CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

221117 I&O en B&A Bestemmingsplan Van Zomerenlaan - Bijlage Bestemmingsplan Toelichting.pdf

Parallelsessie raadzaal 17 november 2022, gemeente GorinchemBij agendapunt: I&O/B&A Bestemmingsplan herontwikkeling Van Zomerenlaan16.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

27

Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft het herstructureren van het plangebied waarbij de bestaande 89 grondgebonden huurwoningen vervangen worden met 76 grondgebonden woningen. Het aantal woningen neemt daarmee af.

Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. De afname van het aantal woningen betekent een afname van het aantal voertuigbewegingen waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse verbetert.

28

Gemeente Gorinchem

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSLmonitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen zijn de W.F. Emcklaan, Kleine Haarsekade en de Marinus Spronklaan. Verder zijn er twee rekenpunten op de Van Zomerenlaan. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.3

Akoestisch milieu

4.3.1 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, bestemmingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

29

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Ten behoeve van de beoordeling van het akoestisch milieu is door Econsultancy een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Het betreffende onderzoek is opgenomen als bijlage 2 behorende bij deze toelichting. Voor de volledige onderbouwing en motivering van het onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen de geluidszones van wegen. Alle omliggende wegen zijn niet-gezoneerd. Deze woningen worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuwe woningen als gevolg van het wegverkeerslawaai ten hoogste 48 dB bedraagt.

Daarmee vindt geen overschrijding van de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting plaats. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijken geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. Een ontheffing voor een hogere geluidswaarde is niet aan de orde. Onderzoek naar gevelwerende maatregelen in het kader van een omgevingsvergunning voor bouwen is niet benodigd. 4.3.2 Railverkeerslawaai Toetsingskader De regels voor de projectie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen binnen de geluidzones van spoorwegen zijn opgenomen in artikel 106 en 107 van de Wet geluidhinder. Hierbij wordt doorverwezen naar het Besluit geluidhinder. Artikel 4.1 van dit besluit bepaalt dat, indien bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan, geluidsgevoelige gebouwen worden gerealiseerd, rekening moet worden gehouden met de in het Besluit geluidhinder opgenomen waarden ten aanzien van spoorweglawaai. Indien er sprake is van het realiseren van dergelijke objecten binnen de geluidszones van geluidsgezoneerde spoorwegen zal met een akoestisch onderzoek aangetoond moeten worden dat aan de normstelling kan worden voldaan, of dat hiervoor een ontheffing kan worden verleend.

Beoordeling Ten behoeve van de beoordeling van het akoestisch milieu is door Econsultancy een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Het betreffende onderzoek is opgenomen als bijlage 3 behorende bij deze toelichting. Voor de volledige

30

Gemeente Gorinchem

onderbouwing en motivering van het onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied binnen de onderzoekszone van 600 meter valt vanuit de spoorlijn Kijfhoek – Betuweroute Meteren. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van het railverkeerslawaai ten hoogste 49 dB bedraagt op de geprojecteerde woningen. Hiermee wordt de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB niet overschreden. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijken geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. Een ontheffing voor een hogere geluidswaarde is niet aan de orde. Onderzoek naar gevelwerende maatregelen in het kader van een omgevingsvergunning voor bouwen is niet benodigd. 4.4

Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.

Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Wet bodembescherming regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

31

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Beoordeling Door Van der Helm milieubeheer is in juli 2020 voor het gehele plangebied een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting. Het plangebied is onderzocht conform NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. Voor de volledige onderbouwing en motivering van het onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat de locatie geschikt is voor het voorgenomen gebruik en er, milieuhygiënisch gezien, geen belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen bouw. Ter onderbouwing van bovenstaande conclusie wordt aangevoerd dat: • ingevolge de Wet Bodembescherming nader bodemonderzoek en/of het nemen van sanerende maatregelen niet noodzakelijk is; • de grond maximaal licht verontreinigd is met nikkel, koper, zink, cadmium, kwik, lood, PCB en PAK • het grondwater maximaal licht verontreinigd is met barium; • tijdens de uitvoering van het veldwerk geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen op het maaiveld of in het ontgraven materiaal; • de totaal gewogen asbestconcentratie de norm voor nader asbestonderzoek niet overschrijdt.

Conclusie De bodem is geschikt voor de woonfunctie. De bodemkwaliteit is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd.

32

Gemeente Gorinchem

Uitsnede risicokaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster. Bron: risicokaart.nl, 2020.

De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft Capam Handel en Distributie B.V., gevestigd aan de Handelskade, op ongeveer 215 meter ten oosten van het plangebied. Het betreft een groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten. Het betreft géén BEVI-inrichting. Voor de inrichting is een QRA uitgevoerd in 2008 en dat jaar is ook vergunning verleend voor de Wet milieubeheer. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bovendien neemt het aantal mensen dat in het plangebied verblijft lichtelijk af, omdat het aantal huurwoningen binnen het plangebied afneemt van 89 naar 76. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied. Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

33

4.5.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd.

Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 200 meter van het spoortraject Dordrecht - Leerdam het spoor en circa 550 meter van de Rijksweg A15. Over zowel het spoor als de weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de risicokaart is geen sprake is van een risicocontour. Gelet op de ruime afstand van de Rijksweg tot het plangebied vormt de ligging van deze wegen geen belemmering voor onderhavig voornemen. Bovendien neemt het aantal personen dat binnen het plangebied verblijft af. De Veiligheidsregio adviseert wel enkele maatregelen om incidenten te verkleinen, de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren. Gezien de afstand van de risicobron (spoorweg en rijksweg A15) tot aan het plangebied worden de volgende maatregelen geadviseerd: • Afschakelbare ventilatie; • Voorbereiding interne organisatie; • Risicocommunicatie. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.5.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011.

Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten

34

Gemeente Gorinchem

aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk gasleiding (van de Gasunie) is gelegen op een afstand van circa 600 meter tot het plangebied. Gelet op deze ruime afstand vormt de ligging van deze buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.6

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustige woonwijk. Richtafstanden uit de VNG-brochure gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van 76 woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid.

Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich bestemmingen die andere functies dan wonen mogelijk maken. Het gaat om de volgende locaties: • Ten noorden van het plangebied ligt de basisschool Anne Frank, richtlijn afstand 30 meter (milieucat. 2); • Detailhandel en dienstverlening met beperkte omvang in de bestemming ‘Gemengd – 1’ zuidzijde van de Marinus Spronklaan, richtlijnafstand 10 meter (milieucat. 1);

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

35

•

Detailhandel op de hoek Marinus Spronklaan – Kleine Haarsekade, richtlijnafstand 10 meter (milieucat.1);

De te realiseren woningen liggen daarmee niet binnen de richtlijnafstanden van deze functies. Hiermee voldoen de nieuwe woningen binnen het plangebied aan alle richtafstanden uit de VNG-brochure. Derhalve kan worden gesteld dat omliggende hindergevende bedrijven niet van invloed zijn op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Omgekeerd hindert het planvoornemen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. Immers liggen andere woningen in alle windrichtingen op kortere afstand tot eventuele relevante bedrijvigheid. Uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven worden derhalve niet belemmerd door het onderhavige initiatief. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Voorts belemmert onderhavig initiatief omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering. 4.7

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beoordeling Door Econsultancy is een watertoets uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting. Voor de volledige onderbouwing en motivatie wordt verwezen naar deze bijlage. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt uitgegaan van een verhardingsafname. In het kader van de watertoets zijn meerdere scenario’s van verhardingsoppervlakten berekend en geldt het uitgangspunt dat geen watercompensatie benodigd is als gevolg van verhard oppervlak.

Voor het afkoppelen van het regenwater geldt het volgende: • 52 voormalige woningen D.F. Pauwstraat worden aangesloten op gemengd riool. • 37 voormalige woningen Van Zomerenlaan (incl. achtertuinen) reeds aangesloten hemelwaterriool (4.285 m2 van het plangebied). In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw

36

Gemeente Gorinchem

wordt geadviseerd de emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken in verband met de waterkwaliteit en zoveel mogelijk gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Daarnaast dient het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk beperkt te worden en wordt geadviseerd bij voorkeur gebruik te maken van alternatieven hierin. Ook het wassen van auto’s is bij afkoppeling van hemelwater niet wenselijk. Deze aspecten hebben vooral betrekking op de verdere uitwerking in concrete bouwplannen en het beheer van het gebied na realisatie. Conclusie Door het afnemen van de verharding worden er vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. 4.8

Ecologie

4.8.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Lingegebied & Diefdijk-Zuid, welke is gelegen op een afstand van circa 1,4 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake.

Mogelijk kan depositie van stikstof vanwege het planvoornemen wel negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. Voor beide fases is daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 6 bij deze toelichting. Navolgend worden de resultaten hiervan besproken. Gebruiksfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw vinden in de gebruiksfase plaats door de verkeersbewegingen van en

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

37

naar de nieuwe woningen. De woningen worden volledig gasvrij uitgevoerd. De verkeersbewegingen nemen af ten opzichte van de bestaande situatie. Tevens wordt bij de nieuwe huizen gebruik gemaakt van aardwarmte, daar bij de voormalige huurwoningen een cv-ketel werd gebruikt. Op basis van deze gegevens is geen stikstofdepositieberekening benodigd. Aanlegfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bouw en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De berekening van het projecteffect van de aanlegfase is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar is, namelijk 0,04 mol per jaar. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming voor wat betreft gebiedsbescherming. Uit een stikstofberekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden groter is dan 0,00 mol/ha/jaar.

Rijk en provincies hebben recent een beleidslijn afgesproken dat projecten met tijdelijke stikstofdeposities van transport en mobiele werktuigen in de aanlegfase kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar niet vergunningplichtig zijn voor de Wet natuurbescherming. Op basis van deze beleidslijn is dit project niet vergunningplichtig. 4.8.2 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Beoordeling Door Van der Helm milieubeheer is in november 2017 de eerste Ecologische voortoets uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 7 gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde

38

Gemeente Gorinchem

status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit het onderzoek is gebleken dat de aanwezige bebouwing binnen het plangebied mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen en nestelplaats voor huismussen en gierzwaluwen. Overige beschermde soorten worden niet verwacht binnen het plangebied. Gelet op de resultaten van de Ecologische is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen Uitgevoerd. De resultaten zijn gerapporteerd in november 2018. Dit rapport is opgenomen als bijlage 8 bij onderhavige toelichting. Bij het vervolgonderzoek is geconstateerd dat er diverse verblijfplaatsen zijn van vleermuis, huismus en gierzwaluw. Naar aanleiding van nader veldonderzoek is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen voor overtreding van de artikelen 3.1 en 3.5 Wet natuurbescherming. De ontheffing is nodig door het beschadigen en vernielen van de zomer-, paar- en mogelijk winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, en het vernielen van de nesten en essentieel groen van de huismus en gierzwaluw. Door de potentiële overtreding van de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wnb dient een ecologisch werkprotocol voor de aangetroffen en te verwachten soorten opgesteld te worden.

In het werkprotocol wordt de planning van de werkzaamheden en wijze van uitvoering opgenomen, om een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen. Wanneer overtreding niet kan worden voorkomen dient een ontheffing te worden aangevraagd. Aanvullende eisen vanuit de ontheffing worden tevens opgenomen in het ecologisch werkprotocol. Het betreffende werkprotocol is in februari 2019 opgesteld door Ecoresult. Het rapport is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Uit het rapport blijkt dat door het nemen van mitigerende maatregelen de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft voor de huismus, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Aan de hand van bovenstaande rapporten is een ontheffing, als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, bij de provincie Zuid-Holland aangevraagd. De provincie heeft de beschikking met kenmerk ODH-201900r 23850 op 7 februari afgegeven. De beschikking is als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. De ontheffing is geldig voor de periode van 7 februari 2020 tot en met 1 september 2024. Na het afgeven van deze beschikking zijn de in het plangebied aanwezige bebouwing en groen geamoveerd.

Conclusie Door middel van nader onderzoek is vastgesteld dat binnen het plangebied sprake is van de verblijfplaatsen van beschermde huismussen, gierzwaluwen, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Door de provincie Zuid-Holland is ontheffing verleend en heeft de sloop van de bestaande bebouwing plaatsgevonden.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

39

4.9

Archeologie en Cultuurhistorie

4.9.1 Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beoordeling Het plangebied is in de jaren ’50 en ’60 volledig bebouwd. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing of objecten aanwezig die een doorwerking in het plan moeten hebben. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.9.2 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art.

9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. De gemeente Gorinchem beschikt over een archeologische verwachtingsen beleidskaart uit 2009. Beoordeling Op basis van de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart is het gebied voorzien van een hoge verwachtingswaarde voor prehistorische tot middeleeuwse vondsten dieper dan 1,5 meter onder maaiveld.

Door Bureau voor Archeologie is in mei 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (verkennend

40

Gemeente Gorinchem

booronderzoek) uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 11 gevoegd bij deze toelichting. Voor de volledige onderbouwing en motivering wordt naar deze bijlage verwezen. Op basis van het inventariserend veldonderzoek zijn geen vindplaatsen aangetroffen. De aard van de bodem en de mate van verstoring maakt het onwaarschijnlijk dat er archeologische waarden aanwezig zijn. Het onderzoeksbureau adviseert de gronden vrij te geven voor het beoogde gebruik. Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat archeologische belangen geen belemmeringen opleveren voor de beoogde ontwikkeling. 4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer 1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2.

Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLICmelding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.11 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel

1

'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

41

om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren.

Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In onderhavige situatie is er sprake van een renovatie van een bestaande woonbuurt. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling. Uit de milieutoets in onderhavige toelichting zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening van Zuid-Holland.

42

Gemeente Gorinchem

Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Provinciale milieuverordening van Zuid-Holland. Uit de toetsing aan alle milieuaspecten volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

43

44

Gemeente Gorinchem

5

JURIDISCHE PLANTOELICHTING

5.1

Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.

5.2

Planopzet Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

5.3

Artikelsgewijze toelichting

5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving;

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

45

• • • • • • • •

bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid.

Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 ‘Groen’ Deze bestemming is toegekend aan de twee groene hoven te midden van de twee bebouwingsclusters. Deze kan onder andere worden benut voor het treffen van waterbergende voorzieningen, speelvoorzieningen, paden, wegen en parkeervoorzieningen. Binnen de bestemming mag in beperkte mate worden gebouwd. Verder zijn ‘bij recht’ uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Er gelden meerdere maximale bouwhoogten, afhankelijk van de categorie bouwwerken. Artikel 4 ‘Tuin’ Deze bestemming is toegekend aan de tuinen en erven behorende bij de aanliggende woningen. Daar waar parkeren is toegestaan is deze voorzien van een aanduiding ‘tuin – parkeren’ voor maximaal één auto. Het bouwen van gebouwen in de vorm van erkers ten behoeve van de aangrenzende woningen is mogelijk. Verder zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot 1 meter. Middels een afwijkingsmogelijkheid mogen andere bouwwerken zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen en/of overkappingen onder voorwaarden gerealiseerd worden. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen onder voorwaarden verhoogd worden naar 2 meter. Artikel 5 ‘Verkeer’ Voor de verblijfsgebieden en de afwikkeling van het verkeer is een bestemming ‘Verkeer’ opgenomen.

Binnen deze bestemming zijn ook diverse bijbehorende voorzieningen toegestaan, waaronder parkeren. Bouwwerken, geen gebouwen zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 meter. Artikel 6 ‘Wonen ’ Binnen de bestemming ‘Wonen’ kunnen de beoogde woningen mogelijk worden gemaakt. Op de verbeelding zijn hiervoor bouwvlakken opgenomen. De woningtypologie is op de verbeelding aangeduid. De bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. In de regels zijn hiervoor maatvoeringseisen opgenomen. De maximum goot- en bouwhoogte van een woning is vast gelegd op de verbeelding en bedraagt 7 respectievelijk 11 meter. Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en carports mogen voor de woningen allemaal binnen en buiten het bouwvlak, maar uitsluitend op het achtererfgebied, worden gebouwd.

46

Gemeente Gorinchem

Artikel 7 ‘Waarde – Archeologische verwachting hoog PM2’ Ten behoeve van het behoud van mogelijk aanwezige archeologische waarden, is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting hoog PM2’ overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Deze dubbelbestemming is gericht op het beschermen van de archeologische belangen bij bouwwerkzaamheden. 5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen ten aanzien van het realiseren van ondergrondse bouwwerken. Tevens is een regeling opgenomen voor van het bestemmingsplan overschrijden van bouwgrenzen. Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo. In deze bepaling is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit bestemmingsplan moet worden aangemerkt. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om in geringe mate af te wijken van de maatvoeringen en bestemmings- en/of bouwgrenzen.

Overige regels Gelet op de “Reparatiewet BZK 2014” is in het onderhavige bestemmingsplan een parkeerregeling opgenomen. 5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

47

Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder bestemmingsplan “van Zomerenlaan”.

48

de naam: Regels van het

Gemeente Gorinchem

6

UITVOERBAARHEID EN HANDHAVING

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid In zijn algemeenheid geldt dat er in de bestemmingsplanprocedure aandacht is voor de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Door het voorontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te leggen, biedt de gemeente Gorinchem aan bewoners en belanghebbenden de mogelijkheid om hun inspraakreactie te geven en het plan te verbeteren. Uiteraard kunnen belanghebbenden in de formele planprocedure hun zienswijze naar voren brengen. Ten aanzien van de inspraak wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van onderhavige toelichting.

6.2

Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van 76 grondgebonden woningen, derhalve is het plan exploitatieplanplichting. In het onderhavige geval wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd. De gemeente Gorinchem sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten wordt vastgelegd.

Hierbij dient vermeld te worden, dat de gemeente alleen medewerking verleend aan het initiatief, als de exploitatiekosten van het initiatief voor de gemeente niet negatief zijn. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

49

50

Gemeente Gorinchem

7

PROCEDURE

7.1

Vooroverleg en inspraak Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgmeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het plan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Inspraak In het kader van de inspraakverordening heeft het voorontwerpbestemmingsplan ‘Van Zomerenlaan’ inclusief de bijbehorende stukken met ingang van woensdag 29 september 2021 tot en met dinsdag 10 november 2021 ter visie gelegen in de informatiehoek van het stadhuis, Stadhuisplein 1. Ook heeft dit bestemmingsplan op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl gestaan gedurende deze periode. Ondersteunend aan deze terinzagelegging is er op 26 oktober een informatieavond gehouden op het stadhuis. In het kader van de inspraakprocedure zijn vier schriftelijke inspraakreacties ingediend. Parallel aan de inspraakprocedure heeft er vooroverleg plaatsgevonden met o.a.

diensten van het Rijk en provincie, die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarnaast is het betrokken bestuur van het waterschap Rivierenland verzocht om te reageren op het voorontwerp-bestemmingsplan. In het kader van het vooroverleg zijn reacties ingediend door het Waterschap Rivierenland en de provincie. Op basis van de ingediende inspraak- en vooroverlegreacties wordt het bestemmingsplan op onderdelen aangepast. Uit de Nota van inspraak en vooroverleg voorontwerpbestemmingsplan ‘Van Zomerenlaan’ blijkt welke onderdelen worden gewijzigd. De nota van inspraak en vooroverleg is toegevoegd als bijlage 12 van de toelichting

7.2

Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Op 22 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten tot ter inzage legging van het bestemmingsplan. De plannen met bijbehorende stukken lagen vanaf woensdag 23 februari 2022 t/m dinsdag 5 april 2022 voor iedereen ter inzage.

Bestemmingsplan “van Zomerenlaan”

51

Tijdens de terinzagelegging kon door iedereen een zienswijze en/of een inspraakreactie worden ingediend. De zienwijze kon worden gericht op het ontwerp bestemmingsplan en de inspraakreactie op het ontwerp beeldkwaliteitsplan. Er zijn twee zienwijzen ingediend. Beiden zijn gericht op het ontwerp bestemmingsplan. Inspraakreacties gericht op het ontwerp beeldkwaliteitsplan zijn niet binnengekomen. De binnengekomen zienswijzen worden beantwoord in de Nota van Zienswijzen (zie bijlage 13). Op basis van één ingediende zienswijze en ambtshalve wijzigingen wordt het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

52

Gemeente Gorinchem

Bijlagen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=c3e3e68c-2a75-4d8a-9d66-fd88d475e3c0