Vast te stellen bestemmingsplan CPO Riel Toelichting.pdf
Tekst van het document
De kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van effect). Deze thema’s worden navolgend nader toegelicht Kenmerken van het project Conform bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen: - De omvang van het project - Cumulatie met andere projecten
-
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën
De omvang van het project: Het plan heeft betrekking op realisatie van 33 nieuwe grondgebonden woningen binnen de bebouwde kom van Riel. Het plangebied kent een oppervlakte van circa 10.500 m². Het plangebied bevindt zich te midden van bestaande woningbouw. Cumulatie met andere projecten In de omgeving van het plangebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Er zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. De woningen worden gerealiseerd met steenachtige materialen, staal en hout. Grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. Wat
51
betreft energie stimuleert de gemeente het gebruik van duurzame (energie)systemen. De woningen worden gasloos gerealiseerd. De productie van afvalstoffen Bij de beoogde herontwikkeling worden geen stoffen, methoden of technologieën gebruikt waardoor afvalstoffen of emissies vrijkomen. Verontreiniging en hinder Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van de realisatie zal zich moeten houden aan de algemene weten regelgeving en de geldende milieuwetgeving. Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Woningen zijn geen risicobron. Er zijn geen belemmeringen vanuit het plaatsgebonden risico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen. Plaats van de activiteit Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - Het bestaande grondgebruik - De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen
-
van het gebied Het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige gebieden, in dit geval Natuur Netwerk Nederland, Natura 2000 en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Het bestaande grondgebruik Binnen het plangebied is enkel sprake van grasland wat weinig wordt gebruikt. Natuurlijke hulpbronnen Binnen het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel effect hebben op het project. Opname vermogen / gevoeligheid van het milieu Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert. Kenmerken van de potentiële effecten Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: - het bereik van het effect
-
het grensoverschrijdende karakter van het effect de waarschijnlijkheid van het effect de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het project
Het bereik van het effect betreft de zeer nabije directe omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van een grensoverschrijdende karakter van de ontwikkeling. Uit onderhavige toelichting en de uitgevoerde
52
onderzoeken blijkt dat de kans op negatief effect op de omgeving zeer klein is. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. (Milieu)effecten
Beschrijving van de mogelijke effecten
Doorlopen m.e.r.procedure noodzakelijk
Bodem
Verwezen wordt naar paragraaf 5.1 van deze toelichting en het bodemonderzoek welke als bijlage is bijgevoegd.
Nee
Archeologie en cultuurhistorie
Verwezen wordt naar paragraaf 5.3 en 5.4 van deze toelichting. Geen archeologische dan wel cultuurhistorische waarden gaan verloren of worden aangetast. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen effect op het aardkundig waardevolle gebied.
Nee
Water
Verwezen wordt naar hoofdstuk 6 van deze toelichting. De beoogde herontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse of in de omgeving.
Nee
Natuur/Ecologie
Verwezen wordt naar paragraaf 5.5 van deze toelichting. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling gaan geen flora- en faunawaarden verloren. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen negatief effect op waterwingebieden of Natura 2000-gebieden in de omgeving.
Nee
Geluid
Verwezen wordt naar paragraaf 5.6 van deze toelichting. Met deze herbestemming is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Nee
Luchtkwaliteit
Verwezen wordt naar paragraaf 5.11 van de toelichting. Uit de conclusies blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Nee
Conclusie In voldoende mate is inzicht verkregen in de milieugevolgen van de beoogde herontwikkeling van het plan ‘CPO Riel’. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’. De effecten blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.-procedure.
53
HOOFDSTUK 6. WATER De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan.
6.1 Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 beschrijft de rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het rijk voor de periode 2022-2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Men werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Waterprogramma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het doel van dit nieuwe RWP is: een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.
Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het water van onder andere de gemeente Goirle en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt, voor zover relevant, hierna kort besproken: - Waterbeheerprogramma 2022-2027; - Kadernota 2013-2017; - Ruimte voor de Rivier; - Keur Waterschap Brabantse Delta. Waterbeheerprogramma Brabantse Delta 2022-2027 Het waterbeheerplan is het resultaat van een dialoog tussen alle verschillende partners die belang hebben bij goed waterbeheer. Met het programma bepaalt het waterschap de doelstelling en strategie. Het programma
54
brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Kadernota 2018-2027. Deze nota beschrijft hoe het waterschap onder meer omgaat met een aantal uitdagingen waarvoor ze gesteld wordt. In eerste instantie gaat het om klimaatadaptatie. De effecten van klimaatverandering zijn groter dan door velen gedacht en er zal een tandje bijgezet moeten worden. Een tweede uitdaging is de waterkwaliteit. Het waterschap is inmiddels gestart met het uitvoeren van een eerste serie watersysteemanalyses, die de komende jaren worden uitgebreid. Het waterschap evalueert daarbij de huidige aanpak en combineert dit met de nieuwste, lokale en (inter)nationale kennisinzichten. Daarbij zoekt het waterschap actief de samenwerking met bedrijven, inwoners, terreinbeheerders en medeoverheden. `1 Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren.
Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: het dempen of wijzigen van een watergang; het aanleggen van kabels of leidingen; -
het planten van bomen en struiken; het brengen van water in een watergang.
Gemeente Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld. Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het PWR vervult vier hoofdfuncties: •
• •
Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven.
55
•
Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).
Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: • We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en • • • • • • • • 1. 2. 3. • •
vuile) waterstromen; We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken; We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering; We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater. We streven naar watersysteemherstel; We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is; We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen; We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem; We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen; We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem; Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied.
Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld; Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers.
Klimaatadaptatie Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als uitgangspunt. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Naast bovengenoemde toetsbui hanteren we als gemeente vanuit PWR: Nieuwe rioleringssystemen dient men te ontwerpen op een bui met een frequentie van voorkomen van eenmaal per 10 jaar (bui 10 uit de landelijke Kennisbank Riolering). In deze situatie is water tot aan de perceelsgrens acceptabel (water op straat) zolang dit geen ernstige hinder of waterschade oplevert.
56
Waterberging De realisatie en compensatie van waterberging volgens geldende Brabant Keur en de verordening hemel- en grondwater 2021 Goirle, of diens opvolger, zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Met de beoogde herontwikkeling vindt een toename van verhard oppervlak plaats van meer dan 500 m². De beoogde herontwikkeling van het plangebied ziet toe op nieuwbouw van 33 woningen. Voorzien dient dan ook te worden in een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³. Bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van de woningen wordt nader ingegaan op de definitieve oppervlakte verharding en daarmee de vereiste waterbergingsvoorziening.
6.2 Huidige en toekomstige situatie In de huidige situatie is enkel sprake van grasland. Met de beoogde herontwikkeling worden 33 nieuwe woningen gerealiseerd, met bijbehorende ontsluiting, parkeerplaatsen, bijgebouwen en erfverharding. Navolgende figuur geeft een beeld van de beoogde verkaveling en woningbouw in het kader van de planontwikkeling.
Beeld van beoogde toevoeging van woningbouw en ontsluiting binnen het plangebied
57
Oppervlakte verdeling plangebied
Sprake zal zijn van maximaal 33 nieuwe woningen met bijbehorende erfverharding. De bergingscapaciteit dient 60 mm per vierkante meter te bedragen en de voorziening dient gerealiseerd te worden boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bodem en grondwater In het kader van de Wro dient aangetoond te worden of de bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de nieuwe functie en hoe toekomstige verontreinigingen voorkomen kunnen worden.
Om de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) voor het plangebied te bepalen is het dinoloket geraadpleegd. Voor het vaststellen van de GHG is gebruik gemaakt van 2 gemeentelijke peilbuizen, Namelijk: • GLD000000065512, Mulderbaan 14 x,y = 129485.200, 393107.900 periode 2018-2024 • GLD000000065514, Blokakkers 1-1a x,y= 129737.700, 393007.900 periode 2018-2024 De beide peilbuizen hebben een onderlinge afstand van ca. 271 m. De openbare waterberging binnen het plangebied ligt op basis van een loodrechte lijn op ca 201 m van de peilbuis in de Mulderbaan. Met deze afstanden in de GHG bepaald in het plangebied t.b.v de waterberging. Tussen de beide peilbuizen zit een verhang van 0,001966 m/m (1,966 m/km). Op basis van de afstand kan ter hoogte van de openbare waterbeging een GHG van 13,72 m+NAP worden aangehouden. Voor alle waterbergingen moeten we rekening houden met een GHG tussen de 13,88 m+NAP (kavel 1) en 13,60 m+NAP (kavel 27).
58
Ten aanzien van het grondwater dienen we op te merken dat de natte periode van de afgelopen 2 jaren heeft gezorgd voor een beduidend hogere grondwaterstand. Het hydrologisch jaar 2023/2024 laat een stijging zien van respectievelijk 1,03 en 0,67 m t.o.v. het hydrologisch jaar 2022/2023.
Oppervlaktewater en watergangen Binnen het plangebied is geen sprake van oppervlakte water of watergangen. Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Geadviseerd wordt zoveel mogelijk gebruik te maken van milieuvriendelijke en/of biobased bouwmaterialen. Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Een grondwaterbeschermingsgebied is de zone rondom een waterwingebied. Om de waterkwaliteit te beschermen en behouden, gelden hier speciale regels. Afvalwater De woningen worden met een nieuwe aansluiting gekoppeld aan de bestaande infrastructuur in de omgeving.
Afspraken over de riolering worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Goirle. Hemelwater Voor hemelwater dient onderstaande voorkeursvolgorde te worden toegepast, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is:
59
1. hergebruik 2. vasthouden / infiltreren 3. bergen en afvoeren 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. afvoeren naar de riolering Op basis van de ingeschatte GHG wordt het als haalbaar geacht om zowel voor de particuliere als voor het openbaar terrein een ondergrondse waterberging aan te leggen. Vormgeving waterberging Binnen de haalbaarheidsstudie is in overleg met de gemeente voor een uitwerking gekozen, waarbij een deel van de waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd en deels op openbaar gebied. Het plan kent een totale wateropgave van 450 m3. Op basis van de GHG en de overstorthoogte van het plan kan een maximale hoogte van 1,70 m worden aangehouden. Dit resulteert in een maximale berging van 1,635 m3/m 2. Technisch gezien is binnen het plan ruimte voor een waterberging van 10,35 bij 17,25 m. Daarmee heeft de openbare waterberging een capaciteit van 291,91 m 3. In het rioolstelsel zit nog eens 16,89 m 3 waarmee het openbare stelsel een bergingscapaciteit heeft van 308,8 m 3. De particuliere kavels hebben daarmee een gezamenlijke restopgave van 141,35 m 3. Daarmee komt de theoretische opgave per kavel neer op 4,28 m3/kavel. Echter zullen de kavels 1 t/m 9 aan de Maasland een volledige eigen voorziening moeten hebben. Omdat deze op aangeven van de gemeente moet worden aangesloten op het gemengde stelsel in de Maasland4.
Deze kavels hebben een gezamenlijke opgave van 56,52 m3. De overige 24 kavels hebben daarmee op restopgave van 84,8 m3. Daarmee krijgen deze een bergingsvoorziening met een capaciteit van 3,53 m 3. De kavels aan de Maasland krijgen volledig een waterberging van 60 mm. Terwijl de andere kavels een bergingscapaciteit tussen de 14 en 53 mm. In de onderstaande tabel staat de wateropgave voor de particuliere voorzieningen weergegeven.
Tabel 1: Particuliere bergingsopgave
60
Door TB Infra is een uitwerking gemaakt van de waterberging. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan de toelichting. De conclusie is hierna geciteerd. Uitgaande dat de k-waarde binnen het plangebied wordt behaald kan worden geconcludeerd dat het stelsel naar behoren functioneert. De oppervlakkige afstoming van het parkeerterrein en de groenstrook is voldoende om de maximale neerslagintensiteit van bui 10 te verwerken. Verder laat ontwerpbui 09 tot aan een voorvulling van 75% van de waterberging geen water op straat zien. Verder blijkt de put H001(roosterdeksel) en de kolken tussen put H006 en de Kerkstraat onder de volgende omstandigheden te gaan fungeren als noodoverstort. • Wanneer de waterberging voor 75% is benut en ontwerpbui 10 (maximale neerslag intensiteit 210 l/s/ha) moet worden verwerkt • Als de overstort (H001) in werking moet treden omdat de waterberging vol is • Wanneer de stresstest 70 mm/uur moet worden verwerkt Al met al voldoet het stelsel aan de gestelde eisen en fungeren de laagste punten van het stelsel als noodoverstort.
61
HOOFDSTUK 7. OPZET PLANREGELS In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen.
7.1 Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; -
bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ; wijzigingsbevoegdheid.
Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen: Groen, Verkeer-Verblijfsgebied, Wonen. Groen Structurele groene gebieden in het plangebied hebben deze bestemming gekregen. Daarnaast zijn onder meer ook in-, uitritten, voet- en rijwielpaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, hondenuitlaatplaatsen en hondentoiletten, speelvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van biodiversiteit, voorwerpen van beeldende kunst en
62
straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen bouwwerken worden gebouwd en tevens zijn kleine gebouwtjes toegestaan. Verkeer – Verblijfsgebied Deze bestemmingen zijn opgenomen voor de wegenstructuur van het plangebied. Wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie zijn bestemd tot Verkeer-Verblijfsgebied. Wegen, paden en straten met overwegend een verkeersfunctie hebben de bestemming Verkeer. Naast voornoemd verschil is het verschil tussen de twee bestemmingen vooral gelegen in het feit dat binnen de bestemming Verkeer-Verblijfsgebied tevens speelvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van biodiversiteit, markten en standplaatsen voor ambulante handel, evenementen, terrassen ten behoeve van horeca en garageboxen zijn toegestaan. Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is. Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. De begrippen aan huis verbonden beroep en bedrijf zijn omschreven in artikel 1 van de planregels. Belangrijke voorwaarden voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep en bedrijf als nevenfunctie zijn onder meer dat de nevenfunctie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en dat degene die de nevenfunctie uitoefent ook zelf de bewoner van de woning is.
Voorts geldt dat geen detailhandel mag plaatsvinden en dat aan huis gebonden bedrijven behoren tot de categorie A volgens de als bijlage bij de regels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten. De toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Verbeelding Op de verbeelding zijn binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak aangewezen. Woningen (hoofdgebouwen) zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens een algemene regeling voor overschrijding van bouwgrenzen. Bijgebouwen mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Voor de maximale goot- en bouwhoogte van woningen gelden de maxima zoals die op de verbeelding zijn aangegeven. Op de verbeelding zijn alle woningen in een bouwvlak opgenomen. Bouwregels De bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan het begrip bouwperceel. De omschrijving van een bouwperceel luidt als volgt: 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan'. Daarmee beslaat het bouwperceel nagenoeg altijd het gehele perceel. Het begrip bouwperceel is in die zin direct toepasbaar voor alle particuliere percelen. Onder bouwwerken vallen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen. De bouwregels maken onderscheid tussen de woning (het hoofdgebouw), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde.
Onder bijgebouwen worden begrepen alle vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen. De begripsomschrijving is in artikel 1 opgenomen. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen dat ter plaatse van het gebied 'bijgebouwen 'wordt toegestaan is afhankelijk van de oppervlakte van het (kadastrale) perceel. De volgende indeling en maatvoering wordt daarbij gehanteerd:
63
1
een bouwperceel met een bouwperceel met een oppervlakte tot 150 m²
maximaal 50 m²
2
een bouwperceel met een oppervlakte van 150 m²
maximaal 60 m²
tot 200 m² 3
een bouwperceel met een oppervlakte van 200 m² tot 250 m²
maximaal 68 m²
4
een bouwperceel met een oppervlakte van 250m² tot 500 m²
maximaal 75 m²
5
een bouwperceel met een oppervlakte vanaf 500 m²
maximaal 100m²
Deze bepaling geldt alleen voor het gebied 'bijgebouwen'. Voor het bepalen van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen is dus alleen de oppervlakte die ter plaatse van het gebied 'bijgebouwen' aanwezig is, bepalend. De bepaling is dus niet van toepassing op het bouwvlak voor de woning. Een aangebouwd bijgebouw mag voor woondoeleinden worden gebruikt, mits dat niet leidt tot een toename van het aantal woningen. De goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,65 meter bedragen, de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen. Indien binnen een bouwvlak voor een woning, een gebouw de maximale hoogtemaat van een bijgebouw overstijgt, dan zal dat gebouw niet worden beschouwd als bijgebouw, omdat het in bouwkundige opzicht niet ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Toetsing vindt dan plaats aan de hoogtematen voor het hoofdgebouw, de woning. Carports In de bouwregels is een afzonderlijke regeling opgenomen voor carports. In artikel 1 wordt het begrip carport omschreven. Op elk bouwperceel mag maximaal één carport van maximaal 30 m² worden opgericht, welke achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning moet worden gebouwd. Daarnaast geldt, dat een carport grotendeels moet worden opgericht naast de zijgevel van de woning. De hoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen.
Erfafscheidingen In de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, is een regeling opgenomen voor erfafscheidingen. Erfafscheidingen vóór (het verlengde van de) naar de weg gekeerde gevel van de woning mogen niet hoger zijn dan 1 meter; overige erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter. Onder omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Beroep/bedrijf aan huis Zoals hierboven aangegeven mogen de woning en de daarbij behorende bijgebouwen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Hierbij geldt, dat maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m² mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Het percentage van 30 % wordt berekend over het bestaande totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen. Mantelzorg In de gebruiksregels is, naast het algemene verbod om gronden in strijd met de bestemming te gebruiken, een verbod opgenomen om bijgebouwen (niet zijnde aangebouwde bijgebouwen te gebruiken voor (al dan niet afhankelijke) bewoning. Van deze bepaling kan worden afgeweken ten behoeve van mantelzorg.
64
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, aanduidings-, procedure-, afwijkingsen wijzigingsregels. Anti-dubbeltelbepaling In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm opgenomen.
Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene procedure regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die burgemeester en wethouders in acht dienen te nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regel over andere eisen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels. Overige regels Dit artikel bevat een bepaling over de wettelijke regelingen waar in de planregels naar wordt verwezen. Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door
65
dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2). Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
66
HOOFDSTUK 8. UITVOERBAARHEID 8.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen. Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.
Onderzoekuitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6, onder f, Bro heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De kosten voor de woningbouwontwikkeling komen voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het gaat om een economisch uitvoerbaar plan.
8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het plan is onderworpen aan inspraak en heeft ter inzage gelegen voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode konden zij schriftelijk een inspraakreactie indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van de gevoerde inspraakprocedure is een eindverslag opgesteld dat als bijlage in deze toelichting is opgenomen. Van het gevoerde overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is een verslag gemaakt dat eveneens in de bijlagen is opgenomen.
67