10 Vast te stellen bestemmingsplan Turnhoutsebaan 8 Goirle.pdf
Tekst van het document
34
Het Landschapsbeleidsplan voorziet in richtlijnen die bijdragen aan de inrichting van onder andere erven en tuinen. Binnen het deelgebied ‘midden’, ligt het plangebied binnen het gebied ‘beekdal flanken’, zoals aangegeven in afbeelding 13. Voor erven en tuinen binnen het gebied ‘beekdal flanken’ kan voor het plangebied een inrichting worden gecreëerd door onderstaande basisspelregels, materialisering en beplantingssoorten te hanteren: Schaalniveau algemeen
M e t Landschap
h e t
p l a nErf/tuin v o o r n eErf m e
Basisspelregel
Materialisering
Beplantingssoorten
Flanken van beekdal ruimtelijk versterken, inpassing van allerlei functies als bijv. biologische melkveehouderij, puinbreekbedrijf Open ruimte op flanken natuurlijk inrichten
Coulissen ontwikkelen met kamerstructuur, laanvormige elementen, houtsingels en bredere bosstroken
Zomereik, ruwe berk, eventueel grove den (droog) of zwarte els (nat), wilde lijsterbes en vuilboom
Kruidenrijke akkerranden rondom akkers
Bebouwing langs de randen in ruim opgaand groen
Stimuleren van graanakkers en koolzaadvelden t.b.v. bijen en insecten Inheems zaadmengsel
Boomgroepen of solitaire groepen
Beplanting/ bosjes geriefhout in de overhoeken rond de es
A
Linden aan voorzijde erf, overige soorten elders op het erf, noot, kastanje, en fruitbomen, zoete kers, beuk of gewone esdoorn, es op rijkere plekken Hoofdsoort zomerwintereik, lijsterbes, meidoorn, hazelaar, sering etc.
fbeelding 14: Kenmerken en structuur deelgebied ‘midden’.
35
Met het planvoornemen wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Voor de inrichting van het erf en de tuin van het plangebied is zo veel als mogelijk aangesloten op de tabel. Het landschappelijk inpassingsplan is in bijlage 2 toegevoegd. In paragraaf 3.2 is verder ingegaan op de landschappelijke inpassing. 4.4.
Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema's verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. De planlocatie van de initiatiefnemer bestond voorheen uit een varkenshouderij, welke in het vigerende bestemmingsplan wordt aangeduid als een intensieve veehouderij. Voorliggend planvoornemen voorziet in een bestemmingsplanwijziging, ten behoeve van een kleinschalig klusbedrijf (eenmanszaak), waar de opslag van materieel voor het klusbedrijf plaatsvindt. Daarbij vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats en worden de bouwmogelijkheden niet uitgebreid of versoepeld. Op basis van de online CROWtool “parkeren en verkeersgeneratie” kan de verkeersgeneratie van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. Uitgaande van een vrijstaande woning en 380 m2 aan bedrijfsbebouwing (loods van ca. 95 m2 en schuur ca.
285 m2) komt dit neer op gemiddeld maximaal 37 motorvoertuigen per etmaal. Hierbij is gekozen voor een vrijstaande woning en een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf, zoals opslag, in het buitengebied van de gemeente Goirle. Gezien het feit dat op het perceel voorheen een intensieve veehouderij gevestigd was en met het planvoornemen een kleinschalig klusbedrijf (eenmanszaak) van maximaal milieucategorie 2 mogelijk wordt gemaakt, is de verwachting echter dat het aantal verkeersbewegingen afneemt. Daarbij beschikken de omliggende wegen over voldoende capaciteit om het personen- en goederenvervoer af te wikkelen. De ontsluiting van het plangebied verloopt rechtstreeks via de parallelweg langs de Turnhoutsebaan. De parallelweg komt uit op de Turnhoutsebaan, welke in noordelijke richting langs de kern Goirle, richting Tilburg loopt. In zuidelijke richting bevindt zich de Belgische grens. Wordt de Turnhoutsebaan in noordelijke richting gevolgd, dan is het mogelijk de Rijksweg A58 in oostelijke en westelijke richting op te rijden.
36
Op circa 1 kilometer afstand bevinden zich aan beide kanten van de weg twee bushaltes genaamd “Goirle Natuurpoort Roovertsche Leij”. Deze worden bediend door de Belgische busmaatschappij De Lijn. Langs deze halte rijden de lijnen 450 (Tilburg - Poppel – Turnhout), 456 (Poppel – Arendonk) en 458 (Poppel Hoogstraten Scholen). Parkeren Op basis van de online CROW-tool “parkeren en verkeersgeneratie” kan het aantal benodigde parkeerplaatsen bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. Uitgaande van een vrijstaande woning in het buitengebied van de gemeente Goirle, komt dit uit op minimaal 2 en maximaal 3 parkeerplaatsen. Uitgaande van 380 m2 aan bedrijfsbebouwing (loods van ca. 95 m2 en schuur van ca. 285 m2) komt dit neer op minimaal 5 en maximaal 7 parkeerplaatsen. Hierbij is gekozen voor een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf, zoals opslag, in het buitengebied van de gemeente Goirle. Uitgaande van de maximale normen, komt dit uit op 10 parkeerplaatsen. Op het eigen erf is voldoende ruimte voor deze parkeerplaatsen. Conclusie De ontwikkeling past binnen het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan van de gemeente Goirle. Aanpassingen aan de bestaande infrastructuur zijn niet noodzakelijk. Het parkeren zal plaatsvinden op het eigen erf. Daarnaast zullen met de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.
37
HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.
Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakte van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.
Voorbeelden van objecten met gevoelige functies zijn woningen, ziekenhuizen en scholen. Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgende de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden: 1. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied); 2. Een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Het plangebied ligt op circa 70 meter van een stiltegebied. Daarnaast ligt het plangebied te midden van kleinschalige (agrarische) bedrijven en een woonbestemming. Het plangebied valt daarom onder het omgevingstype ‘rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied)’. De minimale afstand per categorie is in de tabel weergegeven.
Deze afstanden zijn afkomstig uit de VNG ‘Handreiking Bedrijven en milieuzonering’ (2009). 38
Categorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand tot omgevingstype ‘rustig buitengebied’ 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Het planvoornemen voorziet in een bestemmingsplanwijziging, ten behoeve van een voormalig agrarisch bedrijf naar een kleinschalig klusbedrijf (eenmanszaak) met maximaal milieucategorie 2, waar opslag van materieel voor het klusbedrijf plaatsvindt. Zodoende moet getoetst worden aan een richtafstand van 30 meter. In een nabijheid van 30 meter, gemeten vanaf het plangebied, komt één object voor met een gevoelige functie. Dit is de woning van het aangrenzende perceel (Turnhoutsebaan 10). De functie ‘wonen’ is doorgaans goed verenigbaar met milieucategorieën 1 en 2. De verwachting is daardoor dat met het planvoornemen geen effecten optreden die hinder veroorzaken op de woning aan de Turnhoutsebaan 10. Conclusie Vanuit het aspect milieuhinder en bedrijven bestaat er geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.
Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
39
De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10−6/jaar). Dit betekent dat indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt, de kans op overlijden groter is dan 1 op de 1 miljoen per jaar. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6.
Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - De kans op een ongeval; - Het effect van het ongeval; - Het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; - De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval.
40
Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.
Akker en tuinbouw CJ Schellekens
Golfbaan
GreetZZ Ballonvaart
Afbeelding 15: Uitsnede Risicokaart Nederland (plangebied is rood omlijnd)
Inrichtingen Buiten het plangebied liggen enkele inrichtingen die werken met gevaarlijke stoffen. Deze zijn weergegeven in afbeelding 15. Dit betreft een akker- en tuinbouwbedrijf, een golfbaan en bedrijf dat voorziet in ballonvaarten. Deze bedrijven maken allemaal gebruik van een propaantank. De inrichtingen hebben echter geen risicocontour die binnen het plangebied valt. Transport Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in de gemeente Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. Op basis van de Risicokaart, worden geen belemmeringen voorzien voor het plangebied. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op circa 950 meter van het plangebied ligt een defensiepijpleiding. Het wettelijke plaatsgebonden risico bedraagt 10-6. De pijpleiding heeft echter geen risicocontour die binnen het plangebied valt. 41
Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten. Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts).
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Groepsrisicoverantwoording Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden indien het plangebied is gelegen in het invloedsgebied en er sprake is van het toevoegen van een kwetsbaar object. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen én buiten het plan. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft voor de gemeente Goirle een standaardadvies opgesteld ten behoeve van kleine bestemmingsplannen die geen bijzondere of zeer kwetsbare objecten mogelijk maken, dan wel op voldoende afstand van een risicovolle inrichting of transportroute/buisleiding zijn gelegen.
Zeer kwetsbare gebouwen hebben volgens het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Omgevingswet) een: - Gezondheidsfunctie met bed-gebied; - Woonfunctie voor zorg; - Onderwijsfunctie (basisschool); - Onderwijsfunctie (minderjarigen met lichamelijk of geestelijke beperking); - Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang; - Celfunctie. 42
Met de ontwikkeling wordt geen zeer kwetsbaar object opgericht. De afstand tot het dichtstbijzijnde risicovolle transportroute en buisleidingen is circa 950 meter en er worden met het ruimtelijk plan geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied toegevoegd. Er vindt enkel een functiewijziging plaats. Voor wat betreft de ligging van het plangebied binnen de invloedsgebieden van de risicovolle transportroute A58 en de buisleidingen van de Gasunie kan derhalve gebruik worden gemaakt van het standaardadvies. De standaard groepsrisicoverantwoording en het standaardadvies van de Veiligheidsregio zijn derhalve als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Conclusie Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling. 5.3.
Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Wegverkeer In onderhavige situatie is sprake van een functiewijziging waarbij de situatie voor de bedrijfswoning niet wijzigt (komt niet dichter bij de weg te liggen). Een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. Industrie Uit paragraaf 5.1 is gebleken dat met het planvoornemen geen effecten optreden die hinder veroorzaken op nabij gelegen objecten met een gevoelige functie. Een nader akoestisch onderzoek omtrent industrielawaai is daarmee niet noodzakelijk. Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van de Wgh gelden geen restricties voor dit bestemmingsplan. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.4.
Luchtkwaliteit Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. 43
In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Het Ministerie van infrastructuur en Milieu heeft in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld, waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of een bepaald plan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van stof in de buitenlucht. De verwachting is dat het aantal verkeersbewegingen afneemt, aangezien op het perceel voorheen een intensieve veehouderij gevestigd was en met het planvoornemen een kleinschalig klusbedrijf (eenmanszaak) van maximaal milieucategorie 2 mogelijk wordt gemaakt. De verkeersafname en de kleinschaligheid van het klusbedrijf zullen een positief effect tot gevolg hebben op de luchtkwaliteit. Op dit vlak kan het planvoornemen dus onbelemmerd doorgang vinden. Conclusie Er bestaan voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. 5.5.
Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet, ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening, worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Het planvoornemen voorziet in een bestemmingsplanwijziging, ten behoeve van een voormalig agrarisch bedrijf naar een kleinschalig klusbedrijf (eenmanszaak), waar opslag van materieel voor het klusbedrijf plaatsvindt. Daarbij vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats en worden de bouwmogelijkheden niet uitgebreid of versoepeld. Zodoende is een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied ondervindt ten aanzien van bodem geen belemmeringen.
44
5.6.
Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt per 1 januari 2017 de Boswet, Floraen faunawet en de Natuurbeschermingswet 1988. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). (Binnen de provincie wordt het Natuurnetwerk Brabant (NNB) gehanteerd.) Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. Bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. Decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. Vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wnb. Gebiedsbescherming In het kader van de Wnb en NNN dient getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventuele buiten het NNN geleden bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen.
Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina, Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels Laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is circa 1,2 kilometer. Dit betreft het natuurgebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN betreft enkele meters. Dit is te zien in onderstaande afbeelding.
45
Afbeelding 16: Uitsnede Natuurbeheerplan Noord-Brabant. Plangebied rood omlijnd.
Het planvoornemen voorziet in een bestemmingsplanwijziging, waarbij geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden en alleen een functieverandering aan de orde is. Daarnaast worden de bouwmogelijkheden niet uitgebreid of versoepeld en valt het plangebied niet binnen het NNN of een Natura 2000gebied. Het is hierdoor niet aannemelijk dat het plan negatieve effecten veroorzaakt op deze natuurgebieden. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wnb.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
46
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht ten nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, vernielen of te verstoren. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Het planvoornemen voorziet in een bestemmingsplanwijziging, wat enkel een functieverandering betreft en waarbij geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Daarnaast worden de bouwmogelijkheden niet uitgebreid of versoepeld. Er vinden dus geen ingrepen plaats aan de bestaande bebouwing of de omgeving van het plangebied die van invloed zijn op mogelijk aanwezige beschermde plant- en diersoorten. Een Quickscan natuurwetgeving is niet noodzakelijk.
Stikstofdepositie Natura 2000-gebieden Bij ontwikkelingen die tot gevolg hebben dat de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden toeneemt, is een stikstofdepositieonderzoek noodzakelijk. Het plangebied ligt op circa 1,2 kilometer van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. In onderhavige situatie vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Ook is er geen sprake van uitbreiding of versoepeling van de bebouwingsmogelijkheden. In de nieuwe situatie zal de bedrijfsbestemming worden gebruikt voor de opslag van het eigen materieel. Daarnaast was op het perceel voorheen een intensieve veehouderij gevestigd en wordt met het planvoornemen een kleinschalig klusbedrijf (eenmanszaak) van maximaal milieucategorie 2 mogelijk gemaakt. De verwachting is daardoor dat het aantal verkeersbewegingen afneemt. Aangezien er geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden en het aantal verkeersbewegingen af zal nemen, is een stikstofdepositieonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied ondervindt ten aanzien van de natuurwetgeving geen belemmeringen.
47
HOOFDSTUK 6 WATER De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan. 6.1.
Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Provinciaal Milieu en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen voor het milieuen waterbeleid in de provincie. De hoofddoelen van dit plan zijn: Voldoende water voor mens, plant en dier; Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Structuurvisie De provincie gaat ervan uit dat de wateroverlast in de regionale watersystemen in 2015 aangepakt is waarbij de trits “vasthouden, bergen, afvoeren” als uitgangspunt geldt. Het vasthouden van het water vindt zoveel als mogelijk bovenstrooms op de hoger gelegen gebieden plaats in de zogenaamde brongebieden. Hier liggen kansen voor de koppeling met natuurontwikkeling en droogtebestrijding.
Ook in de nabijheid van de grote steden liggen kansen voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied.
48
Waterschap De Dommel Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken: Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water'; Handreiking Watertoets; Keur 2015. Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water' Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.
Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen zijn: - Voldoende water voor landbouw en natuur; - Wateroverlast en hittestress; - Kringloop denken; - Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; - Vergroten waterbewustzijn.
49
Handreiking watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De initiatiefnemer verwoordt in een waterparagraaf zijn afweging van de waterhuishoudkundige aspecten. Het waterschap geeft hierover een wateradvies. De Handreiking watertoets die door het waterschap De Dommel is opgesteld is een middel om te komen tot een evenwichtige watertoets. Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren.
Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: - Het dempen of wijzigen van een watergang; - Het aanleggen van kabels of leidingen; - Het planten van bomen en struiken; - Het brengen van water in een watergang. Gemeente Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 Als antwoord op de zorgplicht voortkomend uit de Wet milieubeheer, is door de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 (VGRP) vastgesteld. Doelstellingen van het VGRP zijn: - Beschermen volksgezondheid; - Voorkomen wateroverlast; - Voorkomen grondwateroverlast; - Voorkomen milieuoverlast; - Voorkomen instortingsgevaar (riolering); - Voorkomen langdurige lozingsbeperking (riolering). De gemeente Goirle en waterpartners streven naar een integrale en duurzame benadering van het watersysteem en de afvalwaterketen. Hierbij wordt nadrukkelijk samenwerking tussen de ketenpartners gezocht.
50
Integraliteit en samenwerking zijn hierbij geen doelen op zich, maar essentiële randvoorwaarden om kosten en kwetsbaarheid te verminderen en de kwaliteit en kennisuitwisseling te verbeteren. Door klimaatverandering wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Het blijven verruimen van de ondergrondse riolering is geen optie, de afvoercapaciteit zal tijdens extreme neerslagomstandigheden niet toereikend zijn en het is bovendien te kostbaar. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolstelsel. Om droge voeten te houden en schade te voorkomen wordt ruimte gecreëerd in het groen, oppervlaktewater en/of de openbare ruimte. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater, aanpassing van waterpartijen en/of bovengrondse water regulerende constructies (bovengrondse waterslimme oplossingen).
Indien doelmatig draagt de perceelseigenaar een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave. Afkoppelen is hierbij een van de middelen. Nieuwe ontwikkelingen en reconstructies worden hydrologisch neutraal ingepast. Gestreefd wordt om de menselijke activiteiten zo veel mogelijk af te stemmen op de natuurlijke (grond)waterfluctuaties. 6.2.
Huidige en toekomstige situatie Verdeling verhard oppervlak De bebouwing van het plangebied bestaat momenteel uit een loods, een schuur en een bedrijfswoning. Rondom de bebouwing is terreinverharding aanwezig om toegang te geven tot de bebouwing. In totaal is dit circa 2.220 m2 aan verharding. Het overige deel van het plangebied is onverhard. In onderstaande tabel is dit schematisch weergegeven. Oppervlaktes Huidige én toekomstige (m2) Verharding Loods: ca. 95 m2 Bedrijfswoning: ca. 140 m2 Schuur: ca. 285 m2 Terreinverharding: ca. 1.700 m2 Totaal circa 2.220 m2 Onverhard terrein Totaal
Ca. 3.845 m2 Ca. 6.065 m2
51
Op basis van het beleid van het waterschap dienen voor een toename van het verhard oppervlak van tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening. Zoals de tabel inzichtelijk maakt, wijzigt de hoeveelheid oppervlakteverharding door het planvoornemen in de toekomstige situatie niet ten opzichte van de huidige situatie. Compenserende maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk. Bodem en grondwater In het kader van de Wro dient aangetoond te worden of de bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de nieuwe functie en hoe toekomstige verontreinigingen voorkomen kunnen worden. Het plangebied ligt op ca. 15 meter boven Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Het gebied ligt op leem met een zanddek dat tot de Formatie van Boxtel wordt gerekend. De Formatie van Boxtel is een smeltrivierafzetting wat wordt gekenmerkt door de fijne korrelgrootte.
Afbeelding 17: Uitsnede Landschapsbeleidplan Goirle.
De waterdoorlatendheid (k-waarde) van ‘zandige leem’ en ‘middelfijn zand’ is respectievelijk 0,3 en 1 tot 5 meter per etmaal. Daarmee is de doorlatendheid van ‘zandige leem’ matig, maar van ‘middelfijn zand’ goed. Grondwater Binnen het plangebied worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de grondwaterstand beïnvloeden (zoals drainages en onttrekkingen).
52
Oppervlaktewater en watergangen
Afbeelding 18: Uitsnede Legger Waterschap De Dommel (plangebied is rood omlijnd).
Aan de oostelijke zijde van het perceel ligt zowel een A-watergang als Bwatergang. In zuidwestelijke richting ligt een B-watergang. De A-watergang heeft in westelijke richting een beschermingszone van 1 meter en in oostelijke richting een beschermingszone van 5 meter. Deze zone dient vrij gehouden te worden van obstakels, zoals heggen, bomen, opstallen en verhardingen, ten behoeve van onderhoud. Afwijkingen dienen te worden gereguleerd middels een watervergunning. Voor de B-Watergang geldt een afwijkende onderhoudsplicht. Voor dergelijke Bwatergangen geldt dat de onderhoudsplicht in het algemeen berust bij de eigenaar of gebruiker van de aan het oppervlaktewaterlichaam grenzende gronden, voor de halve breedte van dat oppervlaktewaterlichaam. Via het omgevingsloket zal een vergunning aangevraagd worden voor de aanplant van de bomen binnen de bovengenoemde beschermingszones. De bomen die aangeplant worden t.b.v. de landschappelijke inpassing, vallen echter buiten deze zones. Afvalwater Het vrijkomende huishoudelijke afvalwater blijft net als in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijke drukriolering. Er vindt door de functiewijziging geen toename plaats van de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater. Daarom zijn er geen aanpassingen vereist.
53
Hemelwater Het vrijkomende hemelwater wordt net als in de huidige situatie in de nabije omgeving geïnfiltreerd en bij extreme neerslag afgevoerd via de aanwezige watergangen, natuur, tuin of landbouwgrond.
54
HOOFDSTUK 7. OPZET PLANREGELS In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen. 7.1.
Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
7.2.
Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
7.3.
Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: - Bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; - Bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; - Nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; - Afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; - Specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; - Afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; - Wijzigingsbevoegdheid. Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen. 55
‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van agrarische doeleinden, waarbij het behoud, herstel en/of ontwikkeling van hydrologische waarden en behoud van cultuurhistorische waarden van belang zijn. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor behoud en ontwikkeling van (kleinschalige) landschapselementen; het behoud, herstel en/of ontwikkeling van paden, wegen en parkeervoorzieningen én voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen nieuwe gebouwen, met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunde voorzieningen, worden gebouwd. De bouwhoogte en oppervlakte mogen niet meer dan respectievelijk 3 meter en 1,5 ha bedragen. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer mag bedragen dan 5 m. Daarnaast is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren. ‘Bedrijf’ (Artikel 4) Binnen deze bestemming is de vestiging van één bedrijf met één bedrijfswoning toegestaan. Dit bedrijf kan voorzien in bedrijfsmatige en hobbymatige statische opslag.
Statische opslag is in onderhavig bestemmingsplan gedefinieerd als: “binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd (agrarisch) bedrijf”. Daarnaast zijn de gronden binnen deze bestemming bestemd voor parkeer-, nuts- en groenvoorzieningen, interne ontsluitingswegen, (on)bebouwde gronden en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op grond van de bouwregels mag op deze locatie de maximaal bebouwde oppervlakte aan bedrijfsgebouwen niet meer bedragen dan 750 m 2. Bedrijfsgebouwen hebben een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 12 meter en worden gesitueerd op een afstand van 3 m achter de achtergevel van de bedrijfswoning, waarbij geldt dat de afstand tot de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 15 meter. De aftstand tot de bestemmingsgrenzen mag niet minder bedragen dan 1 meter. De bedrijfswoning heeft een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter en een maximale inhoud van 750 m3. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 100 m². De maximale goot- en bouwhoogtes zijn respectievelijk 3 en 5,5 meter. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 meter bedragen.
56
Daarnaast kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen en zijn bepalingen opgenomen omtrent het strijdig gebruik van de bestemming. Onder strijdig gebruik wordt onder andere verstaan het in gebruik nemen van de bestemming zonder de aanleg, het onderhoud en de duurzame instandhouding van de landschapselementen. Hierbij wordt het landschappelijk inpassingsplan in acht genomen. In de bestemming is ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd onder voorwaarden de bestemming ‘Bedrijf’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. ‘Natuur’ (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschaps-, natuur- en hydrologische waarden. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor het behoud van cultuurhistorische waarden, ecologische verbindingszones, het behoud, herstel en/of ontwikkeling van paden, wegen en parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen én extensief recreatief medegebruik. Op of in deze gronden mogen in principe geen nieuwe bouwwerken worden gebouwd. Burgemeester en wethouders zijn echter bevoegd onder voorwaarden vrijstelling te verlenen. Daarnaast is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren.
‘Verkeer’ (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen voor de wegenstructuur van het plangebied. Wegen, paden en straten met overwegend een verkeersfunctie hebben de bestemming ‘Verkeer’. Op deze bestemming zijn ook groenvoorzieningen, extensief recreatief medegebruik en water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van verkeerskundige doeleinden. Daarnaast geldt een bouwhoogte voor palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer van maximaal 12 meter. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m. 7.4.
Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, aanduidings-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels.
57
Anti-dubbeltelregel In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De antidubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bestemmingsgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Daarnaast zijn ook de parkeernormen in de algemene bouwregels opgenomen. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen.
Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen, zodra wettelijke regels en/of publicaties wijzigen na vaststelling van het plan. Algemene procedureregels In dit artikel zijn de regels opgenomen die burgemeester en wethouders in acht dienen te nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regel over andere eisen. Overige regels Dit artikel bevat een bepaling over de wettelijke regelingen waar in de planregels naar wordt verwezen. 7.5.
Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. 58
Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2). Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
59
HOOFDSTUK 8. UITVOERBAARHEID 8.1.
Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening moet een exploitatieplan worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorzien, tenzij het verhaal van grondexploitatiekosten over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins, zoals bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, is verzekerd, of, zoals hier het geval is, er geen kosten in het openbaar gebied worden gemaakt. Nu deze laatste situatie zich voordoet kan gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan worden besloten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Het project wordt op kosten van initiatiefnemer gerealiseerd. Het bestemmingsplan is opgesteld op kosten van de initiatiefnemer. Alleen de kosten voor begeleiding van de planologische procedure komen voor rekening van de gemeente (waarvoor leges bij initiatiefnemer in rekening worden gebracht). Omdat het verhaal van kosten daarmee is verzekerd, is het op- en vaststellen van een exploitatieplan niet vereist en kan als zodanig worden besloten. Met initiatiefnemer is een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.
8.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het voorontwerpbestemmingsplan “Turnhoutsebaan 8 Goirle” voorziet in de wijziging van de agrarische bestemming in een bedrijvenbestemming ten behoeve van de opslag van een klusbedrijf gericht op grondwerk, weg- en waterbouwgrondverzet. Het plan is naar de vaste overlegpartners toegestuurd. Dit betreft de provincie Noord-Brabant en waterschap De Dommel. Van het waterschap is geen vooroverlegreactie ontvangen. Van de provincie Noord-Brabant is wel een vooroverlegreactie ontvangen. Deze is toegevoegd in bijlage 5. Hierin geeft de provincie aan dat op het vlak van de noodzakelijke kwaliteitsverbetering van het landschap bestemmingswaarden gebruikt worden die ongebruikelijk laag zijn voor de bestemming ‘Bedrijf’ in de betreffende regio, maar ook in de rest van de provincie. Deze bestemmingswaarde bedraagt €45 per vierkante meter. Op basis van de vooroverlegreactie, is de bestemmingswaarde aangepast naar €90 per vierkante meter voor ‘Bedrijf bebouwd’ en €45 per vierkante meter voor ‘Bedrijf onbebouwd’. Het plan is onderworpen aan inspraak en heeft drie weken (10-09-2020 tot 01-10-2020) ter inzage gelegen. Afhankelijk van ingekomen inspraakreacties en/of eigen inzichten kan het voorontwerpbestemmingsplan aangepast worden. Tijdens deze periode zijn geen inspraakreacties ingediend.
60
Op grond van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 5 november 2020 gedurende zes weken (tot en met 16 december 2020) voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan wordt derhalve ongewijzigd vastgesteld.
61
BIJLAGEN BIJ DE PLANTOELICHTING
BIJLAGE 1: Toelichting Staat van Bedrijfsactiviteiten
Toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten Inleiding Een goede milieuhygiënische kwaliteit in gebieden kan worden gerealiseerd door een juiste afstemming van de situering van bedrijven en milieugevoelige functies (zoals woningen). Om dit te bereiken kunnen globaal bezien twee wegen worden bewandeld: - beïnvloeding door middel van ruimtelijke ordening; - het nemen van maatregelen op het milieuhygiënische vlak. De ruimtelijke ordening fungeert daarbij als het beleidskader en vormt een "grove zeef", waarbij getracht wordt de juiste functie op de juiste plaats te situeren. Bij de ruimtelijke ordening zijn het aanhouden van afstand tussen bron en gevoelig object (zonering) en functietoedeling de belangrijkste middelen. Milieuhygiënische maatregelen zorgen er vervolgens voor dat, zo nodig, voor de inrichting maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van hinder in het omliggende gebied. Bij de regeling in het bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van een "Staat van bedrijfsactiviteiten", gebaseerd op de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, publicatie juni 2007; “het groene boekje”).
Door het koppelen van soorten bedrijven aan richtafstanden met betrekking tot aan te houden afstanden tussen bedrijven en milieugevoelige objecten biedt de staat een (aanvullend) instrument voor ruimtelijk-ordeningsbeleid bij bestemmingsplannen. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de Staat van bedrijfsactiviteiten. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de eerdergenoemde publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG. Staat van bedrijfsactiviteiten De Staat van bedrijfsactiviteiten geeft slechts inzicht in milieu-planologische aspecten per bedrijfstype en een specifieke bedrijfssituatie. Voor de onderscheiden bedrijfstypen, gerangschikt volgens de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-lijst) van het CBS, zijn per bedrijfstype voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de richtafstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf, bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten (de milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties) en een rustige woonwijk. Bij het aanhouden van de richtafstanden tussen de bedrijven/bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige objecten (woningen) kan hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen worden gehouden. Onder bedrijven worden in dit verband ook begrepen landbouw- en recreatiebedrijven en milieubelastende vormen van publieke dienstverlening en openbare instellingen.
Onder milieugevoelige objecten vallen ook ziekenhuizen scholen en terreinen voor verblijfsrecratie. Naast een "algemene staat van bedrijfsactiviteiten" die met name is toegespitst op specifieke bedrijfsterreinen is ook een staat van bedrijfsactiviteiten opgesteld voor gebieden waarbij sprake is van een functiemenging. Daarbij wordt gedacht aan : - stadscentra,dorpskernen en winkelcentra; - horecaconcentratiegebieden; - zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen;
- (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan daarbij gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld een grotere levendigheid tot stand te brengen. Het toepassen van een specifieke staat van bedrijfactiviteiten wordt daarbij wenselijk geacht omdat de activiteiten in dergelijke functiemenggebieden qua schaal sterk kunnen verschillen van de activiteiten op specifieke bedrijventerreinen. Categorie-indeling functiemenging In de bijgaande lijst voor functiemenging is gekozen voor een indeling in drie categorieën: Categorie A Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelastingvoor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en ander gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C De activiteiten genoemd onder categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeeraantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Randvoorwaarden Voor de toelaatbaarheid van de activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; 2. productie en/of laad- en loswerkzamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; 4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de infrastructuur. Uitwerking staat van bedrijfsactiviteiten Naast de boevengenoemde randvoorwaarden zijn bij de selectie van de bijgaande lijst de volgende criteria gehanteerd: - voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1; - voor categorie B gaat het om activiteiten: o in categorie 1 voor het aspect gevaar; o in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur; o in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid; o met een in deze voor verkeer van maximaal 1g (goederen) en 2p (personen); - voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, echter met een index voor verkeer van maximaal 2g (goederen) en 3p (personen); - vuurwerkbesluit is van toepassing.
BIJLAGE 2: Landschappelijk inpassingsplan
HOOFDSTUK 1. AANLEIDING
Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkeling waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist);