CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Ontwerp bestemmingsplan Koestraat ongenummerd.pdf

Besluitvormend 2 februari 2021, gemeente GoirleBij agendapunt: 9.: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Koestraat ongenummerd (Riel)21.641 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

29

4.4.

Landschapsbeleidsplan In 2016 is heeft de gemeente Goirle het Landschapsbeleidsplan vastgesteld om ingrepen in het landschap te begeleiden en toetsen en daarnaast een ambitie neer te zetten die inspireert tot nieuwe ontwikkelingen. Het landschapsbeleidsplan bestaat uit twee delen. In deel A zijn de uitgangspunten voor een aantrekkelijk, vitaal en beleefbaar landschap binnen een duurzaam en robuust raamwerk opgenomen. Deel B beschrijft per deelgebied de ruimtelijke karakteristiek en geeft concrete spelregels en praktische inrichtingsmaatregelen. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘West: Rielsche Heideontginning met het Beekdal van de Hultensche Leij’. De Rielsche Heide is een jonge heide ontginning, een ruim opgezet open landbouwgebied met efficiënt ingerichte verkaveling en verspreid liggende erven, enkele historische routes en lanen en hier en daar beplantte stuifduinen en zandwallen. De Hultensche Leij doorsnijdt het open gebied van Deelgebied West en heeft potentie tot een natuurlijke beek en waterbuffer. Door de ontwikkeling van een netwerk van kruidenrijke bermen en randen ontstaat een agrarisch landschap met hoge biodiversiteit.

Als concrete spelregels voor dit deelgebied worden aangedragen: - Openheid van rationeel verkaveld landschap benadrukken, door het inzetten op kruidenrijke bermen en weide- en akkerranden en duidelijke laanbeplanting van de wegen aan de randen. - Bebouwing en erven zijn robuuste en stevige composities in het open landschap. - De cultuurhistorische zandwallen benadrukken. - Netwerk van ommetjes, o.a. over verdwenen zandpaden creëren. Voor erven en tuinen kan dit worden gecreëerd met onderstaande basisspelregels, beplantingssoorten en beheer. Schaalniveau Erf/tuin

Basisspelregel Bebouwing aan een zijde in dicht struweelrand Achterzijde van erfdeel inplanten met struweel afhankelijk van functionele indeling van achtererf Voorzijde van erf siertuin, solitaire bomen en fruitboomgaarden

Beplantingssoorten Vuilboom, meidoorn, sleedoorn, hondsroos, hazelaar, krentenboompje, veldesdoorn, lijsterbes

Beheer Divers en particulier

Linden aan voorzijde erf, noot, tamme kastanje en fruitbomen, zoete kers

Divers en particulier

Voor het plangebied is op basis van bovenstaande een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Zoals reeds uiteen is gezet zal de zuidelijke perceelgrens worden voorzien van een knip- en scheerheg van 40 meter lang. De noordelijke perceelgrens wordt voorzien van 30 meter lange houtwal van 5 meter breed. Op die manier wordt de historische strokenverkaveling in de omgeving teruggebracht. A select zullen er ook nog wat solitaire landschapsbomen worden 30

aangeplant. Er zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van inheemse soorten. Het volledige landschappelijke inpassingsplan is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. 4.5.

Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema's verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Voor de beoogde ontwikkeling zijn met name de aspecten ontsluiting van het plangebied en parkeren van belang. Ontsluiting van het plangebied Op basis van de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' kan de verkeersgeneratie van een ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied wordt een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 vervoersbewegingen per dag voorgeschreven. Voor een middenklasse hotel (3* hotel) in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van maximaal 2,1 vervoersbewegingen per kamer per dag. In totaliteit resulteert het initiatief dus in een verkeersgeneratie van 12,8 vervoersbewegingen per dag.

Het plangebied is gelegen aan de Koestraat, welke in noordelijke richting wordt ontsloten door de Looienhoek en in zuidelijke richting via de Akkerweg. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen van één woning met ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie, welke voornamelijk bestaan uit personenvervoer met lichte motorvoertuigen, af te wikkelen. Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het CROW. Dit is in de planregels van het vigerende bestemmingsplan opgenomen. Voor het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied is voor wat betreft de woning aangesloten bij de parkeercijfers voor het segment ‘koop, vrijstaand’. De mate van stedelijkheid ter plaatse is ‘niet stedelijk’ en de locatie is gelegen in ‘buitengebied’. Hieruit volgt dat per woning gemiddeld voorzien moet worden in 2,4 parkeerplaatsen. Voor een middenklasse hotel (3* hotel) in het buitengebied geldt een parkeernorm van 0,7

31

parkeerplaatsen per kamer. Dit betekent dat er binnen het plangebied voorzien moet worden in minimaal 3,8 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor het parkeren en manoeuvreren van minimaal 4 auto’s. De minimale parkeernorm is in de planregels opgenomen, zodat is verzekerd dat aan deze randvoorwaarde wordt voldaan. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zullen er geen belemmeringen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.

32

HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.

Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Invloed van de omgeving op het voornemen Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen het plangebied een woning met ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie in het daarbij behorende bijgebouw mogelijk gemaakt. Dit betreft een nieuwe gevoelige functie. Om aan te tonen dat het plangebied op gepaste afstand van veehouderijen in de omgeving is gelegen wordt in paragraaf 5.6 het aspect geur nader uiteengezet. Geur vormt namelijk het maatgevende aspect als het gaat om milieuzonering tussen veehouderijen en milieugevoelige objecten.

In de Wet geurhinder en veehouderij is ook opgenomen dat die Wet het exclusieve toetsingskader is ten aanzien van geur afkomstig van veehouderijen. Ten opzichte van agrarische bedrijven waar geen vee gehouden wordt, wordt wel getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf – niet zijne een veehouderij – ten opzichte van het plangebied is gelegen aan de Akkerweg 1. Voor dergelijke bedrijven geldt op grond van de VNG handreiking een richtafstand van 30 meter. De kortste afstand tussen het plangebied en het agrarisch bedrijf aan de Akkerweg 1 bedraagt circa 71 meter. Hiermee wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Het dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijf In de omgeving van het plangebied is gelegen aan de Akkerweg 2 en betreft een fitnesscentrum. Op basis van de VNG handreiking geldt voor een dergelijk bedrijf tevens een richtafstand van 30 meter. De inrichting aan de Akkerweg 2 is op een afstand van circa 177 meter ten opzichte van het plangebied gelegen. Ook ten opzichte van dit bedrijf wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Invloed van het voornemen op omgeving Uit voorgaande paragraaf blijkt dat het plangebied op gepaste afstand van bedrijvigheid in de omgeving is gesitueerd. Hierdoor vormt het initiatief dan ook

33

geen onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven. Voor veehouderijen wordt dit nog nader uiteengezet in paragraaf 5.6. Conclusie Gezien hetgeen hierboven beschreven kan geconcludeerd worden dat de beoogde gevoelige functie geen nadelige invloed heeft van de nabij gelegen inrichtingen. Tevens heeft de beoogde functie geen negatieve invloed op de bestaande rechten van omliggende woningen en bedrijven. 5.2.

Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) 34

en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Inrichtingen De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op een afstand van circa 415 meter ten zuiden van het plangebied, zie onderstaande afbeelding. Dit betreft een inrichting waar een propaantank aanwezig is. Voor een dergelijke opslagvoorziening geldt een veiligheidsafstand van 10 meter. Verder zijn er binnen een afstand van 750 meter van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Er ontstaan daardoor op grond van het Bevi geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied.

35

Afbeelding: uitsnede risicokaart Nederland

Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. De dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd betreft de A58, die op een afstand van circa 2,5 km ten noorden van het plangebied is gelegen. Voor deze transportroute is een invloedsgebied van 4 km vastgesteld voor een toxisch scenario. Hier ligt het plangebied dus in. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verantwoord moeten worden. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Ten noorden van het plangebied zijn twee buisleidingen van de Gasunie, de A-532 en de A657, gelegen op een afstand van circa 235 meter. Het plangebied is derhalve buiten de PR 10-6 contouren van de buisleidingen gelegen, maar binnen de invloedsgebieden. Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés).

Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden 36

doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten. Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Groepsrisicoverantwoording Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), verantwoord te worden indien het plangebied is gelegen in het invloedsgebied en er sprake is van het toevoegen van een kwetsbaar object.

Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen èn buiten het plan. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft voor de gemeente Goirle een standaardadvies opgesteld ten behoeve van kleine bestemmingsplannen die geen bijzondere of zeer kwetsbare objecten mogelijk maken, dan wel op voldoende afstand van een risicovolle inrichting of transportroute/buisleiding zijn gelegen. Zeer kwetsbare gebouwen hebben volgens het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Omgevingswet) een: - Gezondheidsfunctie met bed-gebied; - Woonfunctie voor zorg; - Onderwijsfunctie (basisschool); - Onderwijsfunctie (minderjarigen met lichamelijk of geestelijke beperking); - Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang; - Celfunctie. Met de ontwikkeling wordt geen zeer kwetsbaar object opgericht. De afstand tot het dichtstbijzijnde risicovolle transportroute en buisleidingen is meer dan 200 meter en er worden met het ruimtelijk plan geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied toegevoegd.

Er wordt één woning – voor het huisvesten van maximaal één huishouden – met een ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie – in de vorm van maximaal twee bed & breakfast eenheden mogelijk gemaakt. Voor wat betreft de ligging van het plangebied binnen de invloedsgebieden van de risicovolle transportroute A58 en de buisleidingen van 37

de Gasunie kan derhalve gebruik worden gemaakt van het standaardadvies. De standaard groepsrisicoverantwoording en het standaardadvies van de Veiligheidsregio zijn derhalve als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Conclusie Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling. 5.3.

Kabels, leidingen en straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologische relevante buisleidingen en lopen geen relevante straalpaden, zie hiervoor de afbeelding in voorgaande paragraaf. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering.

5.4.

Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Wegverkeer Het initiatief betreft de realisatie van een nieuwe geluidsgevoelige bestemming aan de Koestraat ong. te Riel. De geprojecteerde woning is gelegen binnen de geluidzones - zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh (‘zones langs wegen’) van de Koestraat, Akkerweg en Looienhoek. Voor deze nieuwe geluidsgevoelige bestemmingsplan is derhalve een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door Gbs Milieuadvies. Vervolgens heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wgh. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de rekenpunten – op een afstand van 15 meter uit de as van de weg (voorgevelrooilijn) - niet wordt overschreden. De recreatieve verblijfsvoorziening hoeft niet betrokken te worden in de besluitvorming. Vaste jurisprudentie hierover is dat recreatieverblijven geen geluidsgevoelige objecten zijn, zie ABRvS 30 mei 2000, nr. 199901166/1 (ECLI: NL.RVS.2004.AO5659). In het kader van de Wgh gelden dus geen restricties voor het initiatief.

Het volledige akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Industrie Het plangebied ligt niet binnen en zone/contour van een ingevolgde de Wgh gezoneerd industrieterrein. Ook zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen nieuwe industrieën voorzien. Derhalve is geen sprake van geluidhinderlijke inrichtingen die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen het plangebied. 38

Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde. Conclusie In het kader van de Wgh gelden geen restricties voor het initiatief. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.5.

Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Niet in betekenende mate In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. De beoogde ontwikkeling betreft de ontwikkeling van één ruimte-voor-ruimte woning met ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie in het daarbij behorende bijgebouw. Hierdoor behoort de ontwikkeling tot de categorie woningbouwlocaties.

Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Er wordt met het initiatief dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De ontwikkeling behoort derhalve tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdraagt aan een (verslechtering) van de luchtkwaliteit en kan op dit vlak dus onbelemmerd doorgang vinden. Woon- en leefklimaat Omgekeerd dient aangetoond te worden dat ter plaatse van een het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect 39

luchtkwaliteit. In de Wet zijn grenswaarden opgenomen ten aanzien van de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10, PM2,5 en NO2). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 bedraagt 40 μg/m3, voor PM2,5 25 μg/m3 en voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van deze fijnstoffen geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie op het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,29 μg/m3, voor PM2,5 12,15 μg/m3 en voor NO2 12,2 μg/m3, zie onderstaande afbeeldingen. Er kan ter plaatse van het plangebied dus aan de grenswaarden worden voldaan.

40

Afbeelding: uitsneden GCN-kaarten fijnstof PM10, PM2,5 en NO2

Conclusie Er bestaan voor het initiatief geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

41

5.6.

Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ‘het voorkomen van nieuwe geurhinder’ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een ‘dosis-effectrelatie’(de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven ‘normen’ vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen bij te worden aangesloten.

In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften met betrekking tot geur opgenomen die rechtstreeks gelden voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering. Agrarische geur Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) zijn ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), aldus vastgesteld d.d. 5 oktober 2006, met de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening.

Woon- en leefklimaat De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied is gelegen aan de Koestraat 3. Dit betreft een paardenhouderij. Voor paarden zijn bij ministeriële 42

regeling geen geuremissiefactoren vastgesteld. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wgv dient de afstand tussen een paardenhouderij en een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen, derhalve minimaal 50 meter te bedragen. De kortste afstand tussen het plangebied en de paardenhouderij bedraagt 170 meter. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de vaste afstanden uit de Wgv. Aangezien voldaan kan worden aan de voorwaarde uit de Wet wordt geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur ten aanzien van de paardenhouderij acceptabel is. De dichtstbijzijnde veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld is gelegen op een afstand van circa 390 meter, aan de Oude Tilburgsebaan 12A. Dit betreft een rundveehouderij, waar onder andere vleeskalveren gehouden worden. In de VNG-handreiking wordt voor wat betreft het aspect geur afkomstig van rundveehouderijen een richtafstand van 100 meter voorgeschreven. Alleen voor varkens- en pluimveehouderijen wordt een grotere richtafstand voorgeschreven (200 meter). Aangezien deze typen veehouderijen op nog grotere afstand zijn gelegen kan worden geconcludeerd dat er ruimschoots aan de richtafstand uit de VNG kan worden voldaan.

Dit betekent dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied acceptabel is. Omgekeerde werking In het geval dat een planologische ontwikkeling een geurgevoelig object tot stand doet komen is het omgekeerd van belang dat deze ontwikkeling de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving niet belemmert. Dit kan het geval zijn wanneer een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, zoals die is gesteld in de Wgv. In dit geval zijn er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen gelegen, dan de beoogde ruimte-voor-ruimte kavel met ondergeschikt recreatieve verblijfsfunctie. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen in de omgeving, niet geurgevoelige objecten in het plangebied. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen het plangebied zullen doen. Hierdoor zorgt de ontwikkeling met zekerheid niet voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving. Conclusie De beoogde woning en het daarbij behorende bijgebouw zijn gesitueerd op gepaste afstand van veehouderijen in de omgeving.

Eventuele geurhinder van agrarische bedrijven vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Omgekeerd vormt de ontwikkeling ook geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving. 43

5.7.

Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet - ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening - worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie. Wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven dient een verkennende bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Met het initiatief wordt de ontwikkeling van een ruime-voorruimte woning met ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie in het daarbij behorende bijgebouw mogelijk gemaakt.

Onderzoek In verband met de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied is door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Vervolgens is beoordeeld of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming. Allereerst is er een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid op de locatie. Hieruit zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. Op voorhand is het plangebied derhalve als ‘onverdacht’ ten aanzien van grondverontreiniging gekwalificeerd. Uit de onderzoeksresultaten van één van de grondmengmonsters voor de bovengrond blijkt analytisch een licht verhoogde gehalte aan lood. Deze concentratie overschrijdt de achtergrondwaarde, maar niet de interventiewaarde. In de overige grondmengmonsters – voor zowel de boven- als ondergrond – zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. In het grondwater zijn analytisch licht verhoogde gehalten aan barium en xylenen aangetoond. Ook deze concentraties overschrijden de streefwaarden, maar niet de interventiewaarden. Op basis van deze onderzoeksresultaten kan de hypothese ‘onverdacht’, slechts licht verhoogde gehalten in grond en grondwater, formeel worden aanvaard.

Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor het initiatief. Aanvullende bodemonderzoeken zijn niet noodzakelijk. 5.8.

Natuur In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de 44

beschermde gebieden natuurbescherming.

en

soorten

die

zijn

opgenomen

in

de

Wet

Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen , nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Regte Heide en Riels laag, dat op een afstand van circa 665 meter ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000gebieden.

Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de realisatie- en gebruiksfase van het initiatief.

De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn 45

uiteengezet in de bijlagen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan. Overige storingsfactoren Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Regte Heide en Riels laag leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden e onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: 46

-

Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

Gelet op de aard van het initiatief aan de Koestraat ong., dient met name bepaald te worden of ter plaatse van het plangebied beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen voorkomen te worden en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van de landbouwgronden is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.

Afbeelding: uitsnede locatie Effectenindicator soorten

47

Afbeelding: uitsnede resultaten Effectenindicator soorten

Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van beschermde of bijzonder soorten binnen het plangebied onwaarschijnlijk is. Uiteraard zal ten alle tijden de wettelijke zorg voor in het wild levende dieren en planten in acht worden genomen. Hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, zullen niet beschadigd, vernield of verstoord worden. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. De bestaande bomenrij in de gemeentelijke groenstrook/ wegberm blijft behouden. Een eventuele inrit wordt tussen bestaande bomen aangelegd. 48

Conclusie Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 5.9.

Milieueffectrapportage Algemeen Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder ander de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Onderzoek De activiteit die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., zijnde ‘de aanleg , wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Vanuit de zogenaamde C-lijst geldt voor de ontwikkeling geen direct m.e.r.-plicht.

De activiteit valt vanwege de omvang ervan eveneens buiten de D-lijst (D11.2), omdat de activiteit geen betrekking heeft op: - een oppervlakte van 100 hectare of meer; - een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen, of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Een (vorm)vast m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Wel dient (vormvrij) gemotiveerd te worden dat niet alsnog belangrijk negatieve effecten op het milieu zijn die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. De effecten van het voornemen zijn in vergelijking tot de huidige bestemmingsplan en het gebruik binnen het plangebied minimaal. Zo is de locatie gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Looienhoek’ en zal geen relevant verschil in de verkeersaantrekkende werking optreden in vergelijking met de huidige situatie, waarin reeds vergelijkbare functies in de omgeving van het plangebied zijn gevestigd. Op grond van de in dit kader van dit bestemmingsplan beschreven aspecten (zie vorige paragrafen) en het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.-beoordelingsplicht voortvloeit, wordt 49

geconcludeerd dat bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Voor het project is geen aanleiding om een MER op te stellen. Conclusie Vanuit de m.e.r. wet- en regelgeving zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

50

HOOFDSTUK 6 WATER De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan. 6.1.

Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Provinciaal Milieu en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015 geeft de hoofdlijnen voor het milieuen waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn: - voldoende water voor mens, plant en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Structuurvisie De provincie gaat ervan uit dat de wateroverlast in de regionale watersystemen in 2015 aangepakt is waarbij de trits ‘vasthouden, bergen, afvoeren’ als uitgangspunt geldt. Het vasthouden van het water vindt zoveel als mogelijk bovenstrooms op de hoger gelegen gebieden plaats in de zogenaamde brongebieden. Hier liggen kansen voor de koppeling met natuurontwikkeling en droogtebestrijding.

Ook in de nabijheid van de grote steden liggen kansen voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is waterbeheerder van onder andere de gemeente Goirle en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging 51

(waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt, voor zover relevant, hierna kort besproken: - Waterbeheerplan 2016-2021; - Kadernota 2013-2017; - Ruimte voor de Rivier; - Keur Waterschap Brabantse Delta. Waterbeheerplan Brabantse Delta 2016-2021 Het waterbeheerplan is het resultaat van een dialoog tussen alle verschillende partners die belang hebben bij goed waterbeheer. Het plan geeft inzicht in de doelen die het waterschap de komende zes jaar wil bereiken. Het is afgestemd op de gemeentelijke en provinciale plannen op het gebied van waterbeheer, de Europese Kaderrichtlijn Water en de Stroomgebiedbeheerplannen voor de Maas en de Schelde.

Het gaat over verschillende onderdelen: - het watersysteem, bestaande uit het samenhangende geheel van oppervlaktewater en ondiep grondwater, inclusief kunstwerken zoals pompen en stuwen; het beheer gaat dan over de waterkwaliteit en de waterkwantiteit: over de stoffen in het water, de planten en dieren in en langs het water en over aan- en afvoer van water en het regelen van de waterstanden; - de dijken (waterkeringen) langs de grote en kleine rivieren; - de rioolwaterzuiveringsinstallaties, inclusief de bijbehorende pompen en transportleidingen (samen met de gemeentelijke riolering onderdeel van de afvalwaterketen); - de regionale vaarwegen voor beroeps- en recreatievaart. Kadernota 2018 - 2027 Deze nota beschrijft hoe het waterschap onder meer omgaat met een aantal uitdagingen waarvoor ze gesteld wordt. In eerste instantie gaat het om klimaatadaptatie. De effecten van klimaatverandering zijn groter dan door velen gedacht en er zal een tandje bijgezet moeten worden. Een tweede uitdaging is de waterkwaliteit. Het waterschap is inmiddels gestart met het uitvoeren van een eerste serie watersysteemanalyses, die de komende jaren worden uitgebreid. Het waterschap evalueert daarbij de huidige aanpak en combineert dit met de nieuwste, lokale en (inter)nationale kennisinzichten.

Daarbij zoekt het waterschap actief de samenwerking met bedrijven, inwoners, terreinbeheerders en medeoverheden. Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast 52

mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: - het dempen of wijzigen van een watergang; - het aanleggen van kabels of leidingen; - het planten van bomen en struiken; - het brengen van water in een watergang. Gemeente Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 Als antwoord op de zorgplicht voortkomend uit de Wet milieubeheer, is door de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 (VGRP) vastgesteld. Doelstelling van het VGRP zijn: - beschermen volksgezondheid; - voorkomen wateroverlast; - voorkomen grondwateroverlast; - voorkomen milieuoverlast; - voorkomen instortingsgevaar (riolering); - voorkomen langdurige lozingsbeperking (riolering); De gemeente Goirle en waterpartners streven naar een integrale en duurzame benadering van het watersysteem en de afvalwaterketen. Hierbij wordt nadrukkelijk samenwerking tussen de ketenpartners gezocht.

Integraliteit en samenwerking zijn hierbij geen doelen op zich, maar essentiële randvoorwaarden om kosten en kwetsbaarheid te verminderen en de kwaliteit en kennisuitwisseling te verbeteren. Door klimaatverandering wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Het blijven verruimen van de ondergrondse riolering is geen optie, de afvoercapaciteit zal tijdens extreme neerslagomstandigheden niet toereikend zijn en het is bovendien te kostbaar. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolstelsel. Om droge voeten te houden en schade te voorkomen wordt ruimte gecreëerd in het groen, oppervlaktewater en/of de openbare ruimte. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de 53

opvang van overtollig hemelwater, aanpassing van waterpartijen en/of bovengrondse water regulerende constructies (bovengrondse waterslimme oplossingen). Indien doelmatig draagt de perceelseigenaar een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave. Afkoppelen is hierbij een van de middelen. Nieuwe ontwikkelingen en reconstructies worden hydrologisch neutraal ingepast. Gestreefd wordt om de menselijke activiteiten zo veel mogelijk af te stemmen op de natuurlijke (grond)waterfluctuaties. 6.2.

Huidige en toekomstige situatie Verdeling verhard oppervlak Het plangebied is op dit moment volledig onbebouwd. In de beoogde situatie wordt ter plaatse een ruimte-voor-ruimte kavel ontwikkeld, waar een woning van maximaal 1.000 m3 kan worden gerealiseerd. Dit komt naar verwachting neer op maximaal 200 m2. Hierbij zijn een totale oppervlakte aan bijgebouwen van maximaal 150 m2 – waar onder andere de ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie in gevestigd zal worden – en een carport van maximaal 30 m2 toegestaan. Voor de aan te leggen erfverharding is aangenomen dat maximaal 1.000 m2 van het plangebied zal worden verhard. In de tabel is de geschatte toename aan verhardingen weergegeven. Hieruit blijkt dat in de beoogde situatie een toename van verhard oppervlak plaatsvindt van maximaal 1.380 m2. Tabel: geschatte toename oppervlakteverharding

Oppervlaktes Daken Terrein verhardingen Onverhard terrein Totaal

Huidige m2

Toekomstige m2 0 m2 0 m2 2.500 m2 2.500 m2

380 m2 1.000 m2 1.120 m2 2.500 m2

Bodem en grondwater In het kader van de Wro dient aangetoond te worden of de bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de nieuwe functie en hoe toekomstige verontreinigingen voorkomen kunnen worden. De bodem bestaat voornamelijk uit zandgrond en heeft een goede doorlatendheid. Het maaiveld ligt op circa 17,2 meter ten opzichte van N.A.P. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse is 80-100 cm –MV, zie onderstaande afbeelding.

54

Afbeelding: uitsnede bodematlas Brabant ‘gemiddelde hoogste grondwaterstand’

Grondwater Binnen het plangebied worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de grondwaterstand beïnvloeden (zoals drainages en onttrekkingen). Oppervlaktewater en watergangen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater afkomstig uit zowel de beoogde ruimte-voor-ruimte woning als het daarbij behorende bijgebouw wordt direct aangesloten op de gemeentelijke drukriolering. Hemelwater Voor hemelwater dient onderstaande voorkeursvolgorde te worden toegepast, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik 2. vasthouden / infiltreren 3. bergen en afvoeren 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. afvoeren naar de riolering Hierna wordt de voorkeursvolgorde doorlopen en beargumenteerd voor welke optie is gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. In de algemene regels en de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater is bepaald dat bij een toename van het verharde 55

oppervlak tot 2.000 m2 geen compensatie geëist wordt. Deze oppervlakten leiden hydrologisch gezien tot dermate kleine afvoeren dat deze geen probleem vormen voor de afvoercapaciteit van het afwateringsstelsel. Compenserende maatregelen ten aanzien van de toename verhard oppervlak zijn derhalve niet noodzakelijk. Zoals reeds uiteen is gezet is het plangebied in de huidige situatie volledig onbebouwd. In de beoogde situatie wordt naar schatting maximaal 1.380 m2 verhard oppervlak aangebracht. Hiermee blijft de toename in verhard oppervlak onder de grens van het waterschap. Desalniettemin is het wenselijk dat het hemelwater in eerste instantie op het perceel verwerkt wordt. Hier wordt invulling aan gegeven door het hemelwater af te wateren op de voortuin. Dit water kan dan oppervlakkig overlopen richting de aangrenzende waterloop. Het hemelwater dat op het verhard oppervlak terecht komt wordt dus niet afgewaterd via het gemeentelijke riolering. Bij de inrichting, bouw en beheer worden zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem, conform de waterkwaliteitstrits, 1. schoonhouden 2. scheiden 3. Zuiveren.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer). Hiermee wordt eveneens voldaan aan de voorwaarden ten aanzien van het grondwaterbeschermingsgebied uit de Iov (artikel 3.11). Gebiedsspecifieke waterbelangen In paragraaf 3.2 is reeds uiteengezet dat het plan op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is gelegen in het zogenaamde ‘grondwaterbeschermingsgebied’. Het initiatief vormt geen risico voor de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater, wat in dit gebied getracht beschermd te worden. Uit de kaart ‘Beschermde gebieden Keur’ blijkt dat het plangebied verder niet is gelegen in een attentiegebied (zie hieronder).

56

Afbeelding: uitsnede keurkaart 'Beschermde gebieden' Brabantse Delta

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

57

HOOFDSTUK 7. OPZET PLANREGELS In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen. 7.1.

Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2.

Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3.

Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid.

58

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen. Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is. Hier is tevens de aanduiding ‘bed and breakfast’ opgenomen, waarmee wordt geborgd dat dat uitsluitend ter plaatse van die aanduiding maximaal twee appartementen zijn toegestaan voor tijdelijk recreatief verblijf met een gezamenlijke maximum omvang van 100 m2. Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. De begrippen verblijfsrecreatie, aan huis verbonden beroep en bedrijf zijn omschreven in artikel 1 van de planregels. Belangrijke voorwaarden voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep en bedrijf als nevenfunctie zijn onder meer dat de nevenfunctie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en dat degene die de nevenfunctie uitoefent ook zelf de bewoner van de woning is. Voorts geldt dat geen detailhandel mag plaatsvinden en dat aan huis gebonden bedrijven behoren tot de categorie A volgens de als bijlage bij de regels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten. De toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten is opgenomen als bijlage bij de toelichting.

Verbeelding Op de verbeelding is binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak aangewezen. Woningen (hoofdgebouwen) zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens een algemene regeling voor overschrijding van bouwgrenzen. Bouwregels De bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan het begrip bouwperceel. De omschrijving van een bouwperceel luidt als volgt: 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan'. Daarmee beslaat het bouwperceel nagenoeg altijd het gehele perceel. Het begrip bouwperceel is in die zin direct toepasbaar voor alle particuliere percelen. Onder bouwwerken vallen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen. De bouwregels maken onderscheid tussen de woning (het hoofdgebouw), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Binnen het bouwvlak van de bestemming ‘Wonen’ mag één vrijstaande woning met een maximale inhoud van 1.000 m³, goothoogte van 6 meter en bouwhoogte van 10 meter worden opgericht. Per bestemmingsvlak mogen bijgebouwen met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 150 m² worden opgericht. Een aangebouwd bijgebouw mag voor woondoeleinden worden gebruikt, mits dat niet leidt tot een toename van het aantal woningen. De goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,25 meter bedragen. De bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5,5 meter bedragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1159/documents/19258