Vast te stellen bestemmingsplan CPO Riel Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
3.4 Verblijfplaatsen vleermuizen Tijdens het veldonderzoek in september 2024, behorende bij de quickscan, kon de aanwezigheid van mogelijk vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied niet worden uitgesloten. Citaat uit het rapport: “In het plangebied zijn bomen met geschikte stamdiameter, holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Het betreft voornamelijk de twee te rooien bomen die in slechte staat verkeren. De schors van de dode boom is losgekomen, waardoor er meerdere mogelijkheden zijn voor vleermuizen om verblijfplaatsen te vinden. In de zieke robinia bevinden zich met name meerdere holtes en gaten die kunnen functioneren als verblijfplaatsen van vleermuizen. De woning biedt mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Gebouw bewonende vleermuizen kunnen verblijven in nauwe ruimtes zoals de spouwmuur, tussen de dakpannen en het dakbeschot, achter de gevelplaten, achter dakranden en onder loodslabben. Het plangebied biedt mogelijk geschikte verblijfplaatsen bij de dakrand aan de zijgevels, onder de dakpannen en onder de loodslabben. “
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
Loshangende schors
Gaten die geschikt zijn als verblijfplaatsen
Open ruimte bij randpan Bron: Quickscan Brabant Eco d.d. 17 november 2023
Ruimte achter loodslab
3.5 Te verwachten soorten vleermuizen en functies Uit oriënterend onderzoek op 4 september 2023 bleek dat op basis van habitatkenmerken de bomen en de woning mogelijk een functie hebben voor vleermuizen. De potentie voor vleermuizen bestaat uit holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Daarnaast biedt ook de woning mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen, bij de dakrand aan de zijgevels, onder de dakpannen en onder de loodslabben, welke kunnen leiden naar ruimtes in de spouw. Het nader onderzoek naar vleermuizen heeft zich specifiek gericht op de te slopen woning en de bomen, maar de nadere omgeving is ook meegenomen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
In onderstaande tabel zijn de waarnemingen te vinden van de afgelopen vijf jaar volgens de NDFF binnen een straal van een kilometer rond het plangebied (zie bijlage 1). Het aantal waarnemingen is achter de waargenomen soort vermeld.
Soort vleermuis
Aantal waarnemingen
Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Laatvlieger
191
Rosse vleermuis
8
1 1 12
De veldonderzoeken zijn uitgevoerd door deskundig onderzoekers van Brabant Eco. De onderzoekers van Brabant Eco zijn deskundig zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bedoelt. Er wordt gewerkt vanuit de expertise van de te onderzoeken soorten opgedaan door ervaring, studie, vrijwilligerswerk en bijscholing onder andere door de opleidingen in natuur, vogels, amfibieën en reptielen en vleermuizen (planologie en analyse van geluiden) en scholing algemeen in ecologie en natuurwetgeving. Brabant Eco voert ecologisch onderzoek uit voor een opgebouwde kring van opdrachtgevers onder ecologische bureaus, overheden, bedrijven en particulieren. De onderzoeken zijn uitgevoerd door de deskundig onderzoekers: Emma Heeren (EH), Jennifer Bockting (JB), Bas Aarts (BA) en Frank Mallens (FM).
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
4. ONDERZOEK
4.1 Huismussen 4.1.1 Introductie huismus De huismus, met als Latijnse naam Passer domesticus, is een zogenaamde half-holenbroeder (vogels die wel beschut willen zitten, maar daarnaast ook uitzicht willen hebben). De nesten komen voor in holtes onder dakpannen of gaten en nissen in gebouwen, bomen en aardwallen. Als dergelijke holtes niet aanwezig zijn nestelt de huismus op beschutte plekjes onder afdakjes, in dichte gevelbegroeiing, heggen en struiken. Dergelijke ‘natuurlijke’ nesten zijn nog altijd tamelijk voldoende aanwezig, echter door het sterk verminderde gebruik van dakpannen en het ontbreken van gaten en nissen in gebouwen is het aantal broedterritoria in steden en dorpen de laatste jaren sterk achteruitgegaan. Om deze reden wordt steeds meer gebruik gemaakt van vogelvides, speciale dakpannen, houten nestkasten of mussenpotten die worden bevestigd aan woningen, gebouwen, stallen of schuren. De nestplaats van een huismus is in de regel gebonden aan bebouwing. De huismus broedt in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Huismussen zijn uitgesproken standvogels, die zich meestal niet meer dan enkele honderden meters van de broedplaats verwijderen. In het broedseizoen blijven ze dichterbij de broedplaats.
Het zijn sociale dieren: broeden, foerageren, baltsen, stofbaden nemen, slapen en uitzwermen na de broedperiode zijn allemaal activiteiten die in groepsverband plaatsvinden. De habitat van een huismus moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt een van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt. Vanaf maart wordt er aan het nest gebouwd. Het nest wordt het hele jaar door gebruikt als slaapplaats, waardoor er ook buiten de broedperiode aan het nest wordt gebouwd. De huismus is zeer honkvast, hij blijft het gehele jaar in de buurt van zijn eenmaal gekozen nest. Voorafgaand aan het broeden slapen vrouwtjes al op het nest. Tijdens strenge koude wordt het nest ook in de winter gebruikt voor overnachting. Plekken waar voedsel gezocht worden, moeten, zeker in gebieden waar predatoren aanwezig zijn, in de directe omgeving van schuil- en vluchtmogelijkheden liggen.
4.1.2 Onderzoeksmethode De inventarisatie is uitgevoerd conform het Kennisdocument-Huismus-Versie 2.1-februari 2023. Een kennisdocument geeft voor een soort onder andere een overzicht van veel gebruikte maatregelen die genomen kunnen worden als deze beschermde soort aanwezig is in of nabij een gebied waar de ruimtelijke activiteiten gaan plaatsvinden. Dergelijke maatregelen voorkomen of verminderen negatieve effecten op de soort als gevolg van die voorgenomen activiteiten. Naast de genoemde maatregelen in dit kennisdocument geldt in alle gevallen dat er ook oplossingen liggen in andere niet nader omschreven alternatieven voor de uit te voeren activiteiten. Ook is het te allen tijde mogelijk om af te wijken van de in dit document beschreven maatregelen, zolang de keuzes ecologisch onderbouwd worden. Verder beschrijft een kennisdocument de kenmerkende ecologische aspecten en de wijze waarop de aan of afwezigheid van de soort kan worden aangetoond. Er moet in beeld gebracht worden waar zich de locaties van nesten, rustplaatsen en functioneel leefgebied (zoals foerageergebieden, slaapplaatsen) van de huismus bevinden. Bij het inventariseren is gelet op de habitatkenmerken waarvan de huismus afhankelijk is, om zo de meest kansrijke plekken voor aantreffen te
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722 bepalen. Er wordt gebruik gemaakt van de aanwezigheidsprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldonderzoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens drie gerichte veldonderzoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisatie moet bij voorkeur onder de volgende omstandigheden plaatsvinden: o goede weersomstandigheden (b.v. geen regen, harde wind en/of kou) o op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied) o Op geschikte momenten op de dag (tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend) o met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.
Inventarisatieperiode huismus. Bron: kennisdocument huismus
Het exacte moment van aanvang van broeden van de huismus is afhankelijk van onder andere de weersomstandigheden en kan in de eerste helft van maart en nog tot en met augustus plaatsvinden. Het is van belang dat ook in beeld wordt gebracht waar welke elementen van de functionele leefomgeving zich bevinden. Hiertoe behoren vooral de plekken waar gefoerageerd en geslapen wordt, zoals struiken, hagen, klimop en kruidenrijke vegetaties. Het slapen kan gedurende het jaar op wisselende plekken gebeuren. Ook de plekken waar gedronken of gebaad kan worden of waar een stofbad genomen kan worden, behoren hiertoe. Het vaststellen van de locaties van de slaapplekken kan gedurende het gehele jaar het beste rond zonsondergang of zonsopgang plaats vinden.
4.1.3 Veldonderzoek Er zijn 2 veldonderzoeken uitgevoerd om de eventuele aanwezigheid van huismussen in kaart te brengen. Hierbij is gelet op zichtbare nesten, maar ook op nest indicerend gedrag van huismussen. Ron de 1 2
Datum 10-042024 29-042024
Eco loog JB JB
Tijd
Functie Voorkomen
Zonsopkomst/ ondergang 06:54
Tempe ratuur 8 oC
08:00 – 09:00 10:00 – 11:00
Voorkomen
06:13
14C
Wind 2 BF ZW 2 BF ZZW
Neer slag Geen
Bewol king Geen
Geen
Geen
Er zijn waarnemingen gedaan van een witte kwikstaart, roodborst, houtduif, kauw, spreeuw, ekster, vink, pimpelmees, koolmees, merel en tjiftjaf tijdens een of beide veldonderzoeken. Er zijn geen huismussen waargenomen bij het plangebied. De dichtstbijzijnde nesten van huismussen bevinden zich bij Maasland 15-29. De huismussen gebruiken de haag en het grasland aan de overkant van de weg, als beschutting en foerageergebied. Er zijn op beide dagen geen huismusnesten bij het plangebied waargenomen. Ook is daar geen nestindicerend gedrag waargenomen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
Huismussen bij Maasland 15-29
Haag voor beschutting aan de overzijde van de Maasland
Foeragerende huismussen op grasland ten westen van de haag
4.1.4 Conclusie huismussen De waarnemingen geven aan dat in de bebouwing en in de bomen geen nestlocaties van huismussen aanwezig zijn. Er zijn huismussen aanwezig in de nabije omgeving, echter bevinden deze huismussen zich bij de bebouwing gelegen in het Maasland. Deze huismussen nestelen in de pannendaken van Maasland nr. 1529 en gebruiken de hagen en het grasland ten zuidwesten van het Maasland. Er zijn geen waarnemingen van huismussen in de bebouwing, bomen of vegetatie rondom het plangebied. Door sloop van de bebouwing, het kappen van de bomen en het verwijderen van de vegetatie is er geen significante afname van functioneel leefgebied van huismussen.
4.2 Steenmarter 4.2.1 Introductie steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. De steenmarter wordt vaak een cultuurvolger genoemd. Op veel plaatsen lijkt hij gebonden aan bebouwde gebieden en cultuurlandschappen. De soort komt door zijn grote aanpassingsvermogen echter in vrijwel alle biotopen voor. Voedsel en dekking zijn bepalend voor de habitatkeuze van de steenmarter.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
4.2.2 Onderzoeksmethode Om te onderzoeken of het plangebied, en met name de weekendwoning en schuur, braamstruweel, takkenhopen, steenhopen en schuurtjes die mogelijk als vaste verblijfplaats worden gebruikt door steenmarters zullen er cameravallen in en rond de bebouwing worden opgesteld. De onderzoeksmaterialen minimaal 8 weken in het gebied geplaatst. Gedurende die periode worden de onderzoeksmaterialen enkele keren gecontroleerd en na deze periode volgt er een eindrapport met de resultaten.
4.2.3 Veldonderzoek Om de aanwezigheid van marterachtigen te onderzoeken zijn er cameravallen opgehangen om eventueel aanwezige marters te filmen. De camera’s zijn tijdens de onderzoeksperiode enkele malen gecontroleerd op functioneren. Dit zo weinig mogelijk om verstoring te voorkomen. Op 12 maart 2024 is er een wildcamera geïnstalleerd op rustige en voor marterachtige te verwachten plek in het plangebied. In de erfbeplanting nabij de hoeken in het noordwesten van het plangebied. De plaats van de camera wordt niet of zelden verstoord door menselijke activiteit. Via landschapselementen zoals de erfbeplanting, ook deze van de naastgelegen percelen verplaatsen marterachtigen zich tussen hun rustplaatsen en ook vinden ze er hun prooi.
Geplaatste wildcamera
Tijdens de onderzoeken werd het plangebied en de directe omgeving geïnspecteerd op het voorkomen van marters door te zoeken naar sporen. Deze zijn niet waargenomen. De camera heeft onafgebroken gehangen van 12 maart 2024 tot 13 mei 2024. In totaal dus meer dan 8 weken. Op 10 april 2024 is de opstellingen van de camera gecheckt en is de geheugenkaart verwisseld. Op 13 mei 2024 is de wildcamera opgehaald. De cameraval was zowel s ’nachts als overdag actief en ingesteld om van aanwezige dieren video-opnames te maken. In onderstaande afbeelding is de locatie van de geplaatste wildcamera weergegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
Globale locatie wildcamera. Bron: Google Earth.
Onderzoek
Ecoloog
0 1 2
FR EH + JB JB
Begin datum 04-09-2023 12-03-2024 10-04-2024
3
JB
13-05-2024
Uitvoeringen Veldonderzoek behorende bij quickscan Plaatsen van wildcamera Controle, verwisselen geheugenkaarten, controle op activiteit, plangebied controleren op verse sporen. Wildcamera ophalen, SD-kaart uitlezen. Eindcontrole op sporen.
Er zijn driemaal opnames gemaakt van steenmarters op 11 april, 24 april en op 26 april. Verder zijn er veel opnames gemaakt van huiskatten en foeragerende kauwen.
Passerende steenmarter in het plangebied
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Opname van huiskat
15