CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

06 2.0 Ruimtelijke onderbouwing Zonnepark Beeksedijk TPSolar versie 6 (geanonimiseerd).pdf

Raadsvergadering 4 februari 2025, gemeente GoirleBij agendapunt: 12: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen Zonnepark Beeksedijk AANGENOMEN15.975 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze samenwerking is deels al een feit, verwerkingsovereenkomsten ten aanzien van restafval, GFT, PMD en glas zijn op regionaal niveau afgesloten; 10. De gemeente stelt een plan voor het verbeteren van biodiversiteit binnen en buiten bebouwde kom op. Uitgangspunten maatschappelijke inpassing De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners mee kunnen praten, denken en doen. Afhankelijk van de omvang van een project en de impact op de omgeving, worden de onderstaande aspecten daarin zwaarder meegewogen. • Participatie omgeving: Initiatiefnemers hebben de verplichting om de omgeving te betrekken bij hun initiatief en stellen hiervoor een participatieplan op; • Participatie direct betrokkenen/omwonenden: De initiatiefnemer dient met de direct omwonenden/direct betrokkenen afspraken te maken over de inpassing en invulling van het gebied rondom een project en maakt hierbij duidelijk in hoeverre omwonenden hierin mee kunnen participeren; • Compensatie: De initiatiefnemer geeft in een compensatieplan aan hoe de omgeving baat heeft bij de ontwikkeling (hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden: aan initiatieven die meer bieden dan alleen het opwekken van energie, of initiatieven waarbij productie en afname bij elkaar worden gebracht); • Communicatie: De initiatiefnemer stelt een communicatieplan op waarbij de gemeente een ondersteunende en faciliterende rol kan hebben.

Uitgangspunten ruimtelijke en landschappelijk inpassing •

•

De gemeente kiest voor kwaliteit op locaties waar een project wordt gerealiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met de toekomstige uitstraling van het gebied. Landschappelijke inpassing betekent niet dat het project niet zichtbaar mag zijn; De gemeente streeft zoveel mogelijk naar meervoudig grondgebruik en behoud en ontwikkeling van de Biodiversiteit.

25

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning Toetsing van het initiatief aan ‘Zonnewijzer en windrichting gemeente Goirle geamendeerde versie 15 januari 2019’ en ‘Toetsingscriteria voor locaties Zonneparken Goirle Uitwerking van de visie Zonnewijzer en Windrichting’. Voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het ‘Zonnewijzer en windrichting gemeente Goirle geamendeerde versie 15 januari 2019’ en ‘Toetsingscriteria voor locaties Zonneparken Goirle Uitwerking van de visie Zonnewijzer en Windrichting’, doordat in de planvorming rekening gehouden is met criteria en eisen van de gemeente. Allereerst levert dit initiatief een bijdrage van netto 6 hectare zonnepark aan de totaal benodigde netto 40 hectare zonnepark. Het zonnepark is ingedeeld in compartimenten van maximaal 2 hectare, waarbij de compartimenten gescheiden worden door bestaande dan wel aan te leggen landschappelijke elementen. Het park kan aansluiten op het hoofdstation Tilburg-Zuid, hiervoor is op 20-7-2020 de offerte van Enexis bevestigd. Deze vergunningsaanvraag van Zonnepark Beeksedijk wordt gedaan voor een tijdelijke vergunningsperiode van 25 jaar. Het park voegt daarnaast waterberging en biodiversiteit stimulerende ontwikkelingen toe aan de omgeving. Daarnaast wordt 62% van het plangebied gebruikt voor landschappelijke inpassingselementen.

De panelen worden op circa 1,5 meter geplaatst. De randen van het zonnepark worden dusdanig ingepast dat er weinig tot geen zicht is op het plangebied. De in de landschappelijke inpassing geplande soorten zijn voornamelijk streekeigen soorten. Verder zullen er meerdere flora en fauna stimulerende zones in het plangebied worden ontwikkeld. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar Bijlage 1 Landschappelijk Adviesrapport, Inpassings-, Beplantings- en Beheerplan van deze ruimtelijke onderbouwing. Tevens wordt er voldaan aan de uitgangspunten die gesteld zijn aan participatie en communicatie, zie Bijlage 4 Financieel Participatieplan en Bijlage 5 Communicatierapport. Hierin staan de stappen die door de initiatiefnemers genomen zijn op het gebied van participatie en communicatie met de omwonenden. Tevens staan in deze plannen de verschillende manieren waarop de omwonende en bewoners van Goirle kunnen participeren in het project. Gesteld kan worden dat het zonnepark op een adequate wijze wordt ingepast in de omgeving en in overeenstemming is met de gestelde criteria en voorwaarden van ‘Zonnewijzer en windrichting gemeente Goirle geamendeerde versie 15 januari 2019’ en ‘Toetsingscriteria voor locaties Zonneparken Goirle Uitwerking van de visie Zonnewijzer en Windrichting’.

Zonneladders Binnen de verschillende geldende beleidsregels zijn er een 4-tal afzonderlijke Zonneladders aan te wijzen. De zonneladders zijn onderdeel van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, de Zonnewijzer en Windrichting gemeente Goirle, geamendeerde versie 15 januari 2019 (ZWG), Toetsingscriteria voor locaties Zonneparken Goirle en Regionale Energie en Klimaat Strategie Hart van Brabant (REKS). Zonnepark Beeksedijk is in Bijlage 9 Onderzoek Zonneladders getoetst aan alle 4 verschillende zonneladders. Hieruit blijkt dat er naast de reeds vergunde projecten in gemeente Goirle en de potentiële locaties in hogere treden van de verschillende ladders nog ruimte is voor 17,7 effectief zonnepark. Zonnepark Beeksedijk zal effectief 6 hectare zonnepanelen beslaan. Hierdoor past Zonnepark Beeksedijk binnen de gestelde zonneladders en mag deze locatie in het buitengebied van Goirle gerealiseerd worden.

26

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning Welstandsnota Goirle Inleiding Om bouwplannen op welstand te mogen toetsen zijn gemeenten sinds 1 juli 2004 verplicht een welstandsnota vast te stellen. Met het opstellen van een welstandsnota worden de procedures en de toetsing transparanter gemaakt. De gemeente Goirle heeft ervoor gekozen een welstandsnota op te stellen om voor specifieke gebieden in de gemeente Goirle, om het uiterlijk van gebouwen in de omgeving tot zijn recht te laten komen. Het onderwerp van deze nota is de kwaliteit van de bebouwing in de gemeente Goirle. Het gaat hier om gebouwen en bouwwerken die iedereen dagelijks om zich heen ziet. Bepalend daarbij zijn zowel de kwaliteit van de individuele gebouwen en bouwwerken, als de kwaliteit van het totaalbeeld van de gebouwen in hun onderlinge samenhang. Doorgaans zijn inwoners positief over die dagelijkse leefomgeving. Deze kwaliteit is door bewust en meestal zorgvuldig handelen van particulieren en overheid door de eeuwen heen ontstaan. Sinds een eeuw is deze zorg voor de architectonische kwaliteit ook nadrukkelijk een overheidstaak. Daarbij is het gemeentelijke welstandstoezicht het belangrijkste instrument geweest. De welstandsnota is opgebouwd uit verschillende deelgebieden. Onderhavig plangebied is gelegen in gebied G8: Buitengebied.

Welstandsgebied G8- Buitengebied Het buitengebied van Goirle is opgebouwd uit slechts één deelgebied: G8 Buitengebied, zie afbeelding 4.3.

Afbeelding 4.3

Welstandskaart (Bron: Gemeente Goirle)

Het buitengebied van Goirle is te typeren als een open agrarisch landschap waarin de oude beekstructuur een belangrijke ‘dragende’ rol speelt. Hoewel het grondgebruik in het deelgebied varieert tussen intensief agrarisch tot natuur, betekent dit geen wezenlijke veranderingen voor de gebouwde objecten in het deelgebied, noch voor de criteria die aan de gebouwde objecten zullen worden gesteld. In het buitengebied komen een aantal gebouwde objecten voor, die specifieke aandacht behoeven. Hiervoor zijn specifieke gebiedscriteria opgenomen: specifieke gebiedscriteria voor agrarische bedrijven en erven; specifieke gebiedscriteria voor verbouwing van een boerderij.

27

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Goirle Het welstandsbeleid richt zich voornamelijk op de type bebouwing en de detaillering daarvan. Hierbij gaat het om woningen, boerderijen en de daarbij behorende schuren en overige gebouwen. Een specifieke ontwikkeling als een zonnepark wordt in de welstandsnota niet benoemd. Wel wordt in de welstandsnota benadrukt dat het beleid erop is gericht om nieuwe ontwikkelingen goed in te passen in de landelijke omgeving. In voorliggend geval wordt, zoals in voorgaande hoofdstukken reeds is beschreven, het zonnepark doormiddel van gebiedseigen beplanting, in het landschap ingepast. Hiermee wordt voldaan aan het welstandsbeleid ten aanzien van het landschappelijk inpassen van nieuwe ontwikkelingen in de omgeving. Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.

28

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning

5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende weten regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, besluit milieueffectrapportage, water, reflectie en elektromagnetische straling.

5.1 GELUID (WET GELUIDHINDER ) Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) vormt een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidbeleid. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Voor de geluidgevoelige objecten moeten bepaalde grenswaarden in acht worden gehouden. Er zijn enkele woningen in de buurt van het zonnepark. Situatie projectgebied Bij het zonnepark is nauwelijks sprake van geluidsproductie. Er is bijna alleen laagspanning op de gehele installatie (<1.000V), waardoor de geluiden zoals bekend van hoogspanningsinstallaties (brommen/zoemen) alleen voorkomen bij de trafostations, die midden op het park staan. Dit geluid is op een paar meter afstand al niet meer hoorbaar. De gebruikte omvormers, trafostations en regelapparatuur worden niet actief gekoeld en zijn dus stil. Er zal dan ook buiten het zonnepark geen geluid te horen zijn. De voorgestelde inrichting voldoet aan de normen gesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeente (VNG) voor wat betreft richtafstanden van de transformatorhuisjes tot de dichtstbijzijnde woningen, in dit geval minimaal 30 meter. De dichtstbijzijnde woning staat op 180 meter van een transformatorhuisje.

Er is ook geen sprake van geluidsreflectie van bijvoorbeeld weg-, trein of vliegverkeer naar de omgeving. Hoewel de panelen wel geluid reflecteren, zal dit door de hellingshoek naar de lucht zijn gericht, zie ook paragraaf Lichtreflectie. Hierdoor – en door het omringende groen (demping) – zal er geen waarneembare geluidsreflectie voor de omgeving zijn. Het aspect geluid levert dus geen belemmering op voor het zonnepark. Conclusie Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.2 BODEMKWALITEIT Algemeen Bij het verlenen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Situatie projectgebied Het uitvoeren van onderzoek naar de bodemkwaliteit doet zich voor in situaties waarin personen langdurig verblijven of aanwezig zijn. In voorliggend geval worden overwegend bouwwerken geen gebouwen zijnde gerealiseerd waar zonnepanelen op bevestigd worden. Daarnaast worden kleine gebouwen (trafostation e.d.)

29

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning gerealiseerd, echter wordt hierin niet langdurig door personen verbleven. Verder wordt opgemerkt dat de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling geen risicovolle activiteit voor de bodem betreft. Uit het bodemloket blijkt dat er op de beoogde planlocatie, zie afbeelding 5.1, geen gevallen van bodemverontreiniging bekend zijn, noch is er aanleiding deze te verwachten. Er kan dus worden geconcludeerd dat de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Afbeelding 5.1

Uitsnede rapportage van de milieu-hygiënische bodemkwaliteit (Bron: Noord-Brabant Omgevingsrapportage)

Er zijn een aantal factoren bekend die invloed hebben op de bodemkwaliteit: licht, lucht, water en organische stof. Op basis hiervan worden de volgende maatregelen genomen: - De panelen staan hoger van de grond dan normaal ca. 65 cm voor zodat er meer ruimte is voor directe en indirecte lichtinval en indirecte neerslag (regen die door de wind wordt meegevoerd) om de bodem onder de panelen te bereiken. Tevens staan de panelen maximaal 150 cm van de grond, wat tevens ruimte biedt voor directe en indirecte lichtinval en neerslag. - De panelen worden in een zuidopstelling geplaatst (dus niet oost-west, omdat daarbij de grond vrijwel volledig wordt afgedekt). - Tussen elke paneelrij is circa 2,5 meter vrije ruimte. De verhouding bedekt en onbedekt tussen de rijen is 65% bedekt en 35% onbedekt. Dit voldoet ruim aan de eisen van de SDE++ voor maximaal 75% bedekking door de zonnepanelen tussen de rijen. - De panelen worden niet strak tegen elkaar aan gemonteerd, maar met een kleine tussenruimte van 2 cm zodat regenwater niet alleen aan de voorzijde maar ook tussen de panelen door op de bodem terecht komt. Dit vermindert de kans op gronderosie aan de voorzijde van de paneelrijen (er valt veel minder water op één plek) en voorkomt verdroging van de bodem onder de panelen.

Het vocht in de bodem onder de panelen verdampt minder door de schaduwwerking waardoor het ook met minder neerslag toe kan. - Er worden maar twee panelen per kolom gemonteerd. Dit bevordert de lucht-, water- en lichtdoorlaatbaarheid van de opstelling.5

5

Schotman, A, F.F. van der Zee, G. Hazeu, J. Bloem, J. Sluijsmans & M. Vittek, 2021. Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland; Eerste overzicht van de ligging van zonneparken in Nederland en stand van de kennis over het effect van zonneparken op de bodemkwaliteit. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3061. 112 blz.; 26 fig.; 7 tab.; 8 ref.

30

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning - Onder en tussen de panelen wordt bijgezaaid met schaduw minnend bloemrijk/kruidenrijk grasland. Op die manier voorkomen we het dichtslaan en uitdrogen van de bodem en bodemerosie. - Uitgebloeide bloemen, zaadhulzen, afgevallen boombladeren en ander organisch materiaal kan zich door de wind goed over het park verspreiden. Dat zorgt er in elk geval voor dat er ook nieuwe toevoer van organische stof naar de bodem plaatsvindt. Voldoende licht, lucht en vocht onder de panelen houdt niet alleen het gras in stand, maar is ook belangrijk voor het leven ín de bodem dat weer van invloed is op de bodemkwaliteit. Uit Nederlands onderzoek door CLMonderzoek en advies blijkt dat zuidgeoriënteerde zonneparken de negatieve effecten van panelen op de bodem kunnen compenseren. In een zuidopstelling ontstaan verschillende microklimaten. Dit zorgt voor een rijk biodiversiteitsaanbod op het gebied van flora. Deze verschillende soorten vegetatie hebben baat bij verschillende omstandigheden en zorgen voor een diepe beworteling over het gehele plangebied. Hierdoor wordt er meer organische stof vastgelegd in de bodem 6. Het uitblijven van bodembewerking en -bemesting leidt tot verbetering van de bodemkwaliteit door een toename aan micro-organismen, schimmels en regenwormen in de bodem.

Regenwormen houden namelijk niet van felle zon en zullen dus onder de panelen juist nog beter kunnen gedijen dan op open land. Dit verbetert de structuur van de bodem en daardoor neemt de bodem meer organische stof op. Daarnaast zorgt de toename van biodiversiteit in de bodem voor minder uitspoeling, een beter ziektewerend vermogen en een groter herstellend vermogen bij een eventuele verstoring. Met als gevolg dat de voorgestelde gevarieerde beplanting onder een zuidopstelling, een vergelijkbaar bodemkwaliteitsevenwicht bereikt als een perceel met dezelfde beplanting zonder panelen. Door de gekozen opstelling van de installatie blijft de bodem even goed in staat hemelwater te verwerken als vóór de aanleg van het park. Hierdoor is er ook geen (extra) afstroming naar de omliggende percelen te verwachten. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.3 LUCHTKWALITEIT Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan o.a. de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om

6

Keuskamp, J. A. (2018). Zonneparken in agrarisch gebied: effecten op bodemkwaliteit

31

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter.

Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Situatie projectgebied Gelet op de aard en omvang van dit project en de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1, kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. In de aanlegfase vinden er alleen maar verkeersbewegingen plaats en in de gebruiksfase wordt het zonnepark incidenteel bezocht, uitsluitend in het kader van beheer en onderhoud. Er is dan ook geen sprake van significante verkeersaantrekkende werking. Vermindering van de luchtkwaliteit is daarom niet aan de orde en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het zonnepark. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Conclusie Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

5.4 EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);

32

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Situatie projectgebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.

In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied (zwarte contour) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.2

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

33

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning

Het plangebied is gelegen binnen de contouren van een buisleiding van de Gasunie, te weten de A-657. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 914 mm, en een wanddikte van 0,47 mm, en een maximale werkdruk van 66 bar. Het zonnepark is geen kwetsbaar beperkt object, en daarmee hoeft het groepsrisico niet te worden verantwoord. Echter is ervoor gekozen om Gasunie in te lichten. Hierbij is aangegeven door Gasunie dat wanneer het project de volgende fase bereikt, c.q. vergund door de gemeente en SDE verleend een gesprek met Gasunie plaats zal vinden. In het overleg met Gasunie zullen de benodigde berekeningen voor het toetsen van het zonnepark op het gebied van wisselstroom beïnvloeding van het gasleidingsysteem worden aangeleverd. Voor de bouw van het zonnepark wordt met de Gasunie nauwkeurig afgestemd. Tevens zal bij de uitvoering machinale grondroeringswerkzaamheden voor aanvang van de werkzaamheden een graafmelding worden gedaan. Conclusie Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 MILIEUZONERING Algemeen Om hinder en gevaar te voorkomen, bepaalt de overheid minimale afstanden tussen woningen en bedrijfsactiviteiten. Hiervoor wordt meestal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin per bedrijfscategorie richtafstanden voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Situatie projectgebied Dit zonnepark zal ongeveer 13 MW aan elektriciteit opwekken. De voorgenomen inrichting van de betrokken gronden als zonnepark levert geen hinder of gevaar op voor omliggende gevoelige functies. Wel worden transformators en omvormers geplaatst. Deze worden echter niet aan de randen van het plangebied gesitueerd. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt dit onder de activiteit ‘elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tussen de 10 en 100 MVA’. Het betreft hier een milieucategorie 1-inrichting met een richtafstand van 50 meter vanwege geluid. Voor de omvormers is de vergelijking gemaakt met de activiteit ‘elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA’. Voor deze activiteit is de richtafstandentabel voor het aspect geluid 30 meter. In dit plan liggen de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemmingen op een grotere afstand. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden.

Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit project besloten ontwikkeling.

5.6 ECOLOGIE Algemeen Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

34

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, zijn gelegen op een afstand van circa 2,6 kilometer van het projectgebied. In het kader van deze ruimtelijke procedure is inzicht in de te verwachten effecten van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. De te verwachten stikstofemissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele gevolgen daarvan is inzichtelijk gemaakt met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2019. Dit rapport, waar een toelichting op de AERIUS-berekening wordt gegeven, is opgenomen in Bijlage 3 Aerius van deze toelichting. Het resultaat van de AERIUS-calculator is dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunning plichtig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Afbeelding 5.3

Gebiedskaart NNN, in de groen gestreepte gedeeltes zijn de Natuur Netwerk Brabant gebieden aangegeven, rood gestreept ecologische verbindingszones en in de blauwe contour het plangebied. (Bron: Gemeente Goirle)

35

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning Het projectgebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden behorende bij het NNN zijn gelegen aangrenzend aan het projectgebied. Het zonnepark zelf zal op een afstand van minimaal 75 meter van NNNgebieden liggen. Ook wordt er minimaal 25 meter afstand gehouden tot de ecologisch verbindingszone. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot het NNN en de ecologische verbindingszone wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Als gevolg van de voorgekomen ontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt of beplanting gerooid. Het projectgebied is in de huidige situatie in gebruik als agrarische grond. Vanwege het agrarische gebruik en onderhoud van de gronden (maaien etc.) heeft het projectgebied een lage ecologische waarde. Volledigheidshalve is er een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd door het bureau Otte Groenadvies, deze is in de bijlage 4 opgenomen. Uit dit onderzoek zijn geen noemenswaardige ecologische waardes gekomen, men dient zich te houden aan de algemene zorgplicht. Opgemerkt wordt dat rekening wordt gehouden met de in de artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling.

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.7 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE Archeologie Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Situatie projectgebied De cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Brabant (Arcgis, CHW 2016) geeft aan dat er een uitloper van het archeologisch landschap over een deel van het plangebied loopt. In het bestemmingsplan is hieraan echter geen specifieke waarde toegekend, anders dan een Lettertekenaanduiding, en zijn er aan die aanduiding geen bouwregels verbonden, alleen aanlegvoorschriften die vergunningplicht opleggen bij overschrijding van bepaalde grenswaarden aan grondroering of verharding.

In het onderhavige plan wordt de grenswaarde voor grondroering (100m³) overschreden, hetgeen in de onderhavige aanvraag omgevingsvergunning dient te worden meegenomen. Gemeente Goirle heeft (nog) geen eigen archeologisch beleid waaraan het plan verder getoetst dient te worden. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het initiatief. Cultuurhistorie Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

36

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een ruimtelijk plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Situatie projectgebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, in het projectgebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings) plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In artikel 1 onder e van de bijlage van het Besluit m.e.r.

wordt een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan gelijkgesteld aan een bestemmingsplan indien een plan wordt genoemd in kolom 4. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. beoordeling gehanteerd. Situatie projectgebied Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een zonnepark op percelen met een totaaloppervlakte van circa 16 hectare. Hierdoor zal het zonnepark binnen het hekwerk circa 12 hectare bedragen. Realisatie van projecten met zonne-energie worden niet in het Besluit milieueffectrapportage (besluit m.e.r.) genoemd. Wel leiden grondgebonden zonneparken tot de herinrichting van een stuk landelijk gebied. In de D-lijst is de volgende activiteit opgenomen 'Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan'. Een zonnepark valt hieronder, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarde voor

37

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning landinrichtingsprojecten uit het Besluit m.e.r. is 125 hectare. Op basis van de omvang van het project, een zonnepark van circa 12 hectare, is een m.e.r.- beoordeling of het doorlopen van een m.e.r.-procedure niet nodig. Gelet op de omvang van het totale project, de kenmerken van het project (zonnepark) en de aard van de effecten (zeer beperkt), wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een m.e.r- beoordeling of het doorlopen van een m.e.r-procedure niet aan de orde is. Conclusie De ontwikkeling is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling als gevolg van de verlening van de omgevingsvergunning.

5.9 WATERASPECTEN Vigerend beleid Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Noord-Brabant wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Waterschap De Dommel Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het werkgebied van het waterschap omvat het stroomgebied van de Dommel op Nederlands grondgebied, ongeveer tot het punt waar deze rivier samen met de Aa in de Dieze uitmondt. Bovendien omvat het gebied nog het stroomgebied van de Zandleij, die in het Afwateringskanaal 's-Hertogenbosch-Drongelen uitmondt. Dit gebied is 1510 km2 groot en er wonen ongeveer 1 miljoen mensen. In het zuiden wordt het gebied onder meer begrensd door Watering De Dommelvallei. Een watering is het Belgische equivalent van een waterschap. In het noorden en oosten wordt het gebied begrensd door Waterschap Aa en Maas, en in het westen door Waterschap Brabantse Delta.

Het gebied omvat de steden Tilburg en Eindhoven en het is onderverdeeld in drie zogeheten stroomgebieden: het stroomgebied Boven-Dommel met het stroomgebiedskantoor in Veldhoven, het stroomgebied Beerze en Reusel met stroomgebiedskantoor in Middelbeers, en het stroomgebied Beneden Dommel en Zandleij met

38

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning stroomgebiedskantoor in Boxtel, waar zich ook het Waterschapshuis bevindt. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterschap de Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap de Dommel. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Waterparagraaf Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de onderbouwing van ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen.

Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Watertoetsproces De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1. en 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen bevoegd gezag, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebied specifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen en afvoeren' moet worden gehanteerd.

39

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning Het waterschap De Dommel is primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plaatsingsgebied en directe omgeving. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied en directe omgeving wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. Overige waterhuishoudkundige voorzieningen Bij de beoogde ontwikkeling worden zonnepanelen geplaatst op een metalen frame. Het regenwater dat op de panelen valt, stroomt af richting de bodem (tussen de zonnepanelen is voldoende ruimte aanwezig zodat het regenwater verspreid op het maaiveld kan vallen), waar het water infiltreert. Het regenwater zal dan ook niet versneld afstromen richting het oppervlaktewater. Het zonnepark wordt door de vrije afstroming van het regenwater richting de onderliggende bodem niet gezien als toename in verharding.

De toegangsweg en onderhoudspad zullen worden uitgevoerd als half verharde lemen padden. Watercompensatie is voor dit plan dan ook niet vereist. Wel wordt er een waterbergende functie aan het plangebied toegevoegd. Doordat de sloot in het midden van het plangebied wordt afgesloten van de watergang aan de noordkant van het plangebied. Daarnaast zal de oever van de sloot verflauwd worden. Ook zal de oever van de a-watergang met bijbehorende ecologische verbindingszone verflauwd worden. Dit zal de ecologische waarde van deze zone vergroten. Ook zijn de zonnepanelen niet verontreinigend. Door het afstromende regenwater vindt dan ook geen verontreiniging van bodem en water plaats. Het zonnepark wordt niet aangesloten op het rioleringsstelsel. De ontwikkeling is dan ook niet van invloed op de belasting van het rioleringssysteem. Het beoogde zonnepark ligt in een reserveringsgebied en regionaal gebied waterberging. Hiervan is de initiatiefnemer zich bewust en daar is rekening mee gehouden in het ontwerp van het beoogde zonnepark. Advies waterschap Het waterschap heeft op 13-7-2020 advies op het beoogde zonnepark uitgebracht. Waarbij het waterschap positief staat t.o.v. het beoogde zonnepark. Waarbij een aantal aspecten m.b.t. maatvoering van de landschappelijke inpassing nog verduidelijkt moesten worden. Welke reeds verwerkt zijn in dit verslag.

Daarnaast gaf het waterschap aan dat het plangebied grenst aan een ecologische verbindingszone (EVZ) en een A-watergang met kaderrichtlijn water (KRW) status. Hiermee is rekening gehouden in het ontwerp van het park, zie het landschappelijke en technische ontwerp in Bijlage 1 Landschappelijk Adviesrapport, Inpassings-, Beplantings- en Beheerplan & Bijlage 6 Technisch Ontwerp. Er is besloten om de natuurvriendelijke oevers te schrappen naar aanleiding van een zienswijze van Waterschap de Dommel. Zij kunnen namelijk niet garanderen dat de geplande natuurvriendelijke oever langs de A-watergang ontzien zal worden van maaiwerkzaamheden. Grondwaterkwaliteit Het Zonnepark Beeksedijk kent geen emissies en er worden geen uitlogende materialen gebruikt. Hierdoor zijn er geen negatieve invloeden op de kwaliteit van het grondwater te verwachten, ook niet bij calamiteiten (er worden momenteel in Nederland zelfs drijvende zonneparken op drinkwaterbekkens gebouwd). Ook zorgt Zonnepark Beeksedijk niet voor wezenlijke veranderingen in de waterhuishouding. Er is minder dan 10% verharding en er wordt geen grond afgevoerd, opgebracht, geëgaliseerd of verdicht, en de grasmat wordt in

40

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning stand gehouden. Kortom, de bestaande infiltratiecapaciteit en het waterbergend vermogen blijven behouden. Hierdoor worden er geen veranderingen aan de grondwaterkwaliteit verwacht.

5.10

LICHTREFLECTIE Algemeen

Er zijn twee verklaringen waarom de omgeving van het zonnepark geen last zal hebben van spiegeling/ weerkaatsing van het zonlicht in de panelen: natuurkundig en technisch. Natuurkundig Als er al reflectie is, dan is deze bij een zonnepark altijd naar de hemel gericht. Dit kan met een beetje natuurkunde worden uitgelegd. Bij reflectie op gladde oppervlakken, zoals op zonnepanelen, geldt in de natuurkunde dat de hoek van inval gelijk is aan de hoek van uitval. Op 21 juni staat de zon op zijn hoogst en heeft dan een instralingshoek van 61,2°. De panelen worden geplaatst onder een hoek van circa 10° richting het zuiden, zie afbeelding 5.4. De hoek van inval is in de zomer dan 61,2° + 10° = 71,2° ten opzichte van het zonnepaneel. De hoek van uitval is dan ook 71,2° ten opzichte van het zonnepaneel (bijna recht omhoog). Op 21 december staat de zon op zijn laagst, en dan valt het licht onder een hoek van 14° op de panelen, wat een invalshoek en uitvalshoek van 14° + 10° = 24° oplevert (schuin omhoog). Omdat de zon opkomt in het oosten, en dan via het zuiden weer ondergaat in het westen, komt het zonlicht overdag vooral uit zuidelijke richting. Daardoor zal de reflectie dus het hele jaar door omhoog en naar het noorden zijn gericht.

Afbeelding 5.4

Schematische weergave lichtreflectie van zonnepalen in een zuidopstelling. (Bron: TPSolar)

Technisch Er is met de huidige generaties zonnepanelen niet echt sprake meer van reflectie. Zonnepanelen nemen zoveel mogelijk (meer dan 95%) van het invallende zonlicht op, om dit te kunnen omzetten in energie. Weerkaatst zonlicht zou ten koste gaan van de productie en wordt dus op alle mogelijke manieren voorkomen. Hiervoor zorgt allereerst een antireflectie coating op het bovenglas dat door een chemisch proces met het glas wordt ‘versmolten’ en daardoor even lang meegaat als het glas zelf. Daarnaast is er een bewerking aan de binnenzijde van het bovenglas, dat een beetje hetzelfde effect oplevert als een doorkijkspiegel: het licht kan er in één richting vrij doorheen, maar als het wordt teruggekaatst (door de fotocellen) kan het er niet meer uit. Een modern zonnepaneel reflecteert dan ook nog minder dan een mat tv- of laptopscherm en verstrooit bovendien het kleine beetje weerkaatste licht, waardoor er geen schittering optreedt. Ook de frames van de panelen zijn mat en schitteren niet. Verder is er ook bij neerslag of condensatie er geen schittering. De panelen worden al snel enigszins warm in de zon waardoor ochtenddauw geen kans krijgt; neervallend regenwater zal direct van de

41

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning panelen afdruipen (zelfs bij motregen) en het eventuele restant zal bij een beetje zonneschijn al snel verdampen (bij bewolkt weer is er natuurlijk sowieso geen schittering). In de praktijk Dat een zonnepark geen spiegeling oplevert is ook in de praktijk bewezen. Voor de bouw van Zonnepark Hoogveld-Zuid Uden, naast luchtmachtbasis Volkel, zijn op verzoek van Defensie reflectietesten uitgevoerd. Hierbij is op zonnige dagen een groot aantal testvluchten uitgevoerd boven een proefopstelling van zonnepanelen, waarbij onder verschillende hoeken over droge en bevochtigde panelen werd gevlogen. De uitkomst van deze testen was dat er geen waarneembare reflectie werd geconstateerd voor de militaire laagvliegroute, waarna Defensie goedkeuring verleende aan de bouw van het zonnepark. Hierdoor kan uitgesloten worden dat lichtreflectie negatieve invloed kan hebben op het vliegveld van Gilze-Rijen. Het enige zichtbare effect op zeer zonnige dagen is dat de van dichtbij donkerblauw of zwart gekleurde panelen door het kleine beetje strooilicht van een afstand van kleur veranderen en lichtgrijs lijken. Het aspect lichtreflectie speelt dus geen rol bij dit initiatief. Conclusie Het aspect lichtreflectie speelt geen rol bij dit initiatief.

5.11

ELEKTROMAGNETISCHE VELDEN Algemeen

Uitsluitend bij de omvormers en de transformatoren zullen enige elektromagnetische velden vrijkomen. De rest van de installatie is gelijkstroom en daarbij komen er geen elektromagnetische velden vrij. Voor elektromagnetische velden bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een grens van 0,4 microTesla (μT). De GGD-en adviseren om ook bij andere bronnen van ELF-EM-velden, zoals onderstations en transformatorhuisjes, dit voorzorgprincipe te hanteren. Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonnepark door de afstand van een zonnepark tot woningen en gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 μT (wat voor hoogspanningslijnen overeenkomt met een afstand van circa 70 m) te laten komen Situatie projectgebied De opgewekte straling in het zonnepark blijft ver onder de grens van 0,4 pT. Bovendien staan de omvormers en transformatoren midden in de installatie, op flinke afstand van de randen. Het gaat hierbij niet om een kwetsbaar object en vanuit de hoogspanningsleidingen ontstaan geen gevolgen. Conclusie Het aspect elektromagnetische velden levert geen belemmering op voor het zonnepark.

42

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning

6

UITVOERBAARHEID

6.1 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Vooroverleg Provincie Noord-Brabant Het voeren van vooroverleg met de provincie Noord-Brabant is, gelet op het feit dat het gaat om een lokale ontwikkeling die in overeenstemming is met provinciaal beleid, niet noodzakelijk. Echter zal eventueel vooroverleg met de provincie plaatsvinden, als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro en artikel 6.18 Bor, mocht de gemeente Goirle dat nodig achten. Waterschap De Dommel In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is contact geweest met het Waterschap De Dommel. In paragraaf 5.9 zijn de wateraspecten reeds beschreven. Hierin is rekening gehouden met de uitgangspunten van het waterschap en is het commentaar verwerkt. Omgevingsdialoog TPSolar onderhoudt communicatie met de omgeving. De landeigenaren en initiatiefnemers zijn in contact met de buren nabij het perceel aan de Beeksedijk. In het kader van de maatschappelijke betrokkenheid van Zonnepark Beeksedijk B.V. betekent men graag wat voor de omgeving, nadere uiteenzetting hiervan is opgenomen in Bijlage 5 Communicatierapport van deze toelichting. Zo is de buurt in een vroeg stadium geïnformeerd, en wordt zij tevens blijvend op de hoogte gehouden omtrent de voortgang. Daarnaast zal er een gebiedsfonds opgericht worden die voor en door de buurt besteed mag worden aan duurzaamheid gerelateerde projecten in het gebied.

6.2 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Vorenstaande wordt geregeld met een anterieure overeenkomst. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig. Voor de totstandkoming van het zonnepark is een subsidie op grond van de SDE aangevraagd. Met deze subsidieregeling worden de elektriciteitsopbrengsten voor de initiatiefnemer aangevuld tot het basisbedrag dat nodig is om de investering terug te verdienen.

Voor het verlenen van de subsidie is een omgevingsvergunning, waartoe deze ruimtelijke onderbouwing dient, vereist De (overige) kosten voor de realisatie van het zonneveld worden voor het overige gedragen door de initiatiefnemer. Hierdoor is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

43

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning

6.3 ZIENSWIJZEN Deze paragraaf wordt nadat de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage heeft gelegen ingevuld.

44

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning

7

CONCLUSIE

De voorgaande afwegingen hebben duidelijk gemaakt dat het bouwen en 25 jaar lang exploiteren van een zonnepark op de voorgestelde projectlocatie: • • • • • • •

past binnen nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid; past binnen de gestelde voorwaarde van het ‘toetsingscriteria voor locaties Zonneparken Goirle’; past binnen de door gemeente Goirle opgestelde Zonneladder; past binnen de ruimtelijke structuur; vanuit omgevingsaspecten geen beperkingen of belemmeringen oplevert; economisch en maatschappelijk realiseerbaar is; een bijdrage levert aan gemeentelijke en nationale energiedoelstellingen.

45

Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Beeksedijk” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning

8 BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BIJLAGE 1 LANDSCHAPPELIJK ADVIESRAPPORT, INPASSINGS-, BEPLANTINGS- EN BEHEERPLAN BIJLAGE 2 QUICKSCAN F LORA EN FAUNA BIJLAGE 3 AERIUS BIJLAGE 3A UITGANGSPUNTEN AERIUS BIJLAGE 3B AERIUS BEREKENING BOUW ZONNEPARK BEEKSEDIJK BIJLAGE 3C AERIUS BEREKENING BEHEER ZONNEPARK BEEKSEDIJK BIJLAGE 4 FINANCIEEL PARTICIPATIEPLAN BIJLAGE 5 COMMUNICATIERAPPORT BIJLAGE 6 TECHNISCH ONTWERP BIJLAGE 7 ADDITIONELE TECHNISCHE INFORMATIE BIJLAGE 8 LANDSCHAPPELIJK ONTWERP BIJLAGE 9 ONDERZOEK ZONNELADDERS BIJLAGE 10 MONITORINGSPROTOCOL BIODIVERSITEIT

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1832/documents/28777