2022-824678 Vaststellen bestemmingsplan Vakcollege het Gilde-BP Gilde Vakcollege Haarweg 1-5 Gorinchem.pdf
Tekst van het document
Vanwege de toepassing van warmtepompen en het feit dat het gebouw gasloos wordt uitgevoerd worden verder geen emissies verwacht vanwege verwarming van het gebouw. Onderstaand is deze berekening weergegeven.
Hoofdstuk 4
27
Zoals de bovenstaande worst-case berekening laat zien, is de toename van het aantal verkeersbewegingen ‘niet in betekende mate’ van invloed op de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Invloed van de luchtkwaliteit op het plan Ook moet gekeken worden naar de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. De achtergrondwaarden van stikstof en fijnstof in de lucht, kunnen worden achterhaald middels de NSLmonitoringstool. In figuur 4.1 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de waarden ruim onder de norm liggen. Om deze reden kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.
4 1
Hoofdstuk 4
2
3
28
Meetpunt
Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
1 2 3 4 Norm
15548623 15548625 15548627 15548250
19,0 18,9 18,8 19,6 40
18,0 18,0 18,0 18,1 40
PM10 overschrijdingsdagen 6,3 6,3 6,3 6,3 35
PM2.5 μg/m3 11,1 11,1 11,1 11,2 25
Figuur 4.1: Achtergrondwaarden luchtkwaliteit (bron: NSL-monitoringstool)
4.3.3 Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische 2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
29
en andere bedrijvigheid. Onderhavig plangebied kan gezien worden als gemengd gebied dus de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG publicatie kunnen met één afstandstrede verlaagd worden. 4.4.2 Onderzoek Omgevingstype Het projectgebied ligt in een gebied waar op basis van het vigerende bestemmingsplan gemende functies, maatschappelijke functies, bedrijfsfuncties en woningen zijn toegestaan. Het gebied waarin de projectlocatie ligt kan worden gekarakteriseerd als een gemengd gebied. Invloed van het initiatief op de omgeving Een scholencomplex voor voortgezet onderwijs betreft een activiteit vallend in milieucategorie 2 conform de VNG Brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. In dat kader dient rekening te worden gehouden met een richtafstand van 10 meter betreffende het milieuaspect geluid in gemengd gebied. De afstand vanaf het bouwvlak waarin het beoogde schoolgebouw gerealiseerd zal worden en de gevel van het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object (woning aan de Haarweg 1E) bedraagt ca. 15 meter. Overige geluidsgevoelige objecten liggen op nog grotere afstand. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand en kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning gewaarborgd worden. Invloed van de omgeving op het initiatief Scholen worden aangemerkt als gevoelige functie. In de directe omgeving van het beoogde nieuwbouwplan zijn diverse functies gelegen.
Direct ten zuiden van het plangebied liggen diverse onderwijsinstellingen. Deze liggen echter op voldoende afstand en vormen daarmee geen belemmering voor de realisatie van de nieuwbouwschool. Direct ten westen van het plangebied is aan de Haarweg 1 een dierenasiel gelegen. Een dierenasiel heeft conform de VNG Brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 50 meter voor geluid in gemengd gebied. De beoogde nieuwbouwschool valt binnen de richtafstand. Er is daarom een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het akoestisch klimaat in de school en de inperking van het asiel. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van dit onderzoek. Aan de hand van de bedrijfssituatie van het dierenasiel is een rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel zijn de akoestische effecten vanwege het dierenasiel inzichtelijk gemaakt. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ten hoogste 49 en 8 dB(A) in respectievelijk de dag-, avondperiode. Het maximaal geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 66, 26 en 10 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Daarmee wordt voldaan aan de richtwaarden voor “gemengd gebied” conform de VNG-publicatie.
Hiermee kan worden gesteld dat de komst van de school inclusief eventuele uitbreiding, geen belemmering is voor het bestaande dierenasiel. Het dierenasiel wordt daarmee niet beperkt in zijn rechten. Circa 300 meter ten noordwesten van het plangebied is het bedrijventerrein Groote Haar voorzien. Hiervoor geldt reeds een onherroepelijk bestemmingsplan, waardoor hiermee rekening dient te worden gehouden. Op de gronden aan de oostelijke rand van het bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 in het meest zuidoostelijke gedeelte en tot en met milieucategorie 5.1 in het
Hoofdstuk 4
30
noordoostelijke gedeelte toegestaan. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van dit bedrijventerrein. De grootste richtafstand is 300 meter voor de categorie 5.1-bedrijven. Deze zone ligt echter op ca. 400 meter afstand van de nieuwbouw. Ten opzichte van bedrijventerrein Groote Haar treden er daarom geen belemmeringen over en weer op. 4.4.3 Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat ter plaatse van de beoogde school sprake is van een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. 4.5.2 Onderzoek Om inzicht te krijgen in eventuele risicobronnen in de omgeving kan gebruik worden gemaakt van de Risicokaart. In figuur 4.2 is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Hoofdstuk 4
31
Figuur 4.2: uitsnede risicokaart
Inrichting Op basis van de risicokaart is vastgesteld dat binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Ook ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van (verder weg gelegen) bedrijven die onder de werkingssfeer van het Bevi vallen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen circa 440 meter afstand ten zuidoosten van het besluitgebied en betreft een gasdruk meet- en regelstation. Deze inrichting heeft geen invloedsgebied. Derhalve vormen risicovolle inrichtingen geen belemmering voor de realisatie van de school binnen het plangebied. Buisleiding Op 100 m ten noordoosten van het plangebied liggen buisleidingen van de Gasunie. Daarnaast ligt er tevens een buisleiding op 310 meter ten oosten van het plangebied. Deze leidingen hebben de volgende kenmerken: Naam leiding
Afstand tot plangebied
Inventarisatieafstand3
W-528-01-deel-1
100 m
140
W-528-03-KR-001
120 m
70
W-528-04-KR-001
310 m
140
Het plangebied ligt deels (noordoostelijk deel) binnen het invloedsgebied van de buisleiding W-52801-deel-1. Daarom is door Kragten een nader onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s vanwege deze buisleiding. Deze rapportage is opgenomen als Bijlage 4.
3
De Gasunie heeft in haar brief (Eisen omgevingsdata groepsrisicoberekeningen bij ruimtelijke ontwikkelingen, revisie 4) over eisen aan omgevingsdata voor groepsrisicoberekeningen bij ruimtelijke ontwikkelingen inventarisatieafstanden gegeven. De inventarisatieafstand komt overeen met het invloedsgebied.
Hoofdstuk 4
32
De buisleiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. Het plangebied ligt dus buiten een dergelijke contour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. Het plangebied ligt deels binnen de 1%-letaliteitsafstand tot de buisleiding. Het aantal personen in het plangebied neemt toe. Daarom is met behulp van het programma CAROLA de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie geen sprake is van een groepsrisico, waardoor de hoogte van het groepsrisico ten gevolge van het plan niet rekenkundig toeneemt. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie kan volstaan kunnen worden met een beperkte verantwoording voor buisleiding W-528-01-deel-1. Deze wordt verderop in deze paragraaf beschreven. Transport over de (spoor)weg Er vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over rijksweg A15 en over de spoorweg Betuweroute (Kijfhoek-Betuweroute Meteren, route 202). Deze routes liggen op respectievelijke ca. 270 m en ca. 300 m ten zuiden van het plangebied.
Op grond van de Regeling Basisnet gelden sinds 1 juli 2015 voor de A15 en de Betuweroute vaste afstanden (veiligheidszones), waarbinnen geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn of mogen worden geprojecteerd. Voor de A15 geldt een veiligheidszone van 32 meter uit het hart van de weg. Voor de Betuweroute is dit 30 meter uit het hart van het spoor. Het plangebied ligt buiten de veiligheidszones van de A15 en de Betuweroute. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering. Door Kragten is onderzocht of het plangebied binnen het invloedsgebied van de genoemde transportroutes ligt. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Uit de meest recente jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat (juni 2019) blijkt dat over de A15 LF1, LF2, LT1, LT2,nGF2, GF3 en GT3-stoffen worden getransporteerd. Het plangebied ligt op grond van voornoemde stoffen binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT1, LT2, brandbare gassen (GF3) en toxische gassen (GT3). De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over de A15 (BLEVE en toxisch scenario) worden meegenomen in de beperkte verantwoording van de hoogte het groepsrisico, verderop in deze paragraaf. Overeenkomstig Bijlage II Tabel Basisnet spoor worden over het traject van de Betuweroute A, B2, B3, C3, D3 en D4-stoffen getransporteerd.
Het plangebied ligt op grond van de voornoemde stoffen binnen het invloedsgebied van brandbare gassen (A), toxische gassen (B2, B3) en toxische vloeistoffen (D3,D4). De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (BLEVE en toxisch scenario) worden meegenomen in de beperkte verantwoording van de hoogte het groepsrisico. Het plangebied ligt op meer dan 200 meter van beide risicobronnen. Daarom kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico In Bijlage 5 is de uitwerking van de verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico opgenomen. Hierbij is ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Op basis van deze verantwoording worden de restrisico’s geaccepteerd. Deze zijn gering. In de verantwoording zijn maatregelen beschreven, die voor de nadere uitwerking van het initiatief van belang zijn. De regionale
Hoofdstuk 4
33
brandweer/veiligheidsregio heeft adviesrecht over deze verantwoording. De verantwoording wordt in het kader van het vooroverleg overlegd. 4.5.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.6 Ecologie 4.6.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Daarnaast wordt binnen de provincie Utrecht ook de Groene contour beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 4
34
Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.6.2 Onderzoek Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Lingegebied & Diefdijk-Zuid”, bevindt zich op circa 1,2 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied.
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Lingegebied & Diefdijk-Zuid”, bevindt zich op circa 1,2 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Vanaf juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de sloop-, bouw- en aanlegfase vaan een ruimtelijk initiatief. Uit het wetsvoorstel volgt dat een stikstofdepositieberekening voor de aanlegfase niet meer noodzakelijk is. Een stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase is echter wel noodzakelijk.
Zodoende is voor onderhavige ontwikkeling enkel een berekening voor de gebruiksfase uitgevoerd. Uitgangspunten stikstofberekening Voor de stikstofberekening zijn de uitgangspunten gehanteerd zoals berekend in de verkeerskundige studie (zie ook par. 4.1.2). In de verkeerskundige toets is een verkeersgeneratie van 163 verkeersbewegingen per etmaal berekend. Het plangebied wordt ontsloten op de Haarweg (noordelijke richting) en op de Hoefslag (zuidelijke richting). De verdeling van de verkeersafwikkeling is 35% (Haarweg) om 65% (Hoefslag). Op basis van het aantal verkeersbewegingen zorgt dit voor een verdeling van 57 verkeersbewegingen vanuit de Haarweg en 106 verkeersbewegingen vanuit de Hoefslag.
Hoofdstuk 4
35
Tevens is er een onderverdeling bepaald op beide aanrijdroutes. De aanrijdroutes zijn tot de eerstvolgende kruising gemodelleerd, waarna de voertuigen opgaan in het heersende verkeer. Haarweg: van de 35% rijdt 30% in westelijke richting en 5% in oostelijke richting. Hoefslag: van de 65% rijdt 45% in zuidelijke richting en 20% in noordelijke richting. Dit zorgt in de AERIUS-berekening uiteindelijk voor de volgende onderverdeling van het aantal verkeersbewegingen per lijnbron: Haarweg (westelijke richting, bron 1): 49 verkeersbewegingen Haarweg (oostelijke richting, bron 2): 8 verkeersbewegingen Hoefslag (zuidelijke richting, bron 3): 73 verkeersbewegingen Hoefslag (noordelijke richting, bron 4): 33 verkeersbewegingen Daarnaast zal het laden en lossen plaatsvinden vanaf de Haarweg aan de noordkant van het plangebied. Voor het laden en lossen is niet berekend hoeveel vrachtwagens er ieder jaar zullen rijden. Zodoende is (worstcase) uitgegaan van circa 1 middelzware vrachtwagen en 1 zware vrachtwagen per week. Op basis van het aantal lesweken, komt dit neer op 40 middelzware- en 40 zware vrachtwagenbewegingen. Omdat de aanrijdroute niet bekend is, zijn deze bewegingen 100% over beide richtingen gemodelleerd. Deze aanrijdroutes zijn ook tot de eerstvolgende kruising gemodelleerd.
Uit de berekeningen blijkt dat de toekomstige gebruiksfase (beoogd vanaf het jaar 2023) geen rekenresultaten >0,00 mol/ha/j oplevert. Vanwege de toepassing van warmtepompen in de beoogde ontwikkeling zal het verwarmen van de bebouwing geen stikstofemissie opleveren. Zodoende is in de berekening enkel de stikstofemissie van de verkeersgeneratie meegenomen. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW verkeersgeneratie tool. Hierbij is uitgegaan van een ROC in ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Gorinchem (Sterk stedelijke gemeente). In totaal worden er maximaal 111 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling. Zoals reeds omschreven zijn er in het plangebied twee ontsluitingen (oostelijke richting op de Grote Haarsekade en Kleine Haarsekade en in noordelijke richting op de Haarweg). Zodoende zijn de verkeersbewegingen verdeeld over deze twee ontsluitingen. Voor de volledigheid zijn ook 30 middelzware en zware vrachtbewegingen meegenomen per jaar (bewegingen voor bijvoorbeeld vuilniswagens en leveranciers). De bewegingen zijn over de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen in twee richtingen zijn ingevoerd.
Hierbij zijn dus meer bewegingen gemodelleerd dan daadwerkelijk plaats gaan vinden, waardoor onzekerheid over de richting van de bewegingen wordt opgevangen. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 1,2 kilometer ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Hoofdstuk 4
36
Soortenbescherming Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in de bijlagen. Het voorgenomen plan kan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Hierbij dient voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het volgende in acht te worden genomen, gelet op het bepaalde in de Wet natuurbescherming: Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bomenrijen te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Deze voorwaarden vormen geen belemmering bij de uitvoering van het project. Overtreding van de Wnb kan redelijkerwijs worden uitgesloten. 4.6.3 Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.7 Bodem 4.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2 Onderzoek Gelet op de toekomstige functie in het plangebied, waarbij nieuwbouw wordt gerealiseerd waarin permanent mensen verblijven, is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Door Lycens is daarom een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Deze zijn opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek.
Tijdens het verkennend en nader bodemonderzoek is vastgesteld dat de bovengrond bestaande uit zand ter plaatse van beide paardenbakken sterk verontreinigd is met koper.
Hoofdstuk 4
37
Tijdens het verkennend bodemonderzoek is in het mengmonster van deze grond eveneens een matig verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. Deze is na aanvullend onderzoek niet meer in matig of sterk verhoogde gehalten aangetoond. Verder zijn in dit materiaal enkele overige zware metalen hooguit licht verhoogd gemeten. Tijdens het verkennend bodemonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond bestaande uit klei in de paardenbakken niet sterk verontreinigd is met koper. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is de volgende omvangsbepaling vastgesteld: De oppervlakte van de (ronde) oostelijke paardenbak bedraagt circa 220 m 2. Bij een verontreinigde bodemlaag van ca. 0,5 m 1 wordt de omvang van de verontreiniging geschat op circa 110 m3; De oppervlakte van de noordelijke paardenbak bedraagt circa 1.240 m 2. Bij een verontreinigde bodemlaag van circa 0,5 m1 wordt de omvang van de verontreinigging geschat op circa 620 m 3. De paardenbakken zijn op historisch kaartmateriaal vanaf 1998 zichtbaar. Daarmee wordt verwacht dat de verontreiniging bij het realiseren van de paardenbakken (het aanbrengen van het destijds vermoedelijk reeds verontreinigde zand ) is ontstaan. Geconcludeerd wordt hiermee dat de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Daarmee is sprake van de zorgplicht uit de Wet bodembescherming.
Dit heeft tot gevolg dat de verontreiniging in zijn geheel gesaneerd dient te worden. Op basis van het redelijk- en billijkheidsprincipe uit de Wet bodembescherming wordt het saneren van de licht verhoogde gehalten aan koper in de ondergrond onder de paardenbakken, bestaande uit klei, echter niet noodzakelijk geacht. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de sterke verontreinigingen een belemmering vormen voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Buiten de sterke verontreiniging met koper zijn in zowel de bovengrond, ondergrond als in het grondwater hooguit licht verhoogde gehalten cq. concentraties aangetoond welke geen belemmering vormen voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Geadviseerd wordt om de sterke verontreinigingen met koper te saneren voorafgaand aan de herinrichting van de locatie. Geadviseerd wordt de sanering te richten op het zandige materiaal in de paardenbakken, saneren van de kleiige ondergrond wordt ondanks de daarin licht verhoogd gemeten gehalten aan koper vooralsnog niet noodzakelijk geacht. In het kader hiervan dient voorafgaand aan de sanering een plan van aanpak opgesteld en ingediend te worden bij de gemeente Gorinchem.
Na instemming op het plan van aanpak kunnen de saneringswerkzaamheden uitgevoerd worden. Na sanering vormt de bodemkwaliteit zoals aangetoond tijdens het uitgevoerde onderzoek geen belemmering meer voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. 4.7.3 Conclusie Na sanering van de bodemverontreiniging in het zandige materiaal in de paardenbakken vormt de bodemkwaliteit zoals aangetoond tijdens het uitgevoerde onderzoek geen belemmering meer voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie.
Hoofdstuk 4
38
4.8 Water 4.8.1 Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het planvoornemen voor de bestaande waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal- en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid. Dit om door samenwerking samen met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan Zuid Holland 2016-2021. Conform Europese en nationale wetgeving is tevens een nieuw Stroomgebiedbeheerplan vastgesteld voor de regio Rijn-West voor de periode 2016-2021: het SGBP-2. De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen.
Het provinciaal waterplan wordt vervangen door de Omgevingsverordening in verband met de in de nabije toekomst in werking tredende Omgevingswet. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Met ingang van 22 december 2021 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027: ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ van het waterschap Rivierenland in werking getreden. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. De watergangen zijn opgenomen in de Legger. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij het oppervlaktewater kan een vergunning nodig zijn.
De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Binnen Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van schoon water. De waterschappen werken integraal samen met gemeenten, die vaak het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. De gemeente Gorinchem en Waterschap Rivierenland hebben samen het Gemeentelijk Rioleringsplan (2016-2020) opgesteld, waarin de plannen voor het stedelijk waterbeheer worden vastgesteld. De gemeente heeft als doelstelling om wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen en bij een bui van 20
Hoofdstuk 4
39
mm (bui 08) mag er geen watervorming op straat optreden. Om hieraan te kunnen voldoen, wordt het regenwater door de gemeente ingezameld (daar waar de perceeleigenaar niet in staat is dit zelf te doen) en verwerkt. Verwerking kan hierbij inhouden infiltreren in de bodem, afvoeren naar nabij gelegen oppervlaktewater of indien niet anders mogelijk afvoeren via de riolering. Streven is om schoon hemelwater zoveel als mogelijk gescheiden van vervuild afvalwater in te zamelen en op het oppervlaktewater aan te sluiten. Bij ontwerp van een nieuw rioolstelsel (in principe een gescheiden stelsel) wordt getoetst met een bui van 36 mm in een uur (bui 10) of een constante belasting van 120 l/s/ha. De gemeente anticipeert hiermee op een toename van extreme buien in de toekomst. 4.8.2 Onderzoek Door Aeres Milieu is een uitgebreide waterparagraaf opgesteld, waarin alle relevante waterhuishoudkundige aspecten van het plan zijn onderzocht. Deze rapportage is opgenomen in de bijlagen. Aanvullend hierop is door Kragten een variantenstudie naar regenwatercompensatie (inclusief infiltratieonderzoek) uitgevoerd. Ook deze rapportage is opgenomen in de bijlagen. Voor de volledige inhoud wordt hiernaar verwezen. Navolgend wordt ingegaan op de meest relevante bevindingen.
Digitale watertoets Een eerste afstemming voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (dossiercode 20210118-9-25293). De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is een normale watertoetsprocedure waarbij het waterschap tevens betrokken dient te worden bij de planinvulling. Grond- en oppervlaktewater De locatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Het grondwater is op ca. 0,5-1 m-mv te verwachten. Tussen het plangebied en de aangrenzende wegen zijn C-watergangen aanwezig. Rondom deze watergangen zijn geen beschermingszones aanwezig. Zuidwestelijk van het plangebied en zuidoostelijk van de Kleine Haarsekade is een B-watergang aanwezig. Ter plaatse van de Cwatergang wordt een nieuwe toegang voorzien. Hiervoor zal een duiker moeten worden gerealiseerd. De functie van de C-watergang zal niet worden belemmerd. Afvalwater Door de nieuwbouw van de school voor ca. 750 leerlingen is een toename aan afvalwater te verwachten. De verwachte totale hoeveelheid bedraagt ca. 20-25 m³ per dag (75-80 IE). Hiervoor dient op eigen terrein een DWA-stelsel aangelegd te worden dat vervolgens op het gemeentelijk stelsel aangesloten wordt.
Dit stelsel en de aansluiting op het gemeentelijk stelsel dient ten tijde in een concreter inrichtingsplan uitgewerkt te worden in overleg met de gemeente. Dit vormt een uitwerkingsaspect, dat de planvorming niet in de weg staat. Hemelwater Het totale verhard oppervlak van de voorziene plannen is vastgesteld op 9.856 m². In dit onderzoek is het verhard terreinoppervlak vastgesteld op 4024 m². In de huidige situatie bedraagt het verhard oppervlak binnen het plangebied 1200 m². Dit betekent dat het totale verhard oppervlak binnen de
Hoofdstuk 4
40
projectlocatie toeneemt met 8.656 m². Bij het bepalen van de regenwatercompensatie wordt gerekend met een afgeronde waarde van 8.700 m². Volgens Beleidsregel 5.16 van Waterschap Rivierenland heeft het de voorkeur om regenwater op eigen terrein te bergen in nieuw oppervlaktewater. Hierbij is de bui T=10+10% maatgevend. Dit komt er op neer dat 436 m³/ha verharding geborgen dient te worden boven het zomerpeil. Het totaal te bergen volume wordt daarmee 379 m³. Het projectgebied ligt in de Alblasserwaard, waar de berging moet passen binnen een peilstijging van 0,2 m. Dit betekent dat 1895 m²/ha verhard oppervlak aan oppervlaktewater gecreëerd dient te worden. Een andere optie is het gebruik van wadi’s of technische voorzieningen. Hierbij is echter de bui T=100+10% maatgevend. Dit komt er op neer dat 664 m³/ha verharding geborgen dient te worden. Het totaal te bergen volume wordt daarmee 578 m³.
In de rapportage van Kragten zijn de volgende varianten voor regenwatercompensatie beschouwd: Het bergen van regenwater door reeds aanwezig oppervlaktewater uit te breiden (hydraulische effecten op de waterloop zijn hier niet zozeer van belang gezien deze zich in een peilgebied bevinden en de waterstand voornamelijk gereguleerd wordt door gemalen), Het bergen en vervolgens infiltreren van regenwater aan de hand van een pakket lavagesteente onder de parkeerterreinen, Het bergen en vervolgens infiltreren van regenwater aan de hand van oppervlakkige berging op de parkeerterreinen. Het wordt aangeraden deze variant uit te voeren in combinatie met een lavapakket onder de parkeerterreinen, zodat via kolken het oppervlakkig geborgen water weg kan lopen.
Er is dus onderzoek gedaan naar zowel regenwaterbuffering in oppervlakte water als via een technische oplossing (zoals infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen). Dit laatste lijkt niet haalbaar/effectief. Daarom is de keuze gemaakt dat de bestaande sloten worden verbreed. Hiertoe is een waterhuishoudkundige plan opgesteld. In het laatste terreinplan is er circa 1800 m² oppervlaktewater toegevoegd aan de omliggende sloten. Dit waterhuishoudkundig plan is op figuur 5.2 weergegeven. Hierbij is een maximale verbreding van 6 meter gehanteerd. Dit ontwerp is nu het uitgangspunt voor de vergunningsaanvraag. Geconcludeerd wordt dat met de beoogde inrichting kan worden voorzien in voldoende watercompensatie. Waterkeringen Het plangebied ligt buiten de beschermingszones van waterkeringen.
Hoofdstuk 4
41
. Figuur 5.2: waterhuishoudkundig plan
4.8.3 Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de ruimtelijke procedure van onderhavig initiatief. Voor de aanleg van het bijkomend verhard oppervlak is een watervergunning benodigd. Deze meldingen of vergunningen dienen middels het Omgevingsloket aangevraagd te worden, separaat van de onderhavige procedure. Voorafgaand wordt een vooroverleg met de afdeling Vergunningen van Waterschap Rivierenland geadviseerd.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. 4.9.2 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan ‘Gorinchem-Noord’ geen dubbelbestemming archeologie opgenomen. Op gronden waarvoor geen dubbelbestemming
Hoofdstuk 4
42
archeologie is opgenomen zijn ontwikkelingen niet onderzoeksplichtig. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Naast bovenstaande archeologische waarden moet tevens gekeken worden naar mogelijke aanwezige cultuurhistorische waarden. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een school op grasperceel aan de noordrand van Gorinchem. Gelet op het karakter van het besluitgebied en de omgeving kan worden gesteld dat dit plan geen invloed heeft op cultuurhistorisch waardevolle elementen. 4.9.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief
4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Toetsingskader Naast de reeds beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming, zoals straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. 4.10.2 Onderzoek Binnen (of in de directe omgeving van) van het besluitgebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningen. 4.10.3 Conclusie Het aspect ‘kabels en leidingen’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.11 M.e.r.-beoordeling 4.11.1 Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) nodig.
Hoofdstuk 4
43
4.11.2 Onderzoek Met dit planvoornemen wordt de realisatie van een school mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De activiteit is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden. Derhalve is uitsluitend een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde.
D.11.2
Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1: een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Hiertoe is een aanmeldingsnotitie opgesteld. De aanmeldingsnotitie 4 met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. De gemeente dient, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan, een separaat besluit te nemen omtrent het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure. Conclusie Gezien de bevindingen als beschreven in de aanmeldingsnotitie, en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg hebben die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
In de aanmeldingsnotitie wordt daarom aanbevolen om een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan “Gilde Vakcollege Haarweg 1-5, Gorinchem” geen milieueffectrapportage wordt vereist.
4
BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan Gilde Vakcollege Haarweg 1-5, mei 2022
Hoofdstuk 4
44
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Plansystematiek De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Daarom stelt onder andere de Wro eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP2012 kent hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
5.2 Opbouw regels De regels zijn onderverdeeld in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De Inleidende regels bevatten de begrippen en de wijze van meten. In de Bestemmingsregels zijn de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. Onder Algemene regels zijn regels geformuleerd die niet beperkt zijn tot een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele plangebied, zoals de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. Tot slot zijn in de Overgangsen slotregels de overgangsbepalingen en de slotregel opgenomen.
5.3 Toelichting bij de regel Begrippen In de SVBP2012 is een aantal begrippen voorgeschreven. Voor zover relevant zijn deze begrippen overgenomen uit de SVBP2012. De lijst is verder aangevuld met een aantal voor dit plan relevante begrippen, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij het huidige bestemmingsplan "GorinchemNoord". Wijze van meten De wijze van meten is overgenomen uit het bestemmingsplan "Gorinchem-Noord" en sluit voor de omschrijvingswijze aan op de SVBP2012. Bestemmingsregels: bestemming ‘Maatschappelijk’ Het gehele plangebied is bestemd als ‘Maatschappelijk’. Tevens is een functieaanduiding ‘onderwijs’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn onderwijsinstellingen en sportvoorzieningen ten behoeve van onderwijs toegestaan. Verder zijn bijbehorende functies en voorzieningen, zoal groen, parkeervoorzieningen, wegen en paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, e.d. toegestaan.
Hoofdstuk 5
45
Binnen de bestemming mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Er is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen de bouwvlak worden gebouwd. Het maximum bebouwingspercentage van het bouwvlak bedraagt 70%. De maximum goot- en bouwhoogten voor gebouwen zijn op de verbeelding aangegeven. Met de contouren van het bouwvlak is een nadere uitwerking van het bouwplan mogelijk, maar zijn de randvoorwaarden geborgd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan. De maximum bouwhoogten zijn in de bouwregels benoemd. Algemene regels In de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze zijn overgenomen uit het bestemmingsplan "Gorinchem-Noord" voor zover zij relevant zijn voor dit plan. Daarnaast is de parkeerregeling overgenomen uit het “Paraplubestemmingsplan Parkeren”. Overgangs- en slotregels Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is verplicht voorgeschreven in artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Met het overgangsrecht wordt beoogd dat bouwwerken en gebruik, die wel in overeenstemming zijn met het oude bestemmingsplan, maar niet met het nieuwe, kunnen voortduren.
Volledige herbouw van een dergelijk bouwwerk is niet toegestaan, tenzij het teniet gaat als gevolg van een calamiteit. Voor het strijdige gebruik geldt dat als dit langer dan een jaar is onderbroken, niet meer hervat mag worden. In de slotregel is de aanhalingstitel van de regels vastgelegd.
Hoofdstuk 5
46
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het wijzigingsplan moet worden vastgesteld. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.
Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Het project valt onder deze opsomming en betreft derhalve een bij wet aangewezen bouwplan waarvoor de gemeente Gorinchem verplicht kosten moet verhalen. De gemeenteraad van Gorinchem heeft vanuit haar zorgplicht voor onderwijs besloten tot verplaatsing van Het Gilde Vakcollege Techniek naar de locatie Haarweg 1-5 in Gorinchem. Zij heeft daarbij ook het taakstellende budget beschikbaar gesteld.
Stichting CVO-AV treedt op als bouwheer en is formeel aansprakelijk voor de risico’s en kosten van het bouwbudget voor de vervangende nieuwbouw voor het Gilde Vakcollege Techniek. De raad heeft dan ook het expliciete besluit opgenomen, dat voor het project geen
Hoofdstuk 6
47
exploitatieplan wordt vastgesteld op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro. Het verhaal van kosten is immers anderszins verzekerd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.2.1 Omgevingsdialoog Voorafgaand aan en tijdens de daadwerkelijke planprocedure hebben initiatiefnemers de belangen van omwonenden bij de ontwikkeling betrokken. Er is een online informatie avond geweest voor alle omwoners, deze werd georganiseerd door zowel de gemeente als het Gilde. Tijdens de avond is met de aanwezige omwonenden de huidige stand van zaken qua procedure en planvorming doorgenomen. De eigenaren van het dierenasiel geven aan dat er een opvang van getraumatiseerde honden nabij de erfgrens staat. Zij willen voorkomen dat er direct daarnaast geluidsoverlast plaatsvindt. Er is daarom afgesproken dat er in het geval van een sporthal rekening wordt gehouden met een geluidsdichte gevel. En als deze er niet komt dat het schoolterrein nabij de erfgrens niet (structureel) wordt gebruikt voor buitensport.
Drie omwonenden zijn in de basis niet blij met de komst van de school, omdat ze bang zijn voor overlast en hun uitzicht kwijt raken. De initiatiefnemer heeft toegelicht dat er zeer beperkt inzicht is vanuit het gebouw in hun tuinen. Op 17 november 2021 is met hen een ontwerpsessie gehouden om de terreininrichting van het gebied direct achter hun tuinen gezamenlijk in te richten. Hierbij kan gedacht worden aan een verhoogde wal, bepaalde beplanting etc. Waar mogelijk zijn de wensen van de omwonenden meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. De omwonenden zijn in de verdere procedure ten aanzien van bestemmingsplan geïnformeerd over verdere planontwikkeling. 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan is aan de wettelijk verplichte overheden en belanghebbenden voorgelegd in het kader van het vooroverleg. Door de provincie Zuid-Holland en het waterschap Rivierenland zijn reacties ingediend.
Deze zijn samengevat en van een reactie voorzien in de Nota inspraak en vooroverleg, die als bijlage is opgenomen. De reactie van het waterschap heeft geleid tot enige aanpassingen in par. 4.8 van deze toelichting en in de bijlagen.
Hoofdstuk 6
48
6.2.3 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Hoewel bij de voorbereiding van het plan tevens een omgevingsdialoog is doorlopen, is besloten om het voorontwerpbestemmingsplan tevens vrij te geven voor inspraak. Het voorontwerpbestemmingsplan is conform de wettelijke vereisten gepubliceerd en gedurende zes weken te visie gelegd. Eenieder is in de gelegenheid gesteld om binnen deze periode een inspraakreactie in te dienen. Tevens is gedurende deze periode, op 2 februari 2022, een online inloopbijeenkomst georganiseerd door de gemeente. Het plan en de procedure zijn door de initiatiefnemer en gemeente toegelicht en de gelegenheid is geboden om vragen te stellen en opmerkingen te maken. Gedurende de termijn van ter visie leggen zijn in totaal drie inspraakreacties ingediend. Deze zijn samengevat en van een reactie voorzien in de Nota inspraak en vooroverleg, die als bijlage is opgenomen. De inspraakreacties hebben geleid tot enkele aanpassingen aan het bestemmingsplan.
Ook in de terreinuitwerking/-inrichting nader vormgegeven. Ook zijn er enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd op basis van gewijzigde inzichten. De voornaamste aanpassingen zijn de navolgende; voor de volledige beantwoording wordt verwezen naar de bijlage. De parkeerbalans is aangepast; Er is nader verkeerskundig onderzoek uitgevoerd en de paragraaf ‘verkeer en parkeren’ in de toelichting is aangevuld; De wateropgave en wijze van verwerking van het hemelwater zijn nader uitgewerkt en onderzocht; De inrichting van de zone tussen de school/parkeervoorzieningen de naastgelegen woningen is nader uitgewerkt; De stikstofdepositieberekening is geüpdatet. 6.2.4 Vaststellingsprocedure, toepassing gecoördineerde procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vond plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Voor het project wordt een gecoördineerde procedure toegepast. Dit betekent het volgende. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een nieuw bouw- en gebruikskader voor het perceel geboden. Voor het concrete bouwplan wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen verleend op basis van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zijn gelijktijdig ter inzage gelegd voor zienswijzen.
Gedurende de inzagetermijn zijn twee zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan en één zienswijze tegen de ontwerpbeschikking tot vergunningverlening. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de Nota van zienswijzen ontwerpbestemmingsplan en omgevingsvergunning ‘Gilde Vakcollege Gorinchem’. Deze nota is opgenomen in de bijlagen. De
Hoofdstuk 6
49
zienswijzen hebben geen aanleiding gegeven tot aanpassingen aan het bestemmingsplan, dan wel de omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan wordt vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. Tevens wordt de definitieve beschikking tot verlening van de omgevingsvergunning afgegeven. Tegen deze besluiten staat voor belanghebbenden gedurende zes weken beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open. Indien geen beroep wordt ingesteld, zijn het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning na afloop van deze periode onherroepelijk.
Hoofdstuk 6
50
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 2: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Stikstofdepositieberekeningen Bijlage 5: Externe veiligheid Bijlage 6: Verantwoording groepsrisico Bijlage 7: Waterparagraaf Bijlage 8: M.e.r.-aanmeldnotitie Bijlage 9: Verkennend en nader bodemonderzoek Bijlage 10: Regenwatercompensatie en infiltratieonderzoek Bijlage 11: Verkeersonderzoek Bijlage 12: Nota van inspraak Bijlage 13: Nota zienswijzen
Hoofdstuk 6
51
Gilde Vakcollege Gorinchem
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 7
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
8
Artikel 3
Maatschappelijk
8
Hoofdstuk 3
Algemene regels
9
Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8