CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Nota bodembeheer.pdf

Besluitvormend 4 oktober 2022, gemeente GoirleBij agendapunt: 11.: Raadsvoorstel Nota Bodembeheer30.344 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Toepassen van sterk verontreinigde grond onder de Omgevingswet Voor het toepassen van sterk verontreinigde grond geldt dat dit alleen mag plaatsvinden voor zover de grond of baggerspecie afkomstig is van een diffuus sterk verontreinigde locatie en deze grond of baggerspecie ook weer wordt toegepast op een diffuus sterk verontreinigde locatie binnen het bodembeheergebied (artikel 4.1273 van het Bal). In paragraaf 4.124 van het Bal zijn de specifieke voorwaarden en beperkingen opgenomen voor het stellen van maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie bij het toepassen moeten voldoen. De eisen kunnen worden verscherpt (bij behoefte aan meer bescherming) maar ook worden versoepeld. Het versoepelen van kan echter alleen als de grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied (die wordt aangewezen in het omgevingsplan) en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. Afdeklagen In sommige verontreinigingssituaties wordt gekozen voor het afdekken van de bodemverontreiniging door een leeflaagconstructie. De leeflaag heeft in principe een dikte van 1 meter, waardoor contactrisico’s worden voorkomen. De grond of baggerspecie die wordt toegepast als leeflaag, dient voor wat betreft de kwaliteit overeen te komen met de omgevingskwaliteit, dat wil zeggen de ontgravingskwaliteit van de omliggende bodem.

Hiertoe dient de bodemkwaliteitskaart geraadpleegd te worden. Afdeklagen onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet een afdeklaag voldoen aan de eisen die in artikel 4.1241 van het Bal staan. De leeflaagconstructie moet een minimale dikte van 1,0 meter hebben en een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het Bal (maatwerk is mogelijk). De kwaliteit van de afdeklaag komt overeen met de algemene kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op de landbodem. Dit houdt in dat de combinatie van de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem en de bodemfunctieklasse de toepassingseis bepaalt. De initiatiefnemer die toepast toont de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem aan met een milieuverklaring bodemkwaliteit. Dit kan met de bodemkwaliteitskaart, mits de bodemkwaliteitskaart door de gemeente is vastgesteld en de toepassingslocatie op de kaart is ingedeeld. Als de

Blad 52 van 87

gemeente geen bodemkwaliteitskaart heeft of de locatie daarop niet is ingedeeld, kan de initiatiefnemer de kwaliteitsklasse bepalen met een bodemonderzoek volgens NEN 5740. Bij het maken van een leeflaagconstructie gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor het toepassen van grond of baggerspecie.

17.2

Gebiedsspecifiek toepassingskader Naast de generieke toepassingskaders biedt het Besluit bodemkwaliteit, lokale bodembeheerders, in het bijzonder de gemeenten, de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te formuleren. Onder het stelsel van de Omgevingswet wordt gebiedsspecifiek beleid maatwerk genoemd. Met gebiedsspecifiek beleid/maatwerk kan binnen een bepaald gebied extra ruimte worden gecreeerd voor de afzet van vrijkomende grond- en baggerstromen (door het vaststellen van zogenoemde lokale maximale waarden; zie figuur 8).

Figuur 8: Generiek versus gebiedsspecifiek beleid

De deelnemende gemeenten hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. In deel 1 van deze Nota is het gebiedsspecifieke beleid nader uitgewerkt. Voor meer informatie en achtergronden over de verschillende toepassingskaders wordt verwezen naar de Handreiking Besluit bodemkwaliteit13.

17.2.1

Gebiedsspecifieke toepassingskader onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet blijft de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid voor de toepassing van grond en baggerspecie in de vorm van Lokale Maximale Waarden bestaan. Dit kan door middel van maatwerkregels in het omgevingsplan (artikel 4.1273). De specifieke voorwaarden en beperkingen voor het stellen van maatwerkregels en -voorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie moet voldoen, zijn beschreven in paragraaf 4.124 van het Bal. De mogelijkheden tot maatwerk zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

13

Uitgave van Bodem+, te downloaden via: https://www.bodemplus.nl/@132203/handreiking-bbk/

Blad 53 van 87

Figuur 9: Mogelijkheden tot maatwerk onder de Omgevingswet

In paragraaf 4.124 van het Bal staat dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 4.1272 eerste en tweede lid, alleen wordt toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. Een andere voorwaarde is dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigde stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen is toegestaan indien:  de toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof verontreinigd is;  de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof verontreinigd was.

17.3

Toepassen op landbodem Indien geen gebiedsspecifiek beleid van toepassing is gelden de generieke regels uit het Besluit bodemkwaliteit. Dit generieke toepassingskader wordt beschreven in de artikelen 54 t/m 61 van het Bbk. Tevens is er landelijk beleid voor grootschalige toepassingen (toepassen van minimaal 5000 m3) en voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. De procedure voor het melden is uitgewerkt in deel 3 van deze Nota, hoofdstuk 21. De uitgangspunten van het generieke toepassingskader zijn:  de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet geschikt zijn voor het gebruik van de ontvangende landbodem (de zogenoemde bodemfunctieklasse) én  door het toepassen van de partij grond of baggerspecie mag de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Voor zowel een toe te passen partij grond of baggerspecie als voor de ontvangende bodem wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen: landbouw/natuur14, wonen en industrie. Deze klassen zijn weergegeven in figuur 10.

14 Dit zijn landelijk geldende achtergrondwaarden (AW2000) die de bovengrens aangeven voor wat in de dagelijkse prak-

tijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden.

Blad 54 van 87

Figuur 10: Overzicht kwaliteitsklassen landbodem

Voor de maximale waarden van de klassen AW2000, wonen en industrie wordt uitgegaan van de normen in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Voor wat betreft het gebruik van de bodem heeft de gemeente een bodemfunctiekaart opgesteld. Op deze functiekaart is het huidige (en toekomstige) gebruik van de bodem aangegeven. Toepassen volgens het generieke kader betekent dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet worden getoetst aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. In figuur 11 is de generieke bodemtoepassing grafisch weergegeven.

Figuur 11: Generieke bodemtoepassing

De kwaliteit van de ontvangende bodem en de functie die deze bodem vervult vallen niet altijd in dezelfde klasse. Omdat voor beide sprake moet zijn van stand-still, wordt de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie bepaald door de strengste van de twee klassen. In tabel 8 is van de diverse combinaties van kwaliteits- en functieklassen aangegeven wat dit betekent voor de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij.

Blad 55 van 87

Tabel 8: Systematiek generiek toepassingskader

Bodemfunctieklasse (op kaart)* Landbouw Landbouw

Actuele bodemkwaliteit

Welke kwaliteit toepassen?

AW2000 Wonen

AW2000 AW2000

Landbouw Natuur Natuur Natuur

Industrie AW2000 Wonen Industrie

AW2000 AW2000 AW2000 AW2000

Wonen Wonen Wonen Industrie

AW2000 Wonen Industrie AW2000

AW2000 Wonen Wonen AW2000

Industrie Wonen Wonen Industrie Industrie Industrie * De bodemfunctieklassen landbouw en natuur zijn op de bodemfunctiekaart van de regio van elkaar gescheiden.

Toepassen in de ondergrond De generieke toepassingskaart geeft alleen de vereiste (maximale) kwaliteitsklasse aan voor partijen grond of baggerspecie die op het maaiveld of in de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv.) worden toegepast. Het kan echter voorkomen dat een partij grond of baggerspecie in de ondergrond (vanaf 0,5 m mv.) wordt toegepast, bijvoorbeeld bij ontgravingsputten. In dat geval dient de toepasser zelf, aan de hand van zowel de functieklasse als de kwaliteitsklasse van dit traject van de ontvangende bodem, de maximaal toegestane kwaliteitsklasse voor de toe te passen partij grond of baggerspecie te bepalen. Uitgesloten gebieden Van een aantal gebieden binnen de deelnemende gemeenten is de kwaliteitsklasse van de ontvangende landbodem niet bekend (uitgesloten gebieden). Dit betekent dat voor iedere partij grond of baggerspecie die ter plaatse van deze locaties (generiek) wordt toegepast, de toepassingskaart niet als uitgangspunt voor de vereiste kwaliteitsklasse kan worden gehanteerd. Voor deze uitgesloten gebieden dient men zelf, aan de hand van tabel 8, de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie te bepalen. Hiervoor dient allereerst de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem te worden vastgesteld. Vervolgens dient van de bodemfunctiekaart van de betreffende locatie de functieklasse te worden afgelezen.

Voor die gevallen dat ook geen functieklasse bekend is, dient in overleg te worden getreden met de gemeente. Voor partijen grond of baggerspecie van de klasse AW2000 (= schone grond), is de bovengenoemde dubbele toetsing niet noodzakelijk, vanwege het feit dat deze kwaliteitsklasse vrij toepasbaar is. Lokaal onderzoek Een lokaal bodemonderzoek en een partijkeuring geven meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit, van respectievelijk de ontvangende bodem en een partij toe te passen grond, dan de bodemkwaliteitskaart. Dit betekent dat wanneer op de locatie van herkomst en/of de locatie van toepassing een partijkeuring of een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd dat voldoet aan de eisen van het

Blad 56 van 87

Besluit bodemkwaliteit, er geen gebruik mag worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart of toepassingskaart) als bewijsmiddel. In dat geval moet worden uitgegaan van de (eventueel afwijkende) kwaliteitsklasse van het lokaal uitgevoerde onderzoek en dient de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie zo nodig te worden afgeleid uit tabel 8. Omgaan met bodemvreemd materiaal In het Besluit bodemkwaliteit is, in de definitie van grond en baggerspecie, een bovengrens van 20% (gewichtsprocent) gesteld aan het percentage bodemvreemd materiaal. Voor het toepassen van grond en baggerspecie met bodemvreemd materiaal is voor enkele van de deelnemende gemeenten op dit thema lokaal beleid opgesteld, zie deel 1 van deze Nota, hoofdstuk 2.

17.3.1

Toepassen landbodem onder de Omgevingswet Het generieke beleid van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor toepassen van grond en baggerspecie is uitgangspunt in artikel 4.1272 Bal in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit. De kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie op de landbodem moet voldoen aan 2 eisen, namelijk aan:  de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem ter plaatse van toepassing én  de bodemfunctieklasse ter plaatse van de toepassing. De toe te passen grond moet bij een toepassing op de landbodem voldoen aan de strengste van bovenstaande twee eisen (dubbele toets). De indeling in kwaliteitsklassen blijft in principe gelijk aan het stelsel van het besluit Bodemkwaliteit. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent de volgende vijf kwaliteitsklassen (zie ook figuur 12):  landbouw/natuur;  wonen;  industrie;  matig verontreinigd;  sterk verontreinigd.

Figuur 12: Kwaliteitsklassen landbodem en grond stelsel Omgevingswet

De maximale waarden voor de kwaliteitsklassen zijn te vinden in tabel 1 van Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Het maximumpercentage bodemvreemd materiaal blijft net als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet 20% voor steenachtig materiaal en hout. Materiaal, zoals plastics of piepschuim, mag alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie

Blad 57 van 87

voorkomen. Het gaat alleen om bodemvreemde materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig is. Maatwerk is onder voorwaarden mogelijk (artikel 4.1273 Bal). Maatwerk is mogelijk voor:  grootschalig toepassen (artikel 4.1274 Bal);  toepassen in een diepe plas (artikel 4.1276 Bal);  verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1278 Bal);  toepassen van tarragrond (artikel 4.1280 Bal);  grootschalig toepassen (artikel 4.1275 Bal);  toepassen in diepe plas (artikel 4.1277 Bal);  verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1279 Bal). Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was er al gebiedsspecifiek beleid mogelijk voor de vier eerstgenoemde maatwerkmogelijkheden, maar met de invoering van de Omgevingswet zijn er nu ook maatregelen mogelijk voor grootschalig toepassen, toepassen in diepe plas en verspreiden van baggerspecie.

17.4

Verspreiden baggerspecie Voor het verspreiden van vrijkomende baggerspecie bestaan de volgende mogelijkheden:  verspreiden in het oppervlaktewater (zoet of zoet oppervlaktewater) of over het aangrenzende perceel;  tijdelijke opslag van baggerspecie in weilanddepots (valt onder verspreiden) Baggerspecie die vanwege de kwaliteit niet kan worden verspreid, moet worden toegepast op een andere locatie, gereinigd of gestort. Het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen is vastgelegd in artikel 35, lid f van het Besluit bodemkwaliteit: “Verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen”. Voor de relevantie, oftewel het nut, van het op de kant zetten van baggerspecie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het op hoogte brengen van landbouwpercelen of het herstellen of verbeteren van bestaande kades die vanuit hun functie een bepaalde hoogteligging moeten hebben. Zodra het gaat om de aanleg van nieuwe kades, dan dient een ander toetsingskader te worden gehanteerd (generieke toepassing, grootschalige toepassing of eventueel het gebiedsspecifieke beleid). Naast het aantonen van de nuttigheid, is het tevens van belang dat het gaat om het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt uit de bestaande aangrenzende watergang.

Het op de kant verspreiden van baggerspecie is een activiteit waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden:  voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel geldt de ontvangstplicht;  de baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid;  er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem;  de verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld.

Blad 58 van 87

Bij het onderhoud aan watergangen wordt baggerspecie verspreid op aangrenzende percelen. Op grond van de op basis van de Keur van waterschappen hebben eigenaren van aangrenzende percelen een wettelijke ontvangstplicht. De ontvangstplicht geldt ook voor grondwaterbeschermingsgebieden, Natura 2000 en andere kwetsbare gebieden, echter dragen de waterschappen er zorg voor deze gebieden waar mogelijk te ontzien. In de normstelling voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen is rekening gehouden met de landbouwfunctie die deze percelen vaak hebben. De bovengrens voor de kwaliteit van baggerspecie die mag worden verspreid is gebaseerd op de zogenaamde msPAF toets (msPAF = meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen)15. Verspreiding van de bagger op de kant moet voldoen aan de msPAF-toetsing zoals beschreven in het Besluit bodemkwaliteit. In figuur 13 is de normstelling voor verspreiding over aangrenzende percelen schematisch weergegeven.

Figuur 13: Normstelling verspreiden baggerspecie

Binnen het Besluit bodemkwaliteit bestaat de mogelijkheid voor tijdelijke opslag van baggerspecie in weilanddepots, waarvoor geen vergunning op grond van de Wet milieubeheer en Wet verontreiniging oppervlaktewateren nodig is. Een weilanddepot is een vorm van tijdelijke opslag. Bij dit type opslag is een voorziening aangebracht die voorkomt dat de opgebrachte baggerspecie wegvloeit van het perceel waar het is opgebracht. Voor de kwaliteitseisen bij het verspreiden van baggerspecie inclusief weilanddepots is het generieke beleid van toepassing Besluit- en Regeling bodemkwaliteit én het landelijke Handelingskader PFAS van toepassing. Voor het verspreiden van baggerspecie in grondwaterbeschermings- en Natura 2000 gebieden wordt teven aangesloten bij de generieke normen en voorwaarden Bbk, Rbk én het landelijke Handelingskader PFAS en provinciale omgevingsverordening. Voor weilanddepots gelden dezelfde normen als voor verspreiding over aangrenzende percelen. Boven op de bovengenoemde normenkaders kunnen aanvullende normen gesteld zijn door de provincie (in bijvoorbeeld de omgevingsverordening) Opgemerkt wordt dat het beschreven toetsingskader niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten (tot 250 meter aan weerszijden van de riooloverstort).

Deze baggerspecie wordt als puntbron aangemerkt en dit valt buiten de reikwijdte van het Besluit.

15 https://www.bodemrichtlijn.nl/Bibliotheek/bodemsaneringstechnieken/h-behandelen-en-bestemmen-va9446/h1-alge-

mene-aspecten-van-behandelen-en-bestemmen-van-baggerspecie/behandelen-en-bestemmen-van-baggerspecie-wettelijk-kader-voor-bes9467

Blad 59 van 87

17.4.1

Verspreiden baggerspecie onder de Omgevingswet In artikel 4.1278 van het Bal staan de specifieke kwaliteitseisen vermeld voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem. Praktisch zullen enkele zaken met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen:  tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de msPAF toetsing uit het Besluit bodemkwaliteit zoals in de voorgaande paragraaf is beschreven, van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de msPAF toetsing aangescherpt worden. Deze staan in tabel 3b van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021;  met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is verspreiding van baggerspecie over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie vandaan komt, aangewezen als een functionele toepassing. Dit omdat de toepassing tot doel heeft om de bodemgesteldheid te herstellen of verbeteren op basis van artikel 4.1269, derde lid van het Bal;  met de ingang van de Omgevingswet valt een weilanddepot ook onder het verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel met een maximale afstand van 10 kilometer. Maatwerk verspreiden baggerspecie Wanneer baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor verspreiden, is het mogelijk om het via een maatwerkregel of -voorschrift toch nog te mogen verspreiden.

De voorwaarden voor maatwerk staan in 4.1279 van het Bal. Soepelere eisen mogen alleen als de toe te passen baggerspecie komt uit hetzelfde bodembeheergebied (aangewezen door gemeente of waterschap in het omgevingsplan of waterschapverordening) als waar ze weer worden toegepast. Voor het verspreiden van sterk verontreinigde baggerspecie gelden de volgende regels:  de baggerspecie is afkomstig uit het bodembeheergebied waar de bagger ook weer in wordt toegepast;  de toe te passen baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd;  de baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.

17.5

Tijdelijke uitname Artikel 36 lid 3 van het Besluit bodemkwaliteit regelt de tijdelijke uitname van grond of baggerspecie. In dit artikel staat dat het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Op of nabij dezelfde plaats is in het Besluit niet gedefinieerd als afstand. Aangezien lokale omstandigheden van invloed zijn, beoordeelt de gemeente per geval of sprake is van 'op of nabij'. Dit betekent dat een initiatiefnemer vooraf contact legt met het bevoegd gezag indien deze van mening is dat de op en nabij regeling om te zorgen dat het werk bekend is bij de toezichthouders, waardoor mogelijke interrupties tijdens het werk worden voorkomen. In het geval van tijdelijke uitname hoeft de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende (water)bodem of van de terug te plaatsen grond of baggerspecie niet te worden aangetoond. Het is echter mogelijk dat er, op basis van andere wet- en regelgeving (bijvoorbeeld Arboveiligheid), toch een onderzoeksverplichting geldt. Wanneer uit deze onderzoeken blijkt dat sprake is van een verontreiniging, mag de grond of baggerspecie niet zomaar worden teruggeplaatst. Dit in verband met de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming.

Deze zorgplicht, in relatie tot

Blad 60 van 87

tijdelijke uitname, betekent feitelijk dat wanneer men aanwijzingen heeft (bijvoorbeeld op basis van bekende onderzoeksgegevens of zintuiglijke waarnemingen) dat met het terugplaatsen van tijdelijk uitgenomen grond of baggerspecie de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem, het grondwater of het oppervlaktewater zou kunnen verslechteren, er maatregelen dienen te worden getroffen om dit te voorkomen. Naast het niet hoeven aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit, hoeft het tijdelijk uitnemen, eventueel op de locatie opslaan en terugplaatsen van grond of baggerspecie ook niet te worden gemeld in het kader van het Besluit bodemkwaliteit.

17.5.1

Tijdelijke uitname onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt het tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie niet onder de milieubelastende activiteit ‘toepassen van grond of baggerspecie’ (artikel 3.2.26 van het Bal), maar onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde (artikel 3.2.21 van het Bal). Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:  de grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal;  het terugplaatsen vindt plaats op of nabij het ontgravingsprofiel. De aanduiding ‘op of nabij’ geeft aan dat er enige speelruimte is, waarbij de afbakening van geval tot geval kan verschillen;  het terugplaatsen vindt plaats onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen onder dezelfde omstandigheden, als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd).

Blad 61 van 87

18

Grootschalige bodemtoepassing Een grootschalige bodemtoepassing is een toepassing waarin een grote hoeveelheid grond of baggerspecie wordt toegepast. Zoals beschreven in de artikelen 62 t/m 64 van het Besluit bodemkwaliteit is de voorwaarde dat minimaal een volume van 5.000 m3 en een toepassingshoogte van 2 meter moet worden aangehouden. Op grond van het gestelde in artikel 63 van het Besluit mogen, voor wat betreft het toepassen op landbodem, alleen de volgende toepassingen onder de noemer van een grootschalige toepassing worden gerealiseerd:  toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen;  toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving;  toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen. Omdat het niet is toegestaan dat de grootschalige bodemtoepassing definitief onderdeel gaat uitmaken van de bodem, kan bij ophogingen van industrieterreinen en woningbouwlocaties niet worden gekozen voor het toetsingskader van een grootschalige bodemtoepassing.

Criteria grootschalige bodemtoepassing De partij grond of baggerspecie die in een grootschalige toepassing wordt verwerkt hoeft, in tegenstelling tot een generieke bodemtoepassing, niet te worden getoetst aan de kwaliteits- en functieklasse van de ontvangende bodem. Wel wordt een bovengrens gesteld aan de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie, namelijk maximaal klasse industrie. Aangezien een partij met de kwaliteitsklasse industrie (of wonen) op een schonere bodem mag worden toegepast, moet worden voorkomen dat hierdoor de ontvangende bodem verontreinigd raakt. Vandaar dat aan de toe te passen partij grond of baggerspecie eisen worden gesteld aan de mate van uitloging die mag optreden (in de vorm van maximale emissiewaarden). De grootschalige bodemtoepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van grond of baggerspecie van tenminste 0,5 meter. In figuur 14 is de grootschalige bodemtoepassing grafisch weergegeven. Het Besluit bodemkwaliteit voorziet tevens in een verplichting tot beheer en nazorg. De aangewezen beheerder is verantwoordelijk voor het in stand houden van de vorm en de hoeveelheid waarin deze is toegepast en geregistreerd staat.

Figuur 14: Grootschalige bodemtoepassing

Blad 62 van 87

Uitzonderingsgevallen Voor Rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen, waarop een aaneengesloten laag bouwstoffen wordt toegepast, geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. Daarnaast mag, voor de aanleg van de bermen of taluds, tot maximaal 10 m uit de weg, grond of baggerspecie van maximaal de kwaliteitsklasse industrie worden gebruikt (zie figuur 15). 10 meter berm

10 meter berm

Figuur 15: Uitzondering Rijkswegen, Provinciale wegen en spoorwegen

18.1

Grootschalige toepassing onder de Omgevingswet De voorwaarden voor grootschalige toepassing en de kwaliteitseisen zijn onder de Omgevingswet vergelijkbaar met het kader voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar biedt nu ook mogelijkheden voor maatwerk. Het generieke beleid van voor de Omgevingswet voor grootschalige toepassing is het uitgangspunt in artikel 4.1274 Bal in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit. In hoeverre maatwerk mogelijk is ten aanzien van het grootschalig toepassen is beschreven in artikel 4.1275 van het Bal. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de grootschalige bodemtoepassing.

Figuur 16: Eisen aan grootschalige bodemtoepassing

Blad 63 van 87

Maatwerkmogelijkheden grootschalig toepassen Als grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor grootschalig toepassen, is toepassing alleen nog mogelijk via een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift. De voorwaarden voor maatwerk staan in artikel 4.1275 van het Bal. Alleen wanneer de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied als waar die weer toegepast gaat worden, zijn soepelere eisen mogelijk. Het bodembeheergebied wordt aangewezen door de gemeente of het waterschap in het omgevingsplan of de waterschapverordening. Op deze manier zal de bodemkwaliteit in het aangewezen beheergebied niet verslechteren (stand-still). Voor het grootschalig toepassen van sterk verontreinigde grond of baggerspecie gelden minimaal de volgende regels voor de grond of baggerspecie:  de partij is afkomstig uit het beheergebied waar deze ook weer wordt toegepast;  de verontreiniging is ontstaan door diffuse verontreiniging;  toepassen vindt plaats op een locatie waar de bodem reeds diffuus is verontreinigd met dezelfde stof. Bestaande grootschalige toepassingen Voor het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een eerder gerealiseerde grootschalige toepassing gelden de afwijkende kwaliteitseisen uit artikel 4.1274 van het Bal.

Hiervan is sprake bij:  toepassen in een oppervlaktewaterlichaam na 1 januari 2008;  toepassen op of in de landbodem na 1 juli 2008.

Blad 64 van 87

19

Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie Voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie buiten inrichtingen gelden vanaf 1 juli 2008 de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Onder de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie wordt volgens het Besluit verstaan: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." In artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit en in deel 3, hoofdstuk 17 van deze Nota is beschreven wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. De voorwaarden die het Besluit stelt aan de verschillende vormen van tijdelijke opslag op landbodem, zijn in tabel 9 opgenomen. Wanneer niet kan worden voldaan aan deze voorwaarden, dan is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing en zal de opslag, wanneer deze langer dan 6 maanden duurt, binnen een inrichting moeten plaatsvinden.

Tabel 9: Overzicht tijdelijke opslag grond/baggerspecie op landbodem Vorm van tijdelijke Voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit opslag Maximale duur Kwaliteitseisen Meldingsplicht van de opslag Kortdurende opslag 6 maanden Ja Tijdelijke opslag op 3 jaar Kwaliteitsklasse partij grond/baggerspecie moet Ja, met duur van de landbodem voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvanopslag en eindbegende bodem stemming* Weilanddepot16: 3 jaar Alleen baggerspecie die voldoet aan de geneJa, met duur van de opslag baggerspecie rieke norm voor het verspreiden op aangrenopslag en eindbeop aangrenzend perzende percelen stemming* ceel Opslag bij tijdelijke Looptijd van de Nee uitname werkzaamheden * Het melden van de eindbestemming moet binnen 6 maanden plaatsvinden. Men heeft dus 6 maanden de tijd om een bestemming te zoeken.

In tabel 9 is aangegeven of er een meldingsplicht geldt voor de vorm van tijdelijke opslag. De procedure voor het melden is uitgewerkt in deel 3 van deze Nota, hoofdstuk 21. Opgemerkt wordt dat, voorafgaand aan de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, naast een check op de milieuhygiënische eisen die vanuit het Besluit bodemkwaliteit worden gesteld, ook een toets op het bestemmingsplan dient plaats te vinden. Dit teneinde uit te kunnen sluiten dat de tijdelijke opslag overlast (te denken valt aan geluid, geur, stof, etc.) voor de omgeving oplevert. Weilanddepots Voor opslag van baggerspecie in weilanddepots geldt het toetsingskader voor het op de kant verspreiden van baggerspecie. Een Waterwet-vergunning, voor bijvoorbeeld het op oppervlaktewater lozen van proceswater dat vrijkomt bij de baggeropslag, is niet noodzakelijk als de tijdelijke opslag past binnen de voorschriften van het Besluit bodemkwaliteit. Voor wat betreft de lozing

16 Vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie op een perceel, grenzend aan de watergang van waaruit de baggerspecie is

vrijgekomen, met als doel de baggerspecie te ontwateren en te laten rijpen alvorens het materiaal op dezelfde locatie of elders toe te passen.

Blad 65 van 87

dient daarentegen wel, in het kader van de zorgplicht (artikel 7 Besluit bodemkwaliteit), te worden voorkomen dat er nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater optreden.

19.1

Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie onder de Omgevingswet In de situatie vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet stonden er regels voor het opslaan van grond en baggerspecie in zowel het Besluit bodemkwaliteit als het Activiteitenbesluit. Er was namelijk een onderscheid gemaakt tussen tijdelijke opslag buiten inrichtingen en opslag binnen inrichtingen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er maar één set van regels voor het opslaan van grond of baggerspecie en bestaat het onderscheid tussen tijdelijke opslag buiten inrichten en opslag binnen inrichtingen niet meer. Het gaat om grond en om baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Onder de Omgevingswet is de opslag van grond of baggerspecie aangewezen als een milieubelastende activiteit (3.2.24 Bal). Met ‘opslaan’ wordt altijd een tijdelijke situatie bedoeld, in afwachting van een ander doel. Voor grond geldt een termijn van maximaal drie jaar en voor baggerspecie maximaal tien jaar opslag. Samenhangende handelingen (samenvoegen van partijen, zeven en mechanisch ontwateren) bij het opslaan van grond of bagger vallen onder dezelfde activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit gelden algemene rijksregels. Afwijken hiervan mag alleen via maatwerk.

Bijvoorbeeld als de grond of baggerspecie in opslag ligt voor toepassing in een concreet werk, maar de uitvoering van dit werk door overmacht vertraagd is. Opslag bij tijdelijke uitname (opslaan als onderdeel van de activiteit graven) valt niet onder de milieubelastende activiteit opslaan, maar onder de activiteit graven. De opslag vindt plaats gedurende de looptijd van het werk met een uitloop van 8 weken na beëindiging van het graven. Ook het opslaan van baggerspecie op de baggerlocatie (weilanddepot) valt niet onder de milieubelastende activiteit opslaan grond of baggerspecie, maar onder de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie, zie ook deel 3 van deze Nota, hoofdstuk 17 betreffende het verspreiden van baggerspecie. Versoepeling bodemvoorschrift voor opslag van grond van kwaliteitsklasse wonen of industrie In de algemene rijksregels komen de bodemvoorschriften voor de opslag van grond met kwaliteitsklasse wonen of industrie te vervallen. Het doen van een eindonderzoek bodem is in bepaalde gevallen nog wel verplicht. Het eindonderzoek heeft tot doel te controleren of de opslag de onderliggende bodem niet nadelig beïnvloed heeft. Het eindonderzoek gebeurt volgens paragraaf 5.2.1 van Bal.

Het eindonderzoek is verplicht in het geval dat de partij grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie is of baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht of matig verontreinigd is. Een eindonderzoek is niet nodig in het geval:  De activiteit het eenmalig opslaan van één partij grond of één partij baggerspecie is, de kwaliteit van de onderliggende bodem is vastgesteld in een milieuverklaring bodemkwaliteit; OF  Voorafgaand aan het opslaan de kwaliteitsklasse van de bodem op de plaats van opslaan is bepaald door middel van een milieuverklaring bodemkwaliteit die is opgesteld overeenkomstig de bepalingen in het Besluit bodemkwaliteit; OF  De grond of baggerspecie volgens artikel 4.1272 op de plaats van opslaan mag worden toegepast.

Blad 66 van 87

Het bevoegd gezag kan aanvullende voorwaarden stellen aan de opslag van verontreinigde grond in grond in grondwaterbeschermingsgebieden, zoals bijvoorbeeld middels een instructieregel van de provincie. De meldingseisen zijn versimpeld Onder de Omgevingswet is er één set aan meldingseisen in plaats van de verschillende eisen aan de melding gesteld vanuit het Besluit bodemkwaliteit en het activiteiten besluit van vóór de Omgevingswet. Dit maakt dat de meldingseisen onder de Omgevingswet zijn versimpeld.

Blad 67 van 87

20

Bewijsmiddelen Om grondverzet binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten te vergemakkelijken, mag bij het binnen de betreffende gemeente opnieuw toepassen van vrijgekomen grond, de bodemkwaliteitskaart als grondslag voor de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit worden gebruikt, mits de bodemkwaliteit op de locatie van herkomst (naar verwachting) niet afwijkt van de achtergrondwaarden in de betreffende bodemkwaliteitszone. Daarom moet, voorafgaande aan het toepassen van grond of baggerspecie, worden nagegaan of sprake is van een verdachte situatie, bijzondere omstandigheden en onverwachte situaties. Dit historische onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de eisen die zijn gesteld in de NEN 5725. De voorwaarden in deze paragraaf gelden voor zowel de bodemkwaliteitskaart van de deelnemende gemeenten (zoals opgenomen in deze Nota) als voor de bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente.

20.1

Gebruik van de bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt als: A. de toe te passen partij grond afkomstig is van een verdachte locatie; B. als sprake is van bijzondere omstandigheden; of C. als de grond zintuiglijk opvallende afwijkingen vertoont (onverwachte situaties). A: Verdachte locaties Onder 'verdachte locaties' worden verstaan: locaties waar (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden waarvan bekend is, of het vermoeden bestaat, dat de bodemkwaliteit op de betreffende locatie (mogelijk) afwijkt van die van de omgeving. Voorbeelden hiervan zijn (de lijst is niet uitputtend):  bekende en potentiële lokale gevallen van bodemverontreiniging (Wbb-locaties), niet behorende tot de diffuse bodemverontreiniging;  bodemsanering in uitvoering;  restverontreiniging na bodemsanering;  de ondergrond ter plaatse van saneringslocaties;  lokaal aangebrachte leeflagen;  tanklocaties;  erven in het buitengebied;  slootdempingen;  lokaal aanwezige (historische) ophooglagen. Wanneer bodemonderzoek op een verdachte locatie heeft uitgewezen dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, en daarnaast de milieuhygiënische kwaliteit vergelijkbaar is met het omliggende gebied, wordt deze locatie niet meer aangemerkt als verdacht.

B: Bijzondere omstandigheden Een bijzondere omstandigheid doet zich voor wanneer bekend is dat de bodemkwaliteit op de herkomstlocatie (mogelijk) afwijkt van de omgeving. Veelal zal het gaan om:  bekende en potentiële lokale gevallen van bodemverontreiniging, niet behorende tot de diffuse bodemverontreiniging;  bodemsanering in uitvoering;  restverontreiniging na bodemsanering;

Blad 68 van 87

 lokaal aangebrachte leeflagen;  lokaal aanwezige (historische) ophooglagen;  de ondergrond ter plaatse van saneringslocaties. C: Onverwachte situaties Het kan voorkomen dat, ondanks dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, tijdens de graafwerkzaamheden op de locatie van herkomst alsnog een (mogelijke) afwijking van de bodemkwaliteit wordt geconstateerd. Een onverwachte situatie doet zich voor indien:  de grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling heeft;  de grond een bijmenging aan bodemvreemde materialen bevat (puin, gruis, kooltjes, etc.) op basis waarvan wordt verwacht dat de bodemkwaliteitskaart niet meer representatief is voor de milieuhygiënische kwaliteit, dan wel waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat deze het milieu negatief kan beïnvloeden;  in de grond visueel asbest wordt aangetroffen. Een onverwachte situatie dient in alle gevallen te worden geregistreerd en gemeld bij de gemeente. Als sprake is van een (vermoedelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging, dient hiervan melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag Wbb dan wel Omgevingswet. Historische toets Teneinde uit te sluiten dat de locatie van herkomst als 'verdacht' ten aanzien van bodemverontreiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan het toepassen van grond of baggerspecie altijd een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 uitgevoerd te worden.

Dit vooronderzoek kan zowel worden uitgevoerd door een bodemadviesbureau, als door bijvoorbeeld een initiatiefnemer, eigenaar of de gemeente, door middel van het compleet en naar waarheid invullen van een Toets herkomst NEN 5725, dat is gebaseerd op de eisen aan vooronderzoek conform de NEN 5725. Dit Toetsingsformulier is opgenomen in bijlage 5 van deze Nota. Voor het gebruik van het formulier wordt ook verwezen naar deel 2 van deze Nota, hoofdstuk 12. In bijlage 5 is een formulier voor de Toets herkomst gebaseerd op de NEN 5725 opgenomen. Om gebruik te kunnen maken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel dient dit volledig ingevulde formulier bij de melding te worden gevoegd. Het formulier is alleen geldig indien dit door de bodemambtenaar van de gemeente van herkomst is ondertekend (lees: vrijgegeven). Volgt uit de historische toets dat sprake van een situatie als hierboven beschreven, dan kan de betreffende bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond (en/of de ontvangende bodem). In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals beschreven in dit hoofdstuk.

20.2

Overige erkende bewijsmiddelen Wanneer er geen gebruik mag worden gemaakt van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, dient de milieuhygiënische kwaliteit van een partij grond (of baggerspecie) en/of van de ontvangende bodem op een andere wijze te worden aangetoond: 1. Partijkeuring; 2. erkende kwaliteitsverklaring; 3. fabrikant-eigen-verklaring; 4. (water)bodemonderzoek (waaronder in-situ partijkeuring); 5. bodemkwaliteitskaart van andere gemeente.

Blad 69 van 87

In de navolgende paragrafen volgt per bewijsmiddel een korte toelichting.

20.2.1

Partijkeuring Een partijkeuring betreft een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit en daarmee de toepassingsmogelijkheden van de partij grond of (gerijpte) baggerspecie. Eisen Aan een partijkeuring worden de volgende eisen gesteld (artikel 4.3.3 van de Regeling bodemkwaliteit 2021):  een partij kan worden gekeurd in depot of in-situ;  de partij grond (of baggerspecie) dient door een erkende monsternemer te worden bemonsterd conform BRL SIKB 1000: VKB-protocol 100117;  de voorbewerking van de monsters alsmede het laboratoriumonderzoek moeten worden verricht conform het accreditatieprogramma AP04 door een hiervoor erkend laboratorium. Te onderzoeken parameters Is de herkomstlocatie van de grond of baggerspecie onverdacht, en is in het geval van baggerspecie deze afkomstig uit regionale watergangen, dan dienen de monsters van de partij te worden onderzocht op tenminste de parameters van het vigerend standaard analysepakket conform het SIKB. Het standaardpakket is na inwerkingtreding van de Omgevingswet terug te vinden in de bijlage van de Regeling bodemkwaliteit 2021 Ten tijde van het tot stand komen van deze Nota bodembeheer bestond het standaardpakket uit:  9 metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink);  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (som 10 PAK);  polychloorbifenylen (som 7 PCB);  minerale olie (GC).

Wanneer de grond of baggerspecie afkomstig is van een verdachte locatie dan dient de partij, naast de parameters van het standaard analysepakket, tevens op de desbetreffende kritische parameters te worden onderzocht.

20.2.2

Erkende kwaliteitsverklaring Een erkende kwaliteitsverklaring bestaat uit twee delen:  het eerste deel is het productcertificaat dat wordt afgegeven door een erkende certificerende instelling (zoals bijvoorbeeld KIWA, Intron of BMC). Op dit productcertificaat staan de (civieltechnische) eigenschappen van de grond of baggerspecie vermeld, alsmede de milieuhygiënische classificatie (klasse landbouw/natuur, klasse wonen of klasse industrie);  het tweede deel betreft de afgegeven erkenning. De eisen die aan een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in artikel 4.3.6 van de Regeling bodemkwaliteit en na het inwerkingtreden van de Omgevingswet in paragraaf 5.4 van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen is te vinden op de website van Bodem+.

17 Beoordelingsrichtlijn, met bijbehorend protocol, voor de monsterneming van partijen grond en baggerspecie (Stichting

Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer)

Blad 70 van 87

20.2.3

Fabrikant-eigen-verklaring Dit is een milieuhygiënische verklaring die door een producent zelf kan worden afgegeven. In tegenstelling tot een erkende kwaliteitsverklaring, vindt bij een fabrikant-eigen-verklaring geen periodieke externe controle door een certificerende instelling plaats en is er ook geen erkenning noodzakelijk. De verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant. Echter, voordat een producent een fabrikant-eigen-verklaring mag afgeven, moet hij door middel van een streng toelatingsonderzoek aantonen dat zijn product aan de gestelde milieuhygiënische eisen voldoet. De eisen die aan een fabrikant-eigen-verklaring voor een partij grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in artikel 4.3.7 van de Regeling bodemkwaliteit en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 5.5 van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een overzicht van afgegeven fabrikant-eigen-verklaringen is te vinden op de website van Bodem+.

20.2.4

(water)bodemonderzoek Landbodem of een partij grond Bodemonderzoeken die voldoen aan bepaalde onderzoeksstrategieën uit de NEN 574018 zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In de Regeling bodemkwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen onderzoeksstrategieën die kunnen worden gebruikt voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van: A. de ontvangende bodem (artikel 4.3.4 lid 1 van de Regeling en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 7.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2021) en B. een partij toe te passen grond (artikel 4.3.4 lid 2 van de Regeling en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 5.2 van de regeling bodemkwaliteit 2021). A: Voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende landbodem zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan:  onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie;  onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie;  onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting;  onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem;  onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;  onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

B: Voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een partij toe te passen grond zijn alleen de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan:  onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem;  onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties;  onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

18 Landbodem: Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond

Blad 71 van 87

Deze onderzoeksstrategieën gaan uit van een monstername-inspanning die in eenzelfde orde van grootte ligt als bij de hiervoor beschreven partijkeuring en erkende kwaliteitsverklaring. Waterbodem of een partij baggerspecie Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van een partij toe te passen (of te verspreiden) baggerspecie en voor de kwaliteit van de waterbodem zijn de onderzoeksstrategieën uit de NEN 572019 toegestaan. Is voorafgaand aan het toepassen sprake van niet-procesgestuurde rijping of tijdelijke opslag van de baggerspecie, dan mogen de in-situ onderzoeksgegevens nog voor de betreffende partij baggerspecie als bewijsmiddel worden gebruikt. Gelet echter op het feit dat het rijpingsproces in veel gevallen een verbetering van de milieuhygiënische kwaliteit van de baggerspecie zal opleveren, verdient het aanbeveling om een partij baggerspecie na het rijpen opnieuw te onderzoeken (omdat de NEN 5720 geen onderzoeksstrategie kent voor depots, dient in dat geval de partij baggerspecie aan de hand van de BRL SIKB 1000, protocol 1001 te worden gekeurd).

20.3

Bewijsmiddelen onder de Omgevingswet Ook onder de Omgevingswet moet degene die een partij grond of baggerspecie toepast, de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie kunnen aantonen middels een bewijsmiddel. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het begrip milieuhygiënische verklaring vervangen door het begrip milieuverklaring bodemkwaliteit. Dit is een verklaring over de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de bodem. Dit betreft een verklaring op grond van een partijkeuring, erkende kwaliteitsverklaring, fabrikanteigen verklaring, een bodemonderzoek of een bodemkwaliteitskaart. De milieuverklaring bodemkwaliteit wordt afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit staan in hoofdstuk 3A regels voor de afgifte van milieuverklaringen bodemkwaliteit. De uitwerking van deze regels staat in de Regeling bodemkwaliteit 2021. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet degene die toepast, naast een milieuverklaring bodemkwaliteit, ook beschikken over een afleverbon. Een afleverbon is een begeleidend document bij een partij grond of baggerspecie dat bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit is verstrekt als dit volgens Regeling bodemkwaliteit 2021 verplicht is. Het doel van de afleverbon is om de relatie tussen de partij en de milieuverklaring bodemkwaliteit te leggen.

De regels waaraan de milieuverklaring bodemkwaliteit en de afleverbon moeten voldoen, staan in het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit 2021.

20.4

Bewijsmiddelen voor PFAS Van partijen grond die worden toegepast binnen het beheergebied en projectgebied dient het PFAS-gehalte bepaald te zijn. Naast de lokaal geldende regels opgenomen in de geldende Bodembeheernota1 omtrent verplaatsing van grond en baggerspecie, zijn de hieronder genoemde aanvullende regels van toepasing. Toepassen van grond en baggerspecie binnen het beheergebied en het projectgebied, is mogelijk na een melding bij het meldpunt bodemkwaliteit. Hierbij kan de bodemkwaliteitskaart PFAS1 dan wel het rapport bodemkwaliteit van Gol/Haven Acht1 uitsluitend worden gebruikt in combinatie met een historische toets (“Toets herkomst”) dan wel een historisch bodemonderzoek conform 19

Waterbodem: Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie

Blad 72 van 87

de NEN 5725 waaruit blijkt de ontgravingslocatie niet verdacht is op het voorkomen van PFASverbindingen als gevolg van een (bedrijfsmatige) activiteiten op of nabij de locatie. Een lijst met activiteiten die als verdacht op de verspreiding van PFAS in het milieu worden beschouwd, kan worden geraadpleegd via het Handelingskader voor PFAS van Expertisecentrum PFAS (ISBN/EAN 978-90-815703-0-5, d.d. 25 juni 2018). Indien uit de Toets herkomst of historisch bodemonderzoek blijkt dat de grond verdacht is op het voorkomen van PFAS door een bronlocatie, kan de bodemkwaliteitskaart niet als erkend bewijsmiddel gehanteerd worden en dient de partij middels een bodemonderzoek of partijkeuring op de aanwezigheid van PFAS onderzocht te worden. Blijkt de concentratie van één van de PFAS de toepassingsnormen uit tabel 3 dan wel 4 uit paragraaf 1.1 in deel 1 van deze Nota te overschrijden, dan kan de grond niet worden toegepast binnen het betreffende gebied. Wanneer de bodemkwaliteitskaart PFAS niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, dient de milieu-hygiënische kwaliteit met betrekking tot PFAS van de toe te passen grond of baggerspecie op een andere wijze te worden aangetoond.

Hiervoor zijn de volgende bewijsmiddelen erkend:  erkende kwaliteitsverklaring;  fabrikant-eigenverklaring;  een partijkeuring met analyse op PFAS (AP04, BRL SIKB 1000, protocol 1001);  een bodemonderzoek naar PFAS, conform de NEN 5740, mits een van de volgende onderzoeksstrategieën is gehanteerd (conform artikel 4.3.4 sub 2 van de Regeling Bodemkwaliteit): o de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S); o de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR); o de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).  een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720. Andere onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 kunnen niet gebruikt worden als erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de grond. Deze bodemonderzoeken kunnen enkel in combinatie gebruikt worden met het formulier Toets herkomst (indien van toepassing) en de bodemkwaliteitskaart. Voor het toepassen van grond of baggerspecie op uitgesloten locaties dient de kwaliteit van de ontvangende bodem vastgesteld te worden (dubbele toets).

Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:  onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV);  onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR);  onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting (ONB);  onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);  onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);  onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE). Bij de bovenstaande onderzoeksstrategieën kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, indien op 0,5 m-mv en dieper, achterwege blijven.

Blad 73 van 87

20.5

Zorgplicht bij graafwerken Indien bij graafwerken op onverdachte locaties geconstateerd wordt dat er onverwacht toch sprake is/kan zijn van een verdachte locatie, geldt – conform art. 7 van het Besluit bodemkwaliteit én art. 13 Wet bodembescherming – onverkort het zorgplichtbeginsel. Dat betekent dat onder alle omstandigheden bij grondverzet (zowel ontgraven als toepassen van grond en baggerspecie) de wettelijke zorgplicht in acht moet worden genomen. De zorgplicht betekent dat eenieder die weet heeft of redelijkerwijs kan vermoeden dat nadelige gevolgen kunnen optreden bij grondverzet, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of te beperken. Een dergelijke situatie betekent in ieder geval dat de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel gebruikt mag worden. De uitvoerende partij heeft dan de plicht om alsnog de kwaliteit van de grond in beeld te brengen en te toetsen aan de eisen die gelden vanuit het generieke kader. De uitkomsten van het onderzoek (conform de NEN 5740) worden dan getoetst aan de bodemkwaliteitseisen die gelden binnen de betreffende gemeente. Alleen als aan deze eisen wordt voldaan, kan de initiatiefnemer gebruik maken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Het is niet mogelijk een volledige opsomming te geven van situaties waarbij het instellen van verder onderzoek nodig is om te kunnen bepalen of hergebruik van grond mogelijk is.

Voorbeelden van situaties waarin in deze paragraaf op worden gedoeld (niet uitputtelijk), zijn:  bij het graven (anders dan voor tijdelijke uitname) van de grond in het bebouwde gebied waarbij meer dan 20 % bodemvreemde bijmengingen aangetroffen;  bij het graven (anders dan voor tijdelijke uitname) in de grond in het buitengebied waarbij meer dan 5 % bodemvreemde bijmengingen worden aangetroffen;  bij het aantreffen van asbest of asbestverdacht materiaal in of op de bodem;  bij zintuiglijke waarnemingen anderzijds, die duiden op mogelijke bodemverontreiniging. Denk bijvoorbeeld aan verkleuringen van de grond, een oliefilm, brandsporen of vreemde geuren in de grond;  als niet-genormeerde stoffen (zoals bijvoorbeeld chloride) en voor stoffen die niet op de groslijst voorkomen (zoals nutriënten en zwevende stof) worden verwacht;  er worden onverwachte tanks aangetroffen e.d. Meldingsplicht voor bijzondere situaties Voor locaties waar, op grond van de zorgplicht een bodemonderzoek noodzakelijk is, dient, voorafgaand aan de ontgraving, een melding te worden gedaan bij de afdeling handhaving van de betreffende gemeente, vooropgesteld dat in betreffende geval de gemeente en niet de provincie het bevoegd gezag is. Hiermee wordt het bevoegd gezag geïnformeerd en kan gecontroleerd worden of er aanvullende onderzoeken en/of maatregelen nodig of gewenst zijn.

Deze melding moet vergezeld gaan van het uitgevoerde bodemonderzoek. De resultaten van dit onderzoek bepalen mede wat er moet/kan gebeuren met de betreffende grond.

20.5.1

Zorgplicht Omgevingswet De komst van de Omgevingswet wijzigt niet de zorgplicht die een initiatiefnemer altijd heeft bij werken in de grond. De zorgplicht is echter wel anders geregeld. In de Omgevingswet is de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming namelijk in meerdere artikelen uitgewerkt:  artikel 2.11 en hoofdstuk 19 Omgevingswet: specifieke zorgplicht;  hoofdstuk 19 Omgevingswet: ongewoon voorval;  eventuele zorgplicht in het gemeentelijk omgevingsplan;  artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet: algemene zorgplichten;

Blad 74 van 87

 artikel 1.7a Omgevingswet en artikel 1.3 Omgevingsbesluit: vangnetbepaling en uitwerking. In hoofdstuk 19 van de Omgevingswet is de zorgplicht bij aantreffen van een ongewoon voorval geregeld. Hierbij zijn twee aandachtspunten: Als een ongewoon voorval plaatsvindt bij een aangewezen milieubelastende activiteit, gelden aanvullende regels volgens artikel 2.22 van het Bal. De veroorzaker moet dan aanvullende gegevens aanleveren aan het bevoegd gezag. Ten tweede is er sprake van een wijziging in het bevoegde gezag. Onder de Wet Bodembescherming was dit vaak de provincie. Onder de Omgevingswet zijn gemeenten in beginsel het bevoegde gezag bij een ongewoon voorval.

20.6

Onderzoek naar asbest in de bodem In Nederland is tot 1993 asbest toegepast. Asbest kan in de bodem terecht zijn gekomen op locaties waar asbest is toegepast, bijvoorbeeld in bebouwing. Veel vaker is asbesthoudend materiaal in de bodem gekomen bij sloopactiviteiten van voor 1997 waarbij het bouwafval gebruikt is in ophooglagen, erfverhardingen of dempingen. Sinds 1997 verplicht het Bouwbesluit om een asbestinventarisatie voorafgaand aan de sloop van gebouwen uit te voeren en het asbest selectief te verwijderen. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan risico’s opleveren voor de volksgezondheid. Om deze reden is onderzoek naar het voorkomen van asbest in de bodem in sommige gevallen verplicht. Asbestonderzoek in de bodem moet conform het onderzoeksprotocol NEN 5707 of NEN 5897 worden uitgevoerd. In de beleidsbrief asbest uit 2004 (van het ministerie van VROM) is de norm voor asbest gesteld op 100 mg/kg, gewogen naar het soort asbest. Het gehalte dient vastgesteld te worden aan de hand van nader asbestonderzoek. Gehalten boven deze norm kunnen aanleiding geven om de bodem te saneren. Het asbestbeleid van de deelnemende gemeenten is primair gericht op het veiligstellen van de volksgezondheid. De gemeenten willen echter ook, in het kader van deregulering de onderzoeksplicht voor burgers en bedrijven zoveel mogelijk beperken en hierin zo goed mogelijk adviseren.

Figuur 17: Afscherming van een asbestverdachte locatie

Blad 75 van 87

Wanneer is asbestonderzoek verplicht? Asbestonderzoek is verplicht bij bodemonderzoeken van locaties die op grond van voorinformatie uit terreinbezoek, vooronderzoek overeenkomend de NEN 5725 of wegens zintuiglijke waarnemingen tijdens veldwerkzaamheden verdacht zijn gebleken op het voorkomen van asbest. Dit betreft onder andere:  erven van agrarische bedrijven met bebouwing van voor 1993 of waar voor 1997 sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd;  autosloperijen;  puinhoudende bodemlagen, afhankelijk van het type puin, zie ook de NEN 5725;  oude ophooglagen. In het geval van tijdelijke uitplaatsen is in het kader van risicogestuurd werken niet altijd asbestonderzoek noodzakelijk. Zie hiervoor ook de richtlijn asbest in puinhoudende bodem bij tijdelijk uitplaatsen van Bodemplus20. In het geval een gemeente bij asbestonderzoek aanvullende zaken onderzocht wenst te zien (bijvoorbeeld de stofgroep PCB), dan is het mogelijk dit middels een maatwerkvoorschrift de initiatiefnemer op te leggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1304/documents/23680