CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen bestemmingsplan CPO Riel Toelichting.pdf

Raadsvergadering 24 juni 2025, gemeente GoirleBij agendapunt: 7: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan CPO Riel AANGENOMEN22.407 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

- Bescherming van de bomen tijdens werkzaamheden: o Er worden beschermingsmiddelen toegepast; stalen rijplaten om de bodem te beschermen en bouwhekken waar mogelijk. - Grondophoging: Nabij boom 40 zal onder begeleiding van boomtechnisch toezichthouder de extra grond verwijdert worden, rekening houdend met nieuw ontwikkeld wortelgestel. - Waar mogelijk worden bomen toegevoegd in het plangebied binnen de groenvakken, mogelijk wordt het groen op enkele plaatsen aangevuld met inheemse hagen.

28

4.6 Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema's verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Het plangebied wordt aan de oostzijde ontsloten vanaf de Kerkstraat. De straat waaraan de nieuwe woningen zijn gelegen wordt een eenrichtingsweg. De betreffende richting dient nog te worden aangegeven door de gemeente. De ontsluiting bij de Kerkstraat zal voldoen een de veiligheidsregels. Er worden twee nieuwe openingen gecreëerd ter hoogte van Kerkstraat 26 en tegenover de Kerk. De schuur die nu aan de woning staat bij Kerkstraat 26 zal gedeeltelijk of geheel gesloopt worden. De exacte uitwerking van het infraplan over inrichtingsvereisten volgen op een later moment. De beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (uitgaande van maximaal 8 autobewegingen per woning per etmaal) levert geen problemen op in deze woonstraat.

De weg zal worden uitgevoerd in verharding in een kleur, maat en type passend bij de omgeving. Tevens wordt parkeergelegenheid gecreëerd voor haaks- en langsparkeren. Doordat de ontsluiting rondloopt hoeft er niet te worden gekeerd. De woningen in het noordelijk deel van het plangebied worden ontsloten aan Maasland en Peelland. Het wegenpatroon hoeft niet te worden aangepast, wel wordt een parkeerkoffer toegevoegd. Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit is in de planregels opgenomen. Voor de kern Riel worden de gemiddelde normen voor “matig stedelijk gebied - Rest bebouwde kom” aangehouden. Dit houdt in dat voor: - Geschakelde- en hoek woningen en patiowoningen een norm van 1,9 geldt; - Twee-onder-één kapwoningen een norm van 2,1 geldt. - Vrijstaande woningen een norm van 2,2 geldt; Dit houdt in dat er voorzien dient te worden in 66 parkeerplaatsen. Daarvan dienen 54 parkeerplaatsen te worden ingericht in openbaar gebied. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden. In het inrichtingsplan is rekening gehouden met 69 parkeerplaatsen.

4.7 Duurzaamheid Binnen het plangebied wordt op de volgende wijze invulling gegeven aan het thema duurzaamheid. Ecologie Binnen het plangebied wordt waar mogelijk ingestoken op het behoud van groen en het planten van nieuwe bomen en planten. De bermen worden waar mogelijk voorzien met een kruidenmengsel.

29

Woningontwerpen De woningen worden gasloos, met warmtepompen, verwarmd. Energie wordt opgewerkt met toepassing van zonnepanelen. De woningen worden voorzien van een volledig isolatiepakket en HR+++ glas wordt toegepast. Natuurinclusief bouwen Er wordt natuurinclusief gebouwd door toepassing van huismuskasten en vleermuiskasten bij de woningen. Materiaalgebruik Dit aspect wordt nader uitgewerkt bij de bouwaanvraag. Energie Conform het bouwbesluit dienen woningen minimaal te voldoen aan de BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Deze BENG-eisen zijn opgebouwd uit: •

BENG 1: maximale energiebehoefte [kWh/m2 per jaar]

•

BENG 2: maximale primair fossiel energiegebruik [kWh/m2 per jaar]

•

BENG 3: minimaal aandeel hernieuwbare energie [%]

30

HOOFDSTUK 5. MILIEUASPECTEN 5.1 Milieuhinder en bedrijven Inleiding Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakte van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie "Bedrijven en milieuzonering". In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.

Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in gemengde gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en kan worden bestempeld als ‘gemengd gebied’. In de omgeving zijn voornamelijk woonbestemmingen gelegen, maar ook maatschappelijke functies en bedrijfsfuncties. Dat is terug te zien door de ligging aan de hoofdweg de Kerkstraat, waarin veel centrumfuncties zich bevinden om op die manier een mix van functies tussen, wonen en werken.

Invloed van de omgeving op het voornemen In de directe omgeving van het plangebied liggen een aantal bedrijven, te weten: - Een bakkerij aan Kerkstraat 28 (categorie B); - Een fietsenwinkel aan de Kerkstraat 15 (categorie B); - Een café aan Kerkstraat 16 (categorie A); - Een kerk aan Kerkstraat 3 (categorie B); - Een restaurant aan Dorpstraat 1 (categorie A); Daarnaast zijn er ten noorden van het plangebied nog bedrijven gevestigd, in de vorm van detailhandel, en nog diverse bedrijven en/of beroepen aan huis gevestigd in de omgeving van het plangebied.

31

Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies gelegen, met een vastgestelde richtafstand volgens de publicatie van VNG en de staat van bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse worden woningen toegevoegd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de afstand vanaf de nieuwe woning tot een bedrijf. Voor de categorie A bedrijven geldt een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied, waardoor geen afstand hoeft te worden gehouden. De afstanden voor de bakkerij (37 meter), de fietsenwinkel (90 meter) en de kerk (50 meter), voldoen aan de benodigde richtafstand ingevolge de VNG-brochure. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.

5.2 Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien

32

gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Inrichtingen Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij gelegen risico-object is een propaantank welke zich bevindt zich op een afstand van ruim 500 meter ten oosten van het plangebied. Op zodanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in de gemeente Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. De dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd betreft de A58, die op een afstand van circa 1,5 km ten noorden van het plangebied is gelegen. Voor deze transportroute is een invloedsgebied van 4 km vastgesteld voor een toxisch scenario. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verantwoord moeten worden. Hiervoor kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio gebruikt worden. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van ruim 650 meter ten zuiden van het plangebied.

Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt

33

voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten. Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Groepsrisicoverantwoording Gezien het feit dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de A58 is gelegen, dient er op grond van artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden.

De veiligheidsregio heeft een standaardadvies ontwikkeld dat toegepast kan worden aan bepaalde afwegingscriteria, het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand en de aard van de ontwikkeling. In dit geval is het plan niet bestemd voor zeer kwetsbare personen, ligt de Rijksweg op een afstand van circa 1.500 meter. De Veiligheidsregio adviseert om actief te communiceren met gebruikers/bewoners van het invloedsgebied over de risico’s en mogelijk te nemen maatregelen. Dit vraagt om een actief beleid op het gebied van risicocommunicatie. Op het gebied van risicobeheersing stelt de Veiligheidsregio in haar beleidsplan zich ten doel extra inspanningen te verrichten op het gebied van risicocommunicatie. Samen met de andere Brabantse Veiligheidsregio’s wordt hiervoor een plan ontwikkeld, waarbij gemeenten nadrukkelijk worden betrokken. Binnen de gemeente Goirle is besloten om de wettelijke lijn te volgen. Dit is ook als zodanig vastgesteld in het borgingsdocument van de gemeente. De gemeente heeft een hoofdwegenstructuur voor de brandweer vastgesteld. Deze hoofdwegenstructuur voldoet aan de eisen die de brandweer hieraan stelt. Binnen de gemeente is een overzicht beschikbaar van de bluswatervoorziening. De Veiligheidsregio heeft deze (grote) bronnen geïnventariseerd. Op grond van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan benodigde bluswatervoorziening.

Op verzoek van de Veiligheidsregio wordt, indien het plangebied een nieuw uitbreidingsplan, industrieterrein met Brzo-inrichtingen of een grootschalige ontwikkeling betreft, in dit kader advies gevraagd met betrekking tot bluswatervoorziening. Tevens kan worden gesteld dat de bouw van de woningen de zelfredzaamheid van de aanwezige personen niet verkleint. De nieuw te realiseren woningen beperken geen ontvluchtings-mogelijkheden en de personen in de woning kunnen als zelfredzaam worden beschouwd.

34

5.3 Kabels, straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.

5.4 Geluid Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Wegverkeer De nieuw te realiseren ontsluitingsweg zal een 30 kilometerregime kennen. Niettemin dient te allen tijde sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door K+ advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek behoort als bijlage bij de toelichting. De conclusies uit het onderzoek zijn hierna opgenomen. Conclusie Algemeen In opdracht van Bouwbedrijf Gebr. van Gisbergen BV is, in het kader van de realisatie van nieuwbouwwoningen in de omgeving van de Maasland/Peelland te Riel, gemeente Goirle, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De locatie is gelegen in een 30 km/h zone. Dit betekent dat in het kader van de Wet geluidhinder geen eisen worden gesteld aan de te verwachten optredende gevelbelastingen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Kerkstraat, Meijerij, Maasland en Peelland opgenomen in het akoestisch onderzoek. Kerkstraat - Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. - De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 53 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 48 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. - Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Meijerij - Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet

35

geluidhinder. - De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 44 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 39 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. - Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Maasland - Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. - De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 52 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 47 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. - Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Peelland - Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. - De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 52 dB (excl. art.

110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 47 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. - Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde. Industrie Het plangebied ligt niet binnen en zone/contour van een ingevolgde de Wgh gezoneerd industrieterrein. Ook zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen nieuwe industrieën voorzien. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van andere geluidhinderlijke inrichtingen die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen het plangebied.

36

5.5 Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Niet in betekenende mate In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Onderhavige ontwikkeling betreft de ontwikkeling van maximaal 33 woningen. Hierdoor behoort de ontwikkeling tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen).

Er wordt met het initiatief dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De ontwikkeling behoort derhalve tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdraagt aan een (verslechtering) van de luchtkwaliteit en kan op dit vlak dus onbelemmerd doorgang vinden. Woon- en leefklimaat Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. Fijn stof De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

37

Fijn stof PM10 (Bron: RIVM)

Fijn stof PM2,5 (Bron: RIVM)

Stikstof De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO 2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.

38

Stikstofdioxide (Bron: RIVM)

Conclusie Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16-18 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is. Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO 2 van 10-14 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.

5.6 Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij "het voorkomen van nieuwe geurhinder" voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een "dosis-effectrelatie" (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven "normen" vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften met betrekking tot geur opgenomen die rechtstreeks gelden voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen.

39

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering. Agrarische geur Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij ( 5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van agrarische bedrijven. Geurhinder van agrarische bedrijven vorm daarmee geen belemmering. Belangenafweging Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.

Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn, de realisatie van deze uitbreidingsplannen. Gezien de ligging van het plangebied, te midden van stedelijk gebied, zonder direct aangrenzende agrarische bedrijven, kan worden gesteld dat bedrijven niet verder worden belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden dan in de huidige situatie.

5.7 Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Bodemonderzoek Door Bodeminzicht is een bodemonderzoek verricht op 29 juni 2023. Het bodemonderzoek is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting. De conclusies uit het onderzoek worden hierna geciteerd.

-

-

In de meest verdachte laag van de vaste bodem in respectievelijk westelijke, noordelijke en oostelijke richting zijn geen gehaltes aan minerale olie gemeten, op 4 en 8 meter van de kern, boven de achtergrondwaarden. In de bodemlaag boven de verontreinigingskern is een gehalte aan minerale olie gemeten boven de achtergrond-waarde in het traject 1,00 tot 1,30 m-mv.

40

-

In het grondwater ter plaatse van peilbuis 101b, 8 meter westelijk van de kern, is een gehalte aan

-

minerale olie gemeten boven de streefwaarde. In het grondwater ter plaatse van peilbuizen 102 en 103 zijn geen gehaltes aan minerale olie gemeten boven de streefwaarden. De vaststelling dat ter plaatse van peilbuis 102 sprake is van een beluchte situatie, heeft ons inziens geen grote invloed op het analyseresultaat. Minerale olie wordt als matig vluchtig beschouwd en het geanalyseerde gehalte kan als representatief worden beschouwd. Een herplaatsing van de peilbuis 102 met een filterstelling conform NEN is niet noodzakelijk.

Conclusie en advies

-

-

-

Het grondwater in peilbuis 102 is bemonsterd onder een beluchte situatie. Geadviseerd wordt onze motivatie om van herplaatsing van de peilbuis met juiste filterstelling af te zien voor te leggen aan het bevoegd gezag. Behoudens bovenstaande aandachtspunt zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De verontreiniging met minerale olie in vaste bodem en grondwater ter plaatse van meetpunt 3 is, ons inziens, voldoende onderzocht. Er is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging met minerale olie.

De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, ons inziens, geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling en nieuwbouw van woningen. Door Bodeminzicht is een bodemonderzoek verricht op 29 juni 2023. Het bodemonderzoek is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting. De conclusies uit het onderzoek worden hierna geciteerd. Asbestonderzoek Kerkstraat 10 en 26 te Riel In opdracht van Gispro BV te Hoge Mierde heeft Bodeminzicht een asbestonderzoek uitgevoerd op percelen aan de Kerkstraat 10 en 26 te Riel (gemeente Goirle). Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek wordt gevormd door beoordeling van het verkennend bodemonderzoek. Bodemonderzoek druppelzones/lozingspunten Veldwaarnemingen asbestonderzoek Tijdens inspectie van maaiveld en gaten is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse heeft derhalve niet plaatsgevonden. Analyseresultaten PCB In mengmonster DZ1, samengesteld uit de toplaag ter plaatse van de lozingspunten van de schuur achter Kerkstraat 10, is geen gehalte aan PCB’s aangetoond boven de achtergrondwaarde. In mengmonster DZ2, samengesteld uit de toplaag ter plaatse van de onverharde zone naast de schuur achter Kerkstraat 26, is geen gehalte aan PCB’s aangetoond boven de achtergrondwaarde. Analyseresultaten asbest In het geanalyseerde grondmengmonster mm1 is een concentratie asbest aangetroffen.

Uit de berekening van het gewogen gehalte blijkt een gehalte van 7 mg/kgds. De toplaag ter plaatse van de druppelzone van stal 1 is niet ernstig verontreinigd geraakt door verwering en afspoeling van asbestvezels. De aanwezigheid van respirabele vezels in de toplaag is niet aangetoond in de SEM-analyse.

41

In het geanalyseerde grondmengmonster mm2 is een concentratie asbest aangetroffen. Uit de berekening van het gewogen gehalte blijkt een gehalte van 16 mg/kgds. De toplaag ter plaatse van de druppelzone van stal 1 is niet ernstig verontreinigd geraakt door verwering en afspoeling van asbestvezels. De aanwezigheid van respirabele vezels in de toplaag is niet aangetoond in de SEM-analyse. Conclusie De locaties zijn onverdacht op aanwezigheid van PCB en asbest in bodem in een gehalte boven de interventiewaarde. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde beoordeling van het verkennend bodemonderzoek. Advies Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. Nader onderzoek Kerkstraat 10 te Riel In opdracht van Gispro BV te Hoge Mierde heeft Bodeminzicht een nader onderzoek uitgevoerd op het perceel Kerkstraat 10 te Riel (gemeente Goirle). • In de meest verdachte laag van de vaste bodem in respectievelijk westelijke, noordelijke en oostelijke richting zijn geen gehaltes aan minerale olie gemeten, op 4 en 8 meter van de kern, boven de achtergrondwaarden. • In de bodemlaag boven de verontreinigingskern is een gehalte aan minerale olie gemeten boven de • •

achtergrondwaarde in het traject 1,00 tot 1,30 m-mv. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 101b, 8 meter westelijk van de kern, is een gehalte aan minerale olie gemeten boven de streefwaarde. In het grondwater ter plaatse van peilbuizen 102 en 103 zijn geen gehaltes aan minerale olie gemeten boven de streefwaarden. De vaststelling dat ter plaatse van peilbuis 102 sprake is van een beluchte situatie, heeft ons inziens geen grote invloed op het analyseresultaat. Minerale olie wordt als matig vluchtig beschouwd en het geanalyseerde gehalte kan als representatief worden beschouwd. Een herplaatsing van de peilbuis 102 met een filterstelling conform NEN is niet noodzakelijk.

Omvang verontreiniging Op basis van de analyseresultaten en de zintuiglijke waarnemingen wordt gesteld dat het gehalte aan minerale olie ingeperkt is tussen 1,5 en 2,0 meter minus maaiveld ter plaatse van meetpunt 3a. In omliggende meetpunten 104, 105 en 106, op circa 4 meter van de kern, zijn geen zintuiglijke waarnemingen gedaan die een het vermoeden van een verontreiniging met minerale olie staven. Analytisch zijn geen verhoogde gehaltes aan minerale olie gemeten boven detectiegrens. Het is aannemelijk dat de gehaltes aan minerale olie zich beperken tot de directe omgeving van meetpunt 3a, maximaal 2 meter uit de kern. De omvang van de verontreiniging boven interventiewaarde wordt vastgesteld op enkele kuubs, doch maximaal 8 m³. In het grondwater zijn geen gehaltes aan minerale olie boven interventiewaarden vastgesteld. Hierdoor is een inschatting van de omvang niet aan de orde. Conclusie en advies • Het grondwater in peilbuis 102 is bemonsterd onder een beluchte situatie. Geadviseerd wordt onze motivatie om van herplaatsing van de peilbuis met juiste filterstelling af te zien voor te leggen aan het bevoegd gezag.

42

•

Behoudens bovenstaande aandachtspunt zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek.

•

•

De omvang van de verontreiniging met minerale olie in vaste bodem wordt vastgesteld op maximaal 8 m³. Op basis van het onderzoek is niet vast te stellen of de verontreiniging voor of na 1987 is ontstaan. Het is wel aannemelijk dat de verontreiniging stamt uit de tijd van bedrijfsmatige activiteiten in de periode tussen 1900 en begin jaren negentig. De verontreiniging is in 1996 niet aan het licht gekomen bij verkennend bodemonderzoek door de geringe omvang. De verontreiniging met minerale olie in vaste bodem en grondwater ter plaatse van meetpunt 3 is, ons inziens, voldoende onderzocht. Er is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging met minerale olie. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, ons inziens, geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling en nieuwbouw van woningen.

Conclusie De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, ons inziens, geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling en nieuwbouw van woningen. 1.

In het bestemmingsplan zal moeten worden opgenomen dat nà sloop van bebouwing en vòòr bouw van nieuwe woningen ter plaatse van voormalige bebouwing bodemonderzoek (NEN5740 en evt 5707) verricht moet worden. Het bodemonderzoek mag zich beperken tot de vaste bodem tot 1,0 m-mv.

2.

De verontreiniging bij Kerkstraat 10 (minerale olie in grond) zal volgens OMWB (artikel 13 WBB) moeten worden gesaneerd, voorafgaand aan de bouw van nieuwe woningen. Voorafgaand aan de sanering zal een plan van aanpak ter beoordeling ingediend moeten worden bij bevoegd gezag. Voor zover bij ons bekend is blijft de situatie op dat deel ongewijzigd en worden ter plaatse van de verontreiniging geen nieuwe bouwactiviteiten verricht waardoor sanering (nog) niet van toepassing is. Gaan er in de toekomst alsnog bouwactiviteiten verricht worden ter plaatse van de verontreiniging dan blijft saneren noodzakelijk.

Advies omgevingsdienst Navolgend wordt het advies weergegeven van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant: “Met de in het rapport opgenomen conclusies en aanbevelingen kunnen wij instemmen. De bodemkwaliteit van de locatie vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging en ook niet voor het afgeven van een omgevingsvergunning voor het aspect bouwen van woningen op de onderzoekslocatie. Wel moet op de locatie Kerkstraat 10 te Riel nog een bodemsanering plaatsvinden. Op de locatie Kerkstraat 26a staat nog bebouwing, namelijk een (in verval geraakt) schuurtje. Nadat de oude bebouwing gesloopt is moet worden aangetoond dat geen vermenging van sloopmateriaal heeft plaatsgevonden met de ondergrond. Geadviseerd wordt om een voorwaarde voor aanvullende werkzaamheden op te nemen in de omgevingsvergunning om voor start van de (bouw)werkzaamheden, maar na de sloop, aan te tonen dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond.” In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in relatie tot bovenstaand advies.

43

5.8 Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1988. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Doel van de Wnb is drieledig: 1.bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2.decentralisdaite van verantwoordelijkheden; 3.vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wnb. Gebiedsbescherming In het kader van de Wnb en NNN (voorheen de Ecologische hoofdstructuur) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventuele buiten het NNN geleden bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen.

Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina, Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels Laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft "Regte Heide en Riels Laag" dat op een afstand van circa 250 meter ten zuidoosten van het plangbied kilometer ligt. Gezien de aard en de omvang van de voorgestane ontwikkelingen en de afstand van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied, zijn er geen negatieve effecten te verwachten van de beoogde ontwikkelingen. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn

44

Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. IN de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht ten nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Quickscan flora en fauna Door Brabant Eco is een Quickscan Flora en fauna uitgevoerd.

Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit de uitgevoerde quickscan Flora en fauna. Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan kan niet worden uitgesloten dat vleermuizen gebruik maken van het woonhuis en de bomen in het plangebied als verblijf- of voortplantingsplaats. Met de sloop van het woonhuis en het rooien van de bomen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming niet uit te sluiten. Vleermuizen zouden verblijfplaatsen kunnen vinden onder de dakpannen, bij de randpannen en onder de losse loodslabben van het woonhuis, of onder de loshangende schors en in de gaten van de te rooien bomen. De aanwezigheid van algemeen beschermde broedvogels en andere beschermde flora en fauna is op voorhand wel uit te sluiten. Door de locatie na de bouw geheel landschappelijk in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. Vleermuizen Het is niet uit te sluiten dat er vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn in buitengevels of dakconstructie van het te slopen woonhuis aan de Kerkstraat 26 te Riel of in de te rooien bomen op het achtergelegen perceel. Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd. Tijdens de sloop- en rooiwerkzaamheden kunnen aanwezige vleermuizen verstoord worden, gewond raken of mogelijk gedood worden.

Tussen half mei en eind september worden met een vijftal veldbezoeken de eventueel voorkomende soorten en verblijfsfuncties van het woonhuis en de bomen vastgesteld, dan wel uitgesloten. Als de functies van het plangebied voor vleermuizen in beeld gebracht zijn en er negatieve effecten door de werkzaamheden te verwachten zijn, kunnen passende mitigerende/compenserende maatregelen voorgesteld worden. Door te nemen maatregelen kunnen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden vermeden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord

45

mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De ecologische functie die het plangebied mogelijk voor de betreffende populatie vervult moet onverminderd blijven bestaan. Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen o.a. de volgende maatregelen nodig zijn: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare perioden. • Alternatieve verblijfplaatsen aanbieden, ruim voordat de sloop/renovatie gaat plaatsvinden. • Bij het verdwijnen van een verblijfplaats kunnen inpandige voorzieningen worden gerealiseerd in de nieuwbouw, zodat deze geschikt is voor vleermuizen om in te verblijven. De voorgestelde maatregelen worden opgenomen in een ‘mitigatieplan’. In het mitigatieplan worden maatregelen voorgesteld ter voorkoming van overtreding verbodsbepalingen Wet natuurbescherming en behoud van de functionele leefomgeving. Indien aantoonbaar wordt gewerkt conform Vleermuisprotocol 2021 is een ontheffingsaanvraag/verklaring van geen bedenkingen, niet noodzakelijk. Het Vleermuisprotocol 2021 is een door de Gegevensautoriteit Natuur (GaN) en het Netwerk Groene Bureaus goedgekeurde methodiek. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van gebieden voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen voor de Wet natuurbescherming.

Het is een hulpmiddel voor deskundige vleermuisonderzoekers en de beoordelaars van vleermuisonderzoek om te bepalen wat een juridisch redelijke onderzoeksinspanning is voor een specifieke locatie. Het protocol is opgesteld om het onderzoek voor de Wet natuurbescherming optimaal te laten verlopen. Wanneer het protocol in essentie is gevolgd, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan een wettelijke en maatschappelijk verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies van gebieden in het geding zijn. Als er tijdig opdracht gegeven wordt voor het uitvoeren van het nader onderzoek kan de eindrapportage van het onderzoek naar vleermuizen en huismussen per medio oktober 2024 worden opgeleverd. Aanvulling ecologische Quickscan Initiatiefnemer is voornemens om op de planlocatie achter Kerkstraat 26 te Riel bestaande bebouwing te slopen en een 5-tal bomen te kappen. Aanwezige vegetatie zal verwijderd worden. Daarna worden door middel van een CPO project 33 grondgebonden woningen gerealiseerd. Door Brabant Eco is hiervoor over de planlocatie een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapportage 2023-BE0722 d.d. 14 september 2023). Door de latere uitbreiding van het plangebied met de achtertuin van Kerkstraat 26a, is door Brabant Eco een extra veldbezoek uitgevoerd op dit nieuwe deel van het plangebied.

Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek en kan als addendum aan het voorgaande rapport worden toegevoegd. Het voorkomen van verblijfplaatsen van marterachtigen kan niet met zekerheid worden uitgesloten, waardoor de effecten met voorgenomen werkzaamheden mogelijk van negatieve invloed zijn op het leefgebied van genoemde soortgroepen en hun functioneel leefgebied. Derhalve vindt mogelijk overtreding plaats van artikel 3.5 lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming.

46

Daarom wordt aanbevolen om een nader onderzoek naar marterachtigen te laten verrichten conform de handreiking Kleine Marterachtigen, voor werkzaamheden die de genoemde diersoorten zouden kunnen verstoren. Wanneer dit protocol en kennisdocumenten in essentie zijn gevolgd, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan de wettelijke en maatschappelijke verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies van gebieden in het geding zijn. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722 Naar aanleiding van deze ruimtelijke ingreep en ontwikkeling is er voorafgaand aan dit rapport in september 2023 en november 2023 een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Brabant Eco (rapportage met nummer 2024-BE-0722/BE-0722a d.d. 17 november 2023) vanuit het wettelijk kader van de Omgevingswet. Navolgend worden de resultaten weergegeven: Algemeen o Het onderzoek vond plaats van maart 2024 tot en met september 2024. o Het gehele plangebied met daarbij alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. o Het plangebied is acht keer bezocht om veldonderzoek uit te voeren. o Het plangebied maakt deel uit van een essentieel leefgebied van een eekhoorn.

Huismussen o Het plangebied biedt geen schuil- en foerageermogelijkheden voor huismussen. o E zijn geen huismussen waargenomen in of nabij het te slopen woning en er zijn in deze bebouwing ook geen nesten van huismussen aanwezig. o Ook in de tuin en op het grasland bij de woning zijn geen huismussen waargenomen. o De te slopen woning en de te rooien bomen zijn geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de huismus. De Omgevingswet wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen vergunningsaanvraag nodig. Marterachtigen o Er zijn vijf opnames gemaakt van de steenmarter gedurende de onderzoeksperiode o Er zijn geen verdere sporen van de aanwezigheid van marterachtigen waargenomen in de te rooien bebossing. o In het plangebied is geen essentieel leefgebied van marterachtigen aanwezig. De Omgevingswet wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie voor marterachtigen is niet nodig. Vleermuizen o Er is in en nabij het plangebied drie soorten vleermuis waargenomen, de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en rosse vleermuis (Nyctalus noctula). o Bij inspectie van het plangebied bij daglicht zijn geen vleermuiskeutels of andere sporen gevonden die duiden op vleermuisverblijfplaatsen.

o Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen aangetroffen in het te slopen woning en de te rooien bomen.

47

o De omgeving rond het plangebied fungeert als foerageergebied voor maximaal 5 gewone dwergvleermuizen. Gelet op dit kleine aantal en het ruime aanbod aan vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving is het geen essentieel foerageergebied. Een onmisbaar foerageergebied binnen de plangrenzen is niet aan de orde. o Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een essentiële vliegroute. Eventuele vliegroutes zullen behouden blijven. o Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. o Het zogenaamde najaarszwermgedrag is niet waargenomen. o Er zijn geen paarverblijven waargenomen in de bomen of de bebouwing in het plangebied o De Omgevingswet wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen vergunningsaanvraag nodig. Stikstofdepositie Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura 2000-gebied. Voor stikstofdepositie zijn de Wet stikstofreductie en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van toepassing. Deze wet en dit besluit zijn van kracht sinds 1 juli 2021.

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. In dit besluit is een vrijstelling voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg, de bouwfase. De stikstof dient slechts te worden bepaald voor de structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, zoals voor bewoning of verkeer dat over een weg rijdt, ofwel de gebruiksfase. Met Aerius Calculator kan de stikstofdepositie bij een ontwikkeling worden bepaald. Stikstofdepositie-onderzoek Door van Empel Advies is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd met Aerius-berekening. Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in de beoogde aanlegfase en gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden.

Het verschil van de stikstofdepositie in de beoogde situatie bedraagt 0,00 mol/ha/jr. Om te komen tot een bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar in de aanlegfase is 100% elektrisch bouwen (all-electric) het uitganspunt. Er wordt enkel gebruik gemaakt van elektrische machines tijdens het slopen, het bouwrijp maken en de bouw van de woningen. De inzet van machines is derhalve 100% emissieloos. Enkel de aan- en afvoer van materialen, en verkeer van werklui vindt plaats met voertuigen met een verbrandingsmotor (benzine/diesel).

48

5.9 Schaduwwerking Om te onderzoeken of sprake is van een aanvaardbare situatie voor omliggende objecten in nabijheid van plangebied, is een schaduwstudie uitgevoerd. Aan de hand van het onderzoek is bepaald wat de effecten zijn van de nieuwe woningen op de omliggende bebouwing door middel van 3D-studies (schaduwsimulatie). Niet alleen de hoofdgebouwen zorgen voor schaduw op de belendende percelen, maar ook de bijbehorende bijgebouwen. In ons model zijn wij uitgegaan van een logische ‘worst-case’ situatie op basis van de voorschriften uit het bestemmingsplan. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn hierna geciteerd, het volledige onderzoek is als bijlage toegevoegd bij het bestemmingsplan. Algemene conclusie De TNO norm stelt dat ontvangende partijen tenminste 2 uur zonlicht per etmaal dienen te ontvangen gedurende de periode van 19 februari tot 21 oktober. De toets hiervoor vindt plaats op 19 februari/ (21 oktober) omdat op deze dag de zon binnen de gestelde periode van 19 februari t/m 21 oktober het laagst staat. Op de bezonningsdiagrammen is te zien dat tussen 11.00u en 15.00u voor een langere periode dan 2 uur zonlicht wordt ontvangen door de nieuwbouwwoningen en de omliggende bestaande bebouwing. De norm wordt gemeten aan de binnenzijde van het kozijn op de vensterbank.

In het model zijn geen raamkozijnen ingetekend, echter is duidelijk te zien dat de gehele gevels voldoende daglicht ontvangen en daarmee ook de te realiseren raamopeningen. Hiermee wordt dus aangetoond dat wordt voldaan aan de TNO norm. Het volledige onderzoek is als bijlage opgenomen bij deze toelichting.

5.10 Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r.

2.

weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.: Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is:

49

“D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft.)” De toelichting behelst de realisatie van 33 grondgebonden woningen. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings) plichtig. Deze selectiecriteria zijn opgenomen in bijlage III bij de EU-richtlijn 2011/92/EU in art. 4, lid 3. Dit betreffende volgende selectiecriteria: 1.

Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: − − − − − −

2.

de omvang van het project (en duur), de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

Plaats van de projecten: Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - het bestaande grondgebruik, - de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, -

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a. b.

wetlands kustgebieden

c. d.

berg- en bosgebieden reservaten en natuurparken

e.

gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

f. g. 3.

h. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: - het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), - het grensoverschrijdende karakter van het effect -

de waarschijnlijkheid van het effect,

50

-

de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling Zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. In de ecologische quickscan en de het stikstofdepositie-onderzoek wordt geconcludeerd dat de beoogde herontwikkeling geen nadelige invloed heeft op de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Het opstellen van een m.e.r. is niet noodzakelijk. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het doel van een aanmeldnotitie ten behoeve van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is om op objectieve wijze informatie over mogelijke relevante milieugevolgen van de voorgenomen activiteit te verzamelen. Met deze informatie kan het bevoegd gezag een oordeel geven over de noodzaak van het doorlopen van een m.e.r.procedure. Een m.e.r.-beoordeling betekent dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: ‘Nee, tenzij…’. De belangrijke nadelige gevolgen moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). Bijlage III noemt drie hoofdthema’s: 1. De kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen). 2. De plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu). 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1842/documents/29719