6 HR21 Algemene Leeswijzer januari 2023
Tekst van het document
Leeswijzer Functiebeschrijven
1 januari 2023
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding ............................................................................................................................................................ 3 1.1
Een generiek functieboek in de praktijk
3
1.2
Competenties en rollen
4
1.3
Resultaatafspraken
4
Functiereeks en -groepen .................................................................................................................................. 7 2.1
Beschrijving van de functiereeksen en functiegroepen
7
3
Format generieke functies ............................................................................................................................... 12
4
Toelichting op gebruikte termen in de generieke functies ............................................................................... 14
5
4.1
Gebruikte termen
14
4.2
Niet gebruikte termen
21
4.3 Uitleg van begrippen 4.3.1 Relatieve zwaarte 4.3.2 Overwegend beeld 4.3.3 Lokale context
22 22 23 24
Indelen van functies ........................................................................................................................................ 27
HR21 | Algemene leeswijzer
2 29
1 Inleiding In deze leeswijzer wordt stilgestaan bij de uitgangspunten voor het opstellen van de generieke functies en het gebruik ervan. Tevens is een begrippenkader opgenomen dat kan worden gebruikt als hulpmiddel bij het lezen en interpreteren van de normfuncties. De leeswijzer is bedoeld voor alle organisaties die een licentie hebben op het gebruik van HR21. 1.1 Een generiek functieboek in de praktijk Wat zijn generieke functies? Een functie kan worden gedefinieerd als het samenstel van feitelijk opgedragen taken en werkzaamheden. De functiebeschrijving is hiervan de weergave. HR21 is opgebouwd uit zogenaamde generieke functiebeschrijvingen. Generiek wil zeggen dat de beschrijving kan worden toegepast op verschillende functies dwars door de organisatie. Om te bepalen welke generieke functiebeschrijving van toepassing is, kan het beste de volgende volgorde worden aangehouden: • De beoordeling van de vraag aan welk organisatieproces de functie overwegend een bijdrage levert. Hiermee wordt de functiereeks geselecteerd (bijv. beleid of dienstverlening). • De beoordeling van de vraag welke overwegende taken binnen dat proces worden uitgevoerd. Hier gaat het om de bijdrage die de functie binnen het proces levert. Aan de hand van deze vraag wordt de functiegroep geselecteerd (bijv. functiereeks Beleid, functiegroep Advies, Ontwikkeling, Beleidsuitvoering of Handhaving).
• De beoordeling van de relatieve zwaarte van de functie. Hierbij wordt gekeken naar de overwegende functiekenmerken en de niveaubepalende resultaatgebieden. HR21 bevat een zogenaamde (digitale) indelingswijzer waarin de gebruiker door middel van concrete vragen stap voor stap wordt meegenomen in de keuze van de functiereeks, -groep en functie. Wat zijn generieke functies niet? De inhoud van een generieke functiebeschrijving geeft de resultaten van de functie op hoofdlijnen weer. De generieke functie biedt dus geen weergave van alle specifieke taken die in een functie verricht worden. Ook zijn er geen specifieke elementen in de beschrijving terug te vinden waaraan ontleend kan worden binnen welke organisatorische eenheid of vakgebied de functie toepasbaar is. Dit impliceert ook dat specifieke functie-eisen niet passen binnen de context van de generieke beschrijving. De generieke functiebeschrijving geeft op hoofdlijnen weer welke taken vanuit de functie moeten worden verricht. De generieke beschrijving geeft geen informatie over het functioneren van medewerkers (bijvoorbeeld de zelfstandigheid) en hoe dit moet gebeuren (welk gedrag en vaardigheden zijn hiervoor nodig). Toepasselijkheid van resultaatgebieden en acties Over het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de functiehouder overwegend die werkzaamheden verricht die onder de resultaatgebieden beschreven staan.
In de praktijk kan het voorkomen dat een medewerker niet alle taken uitvoert die onder een resultaatgebied beschreven staan of wellicht maar één resultaatgebied uitvoert. Dit is mogelijk omdat het generieke karakter van de functie ervoor zorgt dat niet de volledige functie-inhoud van toepassing hoeft te zijn in tegenstelling tot organieke of specifieke functiebeschrijvingen. Het is wel van belang dat de aard en het niveau van de werkzaamheden die door de functiehouder uitgevoerd worden voldoende tot uiting komen in de functiebeschrijving. Hoe om te gaan met combinatiefuncties? In de praktijk kan het voorkomen dat een functie in het bestaande functiegebouw uit resultaatgebieden bestaat die qua aard van elkaar verschillen waardoor een keuze in één bepaalde functiereeks c.q. -groep lastig is. Wat is nu bepalend voor de indeling? Er dient gekeken te worden naar de tijdsbesteding van de diverse resultaatgebieden, waarbij het resultaatgebied waaraan in de praktijk de meeste tijd besteed wordt, doorslaggevend is. Op het moment dat een functie uit resultaatgebieden bestaat die qua zwaarte van elkaar verschillen, dan dient het ‘niveaubepalende’ resultaatgebied doorslaggevend te zijn in de keuze van de functiereeks c.q. -groep.
HR21 | Algemene leeswijzer
3 29
1.2 Competenties en rollen Binnen de context van de wendbare overheid leeft breed de wens om – waar mogelijk – flexibel om te kunnen gaan met functies. Dit heeft als doel om ook buiten de vaste structuren samen te kunnen werken aan maatschappelijke vraagstukken en snel in te kunnen spelen op veranderingen in de omgeving. Deze noodzaak wordt gevoed door de behoefte om mensen flexibel in te kunnen zetten op basis van talenten, competenties, resultaatafspraken en meerwaarde voor de organisatie. Op die manier komen doelstellingen van organisatie en medewerkers optimaal samen. Naast het sturen op resultaten, is het belangrijk om medewerkers te sturen en te ontwikkelen op gedrag en vaardigheden. Dit noemen we competenties. Competenties zijn een combinatie van kennis, houding, vaardigheden en gedrag. In de generieke functiebeschrijving worden de taken (het wat) beschreven, in het competentieprofiel worden de eigenschappen en vaardigheden (het HOE) beschreven die iemand moet hebben om de betreffende functie naar behoren te vervullen. De competentieprofielen worden ook door leidinggevenden gebruikt in de gesprekscyclus om te toetsen of iemand voldoet aan de eisen die worden gesteld aan zijn of haar functioneren. Ze zijn met andere woorden een belangrijk instrument voor de ontwikkeling en inzet van medewerkers. Het werken met competenties of rollen wordt door veel organisaties omarmd.
Er is een veelvoud van systemen op de markt om hier vorm aan te geven. HR21 gebruikers zijn vrij in de wijze waarop zij daar al dan niet inhoud aan geven. De normfuncties van HR21 vormen daarbij de basis van de soort werkzaamheden (het WAT) en de competenties en/of rollen geven aan welk gedrag gewenst is (het HOE). Voor bijna alle normfuncties van HR21 zijn competentieprofielen gemaakt die eventueel gebruikt kunnen worden, behalve voor de functiereeksen Veiligheidszorg en Publieke gezondheidszorg. De competentieprofielen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen: 1. Een beschrijving van de functiereeks en functiegroep waar de betreffende normfunctie onderdeel van is. 2. De overwegende functiekenmerken die de functie op hoofdlijnen kenmerken. 3. De kritische werksituaties van de normfuncties. In dit onderdeel worden situaties beschreven waarin een medewerker zich positief kan onderscheiden. Hieruit blijkt welk gedrag essentieel is voor succesvol functioneren. Een voorbeeld hiervan is: Weerstand - verschillende belangen en verwachtingen stellen eisen aan de wijze waarop de adviseur draagvlak moet creëren. 4. De geselecteerde functiecompetenties met bijbehorend definities en de geselecteerde niveaus die zijn uitgewerkt in gedragsindicatoren/gedragsvoorbeelden. 5. De vakkennis van de normfunctie.
Welke kennis, vaardigheden en opleiding zijn nodig voor het succesvol uitoefenen van de functie? Hierbij gaat het niet om heel specifieke kennis of opleidingseisen omdat het generieke functies betreft. Er worden wel, indien mogelijk, voorbeelden van opleidingsrichtingen genoemd. De competentieprofielen kunnen gebruikt worden bij het maken van resultaatafspraken en bieden handvaten om deze in het gesprek tussen leidinggevende en medewerker verder uit te werken en eventueel aan te vullen. 1.3 Resultaatafspraken Generieke functiebeschrijvingen zijn meer algemeen en op hoofdlijnen beschreven en geven niet op detailniveau alle werkzaamheden weer. Vandaar ook dat wordt gezegd dat een generieke beschrijving het overwegende karakter van de functie omschrijft en een weergave is van de niveaubepalende (algemene) taken en resultaatgebieden. Uiteraard is het wel belangrijk dat medewerkers weten wat er van hen wordt verwacht. Dit kan vast worden gelegd in de resultaatafspraken die worden gemaakt in de gesprekken tussen leidinggevende en medewerkers. Sommige organisaties kiezen er voor om de afspraken vast te leggen door middel van een resultaatbeschrijving.
Een resultaatbeschrijving en resultaatafspraak worden op verschillende ‘niveaus’ gemaakt: Op het moment dat in een functie dit specifiek (para)medisch of verpleegkundig handelen naar de achtergrond verdwijnt (veelal zal dan ook de strakke eis aan registratie en onderliggende diplomering vervallen) dan kan terug worden gevallen op de reguliere reeksen zoals Beleid of Ondersteuning.
HR21 | Algemene leeswijzer
4 29
•
Op functieniveau: op het vakgebied kunnen de generieke normbeschrijvingen worden uitgewerkt in concrete resultaten behorende bij concrete (of specifieke) functies eventueel aangevuld met prestatie indicatoren. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de uitwerking van de generieke normfuncties van adviseur IV in een resultaatbeschrijving voor de HR-adviseur of de communicatieadviseur. HR21 biedt een format om deze resultaatbeschrijvingen te maken. Dit is te vinden in de webapplicatie van HR21.
•
Op medewerkersniveau: voor iedere medewerker kan de resultaatafspraak op maat worden gemaakt. Het is sowieso de bedoeling dat leidinggevende en medewerker periodiek afspraken maken over prestaties op basis van bijvoorbeeld organisatie- en afdelingsplannen. Deze resultaatafspraken kunnen zowel betrekking hebben op concrete producten als op de kwaliteit/kwantiteit daarvan. Een resultaatafspraak is feitelijk de individuele vertaling van de generieke beschrijving in een concrete werkplanning. Daarnaast worden er vaak ook afspraken gemaakt over de competenties (gedrag, houding en vaardigheden) en ontwikkelpunten in algemene zin. Door de resultaatafspraken kunnen de werkzaamheden van de medewerker worden geëvalueerd en beoordeeld.
Het maken van resultaatafspraken Bij het maken van resultaatafspraken vormt de generieke normfunctie het kader. Als voorbeeld wordt de generieke normfunctie medewerker bedrijfsvoering I gebruikt. Op basis van de resultaatgebieden en onderliggende taken wordt aan de normfunctie een meer concrete invulling gegeven. Input hiervoor kan bijvoorbeeld komen uit: afdelings- of teamplan, projectplannen, vacatureteksten e.d. De volgende stappen worden hierbij gevolgd: 1. Bekijk per resultaatgebied inclusief onderliggende taken welke concrete invulling er wordt verwacht van de medewerker op deze functie in de komende periode. Hierbij kunnen vragen worden gesteld als: a. Resultaatgebied Beheer administratie(s): • Welke administraties worden ingericht? • Over welke bedrijfsvoeringsaangelegenheden wordt geadviseerd? b. Resultaatgebied Gegevensbewerking: • Over welke rapportages wordt geadviseerd? Wat houdt de advisering precies in? • Welke gegevens worden geanalyseerd? • Welke rapporten worden gegenereerd? c. Resultaatgebied Regelingen: • Over de uitvoering van welke regelingen en besluiten wordt geadviseerd? • Welke regelingen en besluiten worden uitgevoerd? 2.
Maak vervolgens de invulling waar mogelijk zo specifiek mogelijk. Hierbij kunnen vragen gesteld worden als wat, wie, waar, wanneer en waarom. Bijvoorbeeld: • Wanneer worden de genoemde administraties ingericht? • Aan wie wordt geadviseerd? Wanneer/hoe vaak/met welke afbakening? • Voor wie zijn de rapporten bestemd? Wanneer worden de rapporten gegenereerd en opgeleverd? Hoe veel en hoe vaak?
3.
Bepaal met elkaar wanneer het resultaat in orde is. De te stellen vraag hierbij is steeds: wat moet het opleveren/ wat is het te behalen doel? • Wanneer zijn we tevreden met de ingerichte administraties? • Wat verwachten we van de advisering over de bedrijfsvoeringsaangelegenheden? Wat moet het opleveren? • Wanneer is het uitvoering geven aan regelingen en besluiten een succes?
HR21 | Algemene leeswijzer
5 29
Op deze wijze ontstaan concrete en heldere afspraken tussen medewerker en leidinggevende over de werkzaamheden op basis van de generieke normfunctie. Daar waar de generieke normfunctie in principe een statisch document is, vormen de werkafspraken veel meer een dynamisch stuk dat periodiek aangepast kan worden. In welke vorm dit wordt vastgelegd en beheerd is een keuze aan de organisatie. Er zijn diverse systemen die deze manier van werken ondersteunen. In de periodieke gesprekken tussen medewerker en leidinggevende is het belang dat steeds wordt gekeken naar de basis: passen de specifieke werkzaamheden nog binnen het kader van de normfunctie. Indien hierover twijfel bestaat, kan een functie in periodiek onderhoud meegenomen worden.
HR21 | Algemene leeswijzer
6 29
2 Functiereeks en -groepen De generieke functies worden gerangschikt in functiereeksen en functiegroepen. De functiereeks is een weergave van het organisatieproces. De functiegroep weerspiegelt de bijdrage van de functie binnen het organisatieproces. Deze rangschikking is te vergelijken met een indeling in hoofdstukken en is niet meer dan een praktische ordening van alle generieke functies. Bij de naamgeving van functies binnen de functiegroepen is gebruikgemaakt van een cijferaanduiding (I, II, III, IV enz.) waarbij I de zwaarste functie is. Deze cijferaanduiding is bedoeld als hulpmiddel om de opbouw van de beschikbare normfuncties in het bestand van HR21 inzichtelijk te maken. 2.1 Beschrijving van de functiereeksen en functiegroepen Onderstaand worden de definities van de functiereeksen en functiegroepen gegeven. Functiereeks Management: Leidinggeven aan en organiseren van activiteiten en verantwoordelijkheden van een groep medewerkers binnen (een deel van) de organisatie. Binnen de budgettaire randvoorwaarden en de vastgestelde inzet van mensen en materiële middelen aanspreekbaar zijn op de realisatie van de vastgestelde doelen en beleid. Management omvat tevens het structureel aansturen en realiseren van programma’s en/of projecten.
Functiegroep Strategisch I: Integraal leidinggeven aan de organisatie of een omvangrijk deel van de organisatie (domein) en (eind)verantwoordelijk voor de lange termijn visieontwikkeling en strategische integrale bedrijfsvoering van de organisatie of het domein. Uitvoering vindt plaats binnen de context van wet- en regelgeving en/of bestuurlijke algemene kaders en/of doelstellingen. Functiegroep Strategisch II: Integraal leidinggeven aan het organisatieonderdeel en mede verantwoordelijk voor de doorontwikkeling en innovatie van de lange termijn visieontwikkeling en strategische bedrijfsvoering van de organisatie. Uitvoering vindt plaats binnen de context van wet- en regelgeving en/of bestuurlijke en ambtelijk vastgestelde kaders, doelstellingen en beleid. Functiegroep Strategisch III: Integraal leidinggeven aan het organisatieonderdeel en bijdragen aan de visieontwikkeling en strategische bedrijfsvoering van de organisatie. Uitvoering vindt plaats binnen de context van wet- en regelgeving en/of bestuurlijke en ambtelijk vastgestelde kaders, doelstellingen en beleid. Functiegroep Tactisch: Leidinggeven aan een organisatie-eenheid en bijdragen aan de ontwikkeling van beleid en kaders van het organisatieonderdeel. De leidinggevende draagt, binnen de kaders van de bedrijfsvoering van het organisatieonderdeel, zorg voor de uitvoering van de personele en financiële taken.
Uitvoering en toetsing vindt plaats binnen de context van wet- en regelgeving en/of vastgestelde kaders, beleid en service level agreements. Functiegroep Operationeel: Leidinggeven aan een organisatie-eenheid. De leidinggevende draagt, binnen de kaders van de bedrijfsvoering van het organisatieonderdeel, zorg voor de uitvoering van de personele en financiële taken. Uitvoering en toetsing vindt plaats binnen de context van wet- en regelgeving en/of vastgestelde kaders, beleid en service level agreements.
HR21 | Algemene leeswijzer
7 29
Functiegroep Programma’s: Structureel aansturen van programma’s gericht op het bereiken van doelstellingen op de lange termijn en, gericht op het initiëren en regisseren van ontwikkelingsprocessen met betrekking tot samenhangende projecten en activiteiten in een tijdelijke organisatie. Functiegroep Projecten: Structureel aansturen van projecten. Met een project wordt gestuurd op het bereiken van een resultaat, binnen afgebakende kaders, doelstellingen en middelen. In een project zijn verschillende disciplines vertegenwoordigd. Een project kan onderdeel uitmaken van een programma.
Functiereeks Beleid: Het adviseren over, ontwikkelen, uitvoeren of handhaven van beleidsterreinen en beleidsprocessen. Functiegroep Advies: Advisering en (beleids)ontwikkeling vanuit intern gerichte beleidsvelden en processtructuren. Voor de uitvoering geldt een interne opdrachtgever-opdrachtnemer relatie. Resultaten worden getoetst aan interne service level agreements, kwaliteitsnormen, protocollen en/of fundamentele keuzes. Functiegroep Ontwikkeling: Het initiëren en/of ontwikkelen van extern gericht beleid. Binnen de functiegroep ligt de nadruk op het ontwikkelen van nieuw beleid, waarbij de context bekend kan zijn of innovatieve oplossingen bedacht moeten worden. Nieuw beleid wordt getoetst aan politieke keuzes, budgettaire afwegingen, wet- en/of regelgeving, kwaliteitsnormen en effectmetingen. Functiegroep Beleidsuitvoering: Het adviseren over, uitvoeren en/of toepassen van vastgesteld beleid en/of wet- en regelgeving, producten en diensten. Binnen de functiegroep ligt de nadruk op het uitvoeren van technische of specialistische taken. De uitvoering wordt getoetst aan voor het beleidsterrein geldende kaders, besluiten, kwaliteitsnormen en protocollen.
Functiegroep Handhaving: Het toezien op, controleren en/of handhaven van de correcte naleving van beleid en wet- en regelgeving, gemeentelijke voorschriften en vergunningen/beschikkingen en het, indien nodig, opleggen van maatregelen en/of sancties. De uitvoering wordt getoetst aan specifieke voorschriften, besluiten, kaders en protocollen. Door de aard van de werkzaamheden en de hierbij behorende contacten, is er in deze functiegroep een verhoogd risico op (verbale) agressie.
HR21 | Algemene leeswijzer
8 29
Functiereeks Realisatie: Het leveren van (specialistische) producten en diensten gericht op het ontwikkelen, verbeteren en in stand houden van de openbare ruimte door studie, ontwerp, voorbereiding, directievoering, uitvoering van en toezicht op technische werken. Functiegroep Ontwerp & Voorbereiding: Advisering en (beleids)ontwikkeling vanuit intern gerichte beleidsvelden en processtructuren. Voor de uitvoering geldt een interne opdrachtgever-opdrachtnemer relatie. Resultaten worden getoetst aan interne service level agreements, kwaliteitsnormen, protocollen en/of fundamentele keuzes. Functiegroep Toezicht: Het aannemen van of toezicht houden op aanleg, onderhoud, verbetering of beheer van technische werken in de openbare ruimte. Werkzaamheden die zowel door eigen medewerkers of derden worden uitgevoerd waarbij er geen sprake is van hiërarchische relatie. Binnen de functiegroep ligt het accent op het begeleiden van, toezien op en controleren van technische of specialistische taken. Functiegroep Technische uitvoering: Het uitvoeren van technische werkzaamheden op het terrein van aanleg, onderhoud of beheer in de openbare ruimte. Werkzaamheden die zowel in eigen beheer of in samenwerking met private partijen worden uitgevoerd.
Functiereeks Beheer:
Uitvoeren van beheersmatige werkzaamheden met betrekking tot locatie(s), systemen, gegevens en bedrijfsvoering.
Functiegroep Locatie: Het uitvoeren van beheersmatige werkzaamheden met betrekking tot een of meerdere locaties, zoals een accommodatie of een deel van de openbare ruimte. Binnen de functiegroep ligt het accent op het zorgdragen voor beheer en onderhoud van de locatie(s), waaronder het adviseren over beheer en onderhoud, toezien op gebruik, orde en veiligheid van de locatie(s) en het uitvoeren van service en onderhoud. Door de aard van de werkzaamheden en de hierbij behorende contacten, is er in deze functiegroep een verhoogd risico op (verbale) agressie. Functiegroep Systemen: Het uitvoeren van beheersmatige werkzaamheden met betrekking tot ICT-systemen, netwerken en/of applicaties. Binnen de functiegroep ligt het accent op inrichten en beheren, het hierover adviseren en het ondersteunen van gebruikers. Functiegroep Gegevens: Het uitvoeren van beheersmatige werkzaamheden met betrekking tot (digitale) gegevens en informatie. Binnen de functiegroep ligt het accent op omgaan met documenten, gegevens en gegevensstromen, waaronder het adviseren over (digitalisering van) gegevensbeheer en het inrichten, beheren, controleren en inrichten van (digitale) gegevens en informatie. Functiegroep Bedrijfsvoering: Het uitvoeren van beheersmatige werkzaamheden met betrekking tot bedrijfsvoering in brede zin ter ondersteuning van zowel in- als externe processen.
Binnen de functiegroep ligt het accent op het inrichten en/of beheren van administratie(s), gegevensbewerking en/of uitvoeren van wet- of regelgeving.
HR21 | Algemene leeswijzer
9 29
Functiereeks Dienstverlening: Met een duidelijke focus op de klant en vanuit een breed dienstverleningspakket leveren van producten en diensten aan burgers, instanties en bedrijven. Ook het verzorgen van educatie (in brede zin) valt binnen deze functiereeks. Functiegroep Publiek: Leveren van producten en diensten voortkomend uit de kerntaken van de organisatie, waarbij sprake is van rechtstreeks contact met de burger met betrekking tot eerstelijns dienstverlening. Door de aard van de werkzaamheden en de hierbij behorende contacten, is er in deze functiegroep een verhoogd risico op (verbale) agressie. Functiegroep Educatie: Verzorgen van educatie, onderwijsondersteuning en voorlichting aan burgers, bezoekers en instellingen. Binnen de functiegroep ligt het accent op de interactie met de ontvangers van de educatie en voorlichting, gericht op overdracht van informatie, kennis en vaardigheden. Door de aard van de werkzaamheden en de hierbij behorende contacten, is er in deze functiegroep een verhoogd risico op (verbale) agressie.
Functiereeks Ondersteuning: Het verlenen van inhoudelijke, secretariële, administratieve, procesmatige, facilitaire of algemene ondersteuning, gericht op een optimaal verloop van de werkprocessen. Functiegroep Administratief & Secretarieel: Het uitvoeren van secretariële en/of administratieve taken, zoals het verzorgen van een secretariaat, het verrichten van algemeen (inhoudelijke) ondersteunende werkzaamheden en/of het bewaken van processen. Functiegroep Facilitair: Het uitvoeren van facilitaire taken in brede zin, zoals het beheren en/of onderhouden van gebouwen, werkplekken en terreinen en het uitvoeren van restauratieve, bode-, repro-, post- en/of archieftaken en diensten. Functiegroep Algemeen: Assisteren bij uitvoerende, ondersteunende en/of toezichthoudende werkzaamheden.
Functiereeks Veiligheidszorg: Het bestrijden van incidenten, crises en rampen. Functiegroep Incidentbestrijding: Incidentbestrijding is gericht op het bestrijden, oplossen, beheersen en verminderen van de gevolgen van plotseling voorkomende en/of onvoorziene gebeurtenissen en omstandigheden (waaronder brandbestrijding). Door de aard van de werkzaamheden en de hierbij behorende contacten, is er in deze functiegroep een verhoogd risico op (verbale) agressie. In de HR21 leeswijzer functies Veiligheidszorg is meer informatie te vinden over de uitgangspunten voor het opstellen van deze functiereeks, het gebruik ervan, de piketten en de specialismen.
HR21 | Algemene leeswijzer
10 29
Functiereeks Publieke gezondheidszorg: Het organiseren en/of leveren van (para)medische en/of gespecialiseerde (verpleegkundige) zorg, begeleiding of dienstverlening op het brede terrein van de publieke gezondheid gericht op het bevorderen (individueel en collectief) van gezond gedrag, maatschappelijk functioneren, bescherming van de publieke gezondheid door onderzoek, advies, interventies en bewaking van (gezondheid)risico’s bij verschillende publiek- en doelgroepen. Functiegroep Behandeling en Advies: Het verrichten van onderzoek en diagnostisering en het organiseren en verlenen van curatieve en preventieve medische zorg en interventies. Het ondersteunen/begeleiden van en/of adviseren aan cliënten, organisaties en/of ketenpartners op het gebied van preventie, veiligheid en gezondheid. Door de aard van de werkzaamheden en de hierbij behorende contacten, is er in deze functiegroep een verhoogd risico op (verbale) agressie. Functiegroep Publieke gezondheid: Het organiseren van, adviseren over of leveren van algemene of gespecialiseerde preventieve en/of curatieve (verpleegkundige en/of paramedische) zorg en begeleiding aan verschillende publiek- en doelgroepen, zowel individueel als collectief. Door de aard van de werkzaamheden en de hierbij behorende contacten, is er in deze functiegroep een verhoogd risico op (verbale) agressie.
In de HR21 leeswijzer functies Publieke gezondheidszorg is meer informatie te vinden over de uitgangspunten en toepassing van deze functiereeks.
HR21 | Algemene leeswijzer
11 29
3 Format generieke functies Het onderstaande format is gebruikt voor het beschrijven van de functies in HR21. In de cursieve teksten wordt uitleg gegeven wat er bij een bepaald onderdeel van de beschrijving moet worden ingevuld.
Norm functienaam
< de naam van de generieke functie zoals deze in het normbestand voorkomt (bijv. medewerker publiek II) >
Functie Code
< de code van de generieke functie. De letter geeft aan of het een normfunctie (N) of een lokale functie (L) is. Het eerste cijfer is het nummer van de functiereeks, het tweede cijfer is het nummer van de functiegroep en het derde cijfer is het nummer van de functie. >
Functiereeks
< De naam van de functiereeks. >
Functiereeks omschrijving
< De definitie van de functiereeks. >
Functiegroep
< De naam van de functiegroep. >
Functiegroep omschrijving
< De definitie van de functiegroep. >
Overwegende functiekenmerken
< Hier zijn de onderscheidende aspecten van de betreffende functie ten opzichte van de naastliggende (hogere of lagere) functie binnen dezelfde functiegroep opgenomen. Ook wordt hier het eventuele risicoprofiel (in de contactensfeer) van de functie beschreven.>
Generieke taken
< Hier wordt weergegeven wat de belangrijkste resultaatgebieden van de functie zijn. Per functie zijn minimaal een en maximaal vijf resultaatgebieden opgenomen. Onder de resultaten zijn de acties weergegeven die leidend zijn voor het resultaatgebied. Deze acties zijn beschreven in de derde persoon enkelvoud. De acties zijn niet uitputtend beschreven. Per resultaatgebied worden maximaal vijf acties benoemd. De volgorde van de resultaatgebieden is meestal een zogenaamde procesvolgorde. In een aantal gevallen wordt de volgorde bepaald door daar waar de nadruk op ligt als eerste resultaatgebied te noemen. > Resultaatgebied 1: @ • @ • @ • @ Resultaatgebied 2: @ • @ • @ • @
HR21 | Algemene leeswijzer
12 29
Module
HR21 | Algemene leeswijzer
< Een aantal resultaatgebieden is niet structureel te koppelen aan generieke functies. Een voorbeeld hiervan is coördinatie. Dit resultaatgebied is modulair (en dus flexibel). Het werken met een module heeft als belangrijk voordeel dat de toevoeging op een uniforme wijze wordt beschreven en toegepast. Indien een module van toepassing is wordt dit onder het kopje ‘Module’ vermeld. De module coördinatie is niet met het functiewaarderingssysteem gewaardeerd. Dit kan ook niet omdat de zwaarte mede afhankelijk is van de inhoudelijke werkzaamheden die worden verricht. Wanneer de coördinatiemodule van toepassing is, adviseren wij in het lokale beloningsbeleid op te nemen welke consequenties de coördinatiemodule heeft voor de beloning. >
13 29
4 Toelichting op gebruikte termen in de generieke functies Bij het opstellen van de generieke functie is het van belang dat identieke termen voor identieke of vergelijkbare werkzaamheden gebruikt worden. Hieronder volgt een overzicht van een aantal bijzondere termen die in de diverse generieke functies zijn gebruikt en hun betekenis. Daarnaast wordt bij een aantal termen uitleg gegeven waarom deze juist niet in de generieke functies zijn opgenomen. 4.1
Gebruikte termen
A Aanvraagbehandeling: Het behandelen van aanvragen die door burgers en bedrijven bij de organisatie worden ingediend. Hierbij kan het gaan om aanvragen voor vergunningen of om andere aanvragen zoals bijvoorbeeld aanvragen in het kader van WMO. Adviseren: Het verzamelen, groeperen, analyseren en verwerken van gegevens betreffende een activiteit of ontwikkeling om bij te dragen aan het vormen van een voorstel of besluit. Hierbij wordt inzicht en zienswijze gegeven op basis van eigen deskundigheid. Deskundigheid betreft kennis en inzicht op een bepaald terrein verkregen door studie en/of ruime ervaring. Afstemming en samenhang: Afstemming en samenhang zoeken in beleid of ten aanzien van vraagstukken en processen door de (beleids)onderdelen te koppelen aan gezamenlijke uitgangspunten, doelstellingen of referentiekaders. Afwegingen, fundamentele en thema-overstijgende afwegingen: Afwegingen die de grondbeginselen raken en overkoepelend aan een thema. Afwegingen, organisatorische en/of financieel/economische afwegingen: Afwegingen waarin het organisatiebelang, de bedrijfsprocessen en/of de financiële aspecten als budget, of begroting een rol spelen. Allround taken/werkzaamheden: Veelomvattende taken, in alle opzichten, breed. Assisterende werkzaamheden: Het uitvoeren van werkzaamheden onder direct toezicht, op aanwijzing of inhoudelijke aansturing van een andere medewerker.
HR21 | Algemene leeswijzer
14 29
B Belangen, tegenstrijdige belangen: Belangen die tegen elkaar ingaan. Beleid: Het geheel van (schriftelijke) afspraken over doelstellingen, prioriteiten en werkwijzen dat richting geeft aan het huidige en toekomstige handelen van een organisatorische eenheid. Wanneer gesproken wordt over beleid is het van belang te kijken waarop het beleid betrekking heeft (welk onderwerp, welk deel van de organisatie). Beleid kan vertaald worden in instrumenten, regelingen of procedures. Beleidsontwikkeling: Het ontwikkelen en formuleren van beleidsvoorstellen of beleidsplannen met als doel het komen tot beleid. Hieraan gaat over het algemeen een fase van analyse en/of onderzoek vooraf. Denk aan het (creatieve) proces van het formuleren van doelen, het zoeken naar of het ontwikkelen van instrumenten, methoden, technieken en het bepalen van noodzakelijke activiteiten en middelen. Beleidsuitvoering: Het uitvoeren van beleid aan de hand van uitvoeringsplannen en richtlijnen. Beleidsterrein/-veld, extern, intern gericht beleidsveld: Extern gericht beleidsveld: Gericht op beleid dat voor bedrijven en inwoners wordt ontwikkeld, zoals bijvoorbeeld: ruimtelijk beleid, maatschappelijk beleid etc. Intern gericht beleidsveld: Gericht op de interne ondersteuning van de eigen afdelingen c.q. organisatie, zoals bijvoorbeeld: communicatie, financiën, HRM, ICT, Juridisch etc.
De interne klant neemt daarmee een product of dienst af binnen dezelfde organisatie. Bepalend voor/draagt bij aan het imago van de organisatie: Bepalend voor de uitstraling of reputatie van de organisatie. Beslist, beslissen: Bepalen, bevoegde keuze maken. Bestuur: Het bevoegd gezag dat eindverantwoordelijk is voor de organisatie en haar producten en middelen zoals het Dagelijks Bestuur, het College van Burgemeester en Wethouders en/of de Raad. Bestuurlijk- en concernniveau: De gehele organisatie betreffende, bijvoorbeeld directie of het overkoepelende Managementteam met organisatiebrede verantwoordelijkheden. Daarbij is bestuurlijke afstemming nodig. Bewaakt processen: Het toezien op activiteiten die op elkaar zijn afgestemd of elkaar opvolgen en het signaleren van afwijkingen.
C Complex(e): De toevoeging complex wordt gebruikt in vergelijkende zin binnen een functie(groep). Werkzaamheden op een bepaald werkterrein worden als meer complex gezien ten opzichte van werkzaamheden op het werkterrein van de naast lagere functie binnen een functiegroep. Complexiteitsaanduiding is dan ook altijd relatief ten opzichte van een andere functie en zegt niets over de complexiteit in absolute zin. De complexiteit van het werk heeft betrekking op de moeilijkheidsgraad van het werk, de ingewikkeldheid van de onderwerpen of zaken die behandeld moeten worden en de aard en omvang van de problemen die zich bij de werkuitvoering kunnen voordoen. Concern- en breder managementniveau: De gehele organisatie betreffende, bijvoorbeeld directie of het overkoepelende Managementteam met organisatiebrede verantwoordelijkheden, dan wel een omvangrijk deel van de organisatie.
HR21 | Algemene leeswijzer
15 29
Concernbreed: De gehele organisatie betreffende. Controleren: Checken, nakijken, natrekken op correctheid en/of volledigheid. Cyclisch: Repeterend, zich herhalend. Wanneer wordt gesproken over een werkgebied met cyclische taken of werkzaamheden, dan houdt dit in dat door de herhaling van processen er niet telkens een nieuwe aanpak, werkwijze of uitvoeringsmethode hoeft te worden bedacht.
D Domein: Een omvangrijk deel van de organisatie. Een domein omvat meerdere organisatieonderdelen. Doorlooptijd, lange, middellange, korte doorlooptijd: Korte termijn: tot 3 jaar. Middellange termijn: 3 tot 5 jaar. Lange termijn: 5 jaar of langer. Deze termijnen worden gemiddeld genomen gehanteerd en staan niet vast. Draagt zorg voor: De medewerker heeft de eindzorg voor het product dat gerealiseerd wordt. Andere medewerkers kunnen een deel van de feitelijk te verrichten werkzaamheden voor hun rekening nemen en hierbij begeleiding en operationele aanwijzingen ontvangen van degene die de eindzorg heeft (ervoor 'zorg draagt'). Er hoeft hierbij niet noodzakelijkerwijs sprake te zijn van leidinggeven. De medewerker die 'zorgdraagt' kan zelf ook deelnemen aan het feitelijk verrichten van de werkzaamheden.
E Educatieprogramma: Een nota of rapport met samenhangende activiteiten gericht op leren en ontwikkelen van individuen of groepen. Eenvoudige werkzaamheden: Niet ingewikkelde standaard taken binnen specifieke kaders en instructies. Het gaat vaak om repeterend werk, dat na weinig of korte instructie uitgevoerd kan worden. Eindverantwoordelijk: Dit impliceert dat de medewerker als laatste in de hiërarchische lijn verantwoordelijk is voor de genoemde taak ook wanneer de uitvoering of verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taak bij een andere medewerker ligt. Bij verschil van mening kan de eindverantwoordelijke medewerker een doorslaggevende beslissing nemen.
F Functiereeks: Een beschrijving van een groep functies die in overwegende mate een bijdrage leveren aan hetzelfde organisatieproces. Bijvoorbeeld de functiereeks Management, Beleid of Realisatie. Functiegroep: Een onderverdeling van een groep functies binnen een functiereeks die qua aard van de werkzaamheden dezelfde bijdrage leveren aan het organisatieproces. Bijvoorbeeld de functiegroep Ontwerp & voorbereiding, Toezicht of Technische uitvoering binnen de functiegroep Realisatie.
HR21 | Algemene leeswijzer
16 29
G Gezichtsbepalend: Toonaangevend.
I Impact, politieke, financiële en maatschappelijke impact: De mate waarin iets effect heeft of van invloed is op. Impact en urgentie worden gebruikt om prioriteit aan te geven. Er is sprake van invloed zijn op politiek-/bestuurlijke samenwerking dan wel grote gevolgen op financieel of maatschappelijk gebied. Impact, grote, zeer hoog, hoge, directe, beperkte of enige impact: Begrippen als groot, zeer hoog, hoog, direct, beperkt of enig zijn begrippen die de omvang aangeven. Deze begrippen dienen in relatieve samenhang, in de lokale context ingevuld te worden. Innovatief karakter: De werkzaamheden hebben betrekking op het bedenken en uitwerken van nieuwe technologische, instrumentele of conceptuele ideeën, producten, diensten en/of processen. Het gaat om (baanbrekende) vernieuwing met een hoog oorspronkelijkheidsgehalte. Input leveren: Een eigen bijdrage leveren door bijvoorbeeld kennis of inzicht te leveren of het leveren van een (deel)product. Inrichten: Het structuur geven aan of het opzetten van een netwerk, systemen, applicaties en/of administraties. Instructie, geeft instructies/werkinstructie/ opleiding, oefening en instructie: Werkinstructie: Gedetailleerde aanwijzingen over de uitvoering van de taken. Instructie geven: Het geven van voorschriften en aanwijzingen over de uitvoering van activiteiten.
Integraal: Vanuit meerdere invalshoeken en gezichtspunten bekeken met als doel een samenhangende afweging of beslissing te maken. Integraal management: Management waarbij de eindverantwoordelijkheid is belegd voor de primaire processen, (uitvoering van) beleid, de realisatie van de producten/diensten van (een deel van) de organisatie en tevens de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de PIOFACH-taken, inclusief de daarbij horende beslissingsbevoegdheden. PIOFACH-taken: taken op het gebied van Personeel, Informatie, Organisatie, Financiën, Automatisering, Communicatie en Huisvesting. Interpreteren: Het uitleggen of verklaren van situaties, regelgeving, procedures en/of processen. Een interpretatie gaat meestal vooraf aan het nemen van beslissingen of het uitvoeren van activiteiten. Invloed, grote, fundamentele, merkbare of geringe invloed: Begrippen als groot, fundamenteel, merkbaar of gering zijn begrippen met relatieve samenhang, die in de lokale context ingevuld en/of ten opzichte van andere functies binnen de organisatie bezien moeten worden.
L Leidinggeven: Het vanuit een hiërarchische positie leidinggeven aan een organisatorische eenheid, inclusief de daarbij behorende personele en financiële aspecten en derhalve verantwoordelijk en aanspreekbaar zijn op het resultaat. Met leidinggeven wordt dus niet het functioneel aansturen of leidinggeven aan medewerkers bedoelt.
HR21 | Algemene leeswijzer
17 29
Levert een bijdrage aan: De werkzaamheden die door de medewerker worden verricht zijn een onderdeel van een groter geheel. De medewerker is wel zelf verantwoordelijk voor het gedeelte van de taken, dat aan deze persoon is toebedeeld. Het integreren van de verschillende onderdelen ligt bij een andere medewerker binnen de organisatie.
M Mede: De werkzaamheden die door de medewerker worden verricht zijn een onderdeel van een groter geheel. De medewerker is zelf verantwoordelijk voor het gedeelte van de taken, dat aan deze persoon is toebedeeld. Het integreren van de verschillende onderdelen ligt bij een andere medewerker binnen de organisatie of wordt gezamenlijk uitgevoerd. Indien sprake is van mede verantwoordelijkheid dan worden beslissingen in consensus genomen, maar bij verschil van mening beslist de eindverantwoordelijke medewerker. Multidisciplinair: Het uitwisselen van kennis en ervaring met andere werkterreinen of vakdisciplines en het integreren van de uitkomsten in het eigen werk. Het werk heeft daarmee raakvlakken met verschillende vakgebieden die geïntegreerd moeten worden in de uitkomsten van het eigen werk. Bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van beleid op het gebied van ruimtelijke ordening, moeten de beleidsvelden bouwen, verkeer, milieu e.d. betrokken worden en geïntegreerd worden in het eigen werk.
N Nauwe/sluitende kaders: Sterk begrensde kaders.
O Onderzoek en/of studies begeleiden en uitvoeren: Het doen en richting geven aan onderzoeken en/of studies. Operationeel: Doelgerichtheid, doelmatigheid en gebruiks- en publiekgerichtheid van de op uitvoering gerichte taken en werkzaamheden voor de middellange en korte termijn. Organisatie, concernbreed: De gehele organisatie betreffende. Organisatie-eenheid: Een deel van een organisatieonderdeel, bijvoorbeeld: cluster, unit of team. Organisatie-eenheid (ontwikkelend en multidisciplinair): Er is overwegend sprake van werkzaamheden die een grote mate van complexiteit kennen en een (strategisch) ontwikkelend en multidisciplinair karakter hebben, bijvoorbeeld het ontwikkelen van strategisch beleid. Organisatie-eenheid ((beleids)adviserend of hoogwaardig specialistisch): Er is overwegend sprake van (beleids)adviserende werkzaamheden of van (het realiseren van) hoogwaardige specialistische uitvoering. Van hoogwaardig specialisme is er sprake als er een beroep wordt gedaan op diepgaande theoretische kennis en ervaring op een specifiek aandachtsveld/vakgebied. Organisatie-eenheid (cyclisch/beheersmatig): Er is overwegend sprake van werkzaamheden die betrekking hebben op (het realiseren van) uitvoering, veelal met een zich herhalend en beheersmatig karakter. Organisatieonderdeel: Een deel van de organisatie, bijvoorbeeld een sector of afdeling.
Organisatieonderdeel (ontwikkelend): Er is overwegend sprake van werkzaamheden die een grote mate van complexiteit kennen en een strategisch ontwikkelend karakter hebben, bijvoorbeeld het ontwikkelen van strategisch beleid.
HR21 | Algemene leeswijzer
18 29
Organisatieonderdeel (beleids)adviserend of hoogwaardig specialistisch): Er is overwegend sprake van (beleids)adviserende werkzaamheden of van (het realiseren van) hoogwaardige specialistische uitvoering. Van hoogwaardig specialisme is er sprake als er een beroep wordt gedaan op diepgaande theoretische kennis en ervaring op een specifiek aandachtsveld/vakgebied. Organisatieonderdeel (cyclisch/beheersmatig): Er is overwegend sprake van werkzaamheden die betrekking hebben op (het realiseren van) uitvoering, veelal met een zich herhalend en beheersmatig karakter. Organisatieonderdeel overstijgend: De grens van het organisatieonderdeel overstijgend met eventuele consequenties die niet alleen betrekking hebben op het eigen organisatieonderdeel Organisatorisch/inhoudelijk: Gericht op het proces van organiseren of op de inhoudelijke aspecten.
P PIOFACH taken: Alle taken rondom de aspecten personeel, informatievoorziening, organisatie, financiën, automatisering, communicatie en huisvesting. Dit begrip wordt gebruikt in relatie tot het begrip integraal management. Project: Een project is een, in de tijd en middelen begrensde, activiteit om iets te creëren. Het onderscheidt zich door zijn eenmalige karakter van een programma of proces. Een project wordt meestal in samenwerking met verschillende mensen en organisaties uitgevoerd. Het project wordt meestal vastgelegd in een projectplan en middels projectmanagement aangestuurd. Project, deelproject: Een afgebakend deel van een project dat onderdeel is van en op het grotere project aansluit. Programma: Een tijdelijke organisatievorm met een geheel van samenhangende projecten en activiteiten gericht op het bereiken van één of meer strategische doelstellingen met een niet eenduidig definieerbaar resultaat, een veelzijdig karakter en gericht op oplossing van een complex vraagstuk, waarbij de werkwijze kan verschillen. Men kiest voor deze organisatievorm omdat men bestaande afdelingen wil overkoepelen, ondersteunen of veranderen. Programma, meerjaren/(meer-)jaarprogramma's: Het ontwikkelen van meerjaren/meerdere jaren beleid en plannen wordt gekoppeld aan het effect van de werkzaamheden.
Dit betekent dat het effect van de werkzaamheden (het beleid, de plannen) pas na meerdere jaren zichtbaar is. Meerjaren programma's zijn dus programma's waarvan middels een vastgesteld plan vaststaat dat deze over meerdere jaren wordt uitgevoerd met vaak een inhoudelijke fasering van het plan in bijvoorbeeld activiteiten per jaar.
R Reguliere werkzaamheden: Werkzaamheden die tot de normale (dagelijkse) organieke functie of werkeenheid behoren. Routinematige werkzaamheden: Het uitvoeren van herhalende werkzaamheden waarvoor je door gewoonte verkregen vaardigheden hebt opgebouwd. Het gaat hierbij om binnen een korte periode terugkerend, identiek werk dat dezelfde behandeling vraagt.
S Signaleert: Het constateren van iets en er vervolgens betrokkenen op attenderen door het geven van een signaal meestal
HR21 | Algemene leeswijzer
19 29
ter waarschuwing over gevaar, onraad, bijzondere omstandigheden, kansen of gebeurtenissen. Specialistische werkzaamheden: Het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor extra kennis en ervaring nodig is op een bepaald terrein. Standaard werkzaamheden: Het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor geen of nauwelijks eigen interpretatie en analyse nodig is. Strategisch: Ontwikkeling van een visie op de lange termijn waarin mede met het oog op ontwikkelingen in de samenleving, de positie van de organisatie wordt bepaald ten opzichte van de omgeving. Strategisch beleid is dus op een geheel aan maatschappelijke, politiek bestuurlijke en/of (technisch) inhoudelijke beginselen gebaseerde lange termijn visie op de (realisatie van de) te bereiken lange termijn resultaten van de organisatie. Een en ander is richtinggevend voor het functioneren van de organisatie en essentieel voor het bestaansrecht van de organisatie.
T Tactisch: Invulling geven aan het geheel van de organiserende en structurerende taken. Dit betreft de inrichting, kwaliteit en voortgang van beleidsmatige processen, alsmede de efficiëntie en effectiviteit daarvan op de middellange termijn. Tactisch beleid gaat dus over de vertaling van strategisch beleid of advies. Beleid betreffende de bijdrage die een organisatieonderdeel of functioneel deelgebied levert aan de organisatiedoelstelling en de wijze van organiseren van deze bijdrage. In het tactisch beleid worden meer concrete activiteiten en processen vastgesteld die moeten leiden tot het uitvoeren van het strategisch beleid. Termijn: 5 jaar of langer. Terrein: Het werkveld, vakgebied of -discipline en/ of de onderwerpen waarop de taken in de functie gericht zijn. Breed (beleids)terrein: Het werkveld of vakgebied dat alle onderdelen en specialismen omvat en minder duidelijk is begrensd. Afgebakend (beleids)terrein: Een op zichzelf staand onderdeel van het brede terrein dat duidelijk is begrensd. Samenhangende beleidsterreinen: De beleidsterreinen houden nauw met elkaar verband, werkzaamheden op het ene terrein kunnen effect hebben op het andere terrein(en). Specifiek terrein: Een onderdeel van het brede terrein waarvoor specialistische deskundigheid nodig is.
Theoretisch en maatschappelijk: Volgens uitgewerkte concepten en modellen of volgens ontwikkelingen of tendensen in de maatschappij. Toezicht (en handhaving): Onder toezicht houden wordt verstaan het waarnemen en signaleren van activiteiten, constateringen en gedrag in de openbare ruimte, dan wel in de fysieke omgeving die al dan niet in strijd met de regels zijn. Het houden van toezicht heeft vaak een preventief karakter. Als een toezichthouder geen bevoegdheden heeft om sancties op te leggen, is sprake van beperkte bevoegdheden.
V Vakgebied: Een onderwerp waarin men zich kan specialiseren waarvoor specifieke kennis en vaardigheden vereist zijn. Samenhangend vakgebied: Het vakgebied heeft betrekking op meerdere gebieden die nauw met elkaar verband houden, werkzaamheden op het ene gebied kunnen effect hebben op andere gebieden binnen het vakgebied. Breed vakgebied: Het vakgebied heeft betrekking op één terrein dat een minder duidelijk te onderkennen begrenzing kent. Afgebakend vakgebied: Het vakgebied heeft betrekking op één terrein dat een duidelijke begrenzing kent,
HR21 | Algemene leeswijzer
20 29
bijvoorbeeld ten aanzien van de effecten van de werkzaamheden binnen de organisatie. Vaktechnische werkzaamheden: Handelend vanuit de (technische) deskundigheid op een bepaald beroepsmatig onderwerp of op een bepaald terrein. Verantwoordelijk: Dit impliceert dat de functiehouder een verplichting heeft om de taak uit te voeren waarbij verantwoording moet worden afgelegd in de hiërarchische lijn. Bij verschil van mening wordt de doorslaggevende beslissing genomen door de functiehouder die eindverantwoordelijk is. Verzorgt: De werkzaamheden worden door de medewerker zelf verricht (in tegenstelling tot ‘draagt zorg voor’). Overigens betekent dit niet dat de medewerker ten behoeve van de realisatie niet (deels) afhankelijk kan zijn van anderen.
4.2 Niet gebruikte termen Onderstaande termen/begrippen zijn niet in de generieke functie opgenomen: Gevraagd en ongevraagd Vaak ook wil men het eigen initiatief in de functie tot uitdrukking brengen door te vermelden: adviseert gevraagd en ongevraagd. Dit wordt echter in elke functie verondersteld en wordt daarom niet opgenomen in de functiebeschrijving. Plaatsvervanging Plaatsvervanging wordt niet in de beschrijvingen opgenomen. In de functiebeschrijvingen worden alleen structurele taken opgenomen en plaatsvervanging heeft in beginsel geen structureel karakter. Projectleiding Wanneer er sprake is van het structureel leiden van programma’s of projecten, dan valt de functie binnen de functiegroepen Programma’s of Projecten. Op het moment dat er af en toe sprake is van het leiden van een project dan wel programma, dient dit in de individuele resultaatafspraken tussen leidinggevende en medewerker te worden vastgelegd. Projectmatig werken In de beschrijving zal niet worden opgenomen dat er wordt meegewerkt aan projecten en/of programma’s. Dit is immers een manier van werken. Van elke functie wordt verwacht dat deze een rol kan spelen in een project. De taken die binnen het project vallen dienen op hoofdlijnen over een te komen met de taken binnen de generieke functie en worden derhalve niet als functieverzwarend gezien.
Budgethouderschap Budgethouderschap wordt niet in de beschrijving opgenomen. Dit is apart geregeld in de mandatenregeling of budgethouders regeling. Bedrijfshulpverlening Bedrijfshulpverlening is vaak persoonsgebonden en niet functie gebonden. Om deze reden wordt het niet opgenomen in de beschrijving. Werkzaamheden in het kader van de rampenbestrijding Aan iedere medewerker kan gevraagd worden werkzaamheden te vervullen in het kader van de rampenbestrijding. Dit is niet functie gebonden en geldt dus voor iedereen die binnen de organisatie werkzaam is.
HR21 | Algemene leeswijzer
21 29
4.3 Uitleg van begrippen Er spelen bij het interpreteren van begrippen verschillende punten mee: • Relatieve zwaarte • Overwegend beeld van de functie • Lokale context van de organisatie De begrippen worden hieronder toegelicht. 4.3.1 Relatieve zwaarte De functiekenmerken geven in relatieve termen een omschrijving van de zwaarte van het betreffende functieniveau. Deze termen dienen dus te worden bekeken in relatie tot de andere functieniveaus in de betreffende functiegroep. Ze hebben geen betekenisaanduiding in absolute zin. Ter illustratie is de term ‘complex’ hieronder uitgewerkt. Dezelfde ‘gedachtegang’ kan ook worden toegepast bij begrippen als ‘afgebakend’, ‘eenvoudig’ etc. Ook termen zoals ‘ontwikkelen’ en ‘adviseren’ worden gebruikt om onderscheid te maken tussen normfuncties binnen een functiegroep. Ook voor dit soort termen geldt dat ze bekeken moeten worden in verhouding tot andere functies. Als voorbeeld is ‘adviseren’ uitgewerkt. Complex: In de leeswijzer is het begrip als volgt omschreven: De toevoeging complex wordt gebruikt in vergelijkende zin binnen een functie(groep). Werkzaamheden op een bepaald werkterrein worden als meer complex gezien ten opzichte van werkzaamheden op het werkterrein van de naast lagere functie binnen een functiegroep.
Complexiteitsaanduiding is dan ook altijd relatief ten opzichte van een andere functie en zegt niets over de complexiteit in absolute zin. De complexiteit van het werk heeft betrekking op de moeilijkheidsgraad van het werk, de ingewikkeldheid van de onderwerpen of zaken die behandeld moeten worden en de aard en omvang van de problemen die zich bij de werkuitvoering kunnen voordoen. Complexiteitsaanduiding is dan ook altijd relatief ten opzichte van een andere functie en zegt niets over de complexiteit in absolute zin. In verschillende HR21 functies is de term ‘complex’ een van de onderscheidende kenmerken. Zoals bijvoorbeeld bij de normfuncties medewerker administratief & secretarieel II en III: Functie
Functiekenmerken
Medewerker administratief & secretarieel II
•
voert complexe inhoudelijke, secretariële, administratieve en/ of organisatorische taken uit op een afgebakend werkterrein
Medewerker administratief & secretarieel III
•
voert secretariële, administratieve en/ of organisatorische taken uit op een afgebakend werkterrein
Het is niet zo dat de medewerker administratief & secretarieel III nooit complexe dingen doet maar in verhouding tot de functies medewerker administratief & secretarieel II zijn de werkzaamheden minder complex van aard. Of anders verwoord: de meer complexere zaken worden door de medewerker administratief & secretarieel II uitgevoerd. Let op: daarnaast zie je dat ‘complex’ niet het enige inhoudelijke verschil is bij deze functies; zeker ook niet wanneer je de generieke taken uit de normbeschrijving van beide functies er bij pakt.
HR21 | Algemene leeswijzer
22 29
Adviseren: In de leeswijzer is de term als volgt omschreven: Het verzamelen, groeperen, analyseren en verwerken van gegevens betreffende een activiteit of ontwikkeling om bij te dragen aan het vormen van een voorstel of besluit. Hierbij wordt inzicht en zienswijze gegeven op basis van eigen deskundigheid. Deskundigheid betreft kennis en inzicht op een bepaald terrein verkregen door studie en/of ruime ervaring. Een van de onderscheidende kenmerken tussen de normfuncties medewerker beleidsuitvoering II en medewerker beleidsuitvoering III is ‘adviseren’. Functie
Functiekenmerken
Medewerker beleidsuitvoering II
• • •
Medewerker beleidsuitvoering III
• •
adviseert over beheersmatige aspecten op een complex en breed terrein voert beleid uit waarbij sprake is van een zekere interpretatieruimte heeft inzicht in zowel theoretische als maatschappelijke context van het beleid voert beleid uit waarbij sprake is van een beperkte interpretatieruimte heeft inzicht in de praktische context en uitwerking van het beleid
Dit wil echter niet zeggen dat de medewerker beleidsuitvoering III nooit adviseert. Door de term ‘adviseren’ bij de normfunctie medewerker beleidsuitvoering II te gebruiken wordt aangegeven dat ‘het adviseren’ binnen deze functie een overwegend kenmerk is en dat dit dus anders is dan bij de normfunctie medewerker beleidsuitvoering III. Ook dit soort termen moeten dus bekeken worden vanuit de relatieve waarde binnen de functiegroep en niet in absolute zin. Let op: daarnaast zie je dat ‘adviseren’ niet het enige inhoudelijke verschil is bij deze functies; zeker ook niet wanneer je de generieke taken uit de normbeschrijving van beide functies er bij pakt. 4.3.2 Overwegend beeld Bij het indelen van functies gaat het er altijd om dat er gekeken wordt naar het overwegend beeld van de functies en niet wordt ingezoomd op een of twee termen in de normfunctie. Kijk dus goed naar alle verschillen tussen functies binnen een functiegroep en focus niet alleen op één begrip/term dat opvalt in de onderscheidende kenmerken. Er zijn tussen de normfuncties altijd meerdere verschillen in de functiekenmerken en/of uitwerkingen van de resultaatgebieden benoemd. Ter illustratie zijn hieronder een aantal voorbeelden uitgewerkt van de verschillen in de functiekenmerken. Bij de functiegroepen Programma’s en Projecten wordt er een onderscheid gemaakt naar •
de complexiteit, niveau (strategisch/tactisch/operationeel) en de reikwijdte van het programma of project waaraan leiding wordt gegeven (al dan niet multidisciplinair) - complex programma of project(-en) dat strategisch en multidisciplinair van aard is - programma of project(-en) dat strategisch van aard is - programma of project(-en) dat tactisch van aard is - projecten die operationeel van aard zijn - deelprojecten die operationeel van aard zijn
HR21 | Algemene leeswijzer
23 29
•
de impact van het programma of de projecten - een hoge politieke, financiële en/of maatschappelijke impact - een politieke, financiële en/of maatschappelijke impact - een beperkte politieke, financiële en/of maatschappelijke impact
•
de reikwijdte/het niveau (strategisch/tactisch) van de afwegingen die gemaakt worden - strategische, fundamentele en thema-overstijgende afwegingen - strategische afwegingen - tactische afwegingen
•
de invloed op de omgeving of samenleving - grote en fundamentele invloed op de (lokale) omgeving of samenleving - grote invloed op de (lokale) omgeving of samenleving - merkbare invloed op de (lokale) omgeving of samenleving - geringe invloed op de (lokale) omgeving of samenleving
Bij de functiegroep Advies wordt er een onderscheid gemaakt naar •
de reikwijdte van advisering en beleidsontwikkeling - op bestuurlijk- en concernniveau - op meerdere complexe en brede vakgebieden op concern- en breder managementniveau - op meerdere samenhangende vakgebieden - op een breed vakgebied - op een afgebakend vakgebied
•
het niveau ((strategisch/tactisch/operationeel) waarop wordt geadviseerd dan wel beleid wordt ontwikkeld: - vraagstukken die strategisch van aard zijn - vraagstukken en processen die strategisch dan wel tactisch van aard zijn - vraagstukken die tactisch van aard zijn - vraagstukken die tactisch dan wel operationeel van aard zijn - adviseert over vraagstukken en processen die met name operationeel van aard zijn
•
aard en reikwijdte - advies met een hoog innovatief (technologisch, instrumenteel of conceptueel) karakter - zorgt voor de uitvoering en implementatie van multidisciplinaire vraagstukken en processen - zorgt voor de uitvoering en implementatie van vraagstukken en processen - zorgt voor de uitvoering en implementatie van afgebakende vraagstukken en processen
4.3.3 Lokale context Zoals eerder aangegeven worden bij het beschrijven van generieke functies abstracte termen gebruikt om onderscheid te maken tussen functies binnen een functiegroep. Deze termen kunnen lokaal een andere betekenis hebben. Onderstaand voorbeeld illustreert dit. In dit voorbeeld is er ‘zwart/wit’ opgesteld om invloed van de lokale context goed te kunnen laten zien. In de praktijk zal dit genuanceerder liggen.
HR21 | Algemene leeswijzer
24 29
Indelen teamleiders Bij het indelen van teamleiders is men door middel van de inhoudelijk analyse van de functies uitgekomen in de functiegroep Tactisch. Als we kijken naar het onderscheid tussen de tactisch leidinggevenden dan zien we dat een belangrijk verschil is het type team dat wordt aangestuurd: Functie
Functiekenmerken
Tactisch leidinggevende I
• • •
Tactisch leidinggevende II
• • •
Tactisch leidinggevende III
• • •
geeft leiding aan een organisatie-eenheid die overwegend ontwikkelend en multidisciplinair van aard is adviseert over organisatie-eenheid overstijgende vraagstukken lange termijn perspectief en hoge politieke, organisatorische, economische en/of sociaal maatschappelijke impact geeft leiding aan een organisatie-eenheid die overwegend (beleids-)adviserend of hoogwaardig specialistisch van aard is adviseert over organisatie-eenheid overstijgende vraagstukken directe impact op lange termijn met organisatorische en/of financieel/economische afwegingen geeft leiding aan een organisatie-eenheid die overwegend beheersmatig en/of (kort)cyclisch van aard is adviseert over organisatie-eenheid overstijgende vraagstukken directe impact op dienstverlening en samenwerking
Als voorbeeld delen we de teamleider P&O in. We kijken daarbij onder andere naar het type team waaraan leiding wordt gegeven. Echter kunnen organisaties verschillend kijken naar wat voor type team/wat voor soort werkveld P&O is. Er zijn organisatie die P&O een ontwikkelend en multidisciplinair team/werkveld vinden en dus de functie indelen in de normfunctie tactisch leidinggevende I. Er zijn echter ook organisatie die zeggen dat P&O een adviserend of hoogwaardig specialistisch werkveld is en de functie indelen in tactisch leidinggevende II. Een ander voorbeeld is de teamleider Klant Contact Centrum (KCC). Hierbij kun je zeggen dat zowel een indeling in de tactisch leidinggevende I als in tactisch leidinggevende III van toepassing zou kunnen zijn. De ene organisatie zegt namelijk:” het KCC is het visitekaartje van onze organisatie en daar komen veel disciplines samen. Ze moeten voortdurende bezig zijn met ontwikkelingen om ons heen en zorgen dat we hier de organisatie op blijven aanpassen”. Bij deze organisatie kiest men voor een indeling in tactisch leidinggevende I. Andere organisaties hebben de stelling dat het gaat om ‘afgeven van paspoorten’ waarbij het werkveld wordt bestempeld als beheersmatig en kort cyclisch. Bij deze organisatie kiest men voor de indeling in de normfunctie Tactisch leidinggevende III.