2023-846398 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem.docx
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2023
Inhoud Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen .......................................................................1 Artikel 1.1 Begripsbepalingen .............................................................................1 Artikel 1.2 Doelgroep van de verordening .............................................................3 Hoofdstuk 2 Toegang ........................................................................................3 Artikel 2.1 Melding en onderzoek ........................................................................3 Artikel 2.2 Inhoud onderzoek .............................................................................4 Artikel 2.3 Verslag onderzoek .............................................................................4 Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening ...........................................................4 Artikel 2.5 Inhoud beschikking............................................................................4 Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen ...................................................................5 Artikel 3.1 Algemeen.........................................................................................5 Artikel 3.2 Ambulante ondersteuning ...................................................................5 Artikel 3.3 Dagactiviteiten met lichte ondersteuning ...............................................5 Artikel
3.4 Collectief vraagafhankelijk vervoer .......................................................5 Artikel 3.5 Mantelzorgwaardering ........................................................................5 Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen ....................................................................5 Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorzieningen .............................................5 Artikel 4.2 Algemene weigeringsgronden ..............................................................6 Artikel 4.3 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget ......................................6 Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor ondersteuning vanuit individuele begeleiding......7 Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor ondersteuning vanuit dagbesteding...................7 Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor kortdurend verblijf ..........................................8 Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen .........................................8 Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor huishoudelijke ondersteuning ...........................9 Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening ........................................9 Artikel 4.10 Aanvullende criteria voor rolstoelvoorziening ........................................9 Artikel 4.11 Financiële tegemoetkoming meerkosten ..............................................9 Hoofdstuk 5
Bijdragen .......................................................................................9 Artikel 5.1 Algemeen: Compensatie gebruikskosten................................................9 Artikel 5.2 Bijdrageplicht algemene voorzieningen (vervalt) ...................................10 Artikel 5.3 Ritbijdrage collectief vraagafhankelijk vervoer ......................................10 Artikel 5.4 Bijdrageplicht Maatwerkvoorzieningen .................................................10 Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving ..................................................................10 Artikel 6.1 Nieuwe feiten of omstandigheden, herziening en intrekking ....................10 Artikel 6.2 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget ..........................11 Artikel 6.3 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten ..............................11 Artikel 6.4 Terugvordering ...............................................................................11 Hoofdstuk 7 Kwaliteit en klachten ......................................................................11 Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning ...................................11 Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden .......................12 Artikel 7.3 Regeling voor
klachtenafhandeling......................................................12 Artikel 7.4 Regeling voor medezeggenschap ........................................................13 Artikel 7.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld .............................................13 Hoofdstuk 8 Inspraak ......................................................................................13 Artikel 8 Inspraak ...........................................................................................13 Hoofdstuk 9 Slotbepalingen ..............................................................................13 Artikel 9.1 Evaluatie verordening.......................................................................13 Artikel 9.2 Verhouding met Verordening beschermd wonen en opvang .....................13 Artikel 9.3 Hardheidsclausule ............................................................................13 Artikel 9.4 Indexering......................................................................................14 Artikel 9.5 Overgangsbepalingen .......................................................................14 Artikel 9.6 Inwerkingtreding .............................................................................14 Artikel 9.7 Citeertitel .......................................................................................14 Toelichting Verordening maatschappelijke
ondersteuning gemeente Gorinchem 2020 15
-1-
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2023 De raad van de gemeente Gorinchem; gelezen het voorstel van het college; gelezen de inspraakreacties op de concept verordening en de reactie van het college hierop in het raadsvoorstel; overwegende: - dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; - dat van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; - dat van de gemeente verwacht mag worden dat zij inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving, onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, ondersteuning biedt, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; - dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2.
van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; gelet op de artikelen 2.1.3 t/m 2.1.7, artikel 2.3.6 en artikel 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1.1 van de wet verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; b. algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning; c. collectieve voorziening: een voorziening die individueel wordt (aangevraagd en) verstrekt, maar die door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt; d. bezoekbaar maken: toegankelijk maken van de woning en toegankelijk en bruikbaar maken van maximaal één woonkamer en één toilet; e. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet, ook bekend als eigen bijdrage; f. cliënt: onder cliënt wordt verstaan degene die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet en onder cliënt wordt in voorkomende gevallen ook verstaan degene die namens de cliënt als gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger bevoegdelijk optreedt; g.
cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid -2-
en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; h. de gemeente: Gorinchem; i. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders/verzorgers, inwonende kinderen of andere huisgenoten; j. maatwerkvoorziening: een voorziening die door het college op basis van de wet wordt verstrekt; k. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; l. melding: verzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet om onderzoek te doen naar de behoefte van maatschappelijke ondersteuning; m. ondersteuningsplan: de concrete weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die door de gemeente in samenspraak met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten, globale frequentie van de ondersteuning en de evaluatie daarvan; n. participatie: deelnemen aan het maatschappelijk verkeer; o.
persoonlijk plan: een door de cliënt aan het college overhandigd plan waarin cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a t/m g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; p. persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; q. ritbijdrage: een door het college vast te stellen bedrag dat een persoon met beperkingen bijdraagt aan het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer; r. sociaal team: een onder de regie van de gemeente samenwerkend team van beroepskrachten die ondersteuning bieden aan ingezetenen uit de gemeente. In het team zijn onder andere de volgende functies vertegenwoordigd: maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, maatschappelijke dienstverlening, cliëntondersteuning en werk en inkomen. s. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (bepaling inzake bijdragen Wmo); t. verslag: een weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet; u. vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; v.
voorliggende voorziening: voorziening waarmee een vergelijkbaar compenserend resultaat wordt bereikt als met een voorziening op grond van de wet; w. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; x. zelfredzaamheid: zelfredzaamheid is de eigen vaardigheid en kennis om taken ten aanzien van zelfverzorging, zelfsturing en het onderhouden van sociale contacten te verrichten.
-3-
Artikel 1.2 Doelgroep van de verordening 1. Deze verordening richt zich op personen: a. die ingezetenen zijn van de gemeente Gorinchem of hier rechtmatig verblijven en; b. die ondersteuning nodig hebben bij hun zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie, of; c. die, al dan niet woonachtig in de gemeente, als mantelzorger ondersteuning aan een ingezetene van de gemeente bieden. 2. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domein overstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet draagt het college zorg voor een goede afstemming van de ondersteuning.
Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 2.1 Melding en onderzoek 1. Een melding van een ondersteuningsbehoefte kan bij het college schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch worden gedaan; 2. Het college bevordert maximale toegankelijkheid voor alle ingezetenen die een melding willen doen van een ondersteuningsbehoefte. Het college zorgt er in ieder geval voor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning; 3. De melding wordt geregistreerd en de ontvangst van de melding wordt bevestigd. De cliënt wordt geïnformeerd over de gang van zaken na de melding, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Naar aanleiding van de melding wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede tot en met achtste lid van de wet; 4. Het college wijst degenen die zich met een ondersteuningsvraag melden nadrukkelijk erop dat zij zich bij het gesprek kunnen laten bijstaan door iemand uit het eigen netwerk of een cliëntondersteuner; 5. Het college zal naar aanleiding van de melding nagaan waar de behoefte aan ondersteuning van de cliënt en diens mantelzorger uit bestaat; 6.
Als een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet nodig is, of de cliënt geeft aan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening te willen doen, zal de cliënt of zijn vertegenwoordiger alle gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, moeten overleggen of anderszins verschaffen; 7. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviseur om advies vragen; 8. Indien de cliënt of de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college in afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg en met instemming van de cliënt volstaan met een kort onderzoek en afzien van een uitgebreid onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, lid 4 van de wet; 9. Bij het onderzoek wordt de cliënt geïnformeerd over de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget en de gevolgen daarvan; 10. Het college kan de mogelijkheid instellen van een herbeoordeling van de melding als bedoeld in het vijfde lid door een andere medewerker voor de gevallen dat de cliënt en de medewerker niet tot overeenstemming komen over een ondersteuningsplan; 11. Het college kan nadere regels stellen omtrent de toegangsbeoordeling als bedoeld in dit hoofdstuk.
-4-
12. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan. De cliënt kan hierbij een beroep doen op een onafhankelijke cliëntondersteuner.
Artikel 2.2 Inhoud onderzoek Het college bespreekt met de cliënt na de melding zo spoedig mogelijk, met inachtneming van diens persoonlijk plan indien aanwezig en voor zover nodig: 1. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; 2. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te ondersteunen; 3. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met behulp van vrijwillige inzet, voor zover deze vrijwillige inzet de instemming heeft van de cliënt, te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; 4. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; 5. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, een algemeen gebruikelijke voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; 6. de verplichtingen gerelateerd aan een maatwerkvoorziening 7.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en aanbieders, als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg en partijen uit het sociaal team en de voorliggende voorzieningen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; 8. informatie over bijdragen in de kosten die de cliënt verschuldigd zal zijn.
Artikel 2.3 Verslag onderzoek 1. De cliënt ontvangt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Indien er een ondersteuningsplan wordt opgesteld geldt dat als verslag van het onderzoek. 2. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt over dit verslag dienen op verzoek van de cliënt als bijlage te worden toegevoegd.
Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door een cliënt schriftelijk ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet en artikel 2.1., derde lid bedoelde termijn. 2. Het college beschikt binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. 3. Bij de voorkeur voor een persoonsgebonden budget dient de aanvrager aan te geven wat de voorgenomen uitvoering daarvan is en wat de kwalificaties zijn van de uitvoering.
Artikel 2.5 Inhoud beschikking 1. Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: a. welke voorziening wordt toegekend en het beoogde resultaat hiervan; b. wat de duur van de verstrekking is, voor zover dit door het college wordt bepaald; c. hoe de voorziening in natura wordt verstrekt; d. welke verplichtingen zijn verbonden aan de te verstrekken maatwerkvoorziening.
-5-
2. Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: a. voor welke maatwerkvoorziening het persoonsgebonden budget kan worden aangewend; b. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is; c. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld, voor zover dit door het college wordt bepaald; d. welke verplichtingen zijn verbonden aan het persoonsgebonden budget; e. welke regels gelden ten aanzien van facturering en verantwoording van het persoonsgebonden budget. 3. Als er sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt dit in de beschikking opgenomen.
Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemeen 1. Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle ingezetenen van de gemeente of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. 2. Het college bevordert en treft eventueel de algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan de zelfredzaamheid en de participatie van ingezetenen en aan de inzet van mantelzorg en vrijwilligerswerk daarvoor. 3. Algemene voorzieningen sluiten zoveel mogelijk aan op eigen initiatieven van ingezetenen. 4. Het college kan nadere regels stellen over de vorm van algemene voorzieningen, de algemene en specifieke doelgroep, gebruiksvoorwaarden en het nakomen van de gebruiksvoorwaarden.
Artikel 3.2 Ambulante ondersteuning Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde ambulante ondersteuning. Deze ondersteuning kan georganiseerd worden vanuit het sociaal team en omvat waar nodig: a. informatie, advies; b. vraagverheldering; c. kortdurende ondersteuning; d. langdurende ondersteuning.
Artikel 3.3 Dagactiviteiten met lichte ondersteuning Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde dagactiviteiten met lichte ondersteuning met het oog op het aangaan van sociale contacten, het bieden van enige structuur alsmede het ontlasten van eventuele mantelzorgers.
Artikel 3.4 Collectief vraagafhankelijk vervoer Het college draagt zorg voor collectief vraagafhankelijk vervoer.
Artikel 3.5 Mantelzorgwaardering Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. Het college stelt nadere regels vast op welke wijze deze blijk van waardering inhoud en vorm wordt gegeven.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorzieningen 1. Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. 2. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: -6-
a. eigen kracht en/of; b. gebruikelijke hulp en/of; c. mantelzorg en/of; d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; e. algemene voorzieningen en/of; f. voorliggende voorzieningen. 3. Indien meerdere maatwerkvoorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de voorziening die voldoende compenseert en het goedkoopst is.
Artikel 4.2 Algemene weigeringsgronden Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: 1. indien de aanvraag om een maatwerkvoorziening betrekking heeft op een algemeen gebruikelijke voorziening of indien er sprake is van normale maatschappelijke kosten; 2. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente of hier niet rechtmatig verblijft; 3. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was; 4. voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt, waarbij er sprake is van een afschrijvingstermijn en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; 5. voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de cliënt toereikend en passend te zijn; 6. indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet. 7.
indien de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; 8. indien de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening overbodig hadden gemaakt; 9. indien de noodzaak tot het treffen van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en participatie, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.
Artikel 4.3 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget 1. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de cliënt naar het oordeel van het college voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en in staat is de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt en voldoen aan de kwaliteitseisen overeenkomstig artikel 7. -7-
2. Het college kent geen persoonsgebonden budget toe als: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. in de drie jaren, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet; c. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet; d. de kosten betrekking hebben op de administratie en het beheer van het persoonsgebonden budget en dit geen deel uitmaakt van het ondersteuningsplan. 3. Het college kan nadere regels opstellen met betrekking tot een persoonsgebonden budget over voorwaarden, voorschriften en de kwaliteit van de gevraagde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Hierbij geldt dat de hoogte van het persoonsgebonden budget toereikend moet zijn. 4. Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociaal netwerk als wordt voldaan aan noodzakelijke kwaliteitseisen, waaronder mede wordt verstaan opleidingseisen. Het college kan nadere regels stellen. 5.
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor de arrangementen individuele begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf wordt bepaald op basis van een kostprijs per uur, per dagdeel of per etmaal wanneer deze voorziening in natura zou zijn verstrekt. Hiervoor gelden de volgende percentages: • Gecertificeerde zorgaanbieder: 100% van het natura tarief; • ZZP’er (zelfstandige zonder personeel): 85% van het natura tarief; • Ondersteuning vanuit sociaal netwerk: 50% van het natura tarief. 6. Voor de hoogte van het tarief van huishoudelijke ondersteuning geldt een vast uurtarief, nader vast te stellen door het college. 7. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel (vervoersvoorziening, rolstoelvoorziening of roerende woonvoorziening) of woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening, die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. Het bedrag is inclusief het aanpassen, onderhoud en verzekering van de voorziening.
Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor individuele begeleiding In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding als: a. bij cliënt sprake is van een complexe ondersteuningsvraag, en/of; b. er bij het functioneren van de cliënt sprake is van risico voor hemzelf of diens omgeving, en/of; c. toezicht op de cliënt nodig is en/of; d. de noodzaak tot ondersteuning bij persoonlijke verzorging in overwegende mate voortkomt uit een verstandelijke, zintuiglijke of psychiatrische beperking en dit een bijdrage levert aan de zelfredzaamheid. De behoefte aan persoonlijke verzorging hangt niet samen met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop.
Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor
dagbesteding
1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor ondersteuning in de vorm van dagbesteding als: a. de aanvrager als gevolg van een beperking onvoldoende in staat is om een dagbesteding, waaronder het volgen van een opleiding of het leveren van een arbeidsprestatie, voor zichzelf of met behulp van zijn netwerk te organiseren, en; -8-
b. er sprake is van een dermate complexe beperking, dat gedurende de dagbesteding directe nabijheid van gespecialiseerde zorg, ondersteuning en/of toezicht nodig is, of; c. daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen. 2. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt, indien hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, in aanmerking komen voor arbeidsmatige dagbesteding met zo mogelijk als doel de cliënt voor te bereiden op (begeleid) werk of vrijwilligerswerk als a. de aanvrager onvoldoende vaardigheden heeft inzake het aanbrengen van structuur of het voeren van regie in het dagelijks leven, en; b. de aanvrager geen of zeer geringe loonvormende arbeidsprestatie kan leveren door het ontbreken van werkvaardigheden als gevolg van beperkingen en daaruit voortvloeiend een ondersteunings- en/of toezichtsvraag heeft, of; c. daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen. 3. In afwijking van artikel 4.5 lid 2 kan het college ten behoeve van een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, besluiten op grond van zijn ondersteuningsplan, artikel 4.5 lid 2 overeenkomstig toe te passen.
Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor kortdurend verblijf In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt met een maximum van 50 etmalen per jaar in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als daarmee overbelasting van de mantelzorger kan worden voorkomen of als de mantelzorger tijdelijk afwezig is, en; a. de cliënt langdurig is aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp en ondersteuning met intensief toezicht, en; b. ndividuele begeleiding en dagbesteding niet voldoende oplossing bieden, en; c. voor zover de cliënt geen aanspraak kan maken op zijn zorgverzekering of de Wet langdurige zorg.
Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als: a. De voorziening langdurig noodzakelijk is; b. De cliënt aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en; c. in redelijke mate inspanning heeft gedaan om een geschikte woning te vinden en te bewonen, en/of; d. een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van de cliënt in een erkende zorginstelling is. 3. Er kan geen aanspraak gemaakt worden op een woonvoorziening indien deze betrekking heeft op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. 4.
De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
-9-
Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor huishoudelijke ondersteuning 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning ingeval er aantoonbare beperkingen bij het voeren van een huishouden aanwezig zijn. 2. Bij de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden worden tevens de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) meegewogen.
Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor collectief vraagafhankelijk vervoer als deze langdurig noodzakelijk is en de cliënt niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer. 2. In aanvulling op artikel 4.1 en het voorgaande lid kan een cliënt eerst in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet afdoende is. 3. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. 4. In afwijking van het derde lid kan een vervoersvoorziening worden verstrekt als zich een situatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de persoon met beperkingen noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. 5. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen tot maximaal een omvang per jaar van 2000 kilometer mogelijk maken. 6.
Indien meer kilometers nodig zijn dan 2000 kilometer per jaar, kan een gemotiveerde aanvraag worden ingediend voor ophoging van de kilometers en wordt deze individueel beoordeeld.
Artikel 4.10 Aanvullende criteria voor rolstoelvoorziening en sport(rolstoel)voorziening 1. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening als het voor hem langdurig noodzakelijk is om zich hiermee te verplaatsen. 2. Een cliënt kan voor een sportrolstoel/sportvoorziening in aanmerking komen wanneer hij voornemens is hier langdurig gebruik van te maken en de sportbeoefening zonder deze voorziening onmogelijk is. 3. Een sportrolstoel/sportvoorziening wordt uitsluitend als persoonsgebonden budget verstrekt 4. Het college stelt nadere regels waarin de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald.
Artikel 4.11 Financiële tegemoetkoming meerkosten Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2. van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Het college kan nadere regels stellen inzake de inhoud, beoogde doelgroep en hoogte van de tegemoetkoming.
Hoofdstuk 5 Bijdragen Artikel 5.1 Algemeen: Compensatie gebruikskosten
- 10 -
1. De aanbieder van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening vraagt aan de cliënt een bijdrage voor de kosten, die de cliënt uitspaart doordat deze onderdeel uitmaken van de voorziening, voor zover dat tussen het college en de aanbieder is afgesproken. Het gaat hierbij in elk geval om kosten: a. voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij dag- en nachtopvang en; b. voor het doen van een was. 2. De hoogte van de bijdrage is kostendekkend. De aanbieder maakt de verschuldigdheid en de hoogte van de bijdrage zichtbaar voor de cliënten die de voorziening van hem betrekken.
Artikel 5.2 (vervallen)
Artikel 5.3 Ritbijdrage collectief vraagafhankelijk vervoer 1. De cliënt is een ritbijdrage verschuldigd voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer. De ritbijdrage is inkomensonafhankelijk; 2. Het college stelt nadere regels waarin de hoogte van de ritbijdrage en het aantal reiszones worden bepaald.
Artikel 5.4 Bijdrageplicht Maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt. 2. De bij verordening aangewezen voorzieningen zijn: a. Dagbesteding b. Huishoudelijke ondersteuning c. Individuele begeleiding d. Kortdurend verblijf e. Vervoersvoorzieningen f. Woonvoorzieningen 3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag zoals genoemd in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. collectief vraagafhankelijk vervoer b. verhuiskostenvergoedingen c. sportvoorzieningen d. individuele taxivergoeding e. kilometervergoeding voor gebruik van eigen auto, vervoer door derden of bruikleenauto f. woningaanpassingen die worden toegekend aan thuiswonende, minderjarige kinderen
Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving Artikel 6.1 Nieuwe feiten of omstandigheden, herziening en intrekking 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. - 11 -
2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een besluit als bedoeld In artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: 3. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 4. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen; 5. de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten; 6. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; 7. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
Artikel 6.2 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van de betaling voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het persoonsgebonden budget als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
Artikel 6.3 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten met het oog op de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 6.4 Terugvordering 1. Als het college een besluit op grond van artikel 6.1, tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. 2. Ingeval het besluit tot toekenning van het recht op het persoonsgebonden budget is ingetrokken op de grond dat het persoonsgebonden budget niet is aangewend voor de bekostiging van een voorziening, kan het persoonsgebonden budget worden teruggevorderd. 3. Ingeval het besluit tot toekenning van het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 4. Ingeval het besluit tot toekenning van het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
Hoofdstuk 7 Kwaliteit en klachten Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. De gecontracteerde aanbieder of leverancier van een voorziening zorgt voor een goede kwaliteit van de voorziening, wat in ieder geval betekent dat: a. de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is; b. de voorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt; c. de voorziening is afgestemd op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; d. de beroepskracht die een voorziening levert, handelt in overeenstemming met de professionele standaard; 2. Het college stelt nadere regels vast over welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. - 12 -
Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met een derde of; b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: c. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met een derde, en d. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en; b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 6. Het college houdt bij het leveren van hulpmiddelen en woningaanpassingen en het vaststellen van de tarieven daarvan, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te leveren hulpmiddelen of woningaanpassingen; b. de kwaliteitseisen van het hulpmiddel of de woningaanpassing c. de reële marktprijs van het hulpmiddel of de woningaanpassing, en d. de eventuele extra taken die in verband met het hulpmiddel of de woningaanpassing van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, levering en plaatsing van het hulpmiddel of de woningaanpassing; ii. instructie over het gebruik van het hulpmiddel of de woningaanpassing; iii. onderhoud van het hulpmiddel of de woningaanpassing.
Artikel 7.3 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Gecontracteerde aanbieders en leveranciers stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders en leveranciers.
- 13 -
Artikel 7.4 Regeling voor medezeggenschap 1. Gecontracteerde aanbieders en leveranciers stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschap van aanbieders.
Artikel 7.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en iedere vorm van geweld en/of discriminatie bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Gecontracteerde aanbieders en leveranciers melden iedere calamiteit en iedere vorm van geweld en/of discriminatie die zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld en/of discriminatie. 4. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld en/of discriminatie bij de verstrekking van een voorziening.
Hoofdstuk 8 Inspraak Artikel 8 Inspraak 1. Het college betrekt adviesorganen en/of ingezetenen als zijnde belangenbehartigers van cliënten bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. 2. Het college stelt adviesorganen en/of ingezetenen van de gemeente vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid te doen, en gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt dat adviesorganen en/of ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de verplichtingen genoemd in de voorgaande leden.
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Evaluatie verordening Het college evalueert jaarlijks voor 1 juli de werking van deze verordening.
Artikel 9.2 Verhouding met Verordening beschermd wonen en opvang Deze verordening is niet van toepassing op beschermd wonen en opvang en andere onderwerpen die zijn geregeld in de Verordening beschermd wonen en opvang van de gemeente.
Artikel 9.3 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt met een vastgestelde ondersteuningsbehoefte afwijken van de regels bij of krachtens deze verordening, als
- 14 -
toepassing van de regels bij of krachtens deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 9.4 Indexering 1. Het college kan jaarlijks per 1 januari de door het college vastgestelde bedragen voortvloeiend uit deze verordening verhogen of verlagen. 2. Het college kan per voorziening bepalen welke prijsindex hierbij wordt gehanteerd.
Artikel 9.5 Overgangsbepalingen 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2020 wordt ingetrokken; 2. Een cliënt houdt recht op een voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken; 3. Het nieuwe besluit als bedoeld in het tweede lid treedt niet eerder in werking dan drie maanden na verzending; 4. Aanvragen die zijn ingediend onder de oude verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
Artikel 9.6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2023.
Artikel 9.7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2023. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 20 april 2023 De griffier, De voorzitter,
- 15 -
Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2023 Algemene toelichting Wettelijke grondslag
De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2023 is gebaseerd op de ‘Regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015)’. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is op 18 juli 2014 gepubliceerd in het Staatsblad. Doel Wmo
De wetgever stimuleert ingezetenen eigen verantwoordelijkheid te dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en verwacht van ingezetenen dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) wil de rechten en plichten van ingezetenen meer met elkaar in evenwicht te brengen. Ingezetenen die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie in de samenleving, kunnen een beroep doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning. De wet bouwt voort op de ervaringen die zijn opgedaan met de Wmo sinds 2007 en heeft de verantwoordelijkheid van gemeenten voor maatschappelijke ondersteuning daarnaast verder uitgebreid door decentralisatie van bepaalde verantwoordelijkheden die in de AWBZ waren opgenomen. De gemeente is verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Het streven naar een inclusieve samenleving kan niet los worden gezien van het VNverdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Het doel van dit verdrag is een voor ieder toegankelijke samenleving.
Daarmee maakt dit verdrag deel uit van de wettelijke context waarbinnen overheden (en daarmee gemeenten) dienen te opereren. Opdracht Wmo 2015 aan Gemeenten
De Wmo 2015 draagt het gemeentebestuur op zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning van zijn ingezetenen, en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Daartoe moet de gemeenteraad een beleidsplan opstellen (artikel 2.1.2 Wmo 2015) en een Verordening met “de regels die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit beleidsplan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen” (artikel 2.1.3 Wmo 2015) Verordening
De verordening bevat een uitwerking van alle bepalingen die volgens de wet verplicht zijn (zie de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de wet). In de verordening zijn aanvullende bepalingen opgenomen waar deze een meer compleet beeld geven van de rechten en plichten van de ingezetenen, mede gelet op de specifieke gemeentelijke praktijk. In de verordening is het grote belang van de toegangsprocedure bevestigd door deze fase in een apart hoofdstuk op te nemen. Juist in de “melding en onderzoek”-fase zal immers de rol van de mantelzorger en de vrijwilliger, het sociaal netwerk en de eigen regie op de zelfredzaamheid en participatie onderzocht en waar nodig versterkt moeten worden; deze fase zal de transformatie naar een nieuwe verhouding tussen overheid en inwoner moeten ondersteunen. Daarnaast is ervoor gekozen om in hoofdstuk 3 een beeld te schetsen van de algemene voorzieningen, die zonder beschikking toegankelijk zijn. - 16 -
Evaluatie verordening 2020
De verordening 2020 is op onderdelen gewijzigde. De opgenomen wijzigingen hebben betrekking op de aanvullende criteria voor maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo 2015 en de grondslag voor de berekening van de eigen bijdrage. Verder zijn de wijzigingen voornamelijk tekstueel en juridisch-technisch van aard.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In de Wmo en het daarop gebaseerde Besluit is een groot aantal definities opgenomen, reden waarom het aantal in deze verordening beperkt is. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. a. algemeen gebruikelijke voorziening Dit betreft voorzieningen die in principe voor iedereen beschikbaar zijn, of iemand nu wel of geen beperking heeft. Hoewel het kan voorkomen dat ze specifiek voor een beperking worden aangeschaft, worden ze vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed. Voorbeelden van een algemeen gebruikelijke voorziening zijn een fiets, een rollator, een verhoogd toilet, thermostatische kranen en zonwering. b. algemene voorziening Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het bieden van maatschappelijke ondersteuning. De voorwaarden aan het gebruik van de algemene voorziening zullen voornamelijk betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening en op het nakomen van de gebruiksvoorwaarden van de voorziening. c. bijdrage Voorheen werd dit de eigen bijdrage genoemd; de Wmo 2015 noemt het de bijdrage in de kosten. De bijdrage wordt nader uitgewerkt in hoofdstuk 5 van deze verordening. d.
gebruikelijke hulp Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht hulp te bieden of bepaalde taken over te nemen. Huishoudelijk werk, administratie, financiën, maar ook begeleiding bij bijvoorbeeld (ziekenhuis)bezoek vallen onder gebruikelijke hulp. Bij de bepaling van gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd en eventuele beperking(en) van de huisgeno(o)t(en). Onder een huisgenoot wordt verstaan een persoon die (al dan niet samen met anderen) een huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. s. sociaal team Een sociaal team is een onder de regie van de gemeente samenwerkend team van beroepskrachten dat gebiedsgericht werkt. Een gebied kan bijvoorbeeld een wijk, een dorp maar ook de hele gemeente zijn. Het sociaal team is een interdisciplinair team dat ambulante laagdrempelige ondersteuning en hulp kan bieden aan ingezetenen ongeacht hun leeftijd. De werkwijze van het team wordt gekenmerkt door het versterken van de kracht van het eigen netwerk en het optimaal benutten van algemene voorzieningen. Er wordt gewerkt met één integraal plan voor alle leeftijden op basis van één huishouden, één plan, één regisseur.
Taken van het team zijn: vraagverheldering, ondersteuning (individueel en groep), regie en vroegsignalering. Artikel 1.2 Doelgroep van de verordening
De verordening kent twee doelgroepen. Ten eerste ingezetenen die ondersteuning nodig hebben vanwege een of meer beperkingen en/of chronische psychische of psychosociale problemen bij het versterken van hun zelfredzaamheid en behoud van participatie. Als - 17 -
ingezetenen worden ook gezien: personen die hun hoofdverblijf hebben in een verzorgingshuis of verpleeghuis maar nog staan ingeschreven op het oude woonadres of personen die een aanvraag doen voor het bezoekbaar maken van een woning in de gemeente. Naast ingezetenen worden op grond van artikel 1.2.2 lid 1 van de wet ook vreemdelingen die rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, gerekend tot de doelgroep van de verordening. Ten tweede kunnen mantelzorgers voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen, indien degene voor wie zij mantelzorger zijn ingezetene is van de gemeente. De gemeente dient de belangen van de mantelzorger mee te wegen. Inzet van respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. Een mantelzorger kan ook eigenstandig recht hebben op een maatwerkvoorziening. De gemeente wijst de mantelzorger ook op ondersteuning vanuit algemene voorzieningen. De uitvoering van de taken op grond van de Wmo en van de aanpalende Jeugdwet en Participatiewet wordt op elkaar afgestemd. Daarbij gaat de aandacht onder meer uit naar de continuïteit van de ondersteuning bij de overgang naar volwassenheid, naar een op elkaar afgestemd pakket van voorzieningen en naar samenwerking tussen zorg en welzijn, formele en informele ondersteuners en intramurale en extramurale voorzieningen.
Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 2.1 Melding en onderzoek
In dit artikel is de toegangsprocedure voor mensen met behoefte aan ondersteuning opgenomen. De Wmo 2015 introduceert het begrip melding, waarmee de bespreking van een ondersteuningsbehoefte start. De melding kan, door of namens de cliënt, op verschillende manieren worden gedaan, bij voorkeur digitaal. De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de melder waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat; dit wordt ook wel het gesprek genoemd. De medewerker kan zo nodig vanuit en met het sociale team het onderzoek uitvoeren. Hieronder wordt nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(s) begrepen, indien aanwezig. Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de Nederlandse taalvaardigheid van de cliënt en zijn/haar mogelijkheid om zaken te begrijpen. De melding kan leiden tot een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. Ook als de melding leidt tot een aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal dit nader onderzoek plaatsvinden. De medewerker die de melding in behandeling heeft, geeft uitleg over dit onderzoek en over de benodigde informatie, en verzamelt deze informatie voor zover mogelijk. Daarbij is de medewerking van de melder onontbeerlijk. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan in overleg met de melder worden afgezien van het onderzoek.
De aanvrager wordt in de onderzoeksfase reeds voorbereid op de eventuele keuze tussen een ondersteuning in natura en een persoonsgebonden budget, ingeval er een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd. De termijn voor vaststellen ondersteuningsbehoefte bedraagt uiterlijk zes weken. Indien de melder en de medewerker het niet eens worden over de inhoud van het ondersteuningsplan, dan kan er door de melder om een zogenoemde second opinion worden verzocht. De melding wordt dan herbeoordeeld met een andere medewerker. Doel is het voorkomen van onnodige juridisering van zorginhoudelijke discussies.
- 18 -
Artikel 2.2 Inhoud onderzoek
Dit betreft het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. Bij aanvang van het onderzoek kan iemand ook zelf al een (deel van een) plan hebben gemaakt bijvoorbeeld over welke ondersteuning hij wenst en op welke manier. Dit is het persoonlijk plan. In artikel 2.3.2 van de wet en in dit artikel van de verordening staat opgesomd wat in het kader van het onderzoek beoordeeld wordt. Indien de aard van de aanvraag daartoe aanleiding geeft, kan het onderzoek worden beperkt tot de aspecten die voor de aanvraag van belang zijn. Artikel 2.3 Verslag onderzoek
In het kader van de beantwoording van de ondersteuningsvraag is het van belang dat de cliënt en de medewerker die het onderzoek uitvoert zoveel mogelijk van dezelfde informatie kunnen uitgaan. Het verslag waarmee het onderzoek wordt afgesloten wordt aan de cliënt verstrekt, tenzij er overwegende bezwaren zijn het verslag te verstrekken, dan wel er een ondersteuningsplan wordt opgesteld. In dat geval maakt het resultaat van het onderzoek deel uit van het ondersteuningsplan en hoeft er niet een apart verslag te worden opgesteld. Het verslag als zodanig is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Mocht de uitkomst van het onderzoek, ook na een eventuele second opinion, niet tot overeenstemming leiden omdat de cliënt niet de voorziening ontvangt die hij denkt nodig te hebben, dan kan daar een aanvraag voor worden ingediend waarna aan de hand van een voor bezwaar vatbare beschikking het besluit van de gemeente juridisch getoetst kan worden. Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening
Een maatwerkvoorziening wordt in beginsel schriftelijk aangevraagd. Het college kan ook de mogelijkheid van een mondelinge of digitale aanvraag instellen. Als dat voor het onderzoek nodig is, kan een externe adviseur (een onafhankelijke medisch of ergonomisch adviseur) worden gevraagd op bepaalde aspecten van het onderzoek te adviseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beoordeling van iemands medische situatie in relatie tot de beperkingen waarvoor ondersteuning wordt gevraagd. Artikel 2.5 Aanvraag persoonsgebonden budget
Voor maatwerkvoorzieningen bestaat in beginsel de mogelijkheid om te kiezen tussen de voorziening in natura en als persoonsgebonden budget. Indien iemand kiest voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, moet hij hiervoor een voorkeur aan kunnen geven, zoals gesteld in het tweede lid onder b van artikel 2.3.6 van de wet. Ook moet vooraf inzicht gegeven worden in hoe de besteding van het persoonsgebonden budget voorziet in de vastgestelde ondersteuningsbehoefte. Mede door aan deze eisen te voldoen maakt de cliënt zich verantwoordelijk voor een passende besteding van het budget.
Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemeen
Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of op opvang. De voorwaarden aan het gebruik van de algemene voorziening zullen voornamelijk betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening en op het nakomen van de gebruiksvoorwaarden van de voorziening. Artikel 3.2 Ambulante ondersteuning