2022-824678 Vaststellen bestemmingsplan Vakcollege het Gilde-BP Gilde Vakcollege Haarweg 1-5 Gorinchem.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Gilde Vakcollege Gorinchem Gemeente Gorinchem Vaststelling
Bestemmingsplan Gilde Vakcollege Gorinchem Gemeente Gorinchem Vaststelling
Rapportnummer:
P03738
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0512.2021201-4001
Datum:
9 september 2022
Opdrachtgever:
HEVO B.V.
Projectteam BRO:
JvdA, RFe
Concept:
maart 2021, augustus 2021
Voorontwerp:
december 2021
Ontwerp:
mei 2022, september 2022
Vaststelling:
november 2022
BRO Vestiging Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E info@bro.nl
Toelichting
Hoofdstuk 6
53
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer
4 4 4 5 6
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe situatie
7 7 8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
10 10
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
10 11 11 12
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 3.2.3 Provinciaal milieubelang 3.3 Gemeentelijk beleid
12 14 17 18
3.3.1 Structuurvisie 2015 Gemeente Gorinchem 3.3.2 Visie van de stad ‘Gorcum open vesting’
18 19
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
20 20
4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Wegverkeerslawaai
20 21 24 25
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit
25 25 27 27
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
27 27 29 29
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Externe veiligheid
29 30 31 31
4.5.1 Toetsingskader
31
Inhoudsopgave
1
4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Ecologie
31 34 34
4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Bodem
34 35 37 37
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Water
37 37 38 39
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Archeologie en cultuurhistorie
39 40 42 42
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Kabels en leidingen
42 42 43 43
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 M.e.r.-beoordeling
43 43 43 43
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek
43 44
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Plansystematiek 5.2 Opbouw regels 5.3 Toelichting bij de regel
45 45 45 45
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
47 47
6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47 47 48
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure, toepassing gecoördineerde procedure
Inhoudsopgave
48 48 49 49
2
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 2: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Stikstofdepositieberekeningen Bijlage 5: Externe veiligheid Bijlage 6: Verantwoording groepsrisico Bijlage 7: Waterparagraaf Bijlage 8: M.e.r.-aanmeldnotitie Bijlage 9: Verkennend en nader bodemonderzoek Bijlage 10: Regenwatercompensatie en infiltratieonderzoek Bijlage 11: Verkeersonderzoek Bijlage 12: Nota van inspraak Bijlage 13: Nota zienswijzen
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer wil aan de Haarweg 1-5 te Gorinchem een nieuw schoolgebouw realiseren. In de te realiseren nieuwbouw zal het Gilde Vakcollege worden gehuisvest. Op het omliggende terrein komen parkeervoorzieningen en verblijfsgebied. Tevens is een sportzaal in de nieuwbouw voorzien. De voorgenomen ontwikkeling past niet geheel binnen de bestemmingsplanregels van het geldende bestemmingsplan “Gorinchem-Noord” (onherroepelijk; vastgesteld op 27 januari 2011). In principe past de ontwikkeling van een school functioneel binnen de geldende bestemming ‘Gemengd’, echter is er ter plaatse van het plangebied de functieaanduiding ‘manege’ opgenomen. Bovendien zijn de bouwmogelijkheden niet toereikend voor het beoogde nieuwbouwpand. Om de ontwikkeling toch mogelijk te maken, is een gedeeltelijke wijziging (partiële herziening) van dit bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk om de gewenste school te realiseren en geeft de nieuwe kaders voor het plangebied aan. Voor het concrete bouwplan wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen verleend op basis van dit bestemmingsplan. Hierbij wordt een gecoördineerde procedure toegepast. Zie hierover nader par. 6.2.
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen op het perceel, kadastraal bekend als Gorinchem, sectie H, nr. 715. Het perceel heeft een omvang van circa 16.300 m2. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Haarweg en aan de zuidzijde door de Hoefslag. Direct ten westen van het plangebied ligt Dierenasiel Gorinchem. Aan de oostzijde wordt het plangebied deels begrensd door de Grote Haarsekade en drie woningen gelegen aan de Haarweg. Op de onderstaande luchtfoto’s is de ligging van het plangebied en zijn directe omgeving te zien. Het ligt aan de noordrand van Gorinchem, binnen de bebouwde kom en ten noorden van de Rijksweg A15.
BINNENSTAD GPRINCHEM Figuur 1.1: Ligging plangebied binnen de kern Gorinchem
Hoofdstuk 1
4
WONINGEN
DIERENASIEL
Figuur 1.2: Globale begrenzing plangebied
1.3 Vigerende bestemmingsplannen Bestemmingsplan – Gorinchem-Noord Binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Gorinchem-Noord’, dat onherroepelijk is en is vastgesteld op 27 januari 2011, geldt voor de projectlocatie de bestemming ‘Gemengd’. Zie de uitsnede in figuur 1.3. Er is in de noordoosthoek van het plangebied één bouwvlak met een beperkte omvang (ca. 25 m2) opgenomen. Ter plaatse van het plangebied is de functieaanduiding ‘manege’ opgenomen.
Figuur 1.3: uitsnede vigerend bestemmingsplan Gorinchem-Noord, met plangebied in blauw kader
Hoofdstuk 1
5
Het beoogde schoolgebouw past hiermee functioneel niet binnen de kaders van het bestemmingsplan. Bovendien is er geen bouwvlak opgenomen en moet er worden afgeweken van de geldende bouwregels. Om deze redenen is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk om de gewenste school te realiseren en geeft de nieuwe kaders aan het plangebied. Bestemmingsplan – ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ De gemeente Gorinchem heeft op 28 november 2019 het ‘paraplubestemmingsplan parkeren’ vastgesteld. Hierin is het parkeerbeleid van de gemeente vastgelegd. De gemeente Gorinchem is verdeeld in drie gebieden: centrum, schil, rest bebouwde kom en buitengebied. Het plangebied is gelegen in het gebied ‘rest bebouwde kom. Het parkeerbeleid van de gemeente Gorinchem stelt voor een ROC (de meest vergelijkbare onderwijsvorm) in de ‘rest bebouwde kom’ een autoparkeernorm van 5,2 parkeerplaatsen per 100 leerlingen. De parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgelost. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm. De specifieke doorwerking van het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ wordt behandeld in paragraaf 4.1.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied betreft de locatie aan de Haarweg 1-5 aan de noordkant van Gorinchem en bestaat momenteel grotendeels uit grasland. Aan de noordzijde is momenteel een paardenbak gesitueerd met bijhorende opstallen. Aan de zuid-, oost- en noordzijde wordt het plangebied omzoomd door afwateringsgreppels welke bij het waterschap een ‘C-status’ hebben. Dit zijn wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. Een deel van de greppel aan de zuidzijde heeft geen beschermde status.
Figuur 2.1: Plangebied vanuit het zuidoosten (boven) en het noordoosten (onder)
Hoofdstuk 2
7
2.2 Nieuwe situatie De initiatiefnemer is voornemens een nieuw schoolgebouw te realiseren voor het Gilde Vakcollege. De bestaande opstallen worden gesloopt en de paardenbak wordt verwijderd. De footprint van het nieuwe gebouw zal ca. 5.211 m² bedragen. Het gebouw zal bestaan uit drie diagonaal gelegen aangesloten kolommen. Aan de westzijde zal er tevens een sportzaal gerealiseerd worden met een oppervlakte van 1.030 m². Het bouwplan wordt nog nader uitgewerkt. Daarom wordt in het voorliggende bestemmingsplan een wat ruimer bouwvlak opgenomen (zie de rode contour in figuur 2.2), dat voor maximaal 70% mag worden bebouwd. Aan de oostzijde van het te realiseren schoolgebouw zal een parkeervoorziening gerealiseerd worden. De parkeerplaats zal plaats bieden aan 22 auto’s, 550 fietsen en 75 scooters. Deze parkeervoorziening wordt in oostelijke richting ontsloten via de Grote Haarsekade en Kleine Haarsekade. Aan de westzijde wordt nog eens 26 autoparkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee er in totaal 48 autoparkeerplaatsen gerealiseerd worden. Deze laatstgenoemde parkeerplaatsen worden ontsloten via de Haarweg. De precieze ligging van het te realiseren schoolgebouw en sportvoorziening volgens het huidige bouwplan is in figuur 2.2 weergegeven. Hierin zijn ook de (fiets)parkeervoorzieningen en de ontsluiting zichtbaar.
Hierbij is rekening gehouden dat het bouwvlak op voldoende afstand ligt ten opzichte van nabij gelegen woningen. Hierop wordt in paragraaf 4.4 nader ingegaan. Bij de realisatie van het pand wordt rekening gehouden met duurzaamheid en klimaatadaptatie. Zo wordt het regenwater middels buffers opgevangen (zie paragraaf 4.8) en zullen op het dak van de school 1.400 PV panelen geplaatst worden, zodat de gebouwgebonden installaties energieneutraal zijn.
Figuur 2.2: Toekomstige situatie Hoofdstuk 2
8
In figuur 2.3 wordt een aantal impressies van het nieuw te realiseren schoolgebouw weergegeven.
Figuur 2.3: Visualisatie nieuw schoolgebouw vanaf de Hoefslag (boven) en ter plaatse van de entree (onder)
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die momenteel gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te vervallen. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.
Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Doorwerking plangebied Het onderhavige plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen
Hoofdstuk 3
10
van nationaal belang. Het beleid inzake het realiseren van een school wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de (voormalige) SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied Zoals reeds in paragraaf 3.1.1 is geconcludeerd treft onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zee-haventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Het beoogde schoolgebouw past niet binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling formeel mogelijk te maken, moet daarom van het bestemmingsplan worden afgeweken.
Bij een afwijking van een bestemmingsplan is het doorlopen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro) verplicht voor iedere ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, als bedoeld in art. 1.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De vmbo-school het Gilde is gevestigd in de Gildewijk in Gorinchem. Het betreft hier een school uit de jaren 50 die diverse keren verbouwd en vergroot is. De school is aan het einde van zijn technische levensduur. Verder zijn er geen uitbreidingsmogelijkheden meer en dit terwijl de school nog steeds groeiende is. Leerlingen komen uit de gehele regio en ook de bereikbaarheid van deze school is niet optimaal.
Hoofdstuk 3
11
Gezien bovenstaande is er in 2016 een verzoek gedaan bij de gemeente Gorinchem om nieuwbouw te mogen realiseren. De gemeente heeft hier zijn goedkeuring aangegeven en de locatie In Gorinchem Noord hiervoor aangewezen. Op deze locatie zijn al meerdere scholen gehuisvest en de vmbo-school het Gilde sluit hierbij goed aan. In 2020 is door de regio aangegeven dat het een goed plan zou zijn om de diverse scholen in Gorinchem Noord te transformeren naar een beroepencampus met een Innovatie en Afstudeer Centrum(IAC) als hart hiervan. De ontwikkeling van het Gilde sluit hier goed bij aan en kan gezien worden als de eerste bouwsteen om te komen tot deze nieuwe campus. De voorbereidingen tot de realisatie van de nieuwe school voor het vmbo zijn al in gang gezet. Planning is om deze in 2023 operationeel te hebben. Gezien het feit dat de school goed past in de campus gedachte zijn er door het Rijk subsidies verstrekt. Dit om ervoor te zorgen dat deze school een toegevoegde waarde heeft niet alleen voor de vmbo scholieren maar ook voor de vorming van de genoemde campus. De vervangende nieuwbouw van het Gilde Vakcollege voorziet in een behoefte, op basis van de belangrijkste beleidskaders en trends en ontwikkelingen: Goede, gezonde en functionele onderwijshuisvesting is belangrijk voor een optimale ontwikkeling van leerlingen.
Een modern schoolgebouw, dat aansluit op een hedendaags onderwijsconcept, levert daarin een belangrijke bijdrage. Veel schoolgebouwen zijn echter ‘op’. Ze zijn dermate verouderd dat vervangende nieuwbouw noodzakelijk is. Dit geldt ook voor het gebouw van het Gilde. Om te kunnen voorzien in de optimale ontwikkeling van leerlingen én een aantrekkelijke werkomgeving te creëren voor leraren is vervangende nieuwbouw noodzakelijk. Een nieuw gebouw is duurzamer en beter toegerust op hedendaags onderwijs en ontwikkelingen in de toekomst. Doordat het leerlingenaantal blijft groeien, is er behoefte aan extra ruimte. Er zijn geen uitbreidingsmogelijkheden meer op de huidige locatie. Daarnaast hebben ook ouders en (nieuwe) leraren in toenemende mate behoefte aan een gezonde, frisse en moderne schoolomgeving. Dit maakt vervangende nieuwbouw, zoals beoogd door het initiatief, ook belangrijk voor het toekomstperspectief van de school. Het initiatief speelt in op een kwalitatieve behoefte op het gebied van gezondheid en duurzaamheid, door een duurzaam, groen en gezond gebouw te realiseren met een sterke relatie met het groene karakter van de omgeving. Van binnen kijk je uit over de groene omgeving. Ook beschikt het nieuwe gebouw onder andere over veel daglicht, een goed binnenklimaat en een groot aanbod aan sportfaciliteiten.
Het plan voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld.
Hoofdstuk 3
12
De Omgevingsvisie betreft een redactionele omzetting van de bestaande provinciale beleidsdocumenten, zonder inhoudelijke verandering van beleid of regels. Vandaar dat in de volgende paragraaf de ‘oude’ structuurvisie aan de orde komt. In de Omgevingsvisie is al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: 1. Naar een klimaatbestendige delta De provincie wil de fysieke leefomgeving zo inrichten dat deze klimaatbestendig blijft. De extreme weersomstandigheden moeten niet leiden tot onnodige schade aan gebouwen, infrastructuur, landbouw en economie. De provincie wil blijven beschikken over voldoende zoetwater. Daarvoor werkt de provincie met verschillende overheden en andere organisaties samen aan regionale adaptatiestrategieën en het nationale Deltaprogramma. Centraal vertrekpunt daarbij is dat meer ruimte wordt geboden aan het water. De provincie werkt aan de bescherming van mensen en economie tegen overstromingen. Bij nieuwe ruimtelijke projecten wordt rekening gehouden met de impact van klimaatverandering. 2. Naar een nieuwe economie: the next level We gaan van een fossiele economie over naar een circulaire economie. Een ontwikkeling met grote gevolgen voor onze dragende economische clusters, met name het haven-industrieel complex en de glastuinbouw.
In de stap naar een circulaire economie in 2050 wordt hergebruik van grondstoffen een nieuw verdienmodel. De provincie bevordert nieuwe werkgelegenheid en zet in op digitalisering van de economie. Innovatie in het midden- en kleinbedrijf wordt gestimuleerd, onder andere via nauwe samenwerking tussen de diverse economische sectoren en de kennis- en onderwijsinstellingen die onze regio herbergt. Bij goederentransport zet de provincie in op het realiseren van meer toegevoegde waarde voor de regio. Via inzet op een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving worden bedrijven, kenniswerkers en andere talenten getrokken. De technologisering en digitalisering vragen om nieuwe arrangementen voor scholing en inzetbaarheid 3. Naar een levendige meerkernige metropool Zuid-Holland staat voor de opgave om in het komende decennium een fors aantal woningen te realiseren en om de woonvoorraad te verduurzamen. De uitdaging is om de stap te maken naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Om die vitale samenleving te realiseren is meer nodig dan woningbouw alleen. Het economisch potentieel kan beter benut worden door de steden met hun afzonderlijke kwaliteiten te verbinden tot één metropolitaan gebied.
Het leef- en vestigingsklimaat daarin kan versterkt worden door stad en land goed te verbinden, door ruimte te bieden voor groen en water in de stad, door een evenwichtige woningvoorraad en passende werklocaties. De vitaliteit van de stad is ook gebaat bij cultuur, kenniscentra en aantrekkelijke binnensteden. 4. Energievernieuwing Zuid-Holland gaat haar energieaanpak vernieuwen. De focus ligt bij de steden, de industrie en de glastuinbouw. De provincie wil een slimme en schone economie zijn waar fossiele bronnen zijn vervangen door hernieuwbare bronnen. De provincie neemt maatregelen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Dat wordt gedaan bijvoorbeeld met het uitbreiden van warmtenetten. In de toekomst is de Warmterotonde de verbinding tussen aanbieders en gebruikers van warmte; prima geschikt om kassen en steden te verwarmen. Om de energietransitie aan te jagen zet de provincie ook stevig in op
Hoofdstuk 3
13
innovatie. De provincie zoekt naar nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. De provincie wil ruimte bieden aan deze ontwikkeling. 5. Best bereikbare provincie Zuid-Holland moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra: de best bereikbare provincie van Nederland. Zuid-Holland zet daarom in op versterking van openbaar vervoer en gebruik van de fiets in de mobiliteitsketens van reizigers. Daarnaast moet vervoer over water een volwaardig alternatief zijn voor vervoer over de weg. 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving De provincie Zuid-Holland wil de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Daarbij wil de provincie de biodiversiteit vergroten, natuurinclusieve landbouw wordt de ruimte gegeven. Dit draagt bij aan een fijnmazig natuurnatuurnetwerk. Ook zet de provincie in op diervriendelijke veehouderij. Doorwerking plangebied De omgevingsvisie ziet op grootschalige ambities waar onderhavige bestemmingsplanherziening geen afbreuk aan doet. Het betreft een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Het plan is dan ook in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland beschrijft het strategische beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsverordening ziet toe op de ruimtelijke regelgeving. De Omgevingsverordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en b. een goede omgevingskwaliteit; c. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; en d. zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsverordening van belang: Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo tenminste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
Hoofdstuk 3
14
c.
2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als onderdeel van ‘Stads- en dorpsranden’. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Doorwerking plangebied Het Gebiedsprofiel Alblasserwaard & Vijfheerenlanden beschikt over twee typen dorpsranden: stadsrand gevormd door hoofdweg (front) en stadsrand met overgang naar het landschap (contact). Op de kaart kwaliteit van de stads- en dorpsrand (figuur 3.1), opgesteld door de provincie ZuidHolland, is af te lezen dat het plangebied is gelegen in de stadsrand gevormd door hoofdweg (front). Een dorpsrand front wordt als volgt omschreven: “Bij stadsranden met een front markeert een stenen wereld de grens met het landschap. Meestal afgesneden van het landschap met een dikke band infrastructuur.
Het hoofdprincipe van de stedenband is een harde noordgrens gevormd door de hoofdweg: het front. Hier grenzen twee verschillende werelden van gras en steen aan elkaar, maar doen niet altijd veel mét elkaar. Rond de steden zijn in de afgelopen jaren de laatste randen ‘opgevuld’.”
Hoofdstuk 3
15
Figuur 3.1: Uitsnede kaart kwaliteit van de stads- en dorpsrand, afkomstig uit Gebiedsprofiel Alblasserwaard & Vijfheerenlanden
Hoewel het plangebied is gelegen in de aanduiding stadsrand gevormd door hoofdweg (front), is het front hier niet duidelijk af te lezen. Dat komt door twee onderdelen: 1. Specifiek op het te ontwikkelen perceel is in de bestaande situatie het front minder sterk aanwezig doordat de zogenoemde “dikke band infrastructuur”, de Haarweg in dit geval, niet van een dusdanige maat en intensiteit is dat er van een dikke band infrastructuur gesproken kan worden. 2. Het plangebied is onbebouwd, daarmee kent het front een onderbreking. Dat is terug te zien in de uitsnede van de provinciale Kwaliteitskaart ‘stads- en dorpsrand’ (figuur 3.2). De rode zone met de aanduiding ‘Steden en dorpen’ (bebouwd gebied) ontbreekt op het perceel.
Figuur 3.2: Uitsnede van de provinciale Kwaliteitskaart ‘stads- en dorpsrand’
Hoofdstuk 3
16
Uit bovenstaande blijkt dat het plangebied in de huidige vorm niet geheel aansluit bij de gebiedsidentiteit welke is opgelegd aan het gebied door de provincie Zuid-Holland. De beoogde ontwikkeling biedt wel een uitgelezen kans om de gebiedsidentiteit te verwezenlijken. Gelet op vorenstaande is hier in sprake van een inpassing als bedoeld in artikel 6.9 van de omgevingsverordening Zuid-Holland. De term ‘inpassing’ doet de beoogde ontwikkeling enigszins tekort, gezien door het toevoegen van bebouwingsmassa er zelfs versterking van de stadsrand en gebiedsidentiteit plaatsvindt. De versterking van gebiedsidentiteit ontstaat doordat de voorgestelde bebouwmassa een wand vormt richting het buitengebied. Daarmee wordt de grens van de stenen wereld met het landschap gemarkeerd, bovendien wordt de bebouwingwand opgevuld. 3.2.3 Provinciaal milieubelang Provincie Zuid-Holland heeft in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen benoemd. Onderstaand wordt de relevantie per provinciaal milieubelang beschreven: Bescherming van stiltegebieden Afweging: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied. Windenergie stimuleren Afweging: Bij het toekomstige bedrijventerrein Groote Haar ten noordwesten van het plangebied kunnen 2 windmolens worden gebouwd. De dichtstbijzijnde windturbine komt op ruim 550 meter afstand van het plangebied.
De locatie-afweging van de windmolens is in het verleden reeds door de provincie gemaakt en bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein en windturbinepark Groote Haar’ (2017) zijn de effecten van de windmolens op de omgeving onderzocht. Daarbij is ook rekening gehouden met de huidige bestemmingen in het onderhavige plangebied en de omgeving (zoals de nabijgelegen woningen en het dierenasiel, welke zich beide op gelijkwaardige afstand tot de windturbines bevinden). De onderhavige wijziging brengt in deze situatie geen wezenlijk verschil, omdat er geen nieuwe gevoelige functie op kortere afstand tot de windturbines wordt gerealiseerd. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de maximale werpafstand van de windturbines. Dit betekent echter niet dat er binnen het plangebied geen nieuwbouw mag plaatsvinden. Door de ligging aan de uiterste rand van deze zone, wordt dit zeer geringe risico aanvaardbaar geacht. Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven Afweging: De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in de nabijheid van een toekomstig HMCbedrijventerrein, namelijk Groote Haar. Dit bedrijventerrein wordt ten oosten van de A27 gerealiseerd op circa 300 meter afstand van het plangebied. De nieuwbouw van het Gilde Vakcollege betreft een geluidgevoelige functie.
De richtafstanden van dit bedrijventerrein reiken niet over het plangebied, omdat de bedrijvigheid rekening dient te houden met bestaande woningen aan de Haarweg, die op kortere afstand zijn gelegen. Zie hierover ook par. 4.4 van deze toelichting. Afname of beperking van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde. Beschermen van grote groepen mensen Afweging: De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen in een invloedsgebied Groepsrisico van een EV-relevante risicobron. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de provinciale milieubelangen.
Hoofdstuk 3
17
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie 2015 Gemeente Gorinchem Gorinchem is een oude vestingstad van beperkte omvang en wil dat graag blijven. De aandacht in de periode tot 2015 zal uitgaan naar het verbeteren van de woon- en leefkwaliteit in de huidige wijken en voor de huidige inwoners, op basis van de demografische ontwikkeling van de huidige bevolking. Gorinchem wil haar identiteit als vestingstad versterken en de ligging in een cultuurhistorisch en landschappelijk uniek gebied waarborgen en beter benutten. Het doel van deze structuurvisie is enerzijds het aangeven van de kaders waarbinnen ontwikkelingen en projecten kunnen plaatsvinden en anderzijds het communiceren van de ambities van de gemeente Gorinchem aan derden. In de structuurvisie wordt geschetst hoe de gemeente de ontwikkeling van de stad in de periode tot 2015 voor zich ziet en de knelpunten denkt op te lossen.
Figuur 3.3: Uitsnede Structuurvisiekaart Gorinchem, globale ligging plangebied rood omlijnd
Doorwerking plangebied Het onderhavige plan betreft een ontwikkeling van een schoolgebouw binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwplan voldoet daarmee aan de ambities van de gemeente die zijn gesteld in de gemeentelijke structuurvisie. Op de beleidskaart is specifiek voor het plangebied geen arcering opgenomen, er zijn daarmee geen plaats specifieke ambities opgenomen in de Structuurvisie die relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Wel is direct ten noorden van het plangebied een aanduiding opgenomen ‘gemengde doeleinden’. Daarmee beoogd de gemeente nieuwe voorzieningen te ontwikkelen in de nabijheid van het plangebied. Onderhavige ontwikkeling sluit met
Hoofdstuk 3
18
de maatschappelijke functie uitstekend aan bij wat de gemeente voor het aangrenzende gebied voor ogen heeft. De gehele zone waarin het plangebied zich bevindt is een gemengd gebied, zowel de functie van de gebouwen als de verschijningsvorm varieert. Zo is er een wisselwerking tussen woon-, maatschappelijke en bedrijfsfuncties. De zone tussen de A15, Mollenburgseweg, Haarweg en Grote Haarsekade kenmerkt zich als een maatschappelijk cluster met de focus op onderwijs. De beoogde ontwikkeling versterkt dit onderwijscluster. De ontwikkeling sluit, door de reeds aanwezige functies en bijhorende bouwmassa’s, aan op de bebouwingskorrel, uitstraling en bestaande stedenbouwkundige structuur van dit cluster. 3.3.2 Visie van de stad ‘Gorcum open vesting’ Met de vaststelling van de Visie van de Stad in maart 2018 heeft de gemeenteraad van Gorinchem de visie op de toekomst van stad vastgelegd. De visie geeft middels 11 ambities aan hoe de stad in 2032 bekend wil staan en moet functioneren: 1 Middelgrote stad, verbonden met Randstad en Brabant. 2 Verbonden diverse samenleving. 3 Verbonden wijken en voorzieningen. 4 Centrumstad, verbonden met de omgeving. 5 Verbonden samenleving en overheid. 6 Vernieuwen in de bestaande een nieuwe economie. 7 Vernieuwende samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. 8 Vernieuwen door technologische innovatie te omarmen. 9 Vernieuwen door te verduurzamen.
10 Vernieuwen door aantrekkelijkheid voor jonge generatie. 11 Vernieuwende open vesting. Deze ambities zijn door onze inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven en de omgeving (regio) met elkaar bepaald. Het zijn de ambities van de stad. Doorwerking plangebied Het onderhavige plan betreft een ontwikkeling van een schoolgebouw. Binnen het visiedocument ‘Gorcum open vesting’ zijn geen specifieke ambities opgenomen die relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling.
Hoofdstuk 3
19
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Parkeren Het plangebied maakt onderdeel uit van het plangebied van het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’. Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in Gorinchem. Het paraplubestemmingsplan is de planologische vertaling van de ‘Beleidsregel parkeernormen Gorinchem juni 2019’. In deze beleidsregel zijn parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente Gorinchem heeft bij het bepalen van de parkeernormen in de beleidsregel de CROWpublicatie (381) ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ als uitgangspunt genomen. Binnen deze kencijfers geldt dat de mate van stedelijkheid een belangrijke factor is om de juiste parkeernormen te hanteren. Gorinchem is een sterk stedelijke gemeente. Aan de hand van de mate van stedelijkheid maakt het CROW een onderscheid in minimale en maximale normen voor diverse functies. In de beleidsregel is gekozen om het gemiddelde van de kencijfers van het CROW voor een sterk stedelijke gemeente te gebruiken. De normen zijn gekoppeld aan het type functie dat mogelijk wordt gemaakt. Naast de functie die met de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, is ook de stedelijke zone waar de functie zich bevindt van belang bij het bepalen van de parkeerbehoefte.
De stedelijke zones zijn op een kaart inzichtelijk gemaakt en als bijlage 2 bij de beleidsregel gevoegd. Hierbij is de volgende onderverdeling gemaakt: Centrum: Binnenstad en stationsomgeving. Schil: Wijdschild, Lingewijk-Zuid en Haarwijk-Zuid. Rest bebouwde kom: overige woongebieden en bedrijventerreinen. Buitengebied: landelijk gebied en uiterwaarden. Het plangebied is gelegen in het gebied ‘rest bebouwde kom’. De gemeente Gorinchem is aangeduid als ‘sterk stedelijk gebied’. Voor fietsparkeren heeft de gemeente Gorinchem geen normen vastgesteld. Verkeer Het realiseren van een nieuwe school heeft gevolgen op de verkeersgeneratie ter plaatse. Een toename aan verkeersgeneratie kan gevolgen hebben op de verkeersdrukte en – veiligheid rondom het plangebied. Er dient gekeken te worden of hiervan sprake is. De berekening van de verkeersgeneratie is gebaseerd op CROW kengetallen.
Hoofdstuk 4
20
4.1.2 Onderzoek Parkeren De gemeentelijke Nota parkeernormen is maatgevend in het aantal parkeerplaatsen. Het parkeerbeleid van de gemeente Gorinchem stelt voor een ROC (meest vergelijkbaar met het beoogde vakcollege) in de ‘rest bebouwde kom’ een parkeernorm van 5,2 parkeerplaatsen per 100 leerlingen. Daarnaast is het zo dat de AOD-medewerkers (algemene ondersteunende dienst van de scholenvereniging) als een zelfstandige functie kunnen worden beschouwd voor wat betreft de parkeerbehoefte. Voor deze functie is het meest reëel om aansluiting te zoeken bij de parkeernorm voor de functie kantoor zonder baliefunctie. Deze norm bedraagt in de ‘rest bebouwde kom’ minimaal 1,4 en maximaal 1,9 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak. Hiervoor wordt een gemiddelde norm van 1,7 gehanteerd. Dit resulteert in de volgende parkeerbehoefte: Functie
Parkeernorm
Aantal
Aantal parkeerplaatsen
ROC
5,2 per 100 leerlingen
Ca. 750 leerlingen
39
AOD Totaal
1,7 per 100 m² bvo
Ca. 450 m² bvo
8 47 pp
Dit betekent dat er een totale (auto)parkeerbehoefte is aan 47 parkeerplaatsen. Zoals blijkt uit hoofdstuk 2 zal de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein opgelost worden. Er zijn in totaal 48 parkeerplaatsen beschikbaar: 26 voor medewerkers op de parkeerplaats aan de westzijde van de bebouwing en 22 parkeerplaatsen voor leerlingen aan de oostzijde, Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm. Nota bene: de schoolfunctie is maatgevend. De sporthal wordt tijdens lestijden uitsluitend door de school gebruikt. Mogelijk wordt deze tijdens de avonduren aan andere gebruikers verhuurd. Op dergelijke momenten is de parkeerbehoefte aanzienlijk geringer. Verkeer De verkeerssituatie en verkeersveiligheid op de wegen en kruisingen nabij het plangebied is niet optimaal. De gemeente is bekend met de relatief hoge aantallen motorvoertuigen en fietsverkeer op onder meer de Haarweg en Grote en Kleine Haarsekade. Deze wegen zijn door hun inrichting en smalle profilering niet geschikt voor de huidige aantallen verkeersbewegingen. De gemeente wil de verkeerssituatie in dit gebied dan ook verbeteren. Enerzijds gebeurt dit door een toekomstige beoogde vermindering van de verkeersaantallen op deze wegen. Zo zal met de aanleg van bedrijventerrein Groote Haar de verkeerssituatie op de Haarweg gaan veranderen.
Door de omlegging van de Hoogbloklandseweg om het nieuwe bedrijventerrein in combinatie met een nieuwe toe-/afrit voor de A27 ten noorden van het bedrijventerrein, zal het verkeer op het deel van de Haarweg tussen de bestaande Hoogbloklandseweg en de Mollenburgseweg aanzienlijk afnemen. Dat gaat dan alleen nog om verkeer van en naar Schelluinen en om bestemmingsverkeer. Dit bedrijventerrein zal de komende jaren worden gerealiseerd en is volgens de huidige planning uiterlijk per medio 2026 gereed. Rond deze tijd is ook de realisatie van de halte Gorinchem Noord beoogd. Volgens de huidige plannen komt deze halte ten oosten van de gemeentewerf (Kleine Haarsekade 125A). De realisatie van die halte zal naar verwachting tot minder fietsverkeer rondom het plangebied leiden. Naast deze toekomstige ontwikkelingen, dient het onderhavige initiatief verkeerskundig ingepast te worden, uitgaande van de huidige situatie. Uitgangspunt is dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 4
21
een bestaand verkeersprobleem niet behoeft op te lossen. De verkeerssituatie mag echter niet verslechteren als gevolg van de ontwikkeling, het zogeheten ‘stand still’-principe. Daarom is bij de voorbereiding van het bestemmingsplan nader verkeerskundig onderzoek uitgevoerd, waarin zowel de doorstroming als de verkeersveiligheid zijn onderzocht. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Ook zijn aanvullende verkeerstellingen uitgevoerd om de huidige verkeersintensiteiten in beeld te brengen. Deze zijn in het onderzoek meegenomen. Voor de volledige resultaten, berekeningen en afwegingen wordt verwezen naar de bijlage. Navolgende worden de voornaamste bevindingen beschouwd. Verkeersgeneratie Met gebruik van de CROW-kencijfers1 is de verkeersgeneratie vanwege het initiatief berekend (zie tabel 4.3). Hierbij is voor de Algemene ondersteunende dienst (AOD) uitgegaan van de functie ‘kantoor zonder baliefunctie’. Uit de berekening blijkt dat het initiatief 163 verkeersbewegingen per etmaal genereert (motorvoertuigen). Dit betreft een gering aantal verkeersbewegingen, zeker ten opzichte van de bekende verkeersintensiteiten op de omliggende wegen. Het initiatief zal wel leiden tot een grotere toename van het aantal fietsverkeersbewegingen. Functie
Kencijfer
Aantal
Aantal mvt/ etmaal
ROC
14,2 mvt/etmaal per 100 leerlingen
Ca. 750 leerlingen
123
AOD
8,9 mvt/etmaal per 100 m² bvo
Ca. 450 m² bvo
40
Totaal
163
Tabel 4.3: Effect van beoogde ontwikkeling op de verkeersgeneratie
Verkeersafwikkeling De ontwikkeling zal voor het autoverkeer worden ontsloten via een nieuwe uitrit op de Haarweg (personeel) en een nieuwe uitrit op de Grote Haarsekade (leerlingen/bezoekers). Vervolgens verspreidt het verkeer zich over verschillende wegen. In het verkeersonderzoek (par. 4.1) is een inschatting gemaakt van de verdeling van het verkeer over de verschillende routes. Vervolgens is onderzocht wat de verkeersbijdrage van het planinitiatief betekent voor de toekomstige verkeersintensiteiten op de omliggende wegen en aanvoerroutes en of dit tot knelpunten leidt. Hierbij is telkens een vergelijking gemaakt tussen de autonome situatie zonder de ontwikkeling en de situatie inclusief de ontwikkeling. Bij de toetsing is rekening gehouden met het type weg en de verkeersaantallen die een dergelijke weg redelijkerwijs kan verwerken volgens de richtlijnen van het CROW. Uit deze toetsing (hoofdstuk 5 van de onderzoeksrapportage) blijkt dat in de huidige situatie op vrijwel alle relevante wegvakken al sprake is van een knelpunt en in de overige gevallen van een beginnend knelpunt. In de toekomstige situatie is dit, zowel exclusief als inclusief de onderhavige ontwikkeling, nog steeds het geval, ondanks enkele verschillen tussen de huidige 2022-intensiteiten en de 2032-intensiteiten vanuit het verkeersmodel.
Uit de toetsing blijkt dat de ontwikkeling slechts een marginale bijdrage heeft aan het vergroten van de bestaande knelpunten (in alle gevallen kleiner dan 3%). Redelijkerwijs kunnen deze knelpunten daarom niet worden toegeschreven aan de ontwikkeling. Wel zou de ontwikkeling van de scholenlocatie gepaard moeten gaan met maatregelen die de beperkte verzwaring van de knelpunten compenseren, conform het eerder benoemde stand-still principe. Bij voorkeur worden knelpunten uiteraard verder verminderd of geheel weggenomen. Berekening op basis van CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, uitgaande van gemiddelde kencijfers voor ‘buitengebied’ in sterk stedelijk gebied. 1
Hoofdstuk 4
22
In het onderzoek is specifiek onderzocht wat de gevolgen van het initiatief zijn voor de veiligheid van het fietsverkeer, omdat dit aanzienlijk zal toenemen en er in de huidige situatie al relatief veel fietsverkeer rondom het plangebied aanwezig is. Deze toetsing vindt plaats in hoofdstuk 6 van het verkeersonderzoek. Voor de volledige beschouwing wordt verwezen naar dit onderdeel van de bijlage. Bij deze toetsing is ook ingegaan op mogelijke maatregelen om de verkeersveiligheid te verbeteren. Hierop wordt navolgend ingegaan. Het fietsverkeer zal overigens aan de zuidoostkant van het plangebied in- en uitrijden. Hier zal een nieuwe inrit worden aangelegd. Auto- en fietsverkeer zullen hier worden gescheiden om een veilige verkeerssituatie te waarborgen. Maatregelen Om het ‘stand still’-principe als gevolg van het initiatief te waarborgen, zijn verkeerskundige maatregelen rondom het plangebied nodig. De volgende maatregelen zullen worden getroffen om dit op de verschillende relevante wegvakken te kunnen bereiken: Herinrichting Groote en Kleine Haarsekade: de gemeente is reeds bezig met een voorgenomen herinrichting van de Kleine en Grote Haarsekade. Een schetsontwerp hiervan is reeds ter inzage gelegd en een nadere uitwerking in de vorm van een definitief ontwerp (DO) is in voorbereiding. Het ontwerp voorziet in een smallere rijbaan voor de beide wegen.
Deze wegen worden hierdoor minder aantrekkelijk voor (doorgaand) autoverkeer, omdat het vrijwel onmogelijk wordt om fietsers te passeren. Het effect is hierdoor vergelijkbaar met dat van een fietsstraat; een fietsstraat is echter geen optie, hetgeen reeds eerder is afgewogen door de gemeente. De verkeersveiligheid voor fietsers wordt met de herinrichting vergroot. De uitvoering hiervan loopt parallel aan de realisatie van onderhavig initiatief. Haarweg: hier kan een extra passeermogelijkheid worden gecreëerd door een bredere in-/uitrit naar het Gilde Vakcollege te realiseren dan wettelijk is voorgeschreven. De incidentele aanwezigheid van vrachtverkeer voor de bevoorrading van de nieuwbouw leidt met deze maatregel tot minder hinder. Er zijn verder reeds enkele drempels aangelegd om de verkeerssnelheid op de Haarweg te verlagen. Kruising Haarweg-Grote/Kleine Haardekade: de kruising zelf wordt niet aangepast en voldoet aan de geldende richtlijnen. De huidige verkeersonveilige situatie bij deze kruising wordt vooral veroorzaakt door de gereden snelheden op de Haarweg. Naast de aanleg van drempels (zie voorgaande bullit) wordt de 30 km/uurzone van de Grote/Kleine Haarsekade verlengd. De grens van deze zone ligt momenteel nog nabij de nieuwe ontsluiting van het plangebied op de Grote Haarsekade. Deze zal worden doorgetrokken tot de kruising.
Mollenburgseweg: voor deze weg zijn de beoogde concrete maatregelen momenteel nog niet bekend. Uit het onderzoek blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om het noordelijk deel van deze weg meer in de richten als erftoegangsweg, wat de verkeersveiligheid zonder meer ten goede komt. Op basis van deze overwegingen kan worden gesteld dat onderhavig initiatief in combinatie met de genoemde concrete en beoogde maatregelen verkeerskundig kan worden ingepast en niet zal leiden tot een verslechtering van de verkeerssituatie. Naast het voorgaande zijn in het verkeersonderzoek nog de nodige mogelijke maatregelen benoemd, die de verkeersveiligheid ook op langere termijn kunnen verbeteren. Uitvoering van deze maatregelen is op het moment van voorbereiding van dit bestemmingsplan nog onvoldoende zeker. De gemeente spant zich wel in om de haalbaarheid van deze maatregelen te onderzoeken en waar mogelijk aanvullende verkeerskundige maatregelen te nemen, omdat de gemeente zich bewust is van de huidige en toekomstige knelpunten. De afweging van deze maatregelen maakt onderdeel uit van de gemeentelijke visie op de mobiliteit in groter verband aan de noordzijde van Gorinchem en hangt
Hoofdstuk 4
23
mede samen met toekomstige ontwikkelingen, zoals de eerder al benoemde halte Gorinchem Noord en de ontwikkeling van bedrijventerrein Groote Haar. Laden en lossen Het laden en lossen vindt plaats vanaf de Haarweg aan de noordkant van het plangebied. Het laden en lossen vindt plaats op het terrein zelf, maar het bevoorradend verkeer rijdt via de Haarweg. Op de Haarweg geldt ten westen van de Grote/Kleine Haarsekade een aslastbeperking van 15 ton. Op de Grote/Kleine Haarsekade geldt ten zuiden van de Hoefslag een geslotenverklaring voor vrachtverkeer. Van belang is dat het bevoorradend verkeer (busjes, kleine vrachtwagens) veilig via de Haarweg moet kunnen rijden en dat het laden en lossen verkeersveilig kan plaatsvinden op eigen terrein. In hoofdstuk 7 van het verkeersonderzoek is dit getoetst. Voorkomen dient te worden dat vrachtverkeer op de Haarweg moet manoeuvreren, gelet op de beperkte breedte van deze weg. Daarom is in het ontwerp rekening gehouden met voldoende ruimte voor het laden aan lossen aan de noordzijde. Aan de benodigde ruimte voor een normale vrachtwagen en een trekker met oplegger wordt in het ontwerp voldaan. Een vrachtwagen met aanhanger zal niet worden gebruikt voor de bevoorrading van de ontwikkeling. De passeersituatie op de Haarweg is onvoldoende. Een alternatieve ontsluitingsmogelijkheid is echter niet voorhanden.
Daarom zijn maatregelen voorgesteld om de passeersituatie te verbeteren. In ieder geval zal een bredere in-/uitrit voor het initiatief worden gerealiseerd om een goede passeermogelijkheid te creëren. Hiermee kan een acceptabel verkeerssituatie in dit opzicht worden bereikt, waarbij er geen verslechtering optreedt. Overige maatregelen worden in overweging genomen. 4.1.3 Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. Er worden voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De verkeersveiligheid in de omgeving van het plangebied is een aandachtspunt. In de huidige situatie is op veel wegen rondom de ontwikkeling de verhouding tussen de intensiteit en maximaal acceptabele intensiteit overschreden of wordt de maximale capaciteit benaderd. Het is eigenlijk te druk op een aantal wegen voor een verkeersveilige en leefbare situatie. Als gevolg van de ontwikkeling neemt het autoverkeer slechts in beperkte mate toe (minder dan 3%). Redelijkerwijs kunnen de knelpunten daarom niet volledig worden toegeschreven aan de ontwikkeling. Wel zou de ontwikkeling gepaard moeten gaan met maatregelen de die beperkte verzwaring van de knelpunten compenseren (stand-still principe). Uit het verkeerskundig onderzoek en de beschouwing in par.
4.1.2 blijkt dat met een aantal concrete maatregelen voldoende verbetering van de verkeersveiligheid wordt bereikt om onderhavig initiatief verkeerskundig te kunnen inpassen. Voor onderhavig bestemmingsplan zijn er daarom geen belemmeringen aan de orde. Aanvullende maatregelen op korte en langere termijn zijn wenselijk. De gemeente spant zich in om de verkeerssituatie verder te verbeteren. Het verkeerskundig rapport toont aan dat hiervoor voldoende mogelijkheden bestaan en dit dus uitvoerbaar is.
Hoofdstuk 4
24
4.2 Wegverkeerslawaai 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer Tabel 1.3 Breedte geluidszones langs wegen
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Voor tijdelijke afwijkingen van een bestemmingsplan hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden die zijn opgenomen in de Wet geluidhinder. Bij een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening moet wel rekening worden gehouden met geluid. 4.2.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van een school. Een school betreft een geluidgevoelige functie/object. Met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai bevindt de projectlocatie zich binnen het regime van de Haarweg, Hoefslag, Haarse kade, Vlietse kade en de A15. Er is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavig bestemmingsplan.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is omwille van een goed woon- en leefklimaat zijn de 30-km wegen eveneens meegenomen echter niet meegenomen in de toetsing. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Rekenresultaten De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Haarweg en de A15 wordt op een aantal toetspunten overschreden.
Hoofdstuk 4
25
De geluidbelasting vanwege de A15 bedraagt ten hoogste 52 dB enkel op de bovenste verdieping van de achtergevel van de nieuwbouwschool. Vanwege de Haarweg bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 53 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, de maximale ontheffingswaarde wordt gerespecteerd ten gevolge van de Haarweg en de A15. De geluidbelasting vanwege de Haarse kade en de Vlietse kade voldoen allen ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Maatregelen Reductie van de geluidbelasting te gevolge van de wegen zou gerealiseerd kunnen worden door geluidafscherming, vervanging van het wegdek of verlaging van de maximum snelheid. Afscherming tussen de Haarweg en de school wordt niet realistisch geacht vanwege de zeer beperkte afstand tussen gebouwen en weg in combinatie met de hoogte van het gebouw. Het spoor en de A15 zijn reeds voorzien van geluidschermen. Het vervangen van het wegdek op de Haarweg voor een ‘dunne deklaag’ kan een reductie opleveren van 2dB. Het verlagen van de maximum snelheid op de Haarweg naar bijvoorbeeld 30 km/uur levert ook een reductie van circa 2 dB op, dit is in combinatie met stiller wegdek net voldoende om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen echter de geluidbelasting vanwege de A15 blijft dan nog steeds te hoog.
Ter plaatse van de Haarweg draagt dit wel bij aan de verkeersveiligheid vanwege veel fietsverkeer bij een school, derhalve wordt geadviseerd deze maatregel in overweging te nemen. Indien maatregelen om de berekende gevelbelasting terug te dringen stuiten op praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren zullen hogere grenswaarden, als bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder, aangevraagd moeten worden. Tevens dient een geluidwering berekening in het kader van het Bouwbesluit overlegd te worden, hiervoor is de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen inclusief 30-km/uur wegen bepaald in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De cumulatieve geluidbelasting zonder correctie bedraagt ten hoogste 58 dB. Het bevoegd gezag wordt verzocht hogere waarden te verlenen op basis van de berekende resultaten. In het kader van het Bouwbesluit dient aangetoond te worden dat aan de gestelde eisen voor geluidwering van de buitengevels voldaan wordt en hiermee het binnenniveau gerespecteerd wordt. Hiervoor dient in een later stadium met een definitief ontwerp een geluidwering berekening uitgevoerd te worden voor geluidgevoelige verblijfsruimten. Hiervoor dient te worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen. De gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) bedraagt ten hoogste 58 dB.
Deze gecumuleerde geluidbelasting dient als uitgangspunt voor de berekening van de noodzakelijke gevelgeluidwering zoals verplicht conform het Bouwbesluit. Uitgaande van een binneniveau van 33 dB dient de minimaal vereiste geluidwering van de buitengevels van de geluidgevoelige bestemmingen minimaal 58 – 33 = 25 dB te zijn. Mits middels een geluidweringberekening aangetoond wordt dat aan de vereiste geluidwering voldaan wordt en daarmee het binnenniveau gerespecteerd wordt, kan een goed verblijfklimaat gegarandeerd worden. Een geluidwering berekening in het kader van het Bouwbesluit dient in een later stadium afzonderlijk te worden gerapporteerd.
Hoofdstuk 4
26
4.2.3 Conclusie Het aspect ‘wegverkeerslawaai’ vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Wel dient ten behoeve van de omgevingsvergunning bouwen een aanvullend gevelweringonderzoek uitgevoerd te worden.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Invloed van het plan op de luchtkwaliteit In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 μg/m³). In paragraaf 4.1.2 is aangetoond dat op basis van de berekeningen volgens de CROW-publicatie 381 een verkeersgeneratie wordt verwacht van maximaal 163 verkeersbewegingen in de toekomstige situatie, waarvan maximaal 5% vrachtverkeer. Hier is uitgegaan van een worst-case scenario. De toename van het aantal verkeersbewegingen leidt tot een toename van de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Middels de NIBM-tool kan worden berekend of deze toename al dan niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.