Vast te stellen bestemmingsplan CPO Riel Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
2. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen achter de Kerkstraat 26a, in de kern van Riel, in de gemeente Goirle. De gemeente Goirle is gelegen ten zuiden van Tilburg in de provincie Noord-Brabant. De gemeente telt 24.204 inwoners (31 januari 2023) en heeft een oppervlakte van 42,21 km2. Kernen in de gemeente zijn Riel en Goirle. Riel ligt ten westen van Goirle en zuidwestelijk van Tilburg. Ten zuiden en oosten liggen uitgestrekte natuurgebieden zoals de Regte Heide, het Riels Laag en landgoed het Riels Hoefke. Ten westen van Riel ligt de Rielse Heide. In het oosten ligt de kom van Goirle en ten noorden Riel liggen de kom van Tilburg en het natuurgebied Kaaistoep. De planlocatie bevindt zich in de kern van Riel, grenzend aan de Kerkstraat, Meijerij, Maasland, Peelland en het Valboompad. De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit bedrijfsbestemming, burgerbebouwing en een horecagelegenheid. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Riel
Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.
Het plangebied bestaat uit een gedeeltelijk uitgegroeide achtertijd. De directe omgeving bestaat uit burgerwoningen, grasland en het arboretum. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
Globaal omlijnde planlocatie in blauw, uitbreiding locatie in rood omkaderd. Bron: Google Earth.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer heeft een extra perceel aangekocht met de intentie om het CPO project uit te breiden. De uitbreiding omvat de achtertuin van Kerkstraat 26a. De aanwezige bebouwing (tuinhuisje) zal worden gesloopt, het woonhuis blijft behouden.
Aangekocht perceel voor uitbreiding van het CPO project in geel omkaderd. Bron: Tritium Advies/van Gisbergen BV
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
3. VELDBEZOEK
3.2 Veldonderzoek Op dinsdag 14 november in de voormiddag heeft ecoloog Freek Rovers in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren licht bewolkt met een zuidwestenwind met windkracht 4 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 11 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van de locatie en de directe omgeving in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Op de locatie werden alle aanwezige habitats opgenomen. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Hierdoor werd ingeschat welke soorten potentieel voorkomen. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
3.3 Beschrijving plangebied Het nieuwe deel van het plangebied bestaat uit een deel van de achtertuin achter Kerkstraat 26a. De oostzijde van de tuin bestaat voornamelijk uit beukenhagen, een gemaaid gazon en een moestuin. Het westelijke deel bestaat uit een uitgeschoten bosschage. In het bosschage staan berken, beuken, elzen en esdoorn met struiken van hazelaar en vogelkers en een bodembegroeiing die voornamelijk bestaat uit hedera. In de achtertuin staat een tuinhuisje, bestaande uit een golfplaten dak en houten planken wanden en een insectenhotel.
Overzicht tuinhuis
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Beukenhagen op de grens met de blijvende achtertuin
8
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
Kippenschuur met lindeboom
Insectenhotel
Niet onderschoten dak van de kippenschuur
Overzicht sloot met begroeiing
Overzicht oostelijke struweelrand
Overzicht noordelijke struweelrand
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
4.1 Soortenbescherming Bijlage 1, project Kerkstraat met nummer BE-0722a d.d. 9 november 2023 geeft een overzicht van de waargenomen plant- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. De soorten worden per alinea beschreven.
4.1.1 Flora Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 2 beschermde plantensoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze planten staan op de rode lijst en zijn sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Afstand plangebied
Habitat
Korensla
0-2 km
Zonnige, open plaatsen op droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkarme zandgrond.
Wilde ridderspoor
0-2 km
Zonnige plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, matig bemeste, kalkrijke, omgewerkte zandige klei (zavel en lichte klei)
Het plangebied bestaat uit een onderhouden gazon en een bosschage die is begroeid met algemene plantensoorten. Gezien de bebouwde directe omgeving en de agrarisch ingerichte wijdere omgeving van het plangebied zullen beschermde plantensoorten hier niet voorkomen. Conclusie Het ontbreekt volledig aan geschikte plaatsen waar beschermde planten kunnen groeien. De aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten wordt gezien de aanwezige biotopen uitgesloten.
4.1.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 14 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 10 vleermuissoorten, 2 marterachtigen en 2 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuis soort
Afstand plangebied
Habitat en bescherming
Bosvleermuis
0-2 km
Vooral bomen, soms bebouwing, strikt beschermd
Franjestaart Gewone dwergvleermuis
0-2 km 0-2 km
Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bebouwing, strikt beschermd
Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis
0-2 km
Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd
0-2 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd
0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Vooral bebouwing, soms bomen, strikt beschermd Vaak bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd
Watervleermuis
0-2 km
Vooral bomen, strikt beschermd
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied staande bomen met geschikte stamdiameter zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. Het bestaande tuinhuisje bestaat uit enkele houten planken met een golfplaten dak. Hierdoor is het tuinhuisje niet geïsoleerd en ontbreekt het volledig aan gaten of kieren waarin vleermuizen een stabiel microklimaat kunnen vinden om te rusten. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Foeragerende vleermuizen in (de omgeving van) het projectgebied zouden voor kunnen komen. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken.
Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Bunzing Steenmarter
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Het uitgeschoten bosschage aan de westzijde van het plangebied zou schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen zoals de bunzing of wezel. Doordat deze bosschage zal verdwijnen ten gevolge van de bouw van de woningen, wordt mogelijk het leefgebied van de genoemde soorten verstoord worden. Hierom is het nodig om nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van marterachtigen in dit deel van het plangebied.
Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige soort Eekhoorn Wolf
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Eekhoorn De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. In en rond het plangebied is wel te foerageren voor de eekhoorn door het aanwezig zijn van geschikte voedselbomen en bosrijk biotoop. Alle bomen blijven behouden en in de bomen in het plangebied zijn geen nesten van eekhoorns waargenomen tijdens het veldbezoek. Bever In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Wolf Bij voorkeur leeft de wolf in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden. Deze gebieden bieden namelijk vaak veel dekking en er leven veel reeën. De soort is echter een ‘cultuurvolger’ en heeft geleerd te overleven in gebieden waar ook mensen wonen. De directe omgeving van het plangebied is ongunstig voor typische prooidieren van de wolf zoals de ree, waardoor de wolf zelf hier ook niet voor zal komen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever en de wolf. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen in het plangebied. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. In het plangebied komen mogelijk marterachtigen voor. Nader onderzoek kan de aan- of afwezigheid van marterachtigen aantonen. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht.
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.
4.1.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Bescherming categorie* en habitat 4, boom bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, boom bewonend 3, gebouw bewonend 4, boom bewonend 1, gebouw bewonend
13
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a Wespendief
0-2 km
4, boom bewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust - en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Op de onderzoek locatie zijn geen geschikte holtes aanwezig. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien. Tijdens het nadere onderzoek naar huismussen zal gelet moeten worden op het gebruik van de beukenhagen in de tuin door de huismussen. Indien te de verwijderen hagen in gebruik zijn door huismussen, dan dient er in het mitigatie rekening te worden gehouden met het verdwijnen van het leefgebied.
Uilen, ooievaar, roek, grote gele kwikstaart en roofvogels Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze uitgesloten kan worden. Er is geen bebouwing in het plangebied, waardoor gierzwaluwen en huismussen hier geen nestplaatsen kunnen vinden. Binnen het plangebied ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden. Roofvogels hebben in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Het plangebied is te klein in oppervlakte om geschikt te zijn als leef- en nestlocatie voor genoemde soorten. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig.
Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als duif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Met de beoogde herontwikkeling en de bijbehorende robuuste landschappelijke inpassing met streekeigen groen zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a Conclusie Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De gecultiveerde tuin biedt wel schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken.
4.1.4 Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid reptielen en amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen voornamelijk voor op de hogere zandgronden. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Soortgroep en bescherming
Alpenwatersalamander Boomkikker
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Hazelworm Kamsalamander
0-2 km 0-2 km
Reptielen, beschermd Amfibieën, beschermd
Knoflookpad
0-2 km
Amfibieën, beschermd
Levendbarende hagedis
0-2 km
Reptielen, beschermd
Muurhagedis
0-2 km
Reptielen, beschermd
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander overwintert voornamelijk op het land. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. Vanaf januari trekken ze naar het water met een piek begin maart. De meeste volwassen dieren worden tot en met juni waargenomen met een piek in april en de eerste heft van mei. Daarna nemen het aantal volwassen dieren in het water snel af. De eerste juveniele dieren kruipen medio juni het land op. De eerste drie jaar, tot ze geslachtsrijp zijn, verblijven ze op het land. De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snelstromend of rijk aan vis is. Boomkikker De boomkikker heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’ en stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. Als landhabitat zijn vooral zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties, vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang. De boomkikker plant zich voort in visvrije, zonnig gelegen en matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. Hazelworm Hazelwormen leiden een verborgen leven. Het grootste deel van de dag leven ze onder de vegetatie en dood hout of ze verblijven in holen in de grond. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden.
De soort komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a De meeste waarnemingen komen uit bos- en heideterreinen. Ze zijn vaak lastig te vinden omdat ze weinig op open plekken zonnen. Kamsalamander Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke vennen en in leemputten. Deze habitattypen ontbreken in het plangebied. Knoflookpad De knoflookpad is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivieren. Het is een bedreigde soort, die maar op een paar plekken voorkomt. Daar gaat hij ook nog eens sterk achteruit. De soort heeft een voorkeur voor agrarisch gebied, ruderaal terrein (zoals volkstuinen), rivierduintjes en halfnatuurlijke graslanden. De soort wordt ook relatief vaak gemeld op en rond infrastructuur (dijken, wegen en spoorlijnen). Daarnaast wordt de knoflookpad gemeld uit de randen van heideterreinen en uit bos en struweel.
Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels ondergronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie. Het zand moet een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Ook extensief bewerkte akkers (bijv. asperge en aardappelen) voldoen hieraan. Knoflookpadden zijn ’s nachts actief. Overdag graven ze zich in. In het plangebied zijn geen geschikte zandplekken voor de knoflookpad aanwezig Levendbarende hagedis Heide en hoogveen vormen de voorkeurshabitat voor de levendbarende hagedis. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit laagveen. Deze habitattypen ontbreken in het plangebied Muurhagedis De muurhagedis is een warmteminnende soort, die in het noorden van zijn verspreidingsgebied alleen voorkomt in rivierdalen, omdat daar gunstigere klimatologische omstandigheden heersen. De soort kwam hier oorspronkelijk voor op warme, stenige plekken, zoals rotswanden. De muurhagedis komt in ons land uitsluitend in Maastricht voor. Dieren die buiten de Maastrichtse populatie worden waargenomen zijn illegaal uitgezet. Vaak betreft dit dieren uit Midden- en Zuid-Europese populaties.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
Verspreiding muurhagedissen in Nederland (Bron: RAVON)
De aanwezigheid van deze beschermde soorten is uit te sluiten. Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied, de ontwikkeling is land gebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan ze vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het is echter altijd noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 1 libellensoort, 3 dagvlindersoorten en 1 nachtvlindersoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel.
In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Soort
Soortgroep en habitat
Bosbeekjuffer
Afstand plangebied 0-2 km
Gentiaanblauwtje
0-2 km
Grote vos
0-2 km
Dagvlinder, natte heide, vochtige heischrale graslanden en blauwgraslanden, waardplant: Klokjesgentiaan Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: Iep, kers en wilgen
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Libellen, bosbeken
17
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a Kleine ijsvogelvlinder
0-2 km
Dagvlinder, vochtige gemengde bossen en loofbossen, waardplant: wild kamperfoelie
Teunisbloempijlstaart
2 km
Nachtvlinder, vochtige bossen en bosranden, waardplant: teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart
Overige soorten Er zijn de laatste vijf jaar in een straal van twee kilometer rond het plangebied geen waarnemingen van beschermde soorten. Overige beschermde soorten insecten zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie Amfibieën, reptielen en vissen zullen niet verstoord worden ten gevolge van de werkzaamheden. Vanwege de nabijgelegen agrarische percelen ontbreekt het aan de geschikte habitattypes voor reptielen. Het ontbreekt aan oppervlakte wateren, waardoor vissen en amfibieën niet het plangebied zullen voorkomen. In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. De in de omgeving staande waardplanten blijven allemaal behouden.
4.2 Houtopstanden Volgens artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de gedeputeerde staten. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom waardoor Wet natuurbescherming houtopstanden niet van toepassing is. Om een overtreding van de gemeentelijke uitzonderingsregels te voorkomen dient altijd alvorens tot kap over te gaan bij het gemeenteloket een nacheck gedaan te worden of voor de betreffende boom of houtopstand een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden noodzakelijk is.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
5. RESULTATEN EN ADVIES Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
5.1 Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat het bosschage aan de westzijde van de achtertuin mogelijk geschikt zou zijn als foerageer- en schuilplaats van kleine marterachtigen. Ook zouden de beukenhagen aan de oostzijde van de tuin onderdeel uit kunnen maken van het leefgebied van huismussen. Nader onderzoek is nodig om de aanwezigheid van marterachtigen aan te tonen of uit te sluiten. Het reeds voorgeschreven mussenonderzoek zal uitgebreid moeten worden om dit deel van het leefgebied mee te nemen.
5.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna niet worden uitgesloten. Hierdoor wordt aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Wet natuurbescherming o Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien door een ecologisch deskundige is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. o In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2.000 gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd.
o In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. o Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. (www.checklistgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
6.3 Toelichting op nader onderzoek Marterachtigen Om te onderzoeken of het plangebied met opgaande vegetatie als verblijfplaats wordt gebruikt door kleine marterachtigen en steenmarters zullen er cameravallen, sporenbuizen en Mostela marterboxen in en rond de bebouwing worden opgesteld. Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen, zoals de wezel en bunzing kunnen verschillende methoden worden gebruikt. Zie onderstaande tabel.
Geschiktheid van inventarisatiemethoden voor de verschillende soorten kleine marterachtigen. Bron: Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming, provincie Noord-Brabant 2017
Het nader onderzoek naar kleine marterachtigen zal gebeuren met het plaatsen van sporenbuizen en een cameraval. Met behulp van marterboxen en cameravallen kan de aanwezigheid of afwezigheid van steenmarters en wezel worden vastgesteld. Wanneer onderzoek wordt verricht in de periode waarop de dieren het meest actief zijn, te weten van maart tot en met augustus, worden de onderzoeksmaterialen minimaal 6 weken in het gebied geplaatst. Buiten de actieve periode, met minder trefkans, wordt deze tijd verdubbeld naar minimaal 12 weken. Gedurende die periode worden de onderzoeksmaterialen enkele keren gecontroleerd en na deze periode volgt er een eindrapport met de resultaten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Kerkstraat 26/26a Riel, BE-0722a
6. BRONNEN
Websites www.kaartbankbrabant.nl www.brabant.nl www.floron.nl www.natuurmonumenten.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.NDFF.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.vogelbescherming.nl www.wetnatuurbescherming.nl www.wikipedia.nl
Andere bronnen Checklist vleermuisprotocol Limpens et al., 2014, 2017 Baijens et al., 2005 Netwerk groene bureaus
Bijlagen Bijlage 1: de verspreidingslijst van NDFF Bijlage 2: de beschermde soortenlijst par 3.2 Wet natuurbescherming Bijlage 3: de beschermde soortenlijst par 3.3 Wet natuurbescherming
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
bestemmingsplan CPO Riel (Riel)
Bijlage 6 Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen
84
bestemmingsplan "CPO Riel (Riel)" (vastgesteld)
NADER ONDERZOEK NAAR HUISMUSSEN, MARTERACHTIGEN EN VLEERMUIZEN Aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet
Locatie: Achter Kerkstraat 26 - 26a Riel Rapportnummer: 2024-BE-0722 In opdracht van: Van Gisbergen BV ’t Bogtje 8 5095 CD Hooge Mierde
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2024-BE-0722 Opdrachtgever Van Gisbergen BV Contactpersoon Mevrouw N. Snels Locatie Kerkstraat 26/26a Riel Auteur Emma Heeren Collegiale controle Frenk van de Wal
Opleverdatum 29 januari 2025
Uitvoerder
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 5 1.5 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 5
2.
BELEIDSKADER .............................................................................................................. 6 2.1 Soortenbescherming ............................................................................................................ 6 2.2 Zorgplicht .............................................................................................................................. 7
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 8 3.1 Situering plangebied ............................................................................................................ 8 3.2 Nestlocaties huismussen ...................................................................................................... 8 3.3 Marterachtigen ..................................................................................................................... 8 3.4 Verblijfplaatsen vleermuizen ............................................................................................... 8 3.5 Te verwachten soorten vleermuizen en functies ................................................................ 9
4.
ONDERZOEK ................................................................................................................ 11 4.1 Huismussen ......................................................................................................................... 11 4.2 Steenmarter ........................................................................................................................ 13 4.3 Vleermuizen ........................................................................................................................ 16 4.4 Samenvatting en conclusies .............................................................................................. 19 4.5 Gebiedsfunctie .................................................................................................................... 20 4.6 Overige soorten .................................................................................................................. 20
5.
RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 22 5.1 Resultaten ........................................................................................................................... 22 5.2 Toetsing Omgevingswet/staat van instandhouding ........................................................ 23 5.3 Aanbevelingen .................................................................................................................... 24
6.
BRONNEN ................................................................................................................... 25
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
SAMENVATTING
Initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied achter Kerkstraat 26-26a te Riel bestaande bebouwing te slopen, een 5-tal bomen te kappen. Aanwezige vegetatie zal verwijderd worden. Daarna worden door middel van een CPO-project 33 grondgebonden woningen gerealiseerd. Naar aanleiding van deze ruimtelijke ingreep en ontwikkeling is er voorafgaand aan dit rapport in september 2023 en november 2023 een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Brabant Eco (rapportage met nummer 2024-BE-0722/BE-0722a d.d. 17 november 2023) vanuit het wettelijk kader van de Omgevingswet. Op basis van voornoemde quickscans naar natuurwaarden is er geadviseerd om aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar het potentieel voorkomen van huismussen en steenmarter- en vleermuisverblijfplaatsen en de functie van het plangebied voor deze soort(groep)en. Deze rapportage is een verslaglegging van het gedane onderzoek met te verwachten effecten en kan als addendum van de quickscan worden gebruikt. Het doel van het aanvullend onderzoek is te onderzoeken of het plangebied deel uitmaakt van het functionele leefgebied van huismussen, marterachtigen en/of vleermuizen, en zo ja, voor welke soorten (vleermuizen) en met welke functie.
Uitgevoerd onderzoek van maart tot en met september 2024 leidt tot de conclusie dat er geen nestlocaties, verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van huismussen, steenmarters en vleermuizen in het plangebied voorkomen. Er zijn waarnemingen gedaan van drie vleermuissoorten in de directe omgeving van het plangebied, namelijk de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), de laatvlieger (Eptesicus serotinus) en rosse vleermuis (Nyctalus noctula). De gewone dwergvleermuis is passerend en foeragerend waargenomen. De laatvlieger en rosse vleermuis zijn enkel passerend waargenomen. Ook zijn er baltsende gewonde dwergvleermuizen waargenomen in de omgeving van het plangebied. De huismus is waargenomen ten noordwesten van het plangebied en de steenmarter is een vijftal keer het plangebied gepasseerd. Er zijn echter geen waarnemingen van nestlocaties, verblijfplaatsen of sporen in (de bebouwing, vegetatie en bomen) in het plangebied. Wel zijn er waarnemingen van een foeragerende eekhoorn in de bomen van de tuin (nr. 26a) behorend tot het plangebied. Een nestkast zal verdwijnen ten gevolge van de werkzaamheden. Deze is reeds vervangen door twee nieuwe nestkasten. Het arboretum biedt een voldoende geschikt leefgebied voor deze eekhoorn. Daarnaast is het dier gevonden in een bebouwde omgeving en zal deze dus ook gebruik maken van bestaande en toekomstige tuinen.
Er zijn geen effecten te verwachten die van negatieve invloed zijn op de duurzame staat van instandhouding van huismussen, steenmaters en vleermuizen en hun functioneel leefgebied. Er gelden hierdoor geen verdere verplichtingen met betrekking tot deze soorten. Emma Heeren Brabant Eco Januari 2025
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Van Gisbergen BV is het voornemen om in het plangebied achter Kerkstraat 26-26a te Riel, de bestaande bebouwing te slopen, een 5-tal bomen te kappen en aanwezige vegetatie te verwijderen. Daarna worden 33 grondgebonden woningen gerealiseerd. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Volgens nationale en internationale regelgeving is het verplicht om, voordat de ingreep plaatsvindt, onderzoek te doen naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Uit een ecologische potentie-inschatting uitgevoerd door Brabant Eco (Ecologische Quickscan met nummer 2024-BE-0722/2024-BE-0722a d.d. 17 november 2023) blijkt dat het plangebied mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor beschermde faunasoorten. Citaat uit het rapport: “Op basis van de uitgevoerde quickscan kan niet worden uitgesloten dat vleermuizen gebruik maken van het woonhuis en de bomen in het plangebied als verblijf- of voortplantingsplaats. Met de sloop van het woonhuis en het rooien van de bomen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming niet uit te sluiten. Vleermuizen zouden verblijfplaatsen kunnen vinden onder de dakpannen, bij de randpannen en onder de losse loodslabben van het woonhuis, of onder de loshangende schors en in de gaten van de te rooien bomen.
Ook huismussen zouden nestplaatsen kunnen vinden onder het pannendak van de te slopen woning. Daarnaast verdwijnt er veel vegetatie in de directe omgeving van het plangebied, waardoor de foerageer- en schuilmogelijkheden van huismussen af kunnen nemen. Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat het bosschage aan de westzijde van de achtertuin mogelijk geschikt zou zijn als foerageer- en schuilplaats van kleine marterachtigen. Ook zouden de beukenhagen aan de oostzijde van de tuin onderdeel uit kunnen maken van het leefgebied van huismussen. Nader onderzoek is nodig om de aanwezigheid van marterachtigen aan te tonen of uit te sluiten.” Huismussen, marterachtigen en alle soorten vleermuizen zijn beschermd. Daarom heeft Brabant Eco in opdracht van Van Gisbergen BV in en rond het plangebied onderzoek naar voorkomen van huismussen en verblijfplaatsen van marterachtigen en vleermuizen uitgevoerd. De bevindingen van dit vervolgonderzoek zijn beschreven in deze rapportage en de rapportage kan als addendum aan genoemde quickscan worden toegevoegd.
1.2 Doelstelling Het doel van het aanvullend nader onderzoek is te onderzoeken of het plangebied deel uitmaakt van het functionele leefgebied van huismussen, marterachtigen en vleermuizen, en zo ja, voor welke soorten (vleermuizen) en met welke functie. Eveneens wordt naar aanleiding van de onderzoeksresultaten een effectbeoordeling gedaan om te toetsen of de Omgevingswet wordt overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ingreep.
1.3 Centrale vraagstelling Vragen die centraal staan binnen dit nader onderzoek: o o
Maken huismussen gebruik van het plangebied als nest- verblijf- of rustplaats? Is het plangebied onderdeel van de habitat van marterachtigen?
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
o o o
Welke vleermuissoorten maken functioneel gebruik van het plangebied en welke functies worden hierbij onderscheiden? Heeft de ruimtelijke ingreep een negatief effect op aanwezige huismussen, marterachtigen en vleermuizen? Is het naar aanleiding van de ruimtelijke ingreep noodzakelijk een omgevingsvergunning aan te vragen in het kader van de ecologie?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de Omgevingswet, waarbij onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van broedvogels en vleermuizen en het functioneel gebruik. o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige onderzoekers volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk adviesbureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek naar huismussen is uitgevoerd conform het Kennisdocument-Huismus-Versie 2.1februari 2023. (bijlage 2) o Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 van Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Dit protocol bevat de meest recente wetenschappelijke inzichten, waarbij per soort is voorgeschreven onder welke veldcondities, in welke periodes, met welke frequentie en voor welke duur onderzoek uitgevoerd dient te worden. o Bij het hanteren van het protocol, wordt in juridische zin voldaan aan de wensen die het bevoegd gezag stelt. Tevens wordt voldaan aan de inspanningsverplichting om tot een gedegen onderzoek te komen.
1.5 Geldigheid onderzoek Houdbaarheid van verspreidingsgegevens zijn aan een maximale periode gebonden. Voor zwaar beschermde soorten als vleermuizen geldt een bruikbaarheidsperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen. Bovengenoemde geldigheidstermijnen zijn in de Omgevingswet niet dwingend voorgeschreven en kunnen afwijken indien de omstandigheden ter plaatse dat verlangen. Voor dit alles geldt wel dat het plangebied niet significant is veranderd waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
2. BELEIDSKADER De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet waarin onder andere de Wet natuurbescherming is opgenomen. In de Omgevingswet is zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden geregeld. De Omgevingswet bestaat uit een algemene wettekst dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en de Omgevingsregeling. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving.
2.1 Soortenbescherming De Omgevingswet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: bescherming van Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of omgevingsvergunning. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een omgevingsvergunning of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. o Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. o Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een omgevingsvergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
2.1.1 Vogelrichtlijnsoorten De Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen treffen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om voor deze vogels een ‘voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen’. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. De Omgevingswet bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels in heel Nederland.
2.1.2 Habitatrichtlijnsoorten De Habitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden. Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitats en wilde planten- en diersoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van de Omgevingswet van toepassing.
2.1.3 Andere soorten De nationaal beschermde soorten, ‘andere soorten’, staan vermeld in bijlage IX van het Bal. Dit zijn soorten die in Nederland beschermd zijn en niet vermeld zijn in de Europese richtlijnen en verdragen. Het betreft een
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722 limitatieve lijst van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan voor die soorten geen omgevingsvergunning nodig. Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten art. 11.37 Bal
Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten art. 11.46 Bal
Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermd) art. 11.54 Bal
Lid 1a: Het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1a: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlange I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1a: Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1b: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Lid 1b: Het is verboden dieren als bedoeld onder a opzettelijk te verstoren.
Lid 1b: Het is verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Lid 1c: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld onder a te rapen en deze onder zich te hebben.
Lid 1c: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te vernielen of te rapen in de natuur
Lid 1d: Het is verboden vogels als bedoeld onder a opzettelijk te storen.
Lid 1d: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a te beschadigen of te vernielen.
1c: Het is verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Lid 1e: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Tabel: Verbodsbepalingen beschermingsregimes Omgevingswet
2.2 Zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (artikel 1.8 Omgevingswet). Dit houdt in dat overheden, bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is niet van toepassing als er een specifieke zorgplicht geldt of er specifieke decentrale of rijksregels zijn. Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Voor bijna alle activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt een specifieke zorgplicht. Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Er geldt een specifieke zorgplicht voor onder andere flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Bal), Natura 2000-gebieden (artikel 11.6 Bal) en houtopstanden (artikel 11.16 Bal). Een specifieke zorgplicht verbiedt handelingen waarvan iedereen zou moeten weten dat ze niet door de beugel kunnen. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen.
De specifieke zorgplichten gelden ook als er gedetailleerde rijksregels voor een activiteit zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Nader onderzoek huismussen, marterachtigen en vleermuizen CPO Kerkstraat 26-26a Riel, BE-0722
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Situering plangebied Het plangebied is gelegen achter de Kerkstraat 26a, in de kern van Riel, in de gemeente Goirle. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit bedrijfsbestemming, burgerbebouwing en een horecagelegenheid.
3.2 Nestlocaties huismussen Volgens het uitgevoerde flora en fauna onderzoek is het plangebied geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van diverse vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in gebouwen, met name de huismus. Citaat uit het rapport: “Het pannendak van het woonhuis zou eventueel geschikt kunnen zijn voor nestelende huismussen. Veel van de vegetatie in de directe omgeving zal worden verwijderd ten gevolge van de werkzaamheden. Een nader onderzoek is noodzakelijk. Tijdens het nadere onderzoek naar huismussen zal gelet moeten worden op het gebruik van de beukenhagen in de tuin door de huismussen. Indien te de verwijderen hagen in gebruik zijn door huismussen, dan dient er in het mitigatie rekening te worden gehouden met het verdwijnen van het leefgebied.”
3.3 Marterachtigen Het plangebied is mogelijk geschikt als leefgebied voor marterachtigen. Citaat uit het rapport: “Het uitgeschoten bosschage aan de westzijde van het plangebied zou schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen zoals de bunzing of wezel. Doordat deze bosschage zal verdwijnen ten gevolge van de bouw van de woningen, wordt mogelijk het leefgebied van de genoemde soorten verstoord worden. Hierom is het nodig om nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van marterachtigen in dit deel van het plangebied.”