs de Haarweg. De nieuwe watergang heeft een lengte van 120 m lang en 5 m breed (600 m 2). De aan te leggen wateroppervlakte is voldoende om te kunnen voorzien in de benodigde compensatie. Vanuit het waterschap wordt een drooglegging van 0,7 meter voor maaiveld, 1 meter voor wegen (oprit / parkeervoorziening) en 1,3 meter voor bebouwing geadviseerd. Zodra hier bij aangesloten wordt is de waterberging goed te realiseren. Vanuit het clubhuis kan het afvalwater afgevoerd worden via een vrij verval riolering naar een nieuw te plaatsen pomp put. Op de situatieschets welke weergegeven is in paragraaf 2.4, is te zien dat bij de kynologenclub aan de oostzijde van het perceel een pomp put staat en vanaf daar ligt door het toekomstige terrein van Hippos een persleiding PE ø 63 mm. Hierop kan een pomp put worden aangesloten waar het vrij verval riool vanuit het clubhuis in kan lozen. De PE leiding ø 63 mm heeft hiervoor voldoende capaciteit. Conclusie Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

Wel dient Waterschap Rivierenland in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen in het kader van het wettelijk vooroverleg.

4.12

Klimaatadaptatie Algemeen Gemeente Gorinchem werkt samen met regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (A5H) om de regio klimaatbestendig en waterrobuust te maken. In deze regio wordt samengewerkt met zes gemeenten, de provincies Utrecht en Zuid-Holland en Waterschap Rivierenland. Met de Regionale Klimaatadaptatie Strategie (RAS) van de A5H regio wordt de koers gezet uit hoe aangepast kan worden aan de veranderingen van het klimaat. In het najaar van 2021 is de RAS vastgesteld door alle besturen van de gemeenten, provincies en het waterschap. Naar verwachting is medio 2022 het uitvoeringsprogramma van de RAS klaar. Toetsing In 2019 is onderzoek gedaan naar welke gevolgen het extremer weer heeft op de A5H-regio, waar Gorinchem bij hoort. Hieruit kwam naar voren dat hitte en regenwateroverlast de belangrijkste effecten zijn voor Gorinchem. Het verhard oppervlak op locatie zal met maximaal 600 m2 toenemen, voor deze beperkte toevoeging van verhard oppervlak zal, zoals in paragraaf 4.11 is aangegeven, een waterberging gerealiseerd worden. Het bouwvlak van het plangebied heeft een oppervlakte van 250 m 2. Ten opzichte van het gehele plangebied met een oppervlakte van +/- 1 hectare is er slechts sprake van maximaal 2,5 % bebouwing. Er zal zodoende weinig tot geen sprake zijn van hittestress. 30

Conclusie Het aspect klimaatadaptatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

31

5

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Het wijzigen van de bestemming is door de gemeente Gorinchem geïnitieerd. De bijbehorende kosten zullen zodoende ook de gemeente Gorinchem worden gedragen.

32

6 6.1

Wijze van bestemmen Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De wijze van bestemmen is gebaseerd op de “Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012”. De verbeelding is IMRO-gecodeerd volgens IMRO2012.

6.2

Methodiek

6.2.1

Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Deze zijn daarom opgenomen bij de ‘verklaringen’.

6.2.2

Regels De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken: − Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen. − Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. − Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene afwijkingsregels. − Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht en de slotregel.

33

Regels in verband met de bestemmingen De bestemmingsregels kennen allen eenzelfde opbouw met de volgende leden: − lid 1 bestemmingsomschrijving − lid 2 bouwregels − lid 3 nadere eisen (indien aanwezig) − lid 3 afwijken van de bouwregels (indien aanwezig) − lid 4 specifieke gebruiksregels (indien aanwezig) − lid 5 afwijken van de gebruiksregels(indien aanwezig) − lid 6 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig) De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan deze omschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. Inleidende, algemene en overgangs- en slotregels De inleidende (hoofdstuk 1), algemene (hoofdstuk 3) en overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn de gebruikelijke bestemmingsplanregels en worden hier verder niet toegelicht.

6.3

Bestemmingen Dit bestemmingsplan kent de bestemming ‘Sport’. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting hoog PM1’ opgenomen.

6.3.1

Sport De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het beoefenen van paardensport. Bij de locatie mag zich ook ondergeschikte horeca ten dienste van de bestemming, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en groen bevinden. Binnen het bouwvlak zijn gebouwen toegestaan als ze niet meer dan 4 meter hoog bedragen. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden normen van hoogte, bijvoorbeeld dat erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2m bedragen.

6.3.2

Waarde - Archeologische verwachting hoog PM1 De voor archeologische waarde aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming, het behoud en het veiligstellen van de archeologische waarden van deze gronden.

6.4

Gebiedsaanduidingen De beleidsregels die nu voor ‘wetgevingzone - wijzigingsgebied 4’ in het bestemmingsplan ‘Gorinchem Noord’ gelden, zullen in dit bestemmingsplan opgenomen worden. Ook de gebiedsaanduidingen ‘wetgevingszone - ontheffingsgebied 2’ en ‘veiligheidszone - algemeen’ worden overgenomen uit het onderliggende bestemmingsplan.

34

7 7.1

Procedure Inspraak en overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, en het waterschap. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Het voorontwerp bestemmingsplan heeft van 13 juli 2022 tot en met 16 augustus 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld inspraakreacties bij het college van burgemeester en wethouders in te dienen. Er zijn geen inspraakreacties ingediend. Gedurende de inspraakperiode is het voorontwerpbestemmingsplan ook toegestuurd aan de relevante (bestuurlijke) overlegpartners. Er zijn geen vooroverlegreacties ingediend.

7.2

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 23 november 2022 tot en met 3 januari 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld inspraakreacties bij het college van burgemeester en wethouders in te dienen. Er zijn geen inspraakreacties ingediend.

35

1 RGLS_Haarweg hervestiging paardensportvereniging - regels.pdf

Bestemmingsplan | Regels

Haarweg, hervestiging paardensportvereniging Gemeente Gorinchem

Datum: 20 januari 2023 Projectnummer: 200595.02 ID: NL.IMRO.0512.BP2022203-4001

INHOUD REGELS

1

Inleidende regels

3

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

3 7

2

Bestemmingsregels

9

Artikel 3 Artikel 4

Sport Waarde - Archeologische verwachting hoog PM1

9 10

3

Algemene regels

13

Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

13 13 13 14 14 15

4

Overgangs- en slotregels

16

Artikel 11 Artikel 12

Overgangsrecht Slotregel

16 17

De verbeelding Verbeelding met legenda

1 Artikel 1

Inleidende regels Begrippen

1.1

plan het bestemmingsplan Haarweg, hervestiging paardensportvereniging met identificatienummer NL.IMRO.0512.BP2022203-4001 van de gemeente Gorinchem.

1.2

bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

1.3

aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4

aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5

archeologische deskundige de regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

1.6

archeologische verwachting een gebied met een daaraan toegekende hoge, middelmatige of lage archeologische verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.7

archeologische waarde een gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.8

archeologisch monument terrein dat op basis van de Erfgoedwet is aangewezen als beschermd archeologisch monument.

1.9

archeologisch onderzoek Onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een certificerende instelling beschikkend over een certificaat op grond van artikel 5.2 van de Erfgoedwet.

1.10

bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.11

bedrijf een onderneming gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, herstellen, opslaan en/of distribueren van goederen of op het bedrijfsmatig verlenen van diensten. 3

1.12

begane grond de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

1.13

beroep aan huis een dienstverlenend beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk uitgeoefend wordt, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Detailhandel valt hier niet onder, met uitzondering van een internetwinkel voor zover geen sprake is van opslag en verzending, een afhaalmogelijkheid of van uitstalling van goederen ter plaatse.

1.14

bestaande situatie a bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; b het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.

1.15

bestaand a bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan én gebouwd is krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het bouwen, dan wel nadien mag worden gebouwd krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag vóór het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is ingediend; b bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime.

1.16

bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.

1.17

bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.18

bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerken met een dak.

1.19

bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.20

bouwgrens de grens van een bouwvlak.

4

1.21

bouwlaag een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en ruimte onder de kap.

1.22

bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bij woningen betreft dit het het gehele perceel inclusief voor- en zijtuinen.

1.23

bouwperceelgrens De grens van een bouwperceel.

1.24

bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.25

bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.26

detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroepsof bedrijfsactiviteit.

1.27

gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.28

hoofdgebouw een gedeelte van een gebouw, exclusief bijbehorende bouwwerken, dat door zijn situering en/of afmetingen als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel is aan te merken.

1.29

huishouden een persoon of groep van personen, die duurzaam een gemeenschappelijk huishouden voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling.

1.30

kantoor het bedrijfsmatig verlenen van administratieve diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

5

1.31

kamerbewoning onzelfstandige woonvorm waarbij sprake is van woonruimte die geen eigen toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte.

1.32

nutsvoorziening voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

1.33

ondergeschikte horeca een niet zelfstandige horecafunctie welke onderdeel uitmaakt van een recreatieve of andersoortige voorziening en uitsluitend is bedoeld voor gebruikers of bezoekers van de betreffende voorziening.

1.34

ondergronds bouwwerk een gebouw, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen beneden peil.

1.35

overige bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.36

paardensport sportvormen waarbij een of meerder paarden worden gebruikt.

1.37

pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.38

peil a voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw; c in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld;

1.39

perceelgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling.

1.40

prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.41

seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub,

6

of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.42

vloeroppervlakte de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende gebouwen op de begane grond.

1.43

voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

1.44

vrijstaand een woning waarvan het hoofdgebouw vrijstaat van andere hoofdgebouwen.

1.45

wonen het gehuisvest zijn in (een) woning(en).

1.46

woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2

Wijze van meten Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten:

2.1

de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand tussen de (zijdelingse) perceelsgrens en enig punt van een bouwwerk.

2.2

de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, bijbehorend bouwwerk of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3

het bebouwingspercentage: het deel van het bouwvlak uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden.

2.4

de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5

de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

2.6

de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

7

2.7

de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.8

de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk: het laagste punt van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf peil.

2.9

het bebouwd oppervlak van een bouwperceel/bestemmingsvlak: de oppervlakte van alle op een bouwperceel/bestemmingsvlak gelegen bouwwerken tezamen.

2.10

Toepassing van maten: Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in dit bestemmingsplan in m of m 2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a afstanden loodrecht; b hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, en c maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven. Bij de toepassing van bovenstaande, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

8

2 Artikel 3

Bestemmingsregels Sport

3.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a de uitoefening van paardensport, met dien verstande dat de stalling van paarden niet is toegestaan; b ondergeschikte horeca ten dienste van de bestemming; c wegen en paden; d parkeervoorzieningen: e water; f groen.

3.2

Bouwregels Op of in de tot ‘Sport’ bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat: a gebouwen enkel toegestaan zijn binnen het bouwvlak; b de bouwhoogte van een gebouw niet meer dan 5,5 meter mag bedragen; c voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen gelden: 1 de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen; 2 de hoogte van lichtmasten mag niet meer dan 15 meter bedragen mits via lichtberekeningen wordt aangetoond dat de lichtinstallatie voldoet aan de NSVVnormen voor verlichtingsniveaus op de velden en de mate van lichthinder op de woonomgeving; 3 de hoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 8 meter bedragen.

3.3 3.3.1

Specifieke gebruiksregels Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

3.3.2

Voorwaardelijke verplichting Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gebouwen zonder dat is aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De geschiktheid van de bodem wordt aangetoond door middel van het overleggen van een rapport aan burgemeester en wethouders, waarin door een deskundig onderzoeksbureau de geschiktheid voor het beoogde gebruik wordt bevestigd. 9

Artikel 4

Waarde - Archeologische verwachting hoog PM1

4.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologische verwachting hoog PM1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het behoud en het veiligstellen van de archeologische waarden van deze gronden.

4.2 4.2.1

Bouwregels Omgevingsvergunning voor het bouwen a voor bouwwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 250 m 2 en waarvoor (grond)werkzaamheden dieper dan 30 cm noodzakelijk zijn, moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. b indien uit het in artikel 4.2.1 onder a genoemd rapport of uit de in artikel 4.2.1 onder c bedoelde informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

c het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 onder a en derhalve geen archeologisch rapport verplicht te stellen indien: 1 de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld of; 2 op basis van archeologisch onderzoek voldoende is aangetoond dat in de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; 3 de bodemverstoring uitsluitend wordt veroorzaakt door het aanbrengen van (hei)palen en de verstoring hierdoor beperkt blijft tot minder dan 1% van de oppervlakte van het te bebouwen gebied.

4.2.2

Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 4.2.1 onder a winnen zij advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4.2.1 onder b dienen te worden verbonden aan de omgevingsvergunning.

10

4.3

Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische waarden of resten aanwezig zijn en in de grond behouden moeten worden.

4.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage; d het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplanting, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd; f het scheuren van grasland; g overige werkzaamheden, waaronder sloopwerkzaamheden, waarbij de grond wordt geroerd.

4.4.1

4.4.2

Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 is nodig voor: a werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 250 m2 of waarvoor de gronden niet dieper dan 30 cm worden geroerd; b werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen; c ondergeschikte bodemingrepen, waaronder wordt verstaan: 1 het uitvoeren van grondboringen van enigerlei aard (booronderzoek, sonderingen); 2 het plaatsen van peilbuizen; 3 het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers, verkeersborden en ander straatmeubilair; 4 naar de aard daarmee vergelijkbare bodemverstoringen van ondergeschikt belang; d de aanleg van kabels, rioleringen en/of leidingen waarbij geheel binnen de breedte én diepte van al bestaande leidingsleuven of vergraven wegcunetten wordt gewerkt; e de aanleg van kabels en/of leidingen mits de sleufdiepte beperkt blijft tot maximaal 60 cm en de sleufbreedte tot maximaal 50 cm; f werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

11

4.4.3

Voorwaarden aan omgevingsvergunning a voor het uitvoeren of uit laten voeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. b indien uit het in artikel 4.4.3 onder a genoemde rapport of uit de in artikel 4.4.3 onder c bedoelde informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het doen van opgravingen; 3 de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

c het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 4.4.3 onder a en derhalve geen archeologisch rapport verplicht te stellen indien: 1 de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld of; 2 op basis van archeologisch onderzoek voldoende is aangetoond dat in de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

4.4.4

Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 winnen zij advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4.4.3 onder b dienen te worden verbonden aan de omgevingsvergunning.

12

3

Algemene regels

Artikel 5

Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6

Algemene bouwregels

6.1

Bestaande afmetingen In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

6.2

Bestaande afstanden In die gevallen dat de bestaande afstand tot enige op de verbeelding aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan.

6.3

Bestaande percentages In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentages in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

Artikel 7

Algemene gebruiksregels

7.1

Algemeen Het is verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming(en).

7.2

Verboden gebruik Onder het verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.1 wordt in elk geval verstaan: a een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats voor één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;

13

c een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie. 7.3

Artikel 8

Afwijking Burgemeester en wethouders verlenen afwijking van het bepaalde onder artikel 7.2 gestelde verbod, indien strikte toepassing daarvan leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Algemene aanduidingsregels

8.1

Algemeen In dit artikel zijn de in dit plan van toepassing zijnde aanduidingen ‘veiligheidszone algemeen’ en ‘wetgevingzone - ontheffingsgebied 2’ opgenomen.

8.2

veiligheidszone - algemeen Binnen een afstand van 30 meter vanaf de rand van de Betuweroute, A15 en A27 is geen nieuwbouw - met uitzondering van ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw in generlei opzicht wordt vergroot of veranderd - toegestaan.

8.3

wetgevingzone - ontheffingsgebied 2 Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - ontheffingsgebied 2' kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van de te realiseren bedrijfswoningen toegestaan als kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de bepalingen van het hogerewaardenbesluit.

Artikel 9 9.1

Algemene afwijkingsregels Afmetingen Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van: a in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen; b de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; c de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m; d de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 m. Een afwijking van de hoogte van wieken van grootschalige windmolens kan pas worden verleend indien is aangetoond dat het functioneren van de radarinstallaties niet in onevenredige mate wordt verstoord.

14

9.2

Gebouwen voor nutsvoorzieningen Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor nutsvoorzieningen, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes, telefooncellen en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen. De ontheffing wordt verleend onder de voorwaarde dat: a de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt; b de inhoud maximaal 50 m3 bedraagt; c de inhoud van bouwwerken ten behoeve van het rioolstelsel maximaal 600 m3 bedraagt.

9.3

Aanleg van geluidsreducerende maatregelen Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het aanleggen van geluidsreducerende maatregelen. De ontheffing wordt verleend onder de voorwaarden dat: a de (bouw)hoogte van de geluidsreducerende maatregel maximaal 5 meter bedraagt; b de landschappelijke waarde niet onevenredig wordt geschaad.

9.4

Schuilgelegenheid of veldschuur Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het bouwen van bouwwerken in de vorm van een schuilgelegenheid voor dieren of veldschuur onder de voorwaarden dat: a de landschaps- en natuurwaarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden aangetast; b maximaal één schuilgelegenheid op de bijbehorende gronden wordt gebouwd. Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen: c de oppervlakte van de schuilgelegenheid is maximaal 15 m2; d de goothoogte is maximaal 3 m en de bouwhoogte is maximaal 4,5 m.

Artikel 10

Algemene wijzigingsregels

10.1

Algemene wijziging Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan wijzigen in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a bestemmingsgrenzen mogen met niet meer dan 5 m worden verschoven; b de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad; c het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad.

10.2

Wijziging ten opzichte van vervoersinfrastructuren Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 4' geheel of gedeeltelijk te wijzigen ten behoeve van de bestemming ‘Sport’, één en ander nadat een ontwerptracébesluit zoals bedoeld in de Tracéwet is vastgesteld voor de A27, alsmede het daarmee samenhangende plasbrandaandachtgebied.

15

4 Artikel 11

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht

11.1 11.1.1

Overgangsrecht bouwwerken Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

11.1.2

Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 11.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 11.1.1 met maximaal 10%.

11.1.3

Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Artikel 11.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

11.2 11.2.1

Overgangsrecht gebruik Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

11.2.2

Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 11.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

11.2.3

Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in artikel 11.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

11.2.4

Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Artikel 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

16

Artikel 12

Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Haarweg, hervestiging paardensportvereniging’.

17

Digitale Watertoets

1 Bijlage 1 - Vergunningencheck Digitale watertoets - Bijlage 1 - Vergunningencheck Digitale water.pdf

Res ultaat van de check gedaan op 17-11-2021

Digitale watertoets in De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .

VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IN DE GEMEENTE IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.

Normale procedure

2.

c_watergangen_met_zonering

3.

Specifieke activiteiten en waterkwaliteit

OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE

17-11-2021, 17:24

P agina 1 van 9

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.

Gaat het plan uits luitend over functiewijziging van bes taande bebouwing zonder fys ieke aanpas s ing van bebouwing en ruimte? nee

2.

Is het totale plangebied groter dan 3500 m² ? ja

3.

Gaat het plan over activiteiten die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlaktewater? (Bij twijfel: vink 'ja' aan) ja

4.

a_watergangen nee

5.

a_watergangen_zone nee

6.

b_watergangen_met_zonering nee

7.

c_watergangen_met_zonering ja

8.

buitenbes chermings zone_waterkering nee

9.

kern_en_bes chermings zone_waterkering nee

10.

pers leidingen nee

11.

rioolgemaal nee

17-11-2021, 17:24

P agina 2 van 9

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets 12.

rioolwaterzuivering nee

13.

Wegen nee

17-11-2021, 17:24

P agina 3 van 9

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 1.

Normale procedure Wateradvies Normale procedure Uit de watertoets blijkt dat u de gangbare watertoets procedure moet volgen. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waters chap Rivierenland. Het waters chap wil vroegtijdig met u meedenken, u informeren en u advis eren over de waterhuis houdkundige as pecten van uw plan. Het waters chap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is . Deze uitgangs puntennotitie is onderdeel van de watertoets procedure.

Wat moet ik doen? Deze uitgangs puntennotitie vormt de s tart voor uw overleg met het waters chap. De notitie is automatis ch opges teld op bas is van uw antwoorden en uw ingetekende plangebied. Waters chap Rivierenland geeft in deze uitgangs puntennotitie aan welke wateras pecten van belang zijn voor uw ruimtelijke plan. De gemeente draagt ook zorg voor as pecten van de waterhuis houding. Daarom is het belangrijk om uw plan ook met hen af te s temmen. U kunt contact opnemen met uw accountmanager van Waters chap Rivierenland voor overleg. U vindt deze contactgegevens hier: https ://www.waters chaprivierenland.nl/accountmanagers -waters chap-rivierenlandgemeente

Beleid Waterschap Rivierenland Het waterbeheerprogramma is bepalend voor het beleid van Waters chap Rivierenland en wordt iedere zes jaar geactualis eerd. Het plan omvat alle watertaken van het waters chap op gebied van waterveiligheid, afvalwaterzuivering, s choon en voldoende water. Daarnaas t bes chikt het waters chap over een verordening: de Keur. In de Keur s taan regels voor de bes cherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijhorende kuns twerken. In de Alblas s erwaard en de Vijfheerenlanden beheert het waters chap ook wegen buiten de bebouwde kom (geen Rijks - of provinciale wegen). Hier is de Keur ook op van toepas s ing. De werkzaamheden in of nabij de watergangen, waterkeringen en wegen in beheer bij het waters chap worden getoets t aan de regels in de Keur. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn.

Klimaatadaptatie Water en ruimtelijke ordening zijn onlos makelijk met elkaar verbonden, zeker in ons veranderende klimaat. Extreme buien worden s teeds vaker afgewis s eld met perioden van droogte. We blijven ernaar s treven om voldoende water van voldoende kwaliteit bes chikbaar te hebben. Het waters chap heeft s amen met de gemeenten de taak om te zorgen voor een klimaatbes tendige inrichting van onze leefomgeving. Dit kunnen we niet alleen. U kunt een bijdrage leveren door uw plan zo klimaatbes tendig mogelijk in te richten. Denk bijvoorbeeld aan groene daken of natuurvriendelijke oevers . De kwaliteit van de leefomgeving of de biodivers iteit kan zo worden vergroot. Op de webs ite https ://bouwadaptief.nl/ kunt u zich laten ins pireren door klimaatadaptatieve projecten en vindt u een overzicht van mogelijke maatregelen.

17-11-2021, 17:24

P agina 4 van 9

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets Grondwater Waters chap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterpeil in s loten en vaarten. Dit peil heeft indirect effect op het grondwaterpeil. Gemeenten moeten overlas t door te veel of te weinig grondwater beperken. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het grondwater op hun perceel.

Drooglegging Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het s traatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. We advis eren voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het s traatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Z o voorkomt u overlas t door grondwater. We advis eren om onderzoek te doen in gebieden waar overlas t door grondwater bekend is of waar hoge grondwaters tanden voorkomen. U kunt maatregelen nemen om overlas t te voorkomen. Voorbeelden van maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte.

Infiltreren Het is wens elijk dat uw plan grondwaterneutraal is . Dit kan door hemelwater te infiltreren. U houdt zo water vas t voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaters tanden en de bodemopbouw dat toelaten. Het zijn de hogere gronden met een goede doorlatendheid. Onze accountmanager kan u hierover advis eren. Met een infiltratieonderzoek kunt u (laten) onderzoeken of en op welke wijze infiltratie kan plaats vinden.

Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot vers nelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlas t onts taat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Z o wordt het verlies van berging in de bodem gecompens eerd. Het is mogelijk dat u voor een eenmalige vrijs telling van de compens atieplicht in aanmerking komt. De eenmalige vrijs telling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in s tedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied. Z o voorkomen we dat individuele bewoners moeten compens eren voor voorzieningen zoals s erres , tuins chuurtjes , etc. Op s ommige locaties is het onwens elijk om de vrijs telling in te zetten, omdat bijvoorbeeld de waterhuis houdkundige s ituatie dan zou vers lechteren. Compens erende waterberging is dan wel nodig. Bes preek dit met de betreffende accountmanager van het waters chap. Is de toename in verharding groter dan 500 m² in s tedelijk gebied of groter dan 1500 m² in landelijk gebied dan is het mogelijk dat de vrijges telde oppervlaktes in mindering worden gebracht. Neemt in uw plan de verharding bijvoorbeeld toe met 600 m² in s tedelijk gebied, dan hoeft u met de vrijs telling maar voor 100 m² te compens eren. We gaan ervan uit dat gemeenten en organis aties deze vrijs telling op een eerder moment binnen ons beheergebied hebben ingezet.

Z ij hebben hier dan geen recht meer op hebben. U kunt contact opnemen met de afdeling vergunningen (vergunningen@ws rl.nl) van het waters chap om deze vrijs telling aan te vragen. U moet compens erende maatregelen nemen als u niet in aanmerking komt voor de vrijs telling of als u de vrijges telde oppervlaktes overs chrijdt. U zult daarover nadere afs praken moeten maken. Bes preek dit met uw accountmanager van het waters chap. Berekenen benodigde watercompens atie De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op bas is van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peils tijging in de watergangen. De 17-11-2021, 17:24

P agina 5 van 9

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets vuis tregel is dat er 436m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. De maximaal toelaatbare peils tijging bedraagt 0,20 meter in het gebied Alblas s erwaard en Vijfheerenlanden. In de res t van het beheergebied van Waters chap Rivierenland geldt een maximaal toelaatbare peils tijging van 0,30 meter. Dit geldt voor plannen met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m2. De vuis tregel geldt alleen bij waterberging in open water en als er geen s prake is van complicerende zaken (bijvoorbeeld kwel). In s tedelijk gebied kan waterberging ook worden gerealis eerd via een waterbergings bank (indien bes chikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in s tedelijk gebied tot 1500 m2 komen hiervoor in aanmerking. Voor plannen met meer dan 5000m² extra verharding wordt een aparte berekening gevraagd. Dit geldt ook voor plannen die waterhuis houdkundig complex zijn. Hierbij worden de volgende berekenings uitgangs punten gehanteerd: • De maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s /u. Dit is ook de afvoer die de watergangen in het landelijk gebied nog net aankunnen. • Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% ops lag vanwege de klimaatverandering (T=100+10%) mag er geen inundatie optreden.

• Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% ops lag vanwege klimaatverandering (T=10+10%) moet er voor het s traatpeil nog een drooglegging van 1,00 m zijn ten opzichte van zomerpeil. Voorkeurs volgorde aanleg watercompens atie Bij de keuze van het s oort bergings voorziening hanteert het waters chap de voorkeurs volgorde vas thoudenbergen-afvoeren: • Hergebruik en/of vas thouden Hierbij wordt het hemelwater binnen het plangebied verzameld en komt niet (direct) in het oppervlaktewater terecht. Dit kan bijvoorbeeld met groene polderdaken en wadi’s . Het ontwerp-, beheer- en onderhouds as pect s pelen een belangrijke rol bij deze voorzieningen. De initiatiefnemer dient aantoonbaar te maken dat de gerealis eerde berging kan blijven functioneren. Op hoge zandgronden met een lage grondwaters tand heeft infiltratie onze voorkeur. De gemiddelde hoogs te grondwaters tand (GHG) komt niet hoger dan 50 cm onder het maaiveld. U kunt de attentiekaart infiltratie met daarop kans rijke gebieden voor infiltratie bij onze accountmanager opvragen. Buiten deze gebieden is infiltratie ook mogelijk, zolang de gemiddelde hoogs te grondwaters tand niet hoger komt dan 50 cm onder maaiveld. In kwelgevoelige gebieden hanteren we de gemiddeld hoogs te s tijghoogte, omdat het grondwater in de winter (als de riviers tanden hoog zijn) hoger onder het maaiveld komt.

De gemiddeld hoogs te s tijghoogte mag niet hoger komen dan 50 cm onder maaiveld. Infiltratie vindt bij voorkeur plaats in de openbare ruimte (openbaar groen, bermen, etc.). In overleg met de accountmanager kan hiervan worden afgeweken. • Bergen Onder bergen vers taan we de opvang van hemelwater in het oppervlaktewater. Het hemelwater van het plangebied wordt opgevangen in het oppervlaktewater. Hier heeft het graven van nieuw oppervlaktewater de voorkeur boven het vergroten van bes taand water. Bij gebruik van bes taand water gaat de voorkeur uit naar watergangen die niet door Waters chap Rivierenland worden onderhouden. In het algemeen geldt dat compens atie in B-watergangen de voorkeur heeft boven compens atie in A-watergangen. Als de aanvrager kan aantonen dat compens atie in een B- of A-water redelijkerwijs niet mogelijk is , kan het waters chap ook compens atie in bes taande of nieuwe C-wateren toelaten. Bij aanleg of aanpas s ing van watergangen is het van belang rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaats en voor maaiboten en ops lagmogelijkheden voor s lootvuil en kroos . Om water van voldoende waterkwaliteit te houden (of krijgen), is ook het zelfreinigend vermogen van het 17-11-2021, 17:24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=857ffe84-1687-4928-821d-817b2f527481