2023-846398 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem.docx
Tekst van het document
Ambulante ondersteuning wordt geleverd door bijvoorbeeld cliëntondersteuningsorganisaties. Het staat open voor alle ingezetenen van de gemeente. Samen met de melder wordt hier bepaald of ondersteuning noodzakelijk is. De ondersteuning kan kort- of langdurend zijn, de vorm hebben van vinger aan de pols contact of structureel worden ingezet. De ondersteuning kan bijvoorbeeld bestaan uit - 19 -
cliëntondersteuning, uit mantelzorgondersteuning, uit het oefenen van vaardigheden, uit woonbegeleiding en uit ondersteuning bij praktische zaken. Artikel 3.3 Dagactiviteiten met lichte ondersteuning
Deze dagactiviteiten zijn voor iedere inwoner van 18 jaar of ouder die beperkt is in zelfredzaamheid door lichamelijke en/of cognitieve achteruitgang of fysieke beperking, verstandelijke of psychiatrische beperking. Deze voorziening biedt een inwoner een structurele, activerende daginvulling, door deel te nemen aan recreatieve of maatschappelijke activiteiten. Bij de activiteiten wordt begeleiding geboden in een groep. Het activiteitenprogramma als geheel biedt enige structuur, sociale contacten en zingeving. Het activiteitenprogramma resulteert waar mogelijk in het voorkomen van achteruitgang en het bevorderen van behoud van praktische vaardigheden, sociale en maatschappelijke participatie, het voorkomen van overbelasting van mantelzorgers en het signaleren van ondersteuningsvragen of veiligheidsrisico’s. Er is een intensieve samenwerking met basisvoorzieningen in de buurt. Onder meer omdat ook vrijwilligers uit de buurt en mantelzorgers ondersteunen bij een deel van de zorg en begeleiding, of omdat zo mogelijk aangesloten wordt op activiteiten voor en door ingezetenen. Deze vorm van dagactiviteit biedt in een aantal gevallen ook een inloopfunctie. Voor het vervoer naar de activiteiten is de cliënt zelf verantwoordelijk.
Indien als gevolg van het ontbreken van eigen mogelijkheden, een netwerk of informele oplossingen het niet mogelijk is de dichtstbijzijnde passende dagbestedingslocatie te bereiken, zal vanuit de uitvoerende organisatie van de dagactiviteit vervoer georganiseerd worden. Artikel 3.4 Collectief vraagafhankelijk vervoer
Collectief vraagafhankelijk vervoer is een vorm van openbaar vervoer waarbij mensen van adres naar adres vervoerd worden. Cliënten kunnen op grond van de Wmo in aanmerking komen voor dit vervoer voor een aangepast tarief; het betreft dan een individuele verstrekking voor het sociale vervoer in de regio. Het college hanteert een afstand van maximaal 22 kilometer hemelsbreed vanaf het woonadres. Mobiliteit over grotere afstanden valt in principe onder verantwoordelijkheid van het Rijk: voor vervoer over afstanden die verder zijn dan 5 zones (circa 22 kilometer) in het openbaar vervoer, organiseert het Rijk Valys. Artikel 3.5 Mantelzorgwaardering
Voor de inwerkingtreding van de wet kon een cliënt die extramurale zorg op grond van de AWBZ of Wmo ontving, een mantelzorgcompliment aanvragen voor zijn mantelzorger. Deze fiscaal onbelaste vergoeding werd vervolgens op de rekening van de mantelzorger gestort. Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is het mantelzorgcompliment van de rijksoverheid vervallen. In plaats daarvan moet het college zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar ingezetenen. De wijze waarop is vrij. Het college werkt in nadere regels uit hoe de jaarlijkse waardering en erkenning van mantelzorgers wordt vormgegeven.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen De Wmo 2015 geeft de opdracht om in de verordening op te nemen op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. In dit hoofdstuk is daar vorm aan gegeven. Artikel 4.1 geldt in alle gevallen, en per specifieke voorziening worden daar passende criteria aan toegevoegd waar dat nodig is. Artikel 4.1 Criteria maatwerkvoorziening algemeen
In dit artikel is verwoord dat eerst wordt gekeken naar andere mogelijkheden om de cliënt ondersteuning te bieden, alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, een verwijzing naar een algemene voorziening en het inzetten van vrijwilligers. In het kader van voorzienbaarheid wordt van ingezetenen verwacht vooruit te denken over toekomstige - 20 -
beperkingen en te voorzien wat de consequenties kunnen zijn en hierop in redelijkheid te anticiperen. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk. Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de voorziening die voldoende compenseert en het goedkoopst is. Voorop staat dat de voorziening compenserend (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn waarmee hetzelfde resultaat kan worden bereikt, kiest het college voor de goedkoopste variant. Artikel 4.2 Algemene weigeringsgronden
Onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (2007) werden maatwerkvoorzieningen verstrekt in de vorm van een individuele voorziening. Voor een aantal van deze voorzieningen zoals bijvoorbeeld woonvoorzieningen (traplift) geldt een technische afschrijvingsduur. Biedt de voorziening nog voldoende ondersteuning en is deze nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. Wanneer een voorziening wordt aangevraagd nadat deze gerealiseerd is, wordt deze geweigerd als de gemeente geen mogelijkheid meer heeft om te beoordelen of de voorziening noodzakelijk is, de beperking voldoende compenseert en een passende oplossing biedt en de gemeente geen invloed heeft op de te verstrekken soort voorziening. Onderzocht kan worden of een tijdig ingediende aanvraag tot toekenning van de ingediende aanvraag had geleid. Als dat het geval is, is er geen reden tot afwijzing. Het artikel is bedoeld om te voorkomen dat een aanvrager in een vroegtijdig stadium uitgaven doet in strijd met het beginsel voldoende compenserend/ goedkoopst. Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, kan een bruikleenovereenkomst worden afgesloten.
Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet. Voorbeelden van normale maatschappelijke kosten zijn: benzinekosten, telefoonkosten, internetkosten, kosten voor een paspoort, rijbewijs etc. Onder rechtmatig verblijf wordt op grond van artikel 1.2.2 lid 1 van de wet verstaan: Een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 4.3 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget
Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een persoonsgebonden budget verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een persoonsgebonden budget alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een persoonsgebonden budget aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Indien client zelf het Pgb niet kan beheren en dit wil laten doen door een vertegenwoordiger dan kan het Pgb geweigerd worden indien deze vertegenwoordiger een zakelijk belang heeft bij de aanbieder. Nog meer dan voorheen is het persoonsgebonden budget een volwaardig en nevengeschikt alternatief voor zorg in natura. Het persoonsgebonden budget krijgt een ander karakter door de manier waarop het wordt verstrekt. Niet langer wordt er geld overgemaakt op de rekening van de budgethouder. Als een budget is toegekend, kan de uitgevoerde zorg na facturering aan de betrokken ondersteuner/zorgverlener uitbetaald worden door de Sociale Verzekeringsbank, die daarvan ook de administratie voor de gemeente uitvoert.
De gemeente weigert een cliënt een persoonsgebonden budget als de gemeente in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een beslissing om een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget te verstrekken heeft herzien dan wel ingetrokken omdat de cliënt toen onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.10, onderdeel a), niet voldeed aan de gestelde voorwaarden (artikel 2.3.10, onderdeel d) of de - 21 -
maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikte (artikel 2.3.10, onderdeel e). Met de in dit artikel opgenomen criteria sluit de gemeente aan bij de beperkingen voor het persoonsgebonden budget in de Wmo 2015. Daaraan is toegevoegd de bepaling in het tweede lid onder c; dit betreft het collectief vervoer. De financiering daarvan, zo is in rechtspraak ook geaccepteerd, zou zodanig duur worden als voor deze voorziening ook een persoonsgebonden budget mogelijk was, dat het openstellen van die mogelijkheid een onaanvaardbaar financieel risico voor de gemeente oplevert. Om het financieel risico te beperken en het stelsel van ondersteuning in stand te kunnen houden, heeft de gemeente ervoor gekozen dit criterium in de verordening te verankeren. Een aanvraag voor een persoonsgebonden budget kan geweigerd worden voor zover de kosten van het persoonsgebonden budget hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het persoonsgebonden budget om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.
Het college kan het persoonsgebonden budget slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een persoonsgebonden budget. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Artikel 4.3 lid 2 sub f Het is slechts legitiem als een ingehuurde ondersteuner assisteert bij administratieve taken, indien dit in het ondersteuningsplan is opgenomen. Het is niet mogelijk om aparte facturen voor administratiekosten te betalen vanuit het persoonsgebonden budget. Een persoonsgebonden budget is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een persoonsgebonden budget is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Het derde [en vierde] lid berust[en] op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het persoonsgebonden budget. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Ten aanzien van het vierde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. - 22 -
Ingeval ook hiervoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor individuele begeleiding
Individuele begeleiding is gericht op het ondersteunen van de zelfredzaamheid of de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. Met als doel dat deze persoon zo lang als mogelijk thuis kan blijven wonen. Het belangrijke verschil met de algemene voorziening ambulante ondersteuning is de noodzaak van gespecialiseerde vaardigheden en kennis bij de te leveren ondersteuning in de vorm van professionele en deskundige ondersteuning. Er is indicatiestelling nodig alvorens toegang tot deze vorm van ondersteuning mogelijk is. Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor dagbesteding
Dagbesteding kenmerktzich door de op de cliënt aangepaste aard en inhoud van het activiteitenprogramma. De begeleidingsintensiteit is hoog, er is intensief tot voortdurend ondersteuning, toezicht en/of zorg nodig waarvoor een hoge mate van specialistische kennis vereist is. Er is bij de cliënt sprake van een chronisch beeld met complexe problematiek als gevolg van fysieke, zintuiglijke, verstandelijke beperkingen, een psychische- of psychogeriatrische aandoening of verslavingsproblematiek. Behalve bij het aanbrengen van structuur, heeft de cliënt ook gespecialiseerde zorg en/of toezicht nodig bij zelfzorg en/of communicatie. Tevens is het ontlasten van de mantelzorger en het voorkomen van diens overbelasting een beoogd resultaat. Zo nodig is het vervoer naar de voorziening is inbegrepen in de dagbesteding. Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor kortdurend verblijf
Een mantelzorger kan door het bieden van ondersteuning overbelast raken. Ook kunnen zich situaties voordoen dat de mantelzorger door omstandigheden tijdelijk afwezig is. Randvoorwaarde is dat er sprake is van intensief toezicht in verband met de beperkingen van de cliënt. Kortdurend verblijf kan hierbij uitkomst bieden. Het verhaal van de mantelzorger is leidend. Als is vastgesteld dat de mantelzorger overbelast is of dreigt te raken, dan wel tijdelijk afwezig is, en daardoor niet meer in staat is de zorg te leveren, zal onderzoek naar eigen mogelijkheden en/of (wettelijk) voorliggende voorzieningen om de overbelasting te voorkomen moeten plaatsvinden. Is dit niet mogelijk dan kan kortdurend verblijf worden ingezet. Kortdurend verblijf heeft mede een preventief karakter. De mogelijkheden vanuit de Wet langdurige zorg en zorgverzekering van cliënt zijn voorliggend. Een cliënt kan maximaal 50 etmalen per jaar in aanmerking komen voor kortdurend verblijf. Deze etmalen kunnen naar eigen inzicht worden ingezet. Indien er behoefte is aan meer etmalen per jaar, dan moet een cliënt een beroep doen op de Wet Langdurige Zorg. Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen
Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen en lichaamsreiniging, en essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, en het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind. Verhuizen naar een geschikte woonruimte kan een maatwerkvoorziening zijn binnen deze verordening. Voor deze voorziening wordt gekozen als deze de goedkoopst - 23 -
compenserende is en er geen zwaarwegende belangen zijn om niet te verhuizen. Verhuizing wordt in beginsel niet toegepast indien de kosten en de te verwachten kosten in de toekomst, beoordeeld door een indicatiesteller, van een noodzakelijke woonvoorziening(en) lager zijn dan een bedrag, dat door het college wordt vastgesteld en vastgelegd in de nadere regels. Kosten die in de toekomst zullen moeten worden gemaakt, worden in de overweging meegenomen. Een woonvoorziening kan ook worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van de cliënt in een erkende zorginstelling is. Dit kan bijvoorbeeld zijn: de ouderlijke woning of de woning van de achtergebleven partner. Onder het bezoekbaar maken wordt verstaan: toegankelijk maken van de woning en toegankelijk en bruikbaar maken van maximaal één woonkamer en één toilet. Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen.
Ook worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of gehandicapten, Wlz-instellingen of voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Verder is uitgesloten het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, Wlz-instellingen, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen ook niet – als hoofdverblijf – adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per definitie geen woonvoorziening worden verstrekt; aanpassen leidt niet tot een adequate situatie en verhuizen vanuit een dergelijke woning naar een woning die wel geschikt is om het gehele jaar te bewonen kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook zonder beperking zal men immers moeten verhuizen naar een woning de wel het gehele jaar bewoonbaar is. Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning is het geheel of gedeeltelijk overnemen van activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, in verband met beperkingen die leiden of die dreigen te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de persoon met beperkingen dan wel van de leefeenheid waartoe hij behoort.
Huishoudelijke ondersteuning wordt toegekend voor het hoofdverblijf in de gemeente. Als de persoon met beperkingen huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, dan worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. De persoon met beperkingen krijgt in deze situatie geen indicatie voor huishoudelijke ondersteuning, ook al is er sprake van beperkingen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat huisgenoten in gezamenlijkheid verantwoordelijk zijn voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere huisgenoten verondersteld worden dit over te nemen. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Bij huishoudelijke ondersteuning worden voor de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden tevens de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) meegewogen”.
- 24 -
Financiële zelfredzaamheid valt onder het (zelf)oplossend vermogen. Er is een verband tussen de zelfredzaamheid van een persoon en diens financiële omstandigheden. Kortom, financiële redzaamheid is onderdeel van de algemene zelfredzaamheid en de eigen kracht. Wanneer er sprake is van (dreigende) leveringsproblemen en het ontstaan van wachtlijsten, starten we met wachtlijstbeheer op basis van inkomen. Hierbij hanteren we een inkomenstoets. Nieuwe aanvragers huishoudelijke ondersteuning met een inkomen ≤185% van het sociaal minimum hebben voorrang op de levering van huishoudelijke ondersteuning ten opzichte van inwoners met een inkomen > 185%. Voordat een nieuwe cliënt op grond van het inkomen op de wachtlijst geplaatst wordt, vindt in alle gevallen een volledig onderzoek plaats naar de individuele omstandigheden van de cliënt. Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening
Deze voorziening is primair gericht op het sociaal vervoer, ook wel vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving genoemd. Het primaat ligt bij het collectief vervoer, door de gemeente Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) genoemd. Dit is een vervoerssysteem waarbinnen mensen op afroep zittend worden vervoerd. In het CVV worden aan personen met beperkingen die niet met het openbaar vervoer kunnen reizen alternatieven geboden om zich te kunnen verplaatsen. Bij individuele vervoersvoorzieningen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld scootmobielen, individueel taxivervoer en individuele autokostenvergoeding, die al dan niet in combinatie met het CVV voor compensatie van de ervaren beperking van de zelfredzaamheid of participatie moet zorgen. Artikel 4.10 Aanvullende criteria voor rolstoelvoorziening en sport(rolstoel)voorziening
Primair doel van de rolstoel is zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met andere voorzieningen als looprek, rollator, wandelstok en krukken langdurig niet of onvoldoende mogelijk is. De rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn en worden gebruikt voor verplaatsingen binnen en buiten de woning. De sportrolstoel/sportvoorziening is een bovenwettelijke voorziening die niet onder het verplaatsen in en om de woning valt. Voor een sportrolstoel/sportvoorziening komt men in aanmerking als sportbeoefening zonder een specifieke sportvoorziening onmogelijk is. Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat men actief lid is van een gehandicaptensportvereniging. Alvorens een sportvoorziening te verstrekken bestaat er voor een aantal sporten de mogelijkheid om via “Uniek Sporten Uitleen” een sporthulpmiddel tijdelijk te lenen en uit te proberen. Zo kan een cliënt onderzoeken of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij daadwerkelijk iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte sportrolstoel uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt. Een sportvoorziening wordt uitsluitend als persoonsgebonden budget verstrekt. Dit persoonsgebonden budget hoeft — vanwege het buitenwettelijke karakter — niet volledig toereikend te zijn.
In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf van een sportvoorziening bedoeld en een deel voor onderhoud. Artikel 4.11 Financiële tegemoetkoming meerkosten
Dit artikel komt voort uit artikel 2.1.7 van de wet. Aan dit artikel is door het college uitvoering gegeven door het vaststellen van nadere regels in de vorm van de Regeling meerkosten chronisch zieken en mensen met een beperking 2015. Deze regeling wordt namens de gemeenten in de regio uitgevoerd door Avres. Ingezetenen met een - 25 -
chronische ziekte of beperking met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm kunnen aanspraak maken op deze regeling.
Hoofdstuk 5 Bijdragen De wet schrijft voor dat, voor zover de gemeente een bijdrage in de kosten wil vragen, dit gereguleerd wordt via de verordening. Bij de omslag naar eigen kracht hoort ook het vergroten van het kostenbewustzijn van de inwoner en meer financiële verantwoordelijkheid voor diegenen die dat kunnen betalen. Daarom wordt er een bijdrage in de kosten gevraagd voor maatwerkvoorzieningen. Naast de wettelijke uitzonderingen (waaronder rolstoelen) wordt evenmin een bijdrage gevraagd voor de verhuiskostenvergoeding en sportvoorzieningen. Een bijdrage van de cliënt is nodig om de groeiende vraag naar zorg op te vangen en de zorg ook in de toekomst betaalbaar te houden. Een bijdrage in de kosten kan de vraag remmen doordat ingezetenen zelf een voorziening aanschaffen in plaats van deze bij de gemeente aan te vragen, kiezen voor een goedkopere oplossing of afzien van een voorziening voor incidenteel gebruik. Voor de bijdrage in de kosten geldt de wettelijke verplichting dat het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de hoogte van de bijdrage berekent en het bedrag int. Met de invoering van het abonnementstarief is de eigen bijdrage gemaximeerd op een vast bedrag. De eigen bijdrage is niet langer inkomensafhankelijk. De hoogte van het bedrag wordt van rijkswege bepaald in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
In dit onderdeel wordt geregeld voor welke maatwerkvoorzieningen een bijdrage wordt gevraagd en voor welke maatwerkvoorzieningen niet. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze. De wet maakt een uitzondering voor het collectief vervoer. Hier is sprake van een ritbijdrage. Het collectief vervoer valt niet onder het abonnementstarief, Voor algemene voorzieningen kan een bijdrage worden gevraagd voor algemeen gebruikelijke kosten zoals kosten van consumpties, maaltijdkosten en het doen van de was. De aanbieders van deze voorzieningen zijn vrij om te bepalen óf er een bijdrage wordt gevraagd, met inachtneming van de genoemde voorwaarden. Cliënten die in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer (Molenhopper) betalen een eigen bijdrage in de vorm van een ritbijdrage. Cliënten betalen een gereduceerd tarief. De hoogte van de ritbijdrage wordt door het college vastgesteld in nadere regels. Deze bijdrage is inkomensonafhankelijk en valt niet onder het abonnementstarief. In afwijking van de reguliere maatwerkvoorzieningen vindt de inning van deze bijdrage plaats via de vervoerder, niet via het CAK.
Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving In het belang van de gemeente én in het belang van de cliënten zal de gemeente in de uitvoering door middel van goed onderzoek de nodige aandacht moeten besteden aan het voorkomen van het ten onrechte verstrekken van voorzieningen. De gemeente zal ten onrechte verstrekte voorzieningen beëindigen en voor zover mogelijk terugnemen of –vorderen. Dit is ook een wettelijke verplichting. Artikel 6.2 Terugvordering
Lid 2 en 3: Over het terugvorderen van de in natura verstrekte voorzieningen zegt de wetgever niets. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een bestuursorgaan bevoegd om tot terugvordering van teveel betaalde uitkering over te gaan, tenzij andere rechtsbeginselen zich daartegen verzetten (vgl. CRvB 18 maart 2005, LJN:AT3162). Gelet op deze algemene regel is in de leden 2 en 3 de bevoegdheid tot terugvordering van de maatwerkvoorziening opgenomen. In deze leden is de bevoegdheid conform het eerste lid gekoppeld aan een intrekkingsbesluit en niet aan een herzieningsbesluit in de zin van artikel 6.1.
Hoofdstuk 7 Kwaliteit en klachten Artikel 7.3 Regeling voor klachtenafhandeling - 26 -
Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne klachtenregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachten- en dispuutregeling. In de contracten met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren. Artikel 7.4 Regeling voor medezeggenschap
Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening, opvang of beschermd wonen moeten beschikken over een regeling ten behoeve van de behartiging van de belangen van de cliënten van de aanbieder. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de medezeggenschapsregeling. In de contracten met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de medezeggenschap goed te kunnen laten functioneren. Artikel 7.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Dit artikel regelt dat het college een gemeentelijk toezichthouder op de Wmo benoemt. De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder wanneer zich calamiteiten voordoen en bij iedere vorm van geweld en/of discriminatie bij het verstrekken van een Wmo voorziening. De gemeentelijk toezichthouder stelt een onderzoek in en adviseert het college.
Hoofdstuk 8 Inspraak Artikel 8 Inspraak
Dit artikel regelt dat het college de ingezetenen van de gemeente betrekt bij de totstandkoming van het Wmo beleid. Dat past bij de aard van de wet en bij hoe het college en ingezetenen samen invulling geven aan de doelen van de wet. Dit artikel biedt ingezetenen de waarborgen voor een tijdige inspraak op de voornemens van de gemeente inzake het Wmo beleid en verplicht het college om ingezetenen in staat te stellen de inspraak effectief te kunnen vormgeven. De evaluatie is bij wet en bij verordening geregeld. Hierbij worden de Wmo-adviesorganen betrokken. Daarnaast kan het college kleine doelgroepen apart benaderen voor overleg en advies. Ook op grond van de Inspraakverordening geldt overigens de in dit artikel opgenomen verplichting, en die geldt als aanvulling op wat in deze verordening niet geregeld wordt.
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Evaluatie
De wet voorziet in een onderzoeksplicht van het college hoe cliënten de kwaliteit van de ondersteuning ervaren. Het college dient de uitkomsten van dit onderzoek jaarlijks voor 1 juli te publiceren. Verder stelt de raad periodiek een beleidsplan op. Richting nieuwe beleidsperiode is het vanzelfsprekend dat een evaluatie van het gevoerde beleid plaatsvindt. Deze evaluaties staan los van de werking en effectiviteit van de Wmo verordening. Zeker in de beginfase van de nieuwe Wmo is het wenselijk om de verordening jaarlijks tegen het licht te houden. Op termijn kan de evaluatie van de verordening worden meegenomen in de reguliere beleidscyclus. Artikel 9.2 Beschermd wonen en opvang
In de Wmo was maatschappelijke opvang gepositioneerd als zogenoemde collectieve voorziening. In de Wmo 2015 geldt de maatschappelijke opvang met beschermd wonen als maatwerkvoorziening, met uitzondering van nachtopvang. Deze ondersteuning wordt geregeld in de Verordening beschermd wonen en opvang.
- 27 -
Artikel 9.3 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening en de nadere regels die hieruit voortvloeien. Afwijken kan enkel ten gunste, niet ten nadele van de aanvrager. Benadrukt wordt dat slechts in bijzondere gevallen gebruik gemaakt kan worden van de hardheidsclausule. Het college geeft bij toepassing van deze clausule duidelijk aan waarom van de verordening en/of de nadere regels wordt afgeweken. Artikel 9.4 Indexering
Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, kan per voorziening door het college worden bepaald. Artikel 9.7 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2020.
Bijlagen Artikel 2.3.6 lid 2 b van Wmo 2015
2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Artikel 2.3.10 lid 1 van Wmo 2015
1. Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen, c. de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten, d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
- 28 -