05 Bijlage 1 - Vast te stellen Bestemmingsplan Beeksedijk 26-28 Goirle.pdf
Tekst van het document
Parkeren vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Er is voorzien in voldoende parkeergelegenheid om te voldoen aan de gestelde CROW-normen.
33
HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.
Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie "Bedrijven en milieuzonering". In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgende de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden: 1. een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) of 2. een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Invloed van de omgeving op het voornemen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het plangebied.
34
Invloed van het voornemen op omgeving In de omgeving van het plangebied zijn geen locaties gelegen die toetsing op bedrijven en milieuzonering verwachten. De twee locaties, Beeksedijk 26 en 28 zijn ten opzichte van elkaar het meest relevant voor wat betreft bedrijven en milieuzonering. Om te voorkomen dat in de nabije of verdere toekomst het bedrijf aan de Beeksedijk 26 een belemmering vormt voor de woning aan de Beeksedijk 28 wordt een afstand aangehouden van 50 meter tussen beide bestemmingen. Conclusie Vanuit het aspect milieuhinder bestaat er geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. 5.2.
Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.
Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.
35
Afbeelding: uitsnede risicokaart.nl Plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is.
Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.
36
Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Het plangebied is niet gelegen binnen een dergelijk invloedsgebied. Een verantwoordingsplicht is dan ook niet aan de orde. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Goirle is bezig met een beleidsvisie externe veiligheid. Deze visie is echter nog niet vastgesteld.
Met deze visie heeft de gemeente het voornemen om haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeentegrenzen weer te geven. Op basis van de visie wordt de beleidsvrijheid voor externe veiligheid ingevuld en wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoord veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling. De visie is toetsingskader voor ruimtelijke besluiten. Aangezien de visie nog niet is vastgesteld kan er ook geen verdere uitwerking gegeven worden aan de paragraaf. Inrichtingen In dit bestemmingsplan liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Het bestemmingsplan maakt voorts geen ontwikkelingen mogelijk, die een vergroting van het groepsrisico met zich brengen. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in de gemeente Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen transportroutes over de weg gelegen met een invloedsgebied dat over het plangebied rijkt. Buisleidingen
37
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De locatie ligt binnen de plaatsgebonden risicocontour van de buisleiding A-657 van de gasunie. Het betreft een aardgasleiding, type NEN 3650-leiding. Er wordt geen beperkt kwetsbaar object toegevoegd, het gaat om de verplaatsing van de bestaande woning en wijziging van een bestemming. Verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare, zoals de beoogde woning aan de Beeksedijk 28, worden als beperkt kwetsbaar object gezien. De afstand tot de buisleidingen wordt iets groter. De woning komt op circa 75 meter van het hart van de leiding. Dit is binnen de veiligheidsafstand. Omdat het aantal personen binnen de risicocontour ongewijzigd blijft en er in beginsel geen nieuwe kwetsbare personen gehuisvest worden is de verplaatsing aanvaardbaar. Met andere woorden, het aantal woningen en de daarmee samengaande aantal personen blijven ongewijzigd
Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten. Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts).
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Mogelijkheden tot de voorbereiding van bestrijding van een ramp Mocht zich een calamiteit voordoen dan zal de bestrijding hoofdzakelijk bij de bron van de calamiteit plaats gaan vinden. Op het plangebied zijn de reguliere middelen aanwezig om (kleinschalige) calamiteiten te bestrijden. Denk hierbij aan brandblussers en blusdekens.
38
Mogelijkheden voor de zelfredzaamheid De ligging, direct aan de Beeksedijk, maakt dat vluchten een reële optie is in geval van een calamiteit. Er worden op het plangebied geen functies mogelijk gemaakt waarbij het denkbaar is dat meer personen met een beperkte zelfredzaamheid te gast zullen zijn op het plangebied. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. De locatie is weliswaar gelegen binnen de risicocontour van buisleiding A-657 maar er worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten opgericht. 5.3.
Kabels, straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologische relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.
5.4.
Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Wegverkeer Voor wegverkeerslawaai geld een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale grenswaarde van 53 dB. Als ter hoogte van de gevel niet meer dan 53 dB gemeten wordt, is er sprake van een gunstig woon- leefklimaat. Er wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd. Het betreft het wijzigen van de bestemming van de Beeksedijk 26 en de verschuiving van een bestaande woning te weten Beeksedijk 28. Met een akoestisch onderzoek is aangetoond dat de grenswaarde niet overschreden wordt voor de nieuwe locatie van de woning. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd als bijlage. Industrie Het plangebied ligt niet binnen en zone/contour van een ingevolgde de Wgh gezoneerd industrieterrein. Ook zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen nieuwe industrieën voorzien. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van andere geluidhinderlijke inrichtingen die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen het plangebied. Conclusie. Er is geen overlast of hinder van industrielawaai op het plangebied aanwezig.
Met de ontwikkelingen worden geen geluid producerende functies mogelijk gemaakt. Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde. 39
Conclusie Het wijzigen van de bestemming van een agrarische naar een bedrijfsbestemming betekend een positieve ontwikkeling ten aanzien van verkeers- en industrielawaai. Het gebruik van de gebouwen ten behoeve van opslag betekend dat er naast het geluid van vertrekkend en aankomend verkeer geen geluidsproductie plaats vindt. Ten aanzien van de woonbestemming aan de Beeksedijk 28 zal voldoende afstand aangehouden moeten worden om overlast ten aanzien van geluid te voorkomen. Er is om overlast van geluid van de Beeksedijk uit te sluiten voor de verplaatsing van de woonbestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is als bijlage toegevoegd. 5.5.
Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Het Ministerie van infrastructuur en Milieu heeft in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld, waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of een bepaald plan NIBM bijdraagt aan de concentratie van stof in de buitenlucht. De tool geeft een berekening op basis van de toename van verkeer die gepaard gaat met de wijziging van de bestemming. In het geval van het plangebied is er echter sprake van een afname van verkeer.
Het bedrijf wijzigt van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming voor statische opslag in de huidige bestemming wordt het plangebied meermalen per week bezocht voor (vracht) verkeer voor het afleveren van producten en bezoeken van erfbetreders (dierenarts, vertegenwoordigers enz.). De toekomstige bestemming zal enkel in het kampeerseizoen bezocht worden en ook dat verkeer zal zeer beperkt zijn. Het uitvoeren van een NIBM berekening is op basis van deze informatie niet mogelijk. Onderhavige ontwikkeling betreft het planologische maken van wijziging van een agrarisch bedrijf in een reguliere bedrijfsbestemming, dit behoort niet tot een categorie van gevallen waarvoor een luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Het bestemmingsplan draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan een (verslechtering) van de luchtkwaliteit en kan op dit vlak dus onbelemmerd doorgang vinden. Conclusie. 40
Er bestaan voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. 5.6.
Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij "het voorkomen van nieuwe geurhinder" voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een "dosis-effectrelatie" (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven "normen" vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften met betrekking tot geur opgenomen die rechtstreeks gelden voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering. Agrarische geur Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening. De gemeente Goirle heeft geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
41
Conclusie. Het plangebied ligt in de nabijheid van één agrarisch bedrijf. Het betreft een champignonkwekerij. Champignonkwekerijen kennen een richtafstand van 100 meter voor wat betreft het aspect geur. Er is voldoende afstand tussen het plangebied en dit bedrijf. Geurhinder van agrarische bedrijven vorm daarmee geen belemmering. 5.7.
Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft betrekking op de nieuwe locatie van de woning aan de Beeksedijk 28, aangezien daar de grootste wijzigingen optreden. Het onderzoek heeft een lichte verontreiniging met barium en koper van het grondwater ter plaatse aangetoond maar concludeerd dat deze verontreinging waarschijnlijk een natuurlijke oorzaak heeft. In de eindconclusie geeft het onderzoek aan dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor de bestemmingswijziging en oprichting van een nieuwe woning. Conclusie De Bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. De ontwikkelingen aan de Beeksedijk 26 behoeven geen ingrepen in de bodem. De bodemgesteldheid van de Beeksedijk 28 is via een verkennend bodemonderzoek als goed beoordeeld.
5.8.
Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt per 1 januari 2017 de Boswet, Floraen faunawet en de Natuurbeschermingswet 1988. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Doel van de Wnb is drieledig: 1.bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2.decentralisdaite van verantwoordelijkheden; 3.vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wnb. 42
Gebiedsbescherming In het kader van de Wnb en NNN (voorheen de Ecologische hoofdstructuur) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventuele buiten het NNN geleden bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina, Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels Laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd tee worden. Het plangebied ligt op 3,4 km afstand van Kempenland-West. Ook ligt het plangebied op 3,6 km afstand van Regte Heide & Riels laag.
Gezien de aard en de omvang van de voorgestane ontwikkelingen en 3,4 km afstand van het dichtbij zijnde Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat het plan negatieve effecten heeft op natuurgebieden. Met het oog op de stikstofcrisis en gewijzigde inzichten in 2019 is het voor ruimtelijke ontwikkelingen van belang om tevens de ontwikkeling of de wijziging van de functie te toetsen op het ontstaan van stikstofverbindingen. Te stellen is dat de wijziging zoals deze voorligt niet direct stikstofproducerend is, het verdwijnen van een agrarische bestemming betekend zelfs dat stikstofproductie voor de toekomst zal verminderen. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn.
IN de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten 43
Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht ten nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, vernielen of te verstoren. Binnen het plangebied zijn enkele broedende vogels te verwachten in de vegetatie aan de randen van het plangebied. Binnen het plangebied zelf zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dagvlinders en libellen) te verwachten, vanwege het ontbreken van geschikte biotoop. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met inachtneming van de zorgplicht, die het initiatiefnemers verplicht om rekening te houden met eventuele aanwezigheid van soorten en het voorkomen van negatieve effecten op deze soorten.
Om zekerheid te krijgen over de aanwezigheid van soorten en om daar op te kunnen anticiperen is een quickscan flora & fauna uitgevoerd door M&A omgeving BV. Tijdens het veldonderzoek zijn geen sporen van beschermde soorten gevonden, het onderzoek concludeert dat er geen belemmeringen bestaan voor de ontwikkelingen op het gebied van flora & fauna. Conclusie. Er zijn geen beschermde soorten aanwezig op het plangebied. Het wijzigen van de bestemming en sloop van oude stallen vormt geen belemmering voor de soortenbescherming. De toevoeging van een landschappelijke inpassing betekend tevens dat het leefgebied voor, met name vogel soorten toeneemt en kan het worden bestempeld als een positieve ontwikkeling voor wat betreft soortenbescherming. Ter bevestiging is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen 5.9.
Milieueffectrapportage Algemeen In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een plan (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) of besluit (bijvoorbeeld de omgevingsvergunning) planmer-plichtig, projectmerplichtig of vormvrij of niet vormvrij mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het bevoegd gezag dient bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die zouden moeten noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Hierbij dient het bevoegd gezag rekening te houden met de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: 44
-de kenmerken van de projecten; -de plaats van de projecten; -de kenmerken van de potentiële effecten. Wetswijziging per 16 mei 2017 Op 16 mei 2017 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat (ook) voor een vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig plan een apart m.e.r.beoordelingsbesluit door het bevoegd gezag noodzakelijk is en dat de informatie hiervoor in een zogenaamde aanmeldnotitie gegeven moet worden (vóór 16 mei 2017 was dit nog vormvrij en kon de informatie en het besluit onderdeel uitmaken van het moederbesluit). Het uitgangspunt ("geest van de wet") van een m.e.r.-beoordeling is dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij er sprake is van wezenlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Conclusie Vanuit de m.e.r. wet- en regelgeving zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het onderhavige bestemmingsplan.
45
HOOFDSTUK 6 WATER De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan. 6.1.
Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Provinciaal Milieu en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen voor het milieuen waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn: •voldoende water voor mens, plant en dier; •schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); •bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s en •verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Structuurvisie De provincie gaat ervan uit dat de wateroverlast in de regionale watersystemen in 2015 aangepakt is waarbij de trits "vasthouden, bergen, afvoeren" als uitgangspunt geldt. Het vasthouden van het water vindt zoveel als mogelijk bovenstrooms op de hoger gelegen gebieden plaats in de zogenaamde brongebieden. Hier liggen kansen voor de koppeling met natuurontwikkeling en droogtebestrijding. Ook in de nabijheid van de grote steden liggen kansen voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied.
46
Waterschap De Dommel Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken: Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water'; Handreiking Watertoets; Keur 2015. Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water' Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: - droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.
Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen zijn: - voldoende water voor landbouw en natuur; - wateroverlast en hittestress; - kringloop denken; - steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; - vergroten waterbewustzijn. Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap: www.dommel.nl. 47
Handreiking watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De initiatiefnemer verwoordt in een waterparagraaf zijn afweging van de waterhuishoudkundige aspecten. Het waterschap geeft hierover een wateradvies. De Handreiking watertoets die door het waterschap De Dommel is opgesteld is een middel om te komen tot een evenwichtige watertoets. De Handreiking is te vinden op de website van het waterschap www.dommel.nl Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren.
Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: - het dempen of wijzigen van een watergang; - het aanleggen van kabels of leidingen; - het planten van bomen en struiken; - het brengen van water in een watergang. Gemeente Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld. Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het PWR vervult vier hoofdfuncties:
48
• Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. • Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. • Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven. • Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: • We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen; • We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken; • We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering; • We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater.
We streven naar watersysteemherstel; • We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is; • We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen; • We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem; • We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen; • We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: 1. Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; 2. Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem; 3. Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem • We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld; • Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers. Waterberging 49
Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling van de openbare ruimte klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als overweging. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² hanteert de gemeente Goirle een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur. Dit zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Daarnaast hanteert de gemeente Goirle bij herontwikkelingen een compensatie van 20 mm waterberging (indien realiseerbaar) conform bui 8 uit de Kennisbank Stedelijk water.
6.2.
Huidige en toekomstige situatie Verdeling verhard oppervlak Oppervlaktes Daken Terrein verhardingen Onverhard terrein Totaal
Huidige m2 2.180 1.965 11.545 15.690
Toekomstige m2 2.225 1.385 12.080 15.690
Bodem en grondwater Er wordt een bodemonderzoek uitgevoerd om de toestand van de grond te onderzoeken, alsmede te bepalen of mogelijke verontreiniging aanwezig is. Grondwater De inrichting van het plangebied, heeft geen effect op de aanwezige grondwaterstand. Oppervlaktewater en watergangen Aan de overzijde van de Beeksedijk ligt een A watergang, welke in westelijke richting afwatert op de oude Leij en vervolgens de Dommel. Aan de zijde van het plangebied ligt een kavelsloot.
50
Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op de gemeentelijke drukriolering. Hemelwater Voor hemelwater dient onderstaande voorkeursvolgorde te worden toegepast, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik 2. vasthouden / infiltreren 3. bergen en afvoeren 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. afvoeren naar de riolering Over het geheel gezien is er een afname van verharding. Binnen de bestemming van Beeksedijk 28 zal er een toename van verharding plaats vinden. De toename van verharding binnen het plangebied Beeksedijk 28 bedraagt minder dan 2.000 m2 en valt hiermee onder de vrijstelling van het Waterschap. De gemeente kent een vrijstelling tot een uitbreiding van 500 m2. De toename van verharding bedraagt enkel de woning met bijbehorende oprit. De exacte omvang van de woning is momenteel nog niet bekend. Er kan echter wel gesteld worden dat de gemiddelde omvang van een woning in het buitengebied maximaal op 200 m2 gesteld kan worden. De verharding rondom de woning zal niet meer bedragen als 300 m2. Hierdoor wordt er ook onder de vrijstelling van de gemeente gebleven.
51
Het hemelwater wat op de verharding valt, wordt via oppervlakkige afvloeiing op eigen perceel naar aangrenzende gronden en de kavelsloot aan de Beeksedijk geleid. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde van het waterschap om water op eigen terrein te bergen en te laten infiltreren. Gebiedsspecifieke waterbelangen Er zijn geen gebiedsspecifieke waterbelangen waar de beoogde ontwikkeling een invloed op heeft.
52
HOOFDSTUK 7. OPZET PLANREGELS In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen. 7.1.
Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
7.2.
Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
7.3.
Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: - bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; - bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; - nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; - afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; - specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; - afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ; - wijzigingsbevoegdheid. Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen:
53
Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is. Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. De begrippen aan huis verbonden beroep en bedrijf zijn omschreven in artikel 1 van de planregels. Belangrijke voorwaarden voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep en bedrijf als nevenfunctie zijn onder meer dat de nevenfunctie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en dat degene die de nevenfunctie uitoefent ook zelf de bewoner van de woning is. Voorts geldt dat geen detailhandel mag plaatsvinden en dat aan huis gebonden bedrijven behoren tot de categorie A volgens de als bijlage bij de regels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten. De toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Verbeelding Op de verbeelding zijn binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak en een gebied waarbinnen bijgebouwen zijn toegestaan, aangewezen. Woningen (hoofdgebouwen) zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens een algemene regeling voor overschrijding van bouwgrenzen. Bijgebouwen mogen zowel binnen het bouwvlak als binnen het gebied 'bijgebouwen' worden gebouwd. Voor de maximale goot- en bouwhoogte van woningen gelden de maxima zoals die op de verbeelding zijn aangegeven.
Op de verbeelding zijn alle woningen in een bouwvlak opgenomen. De naastgelegen gronden worden opgenomen in het gebied 'bijgebouwen'. De grens van het gebied ''bijgebouwen" is 3 meter uit de voorste bouwgrens gelegd. Bouwregels De bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan het begrip bouwperceel. De omschrijving van een bouwperceel luidt als volgt: 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan'. Daarmee beslaat het bouwperceel nagenoeg altijd het gehele perceel. Het begrip bouwperceel is in die zin direct toepasbaar voor alle particuliere percelen. Onder bouwwerken vallen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen. De bouwregels maken onderscheid tussen de woning (het hoofdgebouw), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Erfafscheidingen In de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, is een regeling opgenomen voor erfafscheidingen. Erfafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van de woning mogen niet hoger zijn dan 1 meter; overige erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter. Onder omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Beroep/bedrijf aan huis
54
Zoals hierboven aangegeven mogen de woning en de daarbij behorende bijgebouwen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Hierbij geldt, dat maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m² mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Het percentage van 30 % wordt berekend over het bestaande totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen. Mantelzorg In de gebruiksregels is, naast het algemene verbod om gronden in strijd met de bestemming te gebruiken, een verbod opgenomen om bijgebouwen (niet zijnde aangebouwde bijgebouwen te gebruiken voor (al dan niet afhankelijke) bewoning. Van deze bepaling kan worden afgeweken ten behoeve van mantelzorg. Bedrijf Binnen deze bestemming is de vestiging van één bedrijf toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - statische opslag’ is enkel statische opslag toegestaan.
Statische opslag is in onderhavig bestemmingsplan gedefinieerd als: “binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd (agrarisch) bedrijf” Daaronder begrepen: • (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers, werktuigen en dergelijke; • tijdelijke opslag van goederen.” Op grond van de bouwregels mag op deze locatie maximaal 2.060 m2 aan bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden, met een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 7 meter. 7.4.
Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, aanduidings-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels. Anti-dubbeltelbepaling In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De antidubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen 55
te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm opgenomen. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene procedure regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die burgemeester en wethouders in acht dienen te nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regel over andere eisen. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn aanduidingsregels opgenomen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels.
Overige regels Dit artikel bevat een bepaling over de wettelijke regelingen waar in de planregels naar wordt verwezen. 7.5.
Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2).
56
Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
57
HOOFDSTUK 8. UITVOERBAARHEID 8.1.
Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen. Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.
Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening moet een exploitatieplan worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorzien, tenzij het verhaal van grondexploitatiekosten over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins, zoals bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, is verzekerd, of, zoals hier het geval is, er geen kosten in het openbaar gebied worden gemaakt. Nu deze laatste situatie zich voordoet kan gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan worden besloten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Het project wordt op kosten van initiatiefnemer gerealiseerd. Het bestemmingsplan is opgesteld op kosten van de initiatiefnemer. Alleen de kosten voor begeleiding van de planologische procedure komen voor rekening van de gemeente (waarvoor leges bij initiatiefnemer in rekening worden gebracht). Omdat het verhaal van kosten daarmee is verzekerd, is het op- en vaststellen van een exploitatieplan niet vereist en kan als zodanig worden besloten. Met initiatiefnemer is een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.
Onderzoekuitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6, onder f, Bro heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het gaat om een economisch uitvoerbaar plan. 58
8.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het plan is onderworpen aan inspraak en heeft ter inzage gelegen voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode konden zij schriftelijk een zienswijze indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van de gevoerde inspraakprocedure is een eindverslag opgesteld dat als bijlage in deze toelichting is opgenomen. Van het gevoerde overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is een verslag gemaakt dat eveneens in de bijlagen is opgenomen. Het vooroverleg in het kader van artikel 3.1.1. Bro heeft een tweetal reacties opgeleverd. Als bijlage is een eindverslag van de inspraakprocedure toegevoegd. Er is door Gasunie en provincie Noord Brabant een vooroverlegreactie gegeven op het plan. De vooroverlegreacties hebben op een aantal punten tot wijziging geleid. De voornaamste wijziging betreft het verschuiven van het bouwvlak van Beeksedijk 28 in de richting van Beeksedijk 26. De verschuiving is dusdanig groot dat het bouwvlak in de beoogde locatie het oorspronkelijke bouwvlak raakt.
Afbeelding: Beoogde situatie versus huidige situatie Op het voorontwerp bestemmingsplan zijn er door een viertal omwonende en de bewoners van de Beeksedijk 26 reacties ingediend op het plan. Voor de inhoudelijke beoordeling van de inspraakreacties wordt verwezen naar het “eindverslag inspraakprocedure Beeksedijk 26 & 28”.
59
Bijlage 1. Eindverslag inspraakprocedure Bijlage 2. Verslag overleg Besluit ruimtelijke ordening Bijlage 3.Toelichting Staat van bedrijfsactiviteiten
60
Landschappelijke inpassing Beeksedijk 26 en 28, Goirle
Landschappelijke inpassing Beeksedijk 26 en 28 Goirle
Colofon
Opdrachtgever Families de Brouwer en van Ostaden Beeksedijk 26 en 28 5051 PS, Goirle
ZLTO Advies Angelien Hagenaars Adviseur omgeving 06-29179427 Maart 2020 Wijziging: mei 2021 Kantoor ’s-Hertogenbosch Onderwijsboulevard 225 5223 DE ’s-HERTOGENBOSCH Postbus 100 5201 AC ’s-HERTOGENBOSCH
1
Landschappelijke inpassing Beeksedijk 26 en 28 Goirle
Inhoudsopgave
1. Aanleiding ...................................................................................................................................................... 4 2. Cultuurhistorie en Landschap ............................................................................................................................ 5 3. Visie gemeente ............................................................................................................................................... 6 4. Situering Kavels .............................................................................................................................................. 8 5. Erfinrichtingsplan ............................................................................................................................................ 9
2
Landschappelijke inpassing Beeksedijk 26 en 28 Goirle
3
Landschappelijke inpassing Beeksedijk 26 en 28 Goirle 1. Aanleiding Aan de Beeksedijk 28 gaat een nieuwe woning gebouwd worden. Onderdeel van de planologische procedure, die vooraf gaat aan de bouw van de woning, is het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. In dit landschappelijk inpassingsplan zal een erfbeplantingsplan opgesteld worden. Bij het opstellen wordt rekening gehouden met het gemeentelijk groen- en landschapsbeleid. Gelijktijdig wijzigt de bestemming van de Beeksedijk 26, de inpassing heeft betrekking op beide locaties. Het plangebied ligt volgens het Landschapsbeleidsplan van de gemeente in deelgebied Oost. Het landschapsbeleidsplan is opgedeeld in twee delen. Deel A beschrijft de visie van de gemeente op hoofdlijnen. Deel B geeft de kenmerken van de verschillende gebieden. Daarnaast geeft het de spelregels die voor het specifieke gebied gelden.
Figuur 1: initiatieflocatie
Naast het Landschapsbeleidsplan heeft de gemeente ook een Groenstructuurplan in de vorm van een interactieve kaart opgesteld. Op deze kaart wordt de huidige groenstructuur afgebeeld. Daarbij is ook de gewenste groenstructuur afgebeeld. Dit landschappelijke inpassingsplan onderzoekt op welke manier de beoogde situatie in het landschap kan worden ingepast. Daarbij haakt het aan bij het inhoudelijk en procesmatig gedachtengoed van het Landschapsbeleidsplan en het Groenstructuurplan van de gemeente Goirle.
4
Landschappelijke inpassing Beeksedijk 26 en 28 Goirle 2. Cultuurhistorie en Landschap De locatie is gelegen ten oosten van de kern Goirle. Het is gelegen tussen het beekdal van de Leij en de landgoederenzone. Het gebied kan beschouwd worden als beekdalflank. Dit is de overgang tussen het lage natte beekdal en de hogere en droge landgoederenzone. Het gebied bestaat uit jonge heideontginningen. Opvallende elementen zijn het beekdal van de Leijen en de hoger gelegen landgoederen. De beekdalflank waar de locatie is gelegen kenmerkt zich door het kleinschalige landschap. Het verkavelingspatroon is door de jaren heen wel duidelijk veranderd. Tot circa 1930 bestond de omgeving nog uit heidegronden. Na de ontginning was er sprake van kleinschalige percelen. In de loop van de tijd zijn percelen groter geworden, het gebied heeft het kleinschalig karakter wel behouden.
Figuur 2: Historische kaarten
Het bebouwingspatroon is door de jaren heen uitgebreid, dit heeft te maken met de toenemende beschikbaarheid van agrarische gronden en de schaalvergroting van de landbouw in de omgeving. 5