2020-724512 Was-wordt-lijst APV en Verordening Winkeltijden 2021.docx
Tekst van het document
Was-wordt-lijst Algemene Plaatselijke Verordening Gorinchem 2021 WAS
WORDT
Artikel 1:1 (Definities), sub m. tot en met q. Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; n. weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan: o. voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en al (aa el) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van treinen en trams, kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. p. vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonarken, woonschepen, glijboten en ponten. q. woonschip: elk vaartuig uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: m. vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonarken, woonschepen, glijboten en ponten. m.n. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en, kinderwagens, en rolstoelen; n.o.weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan: o. voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en al (aa el) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van treinen en trams, kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. p. vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonarken, woonschepen, glijboten en ponten. q.p.woonschip: elk vaartuig uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.
Toelichting: De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990. Daarnaast is het begrip voertuigen vanwege een dubbeling geschrapt. In de opsomming stond al het begrip voertuig. Ook is de begripsbepaling van een vaartuig op alfabetische volgorde gezet. Deze wijzigingen hebben een vernummering (verlettering) tot gevolg. Sub q. vervalt ook door deze vernummering. Artikel 2:6 (Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen), vijfde lid
WAS
WORDT
5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:9 (Vertoning op openbare plaatsen), vierde lid: 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting op de wijziging van de artikelen 2:6 en 2:9: Redactionele verbetering. Artikel 2:10 (Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats) Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a het beoogde gebruik niet van tevoren is gemeld aan het college; b het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg; c het beoogde gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; d het beoogde gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; e het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; f binnen 7 werkdagen na ontvangst van het formulier geen tegenbericht is verzonden kan het gebruik van de weg zoals gemeld plaatsvinden; g het college het beoogde gebruik naar aanleiding van een melding heeft verboden. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b standplaatsen, als bedoeld in artikel 5:17; c terrassen bij horecabedrijven, als bedoeld in artikel 2:27, onder b.;
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. h
i
, als:
het beoogde gebruik niet van tevoren is gemeld aan het college; j het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg; k het beoogde gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; l het beoogde gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; m het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; n binnen 7 werkdagen na ontvangst van het formulier geen tegenbericht is verzonden kan het gebruik van de weg zoals gemeld plaatsvinden; o het college het beoogde gebruik naar aanleiding van een melding heeft verboden.
WAS
WORDT
d losse terrassen op door het college aangewezen weggedeelten; e infrastructurele voorzieningen voor het opladen van accu’s van voertuigen met een elektromotor als hoofdmotor. 3. Het is verboden zonder vergunning van het college een terras, als bedoeld in artikel 2:10, onder d. en e., te plaatsen, in stand te houden en/of te exploiteren, of te doen plaatsen te doen houden en/of te doen exploiteren. 4. Het college kan een vergunning voor een terras, zoals bedoeld in lid 3, weigeren als: a het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of c het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. 5. Indien door verschillende aanvragers aanvragen worden ingediend voor een vergunning voor een terras op de Grote Markt op dezelfde plaats, en de vergunning of vergunningen kunnen niet op grond van het vierde lid worden geweigerd, zal het college door middel van een vergelijkende toets de vergunning verlenen.
Er wordt getoetst op grond van de volgende criteria: de invloed van het terras op de aantrekkelijkheid van de stad voor inwoners, bezoekers en toeristen, en de bijdrage van het horecabedrijf dat het terras wil exploiteren op deze aantrekkelijkheid.
2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a het beoogde gebruik niet van tevoren is gemeld aan het college; b het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg; c het beoogde gebruik gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; d het beoogde gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; e het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; f binnen 7 werkdagen na ontvangst van het meldingsformulier geen tegenbericht is verzonden kan het gebruik van de weg zoals gemeld plaatsvinden; g de melding is ingediend voor een locatie buiten de binnenstad; h het college het beoogde gebruik naar aanleiding van een melding heeft verboden. 1.4.
Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor: f evenementen als bedoeld in artikel 2:24; g standplaatsen, als bedoeld in artikel 5:17; h terrassen bij openbare inrichtingenhorecabedrijven, als bedoeld in artikel 2:27, onder cb.; i losse terrassen op door het college aangewezen weggedeelten; j infrastructurele voorzieningen voor het opladen van accu’s van voertuigen met een elektromotor als hoofdmotor;. jk nader door het college aan te wijzen voorwerpen. 5. Het college kan nadere regels stellen voor de categorieën, bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder f.
WAS
WORDT
Hierbij wordt rekening gehouden met de soort horeca, de openingstijden van het horecabedrijf, de ligging van het terras ten opzichte van de rond de Grote Markt gevestigde horecabedrijven en de grootte van het horecabedrijf ten opzichte van de oppervlakte van het terras. Het college kan een beleidsregel vaststellen met betrekking tot procedure en de inhoud van deze vergelijkende toets. 6. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet Beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 7. Op de vergunningen als bedoeld in het derde en zesde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
2.6. Het is verboden zonder vergunning van het college een terras, als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, onder cd. en de., te plaatsen, in stand te houden en/of te exploiteren, of te doen plaatsen te doen houden en/of te doen exploiteren. 3.7. Het college kan een vergunning voor een terras, zoals bedoeld in lid 3het zesde lid, weigeren als: d het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; e het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of f het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. 4.8. Indien door verschillende aanvragers aanvragen worden ingediend voor een vergunning voor een terras op de Grote Markt op dezelfde plaats, en de vergunning of vergunningen kunnen niet op grond van het vierde lid worden geweigerd, zal het college door middel van een vergelijkende toets de vergunning verlenen. Er wordt getoetst op grond van de volgende criteria: de invloed van het terras op de aantrekkelijkheid van de stad voor inwoners, bezoekers en toeristen, en de bijdrage van het horecabedrijfde openbare inrichting dat het terras wil exploiteren op deze aantrekkelijkheid. 5.
Hierbij wordt rekening gehouden met de soort horeca, de openingstijden van het horecabedrijfde openbare inrichting, de ligging van het terras ten opzichte van de rond de Grote Markt gevestigde horecabedrijven openbare inrichtingen en de grootte van het de openbare inrichting horecabedrijf ten opzichte van de oppervlakte van het terras. Het college kan een beleidsregel vaststellen met betrekking tot procedure en de inhoud van deze vergelijkende toets.
WAS
WORDT 6.9. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet Beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 7.10. Op de aanvragen om vergunningen als bedoeld in het eerstederde zesde en zesde achtste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: In het eerste lid is een vergunningplicht opgenomen. In de praktijk blijkt dat een meldingplicht regelmatig tot (overlast)problemen in de binnenstad leidt. Met name rondom de parkeerdruk in de binnenstad. Het tweede lid is in overeenstemming met de model-APV van de VNG gebracht. De toevoeging van een nieuw tweede lid heeft een vernummering tot gevolg. In het vierde lid is aanvullend opgenomen dat de meldingplichtige activiteiten (geen vergunning onder voorwaarden) niet geldt voor activiteiten in de binnenstad. In de binnenstad is altijd een vergunning vereist. In het vijfde lid is een bevoegdheid voor het college opgenomen om ten aanzien van bepaalde categorieën voorwerpen nadere regels op te stellen. Via deze nadere regels kan het college bijvoorbeeld bepaalde voorwerpen (zoals een afvalcontainer die onder bepaalde voorwaarden geplaatst wordt op een parkeerplaats, buiten de binnenstad) uitzonderen van de vergunningplicht. Daarnaast is dit artikel op verschillende onderdelen tekstueel aangepast en in overeenstemming gebracht met de juiste begripsbepaling voor horeca, zijnde een openbare inrichting (zie het vierde en achtste lid). Ook zijn overbodige formuleringen en onjuiste verwijzingen in dit artikel aangepast. Tot slot is in het tiende lid een redactionele verbetering opgenomen.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), vierde en vijfde lid 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening het provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur of de Wegenverordening Zuid-Holland.
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening het provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur of de Wegenverordening ZuidHolland.
WAS
WORDT
5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
5.
Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: In het vierde lid is een dubbeling geschrapt. In het vijfde lid is een redactionele verbetering doorgevoerd. Artikel 2:12 (Maken of veranderen van een uitweg) eerste en derde lid Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, met bij de melding een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Van de melding wordt kennis gegeven. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg verboden wordt. Toelichting:
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, met bij de melding een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Van de melding wordt kennis gegeven. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of openbare parkeergelegenheid; c het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg verboden wordt.
WAS
WORDT
In het eerste lid, aanhef en onder b., is het overbodige woord indien geschrapt. In het derde lid, aanhef en onder b., zijn de woorden openbare parkeergelegenheid toegevoegd. Dit zorgt voor meer duidelijkheid, aangezien niet alle parkeervoorzieningen altijd parkeerplaatsen zijn. Artikel 2:14 (Winkelwagentjes), tweede en derde lid Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 2. Het is verboden zich met een winkelwagentje buiten de onmiddellijke omgeving van de winkel waar men het wagentje in gebruik heeft genomen te begeven. 3. Het eerste lid onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 2. Het is verboden: a. een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten;.
3.
a.b. Het is verboden zich met een winkelwagentje buiten de onmiddellijke omgeving van de winkel waar men het wagentje in gebruik heeft genomen te begeven. Het eerste lid onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Toelichting: De leden twee en drie zijn samengevoegd in een tweede lid. Dit heeft tot gevolg dat het vierde lid geschrapt is en vernummerd wordt naar het derde lid. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen), derde lid 3
De verbod in het eerste lid aanhef en onder a is niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
3
De Het verbod in het eerste lid aanhef en onder a is niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Toelichting: Correctie van een schrijffout. Artikel 2:24 (Definities), eerste lid, aanhef en onder b. b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 van de Gemeentewet. Artikel 2:25 (A-, B-, of C-evenement), derde en tiende lid
WAS
WORDT
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, tweede lid, kan de burgemeester de vergunning voor een categorie A-, B- of Cevenement, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar: a De aanvraag voor een A-evenement niet ten minste 8 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd; b De aanvraag voor een B- of Cevenement niet ten minste 12 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, tweede lid, kan de burgemeester de vergunning voor een categorie A-, B- of Cevenement, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar: a Dde aanvraag vergunning voor een Aevenement niet ten minste 8 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd; b De De vergunningaanvraag voor een B- of C-evenement niet ten minste 12 weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd 10. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid, is Pparagraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.
10. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:26 (Ordeverstoring) 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie, brandweer en gemeente in het belang van openbare orde en veiligheid terstond en stipt op te volgen.
1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie, brandweer en gemeente in het belang van openbare orde en veiligheid terstond en stipt op te volgen. 3. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 2.4. Het verbod in het derde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting: Op verzoek van de VNG-commissie Bestuur en Veiligheid heeft de VNG in de Model-Algemene
WAS
WORDT
plaatselijke verordening (Model-APV) bepalingen opgenomen die ertoe strekken uiterlijk vertoon van verboden organisaties, zoals Outlaw Motorcycle Gangs (OMG), in de openbare ruimte te verbieden. Het verbod in artikel 2:26 van de APV is met twee nieuwe leden uitgebreid. Deze verbodsbepalingen dragen bij aan de aanpak van ondermijning. Artikel 2:27 (Definities), eerste lid 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Barvrijwilliger: de natuurlijke persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, of de wet die hiervoor in de plaats treedt. b. Leidinggevende: 1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend; 2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de openbare inrichting; c. openbare inrichting: 1. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Barvrijwilliger: de natuurlijke persoon, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, of de wet die hiervoor in de plaats treedt. b. Leidinggevende: 1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend; 2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de openbare inrichting; 2.3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de openbare inrichting. c. openbare inrichting: 1. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, afhaalpunten, fast- en foodbezorging, take away, maaltijdbezorging; of
Toelichting: In artikel 2:27 sub b., ten derde, is de definitie van een leidinggevende gelijkgetrokken met de definitie van een leidinggevende als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet. In artikel 2:27 sub c., ten eerste zijn afhaalpunten, fast- en foodbezorging, take away en maaltijdverzorging in de opsomming van een openbare inrichting opgenomen. In de huidige situatie vallen deze bedrijven niet onder de definitie van een openbare inrichting en dus ook niet onder de sluitingstijd van artikel 2:29 van de APV. Dit betekent in de praktijk dat het bij deze bedrijven (theoretisch gezien) nog mogelijk is om na 02:00 uur af te halen of deze bedrijven te laten bezorgen. Vanuit het oogpunt van het voorkomen van overlast is het wenselijk om de sluitingstijden van deze bedrijven ook via artikel 2:29 van de APV te reguleren.
Artikel 2:28 (Exploitatie openbare inrichting)
WAS
WORDT
1.
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: a. een openbare inrichting te exploiteren; b. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze onder de uitzonderingscategorie van artikel 2:28, twaalfde of veertiende lid, van deze verordening vallen. 1.2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en hiervan niet bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgeweken.; 3. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven.;
2.
3.
4.
5. a b c
d e 6.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en hiervan niet bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgeweken; De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven; In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, Bij toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting gelegen is of gelegen zal zijn; de aard van de openbare inrichting; de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting; de wijze van bedrijfsvoering door de aanvrager en/of de
leidinggevende, en; het levensgedrag van de aanvrager en/of de leidinggevende. Onverminderd het gestelde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als:
4.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, b. de aanvrager of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 2.5. Bij toepassing van de in het vierde lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met: a het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting gelegen is of gelegen zal zijn; b de aard van de openbare inrichting;
WAS a
b
c
d
e
f
g h
WORDT de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften of beperkingen, behorende bij de vergunning, overtreedt; aannemelijk is, dat de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, dan wel de vrees hiertoe wettigen; de vergunninghouder of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; de bij de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; zich in de betrokken openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28, tweede lid, aanhef en
onder c. gestelde eisen; de vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:28c, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c, vierde lid;
c
de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting; d de wijze van bedrijfsvoering door de aanvrager en/of de leidinggevende, en; e het levensgedrag van de aanvrager en/of de leidinggevende. 3.6. Onverminderd het gestelde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als: a de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting de bepalingen in deze afdeling, dan wel de voorschriften of beperkingen, behorende bij de vergunning, overtreedt; b aannemelijk is, dat de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, dan wel de vrees hiertoe wettigen; c de vergunninghouder of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; d de vergunninghouder of leidinggevende van de openbare inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; e de bij de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist
of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
WAS i j
k
7.
a
b c
8. a b
er sprake is van een gewijzigde exploitatie of vergunninghouder, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; de vergunninghouder in de artikelen 2:28c, eerste lid en 2:28e bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; Als een vergunningaanvraag tevens betrekking heeft op de exploitatie van een of meer terrassen, zoals bedoeld in artikel 2:27, onder 1. b., beslist de burgemeester in afwijking van artikel 2:10, eerste lid, voor zover deze terrassen zich op de weg bevinden, ook over de ingebruikneming van de weg ten behoeve van het terras. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28, tweede lid, vierde lid en vijfde lid kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg door een terras weigeren als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
Het is verboden een terras te exploiteren: op of aan wegen die door de burgemeester met het oog op de belangen genoemd in het vijfde lid zijn aangewezen, en; op of aan wegen die door het college met het oog op de belangen genoemd in het zesde lid zijn aangewezen.
WORDT f
zich in de betrokken openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; g niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28b, tweede lid, aanhef en onder c. gestelde eisen; h de vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:28c, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c, vierde vijfde lid; i er sprake is van een gewijzigde exploitatie of vergunninghouder, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; j de vergunninghouder in de artikelen 2:28c, eerste lid en 2:28e bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan. k redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; 4.7. Als een vergunningaanvraag tevens betrekking heeft op de exploitatie van een of meer terrassen, zoals bedoeld in artikel 2:27, onder 1. sub cb., beslist de burgemeester in afwijking van artikel 2:10, eerste lid, voor zover deze terrassen zich op de weg bevinden, ook over de ingebruikneming van de weg ten behoeve van het terras.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28, tweede lid, vierde lid en vijfde lid kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg door een terras weigeren als:
WAS
WORDT
9.
a
De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar bij het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid een exploitatieplan moet worden vastgelegd waarin de maatregelen staan beschreven die de aanvrager neemt om overlast in de omgeving van de openbare inrichting als gevolg van de exploitatie van de openbare inrichting te voorkomen. 10. Het college kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid nadere regels stellen voor de exploitatie van openbare inrichtingen. 11. Artikel 2:28, eerste lid geldt niet voor door burgemeester aangewezen soorten openbare inrichtingen. 12. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit van de winkelactiviteit. 13. Voor de openbare inrichting in een winkel gelden dezelfde sluitingstijden als de winkel. 14. Voorts geldt het eerste lid niet voor: a een openbare inrichting in zorginstellingen; b een openbare inrichting in musea; c een openbare inrichting in sportkantines; d een openbare inrichting in scholen; e een openbare inrichting in clubhuizen. 15. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.
het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. 5.8. Het is verboden een terras te exploiteren: a op of aan wegen die door de burgemeester met het oog op de belangen genoemd in het vijfde lid zijn aangewezen, en; b op of aan wegen die door het college met het oog op de belangen genoemd in het zesde lid zijn aangewezen. 6.9. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar bij het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid een exploitatieplan moet worden vastgelegd waarin de maatregelen staan beschreven die de aanvrager neemt om overlast in de omgeving van de openbare inrichting als gevolg van de exploitatie van de openbare inrichting te voorkomen. 7.10. Het college kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid nadere regels stellen voor de exploitatie van openbare inrichtingen. 8.11. Artikel 2:28, eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten openbare inrichtingen. 9.12.
Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. 10.13. Voor de openbare inrichting in een winkel gelden dezelfde sluitingstijden als de winkel. 11.14. Voorts geldt het eerste lid niet voor: a een openbare inrichting in zorginstellingen; b een openbare inrichting in musea;
WAS
WORDT c een openbare inrichting in sportkantines; d een openbare inrichting in scholen; e een openbare inrichting in clubhuizen. 12.15. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is pParagraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. op de vergunning bedoeld in het eerste lid.
Toelichting: In het eerste lid is een aanvullende vergunningsplicht opgenomen voor terrassen op de openbare weg, die behoren bij inrichtingen waarvoor geen exploitatievergunning geldt. Dergelijke terrassen hebben ook effecten voor en op de beschikbare ruimte in de openbare ruimte. Het is derhalve wenselijk dat de burgemeester een aanvraag voor exploitatievergunning voor een terras behorende bij een niet vergunningplichtige openbare inrichting als bedoeld in het twaalfde of veertiende lid aan de voorkant beoordeelt. In het vierde lid is een aanvullende weigeringsgrond opgenomen. Deze grond sluit goed aan bij de toetsingsgronden die voor een leidinggevende in artikel 2:28b van de APV (eisen leidinggevenden) is opgenomen. De toegevoegde weigeringsgrond is aan de gemeentelijke praktijk ontleend. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State volgt dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is (die net als in de Drank- en Horecawet en Wet op de kansspelen) ook in de APV opgenomen kan worden. In het zevende lid is een verwijzing aangepast. In de leden 11, 12 en 15 zijn tekstuele en redactionele verbeteringen doorgevoerd. Artikel 2:28a (Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning), derde lid 3.
De vergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 2:28 C, eerste lid, en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28 C, derde lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.
3. De vergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 2:28 C, eerste lid, en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28 C, derde vierde lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.
Toelichting: Correctie verwijzing naar artikel 2:28c vierde lid Artikel 2:28d (Aanwezigheid leidinggevende), tweede lid onder c c
een barvrijwilliger als bedoeld in artikel 2:27 lid 1, sub a.
Toelichting: Correctie verwijzing naar artikel 2:27 sub a.
c
een barvrijwilliger als bedoeld in artikel 2:27 lid 1, sub a.
WAS
WORDT
Artikel 2:29 (Sluitingstijd), zesde lid 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:39 (Speelgelegenheden), vierde lid 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:41a (Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen)
WAS
WORDT 1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een openbare inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de (hoofd)toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4. Het is verboden een voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in het eerste lid, of het bij dat gebouw behorende erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen, te betreden. 5.
Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw als bedoeld in het eerste lid, of het bij dat gebouw behorende erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen,te betreden. 6. Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan de personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist wordt.
WAS
WORDT 1.7. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 8. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
WAS
WORDT
Toelichting: Toevoeging nieuw artikel voor de aanpak van ondermijning. Uit juridisch wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de gemeenteraad bevoegd is op grond van de autonome verordenende bevoegdheid om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat aanvullende bevoegdheden (zoals een sluitingsbevoegdheid) voor de aanpak van ondermijning in de APV op te nemen. Deze bevoegdheid wordt aan de burgemeester toegekend. Het doel van deze sluitingsbevoegdheid is het herstel van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid door het weren en terugdringen van criminaliteit in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen, alsmede het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden. Relatie met andere bevoegdheden tot sluiting In situaties van een ordeverstoring, die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, biedt de Gemeentewet (artikel 174) in eerste instantie uitkomst. Sluiting Op grond van de Gemeentewet kan echter slechts voor een beperkte periode en bij (een dreiging van) ernstige verstoring van de openbare orde. Als langere sluiting is gewenst of wanneer sluiting op grond van de Gemeentewet niet mogelijk is, biedt artikel 2:41a van APV hiertoe de bevoegdheid.
Sluiting op deze grond is niet mogelijk voor zover dat reeds mogelijk is op een andere grond genoemd in de APV of artikel 13b van de Opiumwet. Seksinrichtingen kunnen worden gesloten op grond van hoofdstuk 3 van de APV. Horecagelegenheden kunnen worden gesloten op grond van hoofdstuk 2, afdeling 4 van de APV. Als sprake is van drugs(handel) kunnen gebouwen worden gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet. Criminaliteit die openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid aantast. De volgende criminele activiteiten worden in ieder geval aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, wanneer zij in of vanuit een voor publiek toegankelijk gebouw plaatsvinden: • heling; • witwassen; • zedendelicten; • geweldsincidenten; • aantreffen vuurwapens; • handel in vuurwapens; • arbeidsuitbuiting; • (de aanwezigheid van slachtoffers van) mensenhandel; • illegale gokactiviteiten; • het faciliteren van criminele activiteiten. Doel sluiting Doel van de sluiting is, naast het wegnemen van het gevaar voor de openbare orde, om de loop naar een pand voor criminele activiteiten (en het faciliteren daarvan) eruit te halen. De naamsbekendheid van een pand voor dergelijke activiteiten moet worden doorbroken. De activiteiten kunnen dan ook niet door een rechtsopvolger worden voortgezet. Via een sluiting kan dit worden bereikt.
WAS
WORDT
Artikel 2:50a (Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties) 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toelichting: Op verzoek van de VNG-commissie Bestuur en Veiligheid heeft de VNG in de Model-Algemene plaatselijke verordening (Model-APV) bepalingen opgenomen die ertoe strekken uiterlijk vertoon van verboden organisaties, zoals Outlaw Motorcycle Gangs (OMG), in de openbare ruimte te verbieden. He betreft een toevoeging nieuw artikel. Dit verbodsartikel draagt bij aan de aanpak van ondermijning. Artikel 2:57 (Loslopende honden), eerste lid, onder b b. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;
b. binnen de bebouwde kom op de wegeen openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
Toelichting: Volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet aangelijnd. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor niet-aangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over ‘aangewezen plaatsen’.
WAS
WORDT
Artikel 2:65 (Bedelarij) Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken. Toelichting: De VNG adviseert gemeenten om een artikel in de APV op te nemen. Uitgangspunt is dat wij aansluiten bij de VNG. Toevoeging nieuw artikel. Het komt ons voor dat het verbod ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen zou moeten gelden. Uit onze toelichting in artikel 1:1 op openbare plaats: het verblijf op die plaats [mag] niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden zijn. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats. Eigenaren/exploitanten van stadions enz. en gemeentehuis’ moeten zelf reguleren. Artikel 2:67 (Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister), vierde lid 4. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:72 (Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen), derde lid 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting op de wijziging van de artikelen 2:67 en 2:72: Redactionele verbetering.
WAS
WORDT
Artikel 2:74o (Overgangsbepaling) Op bestaande inrichtingen als bedoeld in artikel 2:74b, onder a, is het bepaalde in artikel 2:74c (vergunningplicht) niet van toepassing: a. gedurende 13 weken na het in werking treden daarvan. b. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien binnen deze termijn door een daartoe bevoegde een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:74c is ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen.
Toelichting: Correctie verwijzing en redactionele verbetering. Artikel 3:1 (Begripsbepalingen)
Op bestaande inrichtingen als bedoeld in artikel 2:74b, onder aeerste lid, is het bepaalde in artikel 2:74c (vergunningplicht) niet van toepassing: a. gedurende 13 weken na het in werking treden daarvan. b. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien binnen deze termijn door een daartoe bevoegde een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:74c is ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaande burgemeester een besluit is genomen.
WAS
WORDT In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een horecabedrijf; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt of daarin bemiddelt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotischpornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f.
exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen diede onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene dieaanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
WAS
WORDT 1. 2. 3. 4.
de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV zijn per abuis verschillende artikelen over prostitutie in de APV 2019 niet opgenomen. Deze bepalingen stonden wel in de APV 2014. Toevoeging nieuw artikel met begripsbepaling. Artikel 3:2 (Bevoegd orgaan) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: de burgemeester voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet (de seksinrichtingen) en voor alle andere gevallen, het college. Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV zijn per abuis verschillende artikelen over prostitutie in de APV 2019 niet opgenomen. Deze bepalingen stonden wel in de APV 2014. Toevoeging nieuw artikel met begripsbepaling. Artikel 3:3 (Nadere regels) Met het oog op de in artikel 3:13, genoemde belangen kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV zijn per abuis verschillende artikelen over prostitutie in de APV 2019 niet opgenomen. Deze bepalingen stonden wel in de APV 2014.
Toevoeging nieuw artikel met begripsbepaling.
WAS
WORDT
Artikel 3:4 (Seksinrichtingen), derde lid 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
3. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 3:11 (Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke) 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels; b. indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV zijn per abuis verschillende artikelen over prostitutie in de APV 2019 niet opgenomen. Deze bepalingen stonden wel in de APV 2014. Toevoeging nieuw artikel. Artikel 3:12 (Beslissingstermijn)
WAS
WORDT 1. Het bevoegde bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV zijn per abuis verschillende artikelen over prostitutie in de APV 2019 niet opgenomen. Deze bepalingen stonden wel in de APV 2014. Toevoeging nieuw artikel. Artikel 3:13 (Weigeringsgronden)
WAS
WORDT 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. en / of de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, geldend projectbesluit, de beheersverordening of in strijd is met bij of krachtens de wet op de ruimtelijke ordening verleende ontheffingen; c. en / of er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; dan wel er reeds één vergunning voor een seksinrichting of één vergunning voor een escortbedrijf is verleend. 2. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of -veiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 3.
De in hoofdstuk 1 van deze regeling opgenomen algemene bepalingen zijn, voor zover deze niet in strijd zijn met de in de leden 1 en 2 opgenomen bepalingen, overeenkomstig en aanvullend van toepassing.
WAS
WORDT
Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV zijn per abuis verschillende artikelen over prostitutie in de APV 2019 niet opgenomen. Deze bepalingen stonden wel in de APV 2014. Toevoeging nieuw artikel. Artikel 3:14 (Beëindiging exploitatie) 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Onder beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van één of meerdere exploitanten. 3. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan. Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV zijn per abuis verschillende artikelen over prostitutie in de APV 2019 niet opgenomen. Deze bepalingen stonden wel in de APV 2014. Toevoeging nieuw artikel. Artikel 3:15 (Wijziging beheer)
WAS
WORDT 1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid onder b, het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan. 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a is van overeenkomstige toepassing. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV zijn per abuis verschillende artikelen over prostitutie in de APV 2019 niet opgenomen. Deze bepalingen stonden wel in de APV 2014. Toevoeging nieuw artikel. Artikel 3:16 (Overgangsbepaling) Gereserveerd, vervallen. Toelichting: Toevoeging overgangsbepaling vervallen.
WAS
WORDT
Artikel 4:3 (Melding incidentele festiviteiten), eerste lid 1. Het is een inrichting in de binnenstad toegestaan maximaal 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.189a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Op de overige locaties, buiten de binnenstad is het toegestaan om 4 van de hiervoor bedoelde incidentele festiviteiten te houden.
1. Het is een inrichting in de binnenstad toegestaan maximaal 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.189a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Op de overige locaties, buiten de binnenstad is het toegestaan om 4 van de hiervoor bedoelde incidentele festiviteiten te houden.
Toelichting: Correctie verwijzing naar artikel 2.19a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 4:15 (Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame), vierde en vijfde lid 4. Een vergunning bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd: a. Indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijgelegen onroerende zaak. 5. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.