04 Bijlage 7 Toelichting, regels en verbeelding.pdf
Tekst van het document
Er komen wel paden maar geen grootschalige elementen of speeltuinen. Om het geluid van de snelweg tegen te houden wordt de noordzijde begrensd met een groene geluidswal. Ook in het plan is groen een belangrijk thema. Dit uit zich in de zogenaamde groene vingers. Dit zijn robuuste groene openbare ruimtes die vanuit de noordelijke zone de wijk in trekken. Deze ruimtes zijn belangrijke collectieve groene ruimtes in het plan. De plekken nodigen uit tot ontmoeting en beweging rondom de speelvoorzieningen en vele wandelpaden in het plangebied. In het plan Bakertand is ruimte gereserveerd voor ten minste 4 speelplekken en een speelveld ten westen van de Abcovenseweg en 1 speelplek en 1 speelveld ten oosten van de Abcovenseweg.
4.6
Verkeer en parkeren
4.6.1
Ontsluiting voor autoverkeer
In het kader van het stedenbouwkundige onderzoek is een aantal ontsluitingsstructuren onderzocht, die van elkaar verschilden ten aanzien van de wijze waarop de wijk is aangesloten op het externe wegennet en de opzet van de interne verkeersstructuur (zie Bijlage 6 & Bijlage 7) . Bij de beoordeling is gekeken naar de bereikbaarheid en de belasting voor het wegennet van Goirle en specifiek naar de aansluitpunten op de Abcovenseweg en de Rillaersebaan. Uit de analyse van de verkeersstromen en de verkeersafwikkeling wordt geconcludeerd dat het voor alle varianten noodzakelijk is om maatregelen te nemen. Dit wijst er op dat met name de aangepaste wijze van aansluiten van de Bacseweg/Nieuwe Tilburgseweg, waardoor de verkeersbelasting op het kruispunt wijzigt, nadrukkelijk de afwikkeling op het kruispunt beïnvloedt. Deze aangepaste wijze van aansluiten is uitgangspunt voor alle varianten.
Bakertand Pagina 27 van 51
Vanwege het effect van de Bacseweg op de verkeersintensiteiten is de wijze van ontsluiten en aansluiten van Bakertand niet onderscheidend en is er zo bezien dus vanuit de verkeersafwikkeling geen reden om voor één van de varianten voor de verkeersstructuur te kiezen. De aansluiting op de Rillaerse Baan kan zonder aanvullende maatregelen worden gerealiseerd met een voorrangskruispunt. De Abcovenseweg is de ‘gevoelige schakel’ in de verkenning van de ontsluiting van de wijk Bakertand. Door de realisatie van Bakertand zal de intensiteit van de weg toenemen. De toename van de verkeersintensiteit verschilt tussen de varianten voor de ontsluiting van de wijk maar beperkt (3 à 4 % verschil). De verkeersbelasting van de Abcovenseweg is dan ook geen bepalende factor voor de keuze voor de ontsluiting van de wijk. Dit geldt zowel voor het westelijk deel van de wijk als voor het oostelijk deel. Op basis van dit onderzoek is de verkeersstructuur gekozen.
De nieuwe wijk is op de volgende wijze ontsloten op het externe wegennet: westelijke deel van de wijk: aansluiting op de Abcovenseweg ter hoogte van de huidige aansluiting van de Bakertand aansluiting op de Rillaersebaan tegenover de Guido Gezellelaan oostelijke deel van de wijk: aansluiting op de Abcovenseweg ter hoogte van de huidige aansluiting van de Bakertand; de ontsluitingsstraat van dit deel van de wijk loopt vanaf deze aansluiting naar de Hoge Wal; de Hoge Wal is direct zuidelijk van het punt waar de ontsluitingsstraat aansluit voor autoverkeer onderbroken – er is wel een verbinding met de Lage Wal; het appartementengebouw sluit aan op de Hoge Wal direct nabij het punt waar de Hoge Wal op de Lage Wal aansluit. De aansluiting op de Abcovenseweg zal worden vormgegeven door een rotonde waarbij aan de westelijke tak de ontsluitingsstraat van het westelijke deel van de wijk aansluit waarvan de oude weg Bakertand weer aftakt. Aan de oostelijke tak sluit de Bacseweg aan, waar vervolgens de ontsluitingsstraat van het oostelijke deel van de wijk van aftakt. De verbinding naar de Lage Wal die in de oorspronkelijke situatie verliep via twee wegen met éénrichtingsverkeer (de Nieuwe Tilburgseweg en de Bacseweg) gaat in de nieuwe situatie via de Bacseweg die tweerichtingsverkeer krijgt. Het profiel van de Bacseweg wordt hiertoe aangepast.
Op de Rillaersebaan wordt aangesloten met een rotonde. De Abcovenseweg en de Rillaersebaan zijn de belangrijkste verbindingen voor verkeer van de nieuwe wijk. Daarnaast zal de bestaande route via de Lage Wal door autoverkeer worden gebruikt als verbinding met de aansluiting op de A58 via de N269 (aansluiting Tilburg Centrum). De Abcovenseweg heeft een functie als gebiedsontsluitingsweg. De verkeersintensiteit zal toenemen door het verkeer van de nieuwe wijk. De bebouwde-komgrens zal worden verlegd naar het punt ten noorden van de nieuwe rotonde. Op het gedeelte tussen de rotonde Bakertand en de rotonde Rillaersebaan zal als nieuwe maximum snelheid gelden 50 km/uur. De functie van de weg blijft in de nieuwe situatie gebiedsontsluitingsweg. Over het korte traject waarvoor dit geldt kan het verkeer echter goed worden verwerkt. De Rillaersebaan kan het verkeer van de nieuwe wijk adequaat verwerken. De rotonde bij de Tilburgseweg wordt relatief zwaar belast. De verkeersintensiteiten op de interne ontsluitingswegen en -straten en de relevante aansluitende wegen zijn weergegeven in tabel 4-1. De verkeersintensiteiten zijn voor het jaar 2030 berekend met behulp van het verkeersmodel van Tilburg. De intensiteiten voor 2032 (10 jaar na realisatie van de nieuwe wijk) zijn daaruit bepaald rekening houdend met 1% groei per jaar.
Dit groeipercentage geldt voor wegen waarop met name verkeer op lokaal en regionaal verkeer wordt afgewikkeld. De interne ontsluitingsweg van het westelijke deel van de wijk is vormgegeven als een lang 'lint' waar bebouwingsclusters op zijn aangesloten. Het gebied is zo in twee richtingen ontsloten. De woningclusters zijn grotendeels via U-structuren ontsloten – zo is het mogelijk om de meeste woningen via twee routes te bereiken. Een klein deel van de woningen is bereikbaar via een
Bakertand Pagina 28 van 51
doodlopende weg. Op de oude Bakertand zijn de nieuwe woningen via doodlopende zijwegen ontsloten en in het oostelijke wijkdeel is een deel van de woningen via een U-vormige route bereikbaar en een deel via een korte doodlopende ontsluiting. Wegvak
Verkeersintensiteit in mvt/etmaal, weekdaggemiddelde
Wijkontsluitingsweg westelijke deel nabij Abcovenseweg
550
Wijkontsluitingsweg westelijke deel nabij Rillaersebaan
1.800
Wijkontsluitingsweg oostelijke deel nabij Abcovenseweg
1.100
Bacseweg / Lage Wal
2.400
Abcovenseweg tussen Bacseweg en Rillaersebaan
9.450
Rillaersebaan tussen Abcovenseweg en ontsluitingsweg westelijke deel
5.500
Tabel 4-1 Verkeersintensiteiten 2032 wijkontsluiting en aansluitende wegen (afgerond) 4.6.2
Parkeren
Voor het voorzien in parkeerplaatsen zijn de gemeentelijke parkeernormen gehanteerd. Deze zijn weergegeven in tabel 4-2: Functie
Parkeernorm incl. bezoek
CPO woningen
2,1 pp per woning
Rij-/hoekwoningen
1,9 pp per woning
2/1 kapwoningen en vrijstaande woningen
2,1 pp per woning
Rijwoningen sociaal
1,65 pp per woning
Tiny houses
1,6 pp per woning
Appartementen sociaal
1,55 pp per woning
Maatschappelijke functies (school) Tabel 4-2
0,75 pp per klaslokaal
Parkeernormen
Het stedenbouwkundige plan is getoetst op het aantal parkeerplaatsen dat aanwezig is op eigen terrein bij de woningen plus het parkeren in openbaar gebied. Bij parkeren op eigen terrein is rekening gehouden met gedeeltelijk gebruik van garages en opritten op basis van het beleid van de gemeente. In het plangebied zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig, zoals blijkt uit het schetsboek (bijlage 4). In de regels van dit bestemmingsplan wordt geborgd dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd en in stand gehouden.
Bakertand Pagina 29 van 51
4.6.3
Ontsluiting voor fiets en voetganger
Goede bereikbaarheid per fiets is een belangrijke kwaliteit voor de wijk. Het draagt bij aan het zo laagdrempelig mogelijk maken van het fietsgebruik. Zo worden de bewoners gestimuleerd om in plaats van de auto de fiets te gebruiken. Een zo milieuvriendelijk mogelijk vervoerspatroon draagt bij aan het zo laag mogelijk houden van de milieubelasting. Verder is de fietsroute langs de muurzone belangrijk voor de veilige fietsverbinding vanuit Bakertand en Boschkens naar centrum Goirle. De belangrijkste fietsverbindingen lopen via de ongelijkvloerse kruising over de Rillaersebaan naar het vrijliggende fietspad Doctor Willem Dreespad (aan de uiterste westzijde, verbinding naar het centrum van Goirle), via de Abcovenseweg / rotonde Rillaersebaan (fietspaden aan weerszijden van de weg) en via de Hoge Wal (een rustige straat zonder fietsvoorzieningen). Fietsers richting Tilburg kunnen gebruik maken van de Abcovenseweg of (voor het westelijke deel van de stad) via de Bakertand naar de Tilburgseweg. In de toekomst wordt wellicht in het plangebied tevens een fietsverbinding richting Tilburg, over de A58, gerealiseerd. Hiervoor is ruimte gereserveerd in dit plan. Voor voetgangers is de verbinding via het Doctor Willem Dreespad ook voorzien van een aanliggend voetpad. Het oostelijke deel van de wijk is voor voetgangers verbonden met het centrum van Goirle via de Abcovenseweg-zuid. 4.6.4
Openbaar vervoer
Buslijn 2 verbindt de nieuwe wijk vanaf de halte Bacseweg aan de Abcovenseweg met Tilburg. Er wordt voorzien in een directe looproute naar de bushaltes. Een veilige oversteekbaarheid van de Abcovenseweg direct bij de bushalte is belangrijk voor een veilig en aantrekkelijk gebruik van de bus.
Bakertand Pagina 30 van 51
Hoofdstuk 5
Milieuaspecten
Dit hoofdstuk gaat in op de relevante milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. In het kader van de ontwikkeling Bakertand zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. De uitkomsten zijn, voor zover relevant, in onderstaande paragrafen beschreven. Tevens zijn alle uitgevoerde onderzoeken opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
5.1
Bedrijven en milieuzonering
5.1.1
Relevant kader
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan hinder door bedrijven in algemene zin. Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder veroorzaken door onaangename geuren, lawaai, stof, trillingen of drukke verkeersbewegingen. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies worden gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In tabel 5.1 zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur.
De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1500 meter.
Tabel 5-1
Richtafstanden per milieucategorie
De VNG-publicatie blijft een richtlijn, waarin in algemene zin richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Het kan daarom zinvol zijn om in specifieke situaties de bewuste bedrijven nader te beschouwen op hun bedrijfsactiviteiten. Het kan immers zo zijn dat een specifiek bedrijf er een andere bedrijfsvoering op nahoudt, waardoor de hinder minder is dan wat op grond van de VNG-publicatie wordt ingeschat. Bovendien moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (milieuvergunning) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften hebben onder meer als doel de hinder voor de omgeving te reguleren en op een acceptabel niveau te houden. Deze voorschriften bieden daarom ook inzicht in de hindersituatie. Bakertand Pagina 31 van 51
5.1.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In en rondom het plangebied bevinden zich diverse bedrijven: Tankstation Total (Hoge Wal 1) De Walhoeve (Hoge Wal 15) Humankind - Kinderdagverblijf/BSO (Waterput 56) Opslag timmerbedrijf (Bakertand 2) Tankstation Total/Vakgarage Goirle Aan de Hoge Wal 1 is een tankstation gelegen inclusief carwash en garagebedriijf. Het betreft geen LPG-station. Het bedrijf valt in milieucategorie 2, waar vanuit de categorie 'rustige woonwijk' een richtafstand van 30 meter voor geldt. Binnen 30 meter van het bestemmingsvlak 'Bedrijf Verkooppunt motorbrandstoffen' (Bakertand, Abcovenseweg eo 2015) worden woningen beoogd. De situatie vraagt derhalve om een nadere beschouwing.
Figuur 5-1
Bedrijfsbestemming Bakertand, Abcovenseweg eo 2015
Binnen 30 meter van het feitelijke bedrijf worden géén nieuwe woningen mogelijk gemaakt (figuur 5-2). De bedrijfsmatige activiteiten zullen niet beperkt worden door de woningen, anderzijds wordt ook geen hinder verwacht door de aanwezigheid van het bedrijf.
Bakertand Pagina 32 van 51
Figuur 5-2
Afstand rondom bedrijfsmatige activiteit (bouwvlak)
Ook in de toekomst treedt geen onevenredige beperking en hinder op, doordat de uitbreidingsmogelijkheden zowel feitelijk als planologisch beperkt zijn. In de feitelijke situatie is reeds een woning met tuin gerealiseerd. Daarnaast kan geen nieuw gebouw worden opgericht buiten het bouwvlak conform het vigerende bestemmingsplan. Van oudsher is dit deel van het plangebied tevens te kenmerken als gemengd gebied, gelegen aan een drukkere weg. Derhalve kan ook gemotiveerd worden dat uitgegaan kan worden van 10 meter in plaats van 30 meter. Het feit dat binnen 30 meter van het bestemmingsvlak meerdere woningen zijn gelegen bevestigt deze constatering. De Walhoeve De Walhoeve is een boerderijwinkel waar verse producten zoals vlees, groenten en fruit en kaas gekocht kan worden. Er wordt ter plaatse niet geslacht. De winkel valt in milieucategorie 1, daarom geldt een richtafstand van 10 meter ten opzichte van woningen. In de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is hier rekening mee gehouden. Kinderopvang/BSO en nieuw toe te voegen voorziening Aan de Waterput 56 is een maatschappelijke voorziening in de vorm van een kinderopvang/BSO aanwezig. Ook in het plangebied wordt een maatschappelijke voorziening mogelijk gemaakt voor bijvoorbeeld een school.
De richtafstand voor een school met bijbehorende voorzieningen tot bestaande en nieuwe woningen bedraagt op basis van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' 30 meter. Deze afstand wordt ingegeven hoofdzakelijk bepaald door de aanwezigheid van geluidproducerende voorzieningen bij scholen zoals speelterreinen. Het speelterrein van Humankind is op grotere afstand gelegen van de beoogde woningen in het plangebied. Derhalve wordt daarvan geen hinder verwacht. Voor de woningen die boven de nieuwe maatschappelijke voorziening worden gerealiseerd geldt dat geluidhinder mogelijk een negatief effect heeft. De overschrijdingen hebben echter enkel betrekking door de buitenspeelactiviteiten van de kinderen, op enkele momenten op doordeweekse dagen. Dit betreft dus slechts een beperkt deel van de dagperiode dat daadwerkelijk de rust wordt doorbroken. Ten tijde van de omgevingsvergunning voor bouwen dient aangetoond te worden dat sprake is van een goed binnenklimaat. De indeling van de nieuwe maatschappelijke voorziening is nog niet bekend. Voor de nieuw op te richten voorziening moet daarom bij de inrichting van het terrein rekening gehouden worden met de geluidproducerende voorzieningen. Deze dienen op een afstand van 30 meter van bestaande en
Bakertand Pagina 33 van 51
nieuwe woningen te worden gerealiseerd, tenzij onderbouwd kan worden dat de hinder in praktijk minder is. Opslag Bakertand 2 De loods wordt gebruikt ten behoeve van opslag van hout ten behoeve van timmerwerk. Er is sprake van statische opslag; het timmerwerk zelf vindt elders plaats. Voor een dergelijke functie is geen aparte milieucategorie opgenomen. Wel kan worden gesteld dat de functie maximaal behoort tot milieucategorie 2, op basis van de referentie van een 'groothandel in hout- en bouwmaterialen kleiner dan 2000 m2'. De richtafstanden tot bestaande en nieuwe woningen bedraagt op basis van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' dan 30 meter. Het aspect geluid is daarbij doorslaggevend. Voor alle andere aspecten geldt een richtafstand van 10 meter. Nieuwe woningen dienen in beginsel op een afstand van 30 meter te worden gerealiseerd, tenzij onderbouwd kan worden dat de hinder in praktijk minder is. Aangezien hier sprake is van enkel statische opslag van hout en dus geen (groot)handel, de opslag beduidend kleiner is dan 2000 m2 en er op locatie geen bewerking van hout plaatsvindt, kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand. Het is dan voor de hand liggend om één afstandstrap minder te hanteren, te weten een richtafstand van 10 meter. Primagaz In het plangebied was het gasbedrijf Pirmagaz aanwezig.
Primagaz is inmiddels niet langer aanwezig, en vormt zodoende geen belemmering voor de ontwikkeling. De bedrijven aan de overzijde van de oostplas hebben geen invloed op het plan, de afstand bedraagt meer dan 500 meter.
5.2
Water
5.2.1
Relevant kader
De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. 5.2.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In 2021 heefts Sweco een watertoets uitgevoerd om te komen tot een inhoudelijke beoordeling van de waterhuishoudkundige gevolgen van het bestemmingsplan (Bijlage 8). De beoogde woningbouwontwikkeling van plangebied Bakertand vindt plaats aan de noordkant van de kern Goirle. Het plangebied is circa 50 hectare groot. In de huidige situatie bestaat het gebied overwegend uit landbouwgrond. In het plangebied worden woningen, appartementen en de benodigde infrastructuur gerealiseerd. Binnen het plan worden de bestaande regionale waterberging en reserveringsgebied waterberging in het plan gescheiden aangelegd van de HNO-bergingsopgave. Nadere inpassing van de Regionale bergingsopgave wordt uitgevoerd middels een Sobek-berekening. Deze Sobekberekening vormt de basis voor het ontwerpbestemmingsplan. Op basis van de beschikbare informatie kan opgemaakt worden dat in de bodemopbouw lokaal storende lagen aanwezig kunnen zijn van veen, leem en klei. In het noordoosten van het plangebied bevindt zich veen tot circa 2,0 m -mv. De aanvangsdiepte en dikte variëren sterk in het gebied. De aanvangsdiepte van de klei- en leemlagen ligt globaal tussen de 0,5 en 2,5 m -mv. De klei- en leemlagen komen waarschijnlijk niet aaneengesloten voor. De grondwaterstijghoogte in het gebied is op een diepte van circa 0,5 tot 4,6 m -mv aanwezig. De grondwaterstand in het zuidwesten bevindt zich het hoogst.
Aangezien het maaiveld daar ook het Bakertand Pagina 34 van 51
hoogst is, is hier sprake van de diepste stijghoogte ten opzichte van het maaiveld. Op basis van de geïnventariseerde grondwaterstanden is voldoende ontwateringsdiepte aanwezig voor de toekomstige functies. Op basis van de boorprofielen is ingeschat dat de horizontale doorlatendheid geheel goed is. De verticale doorlatendheid is buiten de gebieden met storende lagen redelijk tot goed te noemen, oftewel minstens 0,5 m/dag. Er zijn nog geen doorlatendheidsmetingen uitgevoerd. Het is nodig de infiltratiecapaciteit van de bodem nauwkeuriger in beeld te brengen om zodoende een gerichte keuze voor het toekomstige hemelwatersysteem te kunnen maken. Vuilwater dient gescheiden van het hemelwater opgevangen en verwerkt te worden. In het gebied is reeds (drukriolering) vuilwaterriolering aanwezig. Het toekomstig vuilwaterstelsel kan aangesloten worden op het bestaande riool in Grobbendonck, ten zuiden van het plangebied. Omdat het maaiveld van zuid naar noord afloopt zal waarschijnlijk een tussengemaal noodzakelijk zijn. Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe waardoor hemelwater versneld gaat afstromen. Om het regionale watersysteem niet te belasten en afvoer van hemelwater uit het gebied tegen te gaan is het nodig afstromend hemelwater lokaal te verwerken.
De kavels en openbare infrastructuur wateren af naar bermsloten, bergingsvoorzieningen en overloopgebieden. In het plan dient deze ruimte ingepast te worden. De bergingsvoorzieningen worden voorzien van een leegloop en mogelijkheid tot noodoverstort naar het regionale watersysteem. Aandachtpunt voor het ontwerp hemelwatersysteem is het bestaande hoogteverschil. Geadviseerd wordt het gebied te verdelen in deelstroomgebieden en waar mogelijk gebruik te maken van bestaande maaiveldhoogten. Dit om grondverzet tot een minimum te beperken en hemelwater zo hoog mogelijk in het gebied vast te houden. Ter bepaling van het toekomstig verhard oppervlak is gerekend met een percentage verharding van het totale kavel. Binnen de huidige inrichtingsschets is voldoende ruimte gereserveerd om hemelwater op te vangen en te infiltreren. Binnen de wegprofielen is in het huidig ontwerp indicatief de ruimte voor waterberging opgenomen. Waar deze ruimte niet beschikbaar is kan bovengronds via (mol)goten worden afgevoerd. Hiermee kan in nadere uitwerking gevarieerd worden. Voor de compensatie van de zone Regionale Waterberging en zone Reserveringsgebied Waterberging moet nieuwe waterberging worden aangelegd. Reservering Waterbergingsgebied komt overeen met het waterpeil bij een T100WH+ situatie en voor Regionale Waterberging is de situatie T10HK. De provinciale bergingsopgave is in het plan ingepast.
Er is nog wel een restopgave waterberging. Hiervoor is extra ruimte binnen, en eventueel ook buiten het plangebied, beschikbaar. Daarnaast moet met een Sobekberekening aangetoond worden dat het watersysteem ook dynamisch niet tot verslechteringen leidt. Deze berekening worden in gang gezet, zodat deze bij het ontwerpbestemmingsplan gereed zijn. Met inachtneming van de benodigde maatregelen heeft de woningbouwlocatie Bakertand geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Het plan voorziet in de potentie om een robuust watersysteem te realiseren. Om deze robuustheid te valideren middels detailberekeningen zijn reeds afspraken gemaakt tussen initiatiefnemer, waterschap De Dommel en gemeente Goirle. Om voorafgaand aan de werkzaamheden de hemelwaterafvoerstructuur, benodigde ophoging, infiltratiecapaciteit en benodigde watercompensatie nauwkeuriger te bepalen dient een waterhuishoudkundig plan worden opgesteld aan de hand van het definitief stedenbouwkundig ontwerp. Het plan is vergunningplichtig op basis van de Keur, bevoegd gezag voor de vergunningverlening is waterschap De Dommel.
Bakertand Pagina 35 van 51
5.3
Natuur
5.3.1
Relevant kader
Bescherming van natuurwaarden vindt plaats conform de Wet natuurbescherming 2017. Handelingen of projecten dienen worden getoetst aan de volgende kaders: Natura 2000-gebieden Soorten Natuurnetwerk Nederland 5.3.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In 2021 heeft Sweco een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 9). De belangrijkste conclusies zijn hieronder opgesomd. Wet natuurbescherming: onderdeel Natura 2000-gebieden Gelet op de grote afstand van het plangebied tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (Regte Heide & Riels laag), zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, met zekerheid op voorhand uitgesloten. Een nadere effectbepaling in de vormt van een Voortoets is hierdoor niet noodzakelijk. Negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn, gelet op de werkzaamheden en de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet met zekerheid op voorhand uitgesloten. Om de effecten hiervan in beeld te brengen dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Stikstofdepositie Sweco heeft in 2021 onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie van het voorgenomen plan. De meest recente ontwikkeling betreft dat op 1 juli 2021 artikel 1 van de Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel I van het Besluit van 14 juni 2021 tot wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur (stikstofreductie en natuurverbetering) in werking treedt.
Hierin is een vrijstelling opgenomen voor activiteiten van de bouwsector zoals omschreven in artikel 2.5 van het Besluit. Door de nieuwe wet stikstofreductie en natuurverbetering geldt een vrijstelling voor Wnb-vergunning voor de tijdelijke emissie in de aanlegfase van het project. Voor de gebruiksfase van het project is wel een berekening uitgevoerd. Uit de met AERIUS Calculator uitgevoerde berekening van het project blijkt dat het plan niet leidt tot een depositie van > 0,00 mol N/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase is er dus geen toename in stikstof. Er zal een nieuwe berekening worden gedaan zodra de nieuwe versie van de AERIUS calculator beschikbaar is. Verder geldt dat er een bouwvrijstelling is voor de realisatie (bouw)fase van het project. Wet natuurbescherming: onderdeel soortenbescherming Er zijn soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van het plangebied die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden met de voorgenomen ingreep. Dit betreft de volgende raakvlakken tussen beiden: Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor vleermuizen (beschermd conform art. 3.5 Wnb). De aanwezige gebouwen (woningen en/of schuren) zijn in potentie geschikt als rust- en voortplantingsplaatsen voor vleermuizen.
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen achten wij dan ook noodzakelijk indien amoveren van betreffende gebouwen aan de orde is. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin vleermuisonderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode tussen half mei tot en met september. De bomenrijen langs de Abcovenseweg en Lage Wal vormen mogelijk een vliegroute en dienen mogelijk als (essentieel) foerageergebied voor vleermuizen (beschermingsregime Habitatrichtlijn Bakertand Pagina 36 van 51
art. 3.5 Wnb). Dit maakt het mogelijkerwijs ook van essentieel belang voor de functionaliteit van (mogelijk) aanwezige verblijfplaatsen in de omgeving. Indien kap van deze bomen is voorzien, treden mogelijk negatieve effecten op voor de functionaliteit van rust- en voortplantingsplaatsen in de omgeving. De uitvoering van aanvullend onderzoek naar vleermuizen achten wij noodzakelijk. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin vleermuisonderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode tussen half mei tot en met september. Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor de steenuil en kerkuil (beschermd conform Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb). De schuur in het westelijk deel van het plangebied heeft gelet op het aantreffen van een kerkuil en de aanwezigheid van braakballen en krijtsporen, een functie als roestplaats voor de kerkuil. Overige boerderijen met aangrenzende tuinen en erven zijn tevens geschikt als leefgebied van de steenuil. Aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijke functie van het plangebied voor de kerkuil en steenuil achten wij noodzakelijk. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin onderzoek naar steenuil en kerkuil uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode februari tot en met april.
Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de (kleine) marterachtigen als bunzing, wezel en steenmarter, met beschermingsregime Andere soorten artikel 3.10 Wnb. Aanvullend onderzoek achten wij noodzakelijk. Onderzoek dient met voorkeur te worden uitgevoerd conform de Handreiking kleine marters van de Provincie Noord-Brabant in de periode maart tot oktober. Het vervolgonderzoek wordt momenteel uitgevoerd. De conclusies worden toegevoegd bij het ontwerpbestemmingsplan. Uitvoeringsfase Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels. Alle broedgevallen zijn gedurende de broedtijd beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Via deze wet wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen aantasten. Natuurnetwerk Nederland (NNN)/ Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNB, waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten. Gelet op de afstand tot naastgelegen NNB en de barrièrewerking van tussengelegen gebouwen en infrastructuur zijn effecten vanuit de externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet aan de orde. Derhalve achten we een nadere procedure in de vorm van een ‘nee, tenzij-toets’ niet noodzakelijk. Er zijn geen belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid aan de orde. Naast de wettelijke toetsing is in het verkennend natuuronderzoek (bijlage 3) gekeken naar kansen voor biodiversiteit. De kansen zijn opgenomen in paragraaf 4.2.
Bakertand Pagina 37 van 51
5.4
Geluid
5.4.1
Relevant kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of na realisatie van het plan sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Op basis van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van ruimtelijke plannen: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. De Wgh benoemt situaties wanneer onderzoek nodig is naar geluidhinder en bevat normen voor de voorkeurswaarde en maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. Daarnaast kan het ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig zijn inzicht te geven in de indirecte akoestische gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventueel verkeersaantrekkende werking. 5.4.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In 2021 heeft Sweco een onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (Bijlage 10.). De belangrijkste conclusies uit het onderzoek worden hieronder weergegeven. In onderstaande tabel 5-1 zijn voor elke weg de maximale geluidbelastingen weergegeven voor de woonpercelen op 7,5m rekenhoogte, voor de basissituatie en indien van toepassing ook voor de situatie met extra bronmaatregel. Tevens zijn de wettelijke voorkeurswaarden een maximale ontheffingswaarden weergegeven.
Voor de Lage Wal is de geluidbelasting nergens hoger dan de voorkeurswaarde en is er geen aanvraag voor hogere waarden nodig. Voor de twee nieuwe wegen geldt dat de aanvraag van hogere waarden niet van toepassing is vanwege uitzondering van wettelijke zoneplichtigheid, maar eventuele aanvullende maatregelen kunnen wel worden overwogen. Voor de overige wegen geldt dat een deel van de beoogde percelen een geluidbelasting hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB ondervindt. Voor deze wegen kunnen bronmaatregelen worden getroffen in de vorm van stillere wegdektypen om de geluidbelastingen te verlagen. Bij geen van deze wegen is een stiller wegdektype voldoende effectief om de geluidbelasting op de perceelgrenzen volledig te reduceren tot 48 dB, dus de aanvraag van hogere waarden zijn nodig indien woningen worden geplaatst op de locaties waar een geluidbelasting hoger dan 48 dB optreedt. Overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidschermen of grondwallen zijn niet
Bakertand Pagina 38 van 51
wenselijk aangezien het binnenstedelijke woonwijken betreft, en tevens is de beschikbare ruimte voor het plaatsen van grondwallen of geluidschermen beperkt. Bij de buitenstedelijke Abcovenseweg geldt dat er bij een gedeelte van de beoogde percelen een geluidbelasting hoger dan 53 dB optreedt. Het toepassen van een stiller wegdek is onvoldoende effectief om de geluidbelasting op alle perceelgrenzen terug te brengen tot maximaal 53 dB. Er resteert een gedeelte van de perceeloppervlakken waar een geluidbelasting (ook met stiller wegdek) op 7,5m rekenhoogte hoger dan de maximale ontheffingswaarde optreedt. Op die locaties kunnen geen woningen worden gebouwd met een derde bouwlaag, tenzij de derde bouwlaag met een dove gevel aan de hoogst belaste zijde wordt gerealiseerd. Bij het resterende oppervlak van de percelen kunnen woningen worden gebouwd middels het aanvragen van een hogere waarde. Ook bij de A58 geldt dat er bij een gedeelte van de beoogde percelen een geluidbelasting hoger dan 53 dB optreedt. Dit geldt zowel op de tweede als de derde bouwlaag van de beoogde percelen, en tevens voor een deel van het nieuwe appartementencomplex. Voor de A58 zijn maatregelen reeds overwogen en maken onderdeel uit van de basissituatie, dus aanvullende maatregelen voor de A58 zijn niet verder onderzocht.
Voor bijna alle woonpercelen en nieuwe appartementen dient een hogere waarde voor de A58 aangevraagd te worden. Ondanks dat er geluidscherm komt, treedt er nog steeds geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op. Hierdoor is er een hogere waardebesluit nodig. Daar waar de geluidbelasting hoger dan 53 dB is, kunnen geen woningen worden aangelegd tenzij de hoogstbelaste gevel als dove gevel wordt aangelegd of er op een andere manier de geluidbelasting verder wordt verlaagd. In onderstaande schema worden de geluismaatregelen beschreven.
Aandachtspunten:
Maatregel nodig
Hogere waarden
Abcovenseweg-Noord
Snelheid naar 50 k/m tot snelweg. Doortrekken scherm Ja (kokowall aan de westzijde). Hogere waarden verlenen voor de woningen tot 53dB met als onderbouwing verwijzen naar omgevingswet.
Bakertand
Snelheid naar 30 k/m. Zodoende geen maatregelen meer nodig
Rillaersebaan-West
Omgevingswet geeft aan 53 dB voor gemeentewegen. Dus Ja hogere waarden verlenen voor de woningen tot 53dB met als onderbouwing verwijzen naar omgevingswet.
Rillaersebaan-Oost
Omgevingswet geeft aan 53 dB voor gemeentewegen. Dus Ja hogere waarden verlenen voor de woningen tot 53dB met als onderbouwing verwijzen naar omgevingswet.
Bacseweg-Noord
30 k/m per uur tot aan weg parallel aan snelweg (lage wal). Dan geen hogere grenswaarde benodigd.
Nee
Bacseweg- Nieuwe Rotonde
Hogere waarde verlenen voor een specifieke groep woningen waar >53dB geldt.
Ja
Hoge Wal
Snelheid naar 30 k/m per uur tot aan Nee appartementencomplex, want wordt alles bebouwde kom. Geen hogere grenswaarde benodigd.
Abcovenseweg-Zuid
Toepassen van deklaag B stil asfalt. Hogere waarde verlenen voor woningen tot 53dB met als onderbouwing verwijzen naar de omgevingswet.
Ja
Snelweg - Westzijde
Hogere grenswaarde voor alle woningen
Ja
Nee
Bakertand Pagina 39 van 51
Snelweg - Oostzijde
Hogere grenswaarde voor alle woningen
Ja
Appartementgebouw
Alles wordt voldoende geluidsluw gerealiseerd. Bouwkundig moet het probleem worden opgelost.
Ja (voor de A58
Naast de geluidbelasting per weg is ook de gecumuleerde geluidbelasting onderzocht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De gecumuleerde geluidbelasting op de beoogde perceelgrenzen (het nieuwe appartementencomplex buiten beschouwing gelaten) vanwege het verkeer op alle wegen samen, in de basissituatie, zonder de aanvullende maatregelen die zijn onderzocht, bedraagt op 4,5m en op 7,5m hoogte respectievelijk maximaal 68 en 67 dB exclusief correctie artikel 3.4 RMG 2012. De gecumuleerde geluidbelasting op de woningen bedraagt maximaal 69 dB exclusief correctie op het nieuwe appartementencomplex. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de realisatie van de nieuwe woningen dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan het gestelde in afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Dit betekent dat de buitengevels voldoende geluid dienen te weren om te zorgen dat het geluidniveau binnen in de nieuwe woningen maximaal 33 dB bedraagt. Reconstructie Rillaersebaan Om de nieuwe woonwijk te ontsluiten wordt het huidige kruispunt van de Rillaersebaan met de Guido Gezellelaan vervangen door een rotonde, met ook een aantakking naar de nieuwe wijk. Als gevolg van deze fysieke wijziging is akoestisch onderzoek naar het effect van de wijziging noodzakelijk.
De voorgenomen wijzigingen betekenen een fysieke wijziging van meerderewegen, namelijk de Rillaersebaan en de Guido Gezellelaan. Omdat geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn binnen de wettelijke geluidzones van deze wegen, moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de effecten van deze wijziging. Er is door Sweco onderzocht welk effect de fysieke wijzigingvan de Rillaersebaan heeft op de geluidsbelasting op de geluidgevoeligegebouwen binnen de geluidszone van deze weg (Bijlage 11). Uit de berekeningen blijkt dat de fysieke wijziging van de Rillaersebaan zorgt voor een toename van maximaal 2 dB. De hoogste toename is minstens 2 dB, dus is er sprake van reconstructie volgens de Wet geluidhinder. De fysieke wijzigingen aan de Rillaersebaan kunnen niet plaatsvinden zonder aanvullende maatregelen te onderzoeken om de toename in geluidbelasting te beperken. Het plaatsen van absorberende geluidsschermen van 1 meter boven op de bestaande grondwallen langs de Rillaersebaan levert voldoende geluidreductie op alle woningen. Hierdoor vindt er geen toename in geluidbelasting plaats in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie. Er is dan bij alle woningen geen sprake van een reconstructie volgens de Wet Geluidhinder. Door het plaatsen van de 1 meter hoge absorberende schermen boven op de bestaande grondwallen zijn verdere maatregelen niet nodig.
5.5
Bodemkwaliteit
5.5.1
Relevant kader
Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt te maken is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn.
Bakertand Pagina 40 van 51
5.5.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Sweco heeft in 2021 een historisch bodemonderzoek gedaan (Bijlage 12) . Door middel van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek is inzicht verkregen in de te verwachten historische gegevens die mogelijk tot bodemverontreiniging heeft geleid. De verkregen onderzoeksgegevens zijn als voldoende betrouwbaar ingeschat om als basis te dienen om bodemonderzoek (veldonderzoek en laboratoriumonderzoek) te verrichten. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn de volgende diverse potentiële bronnen van bodemverontreiniging aanwezig: Over het algemeen zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie diverse percelen verdacht voor asbest, zware metalen en PAK. Tevens zijn er enkele percelen verdacht als gevolg van de voormalige opslag van minerale olie (Abcovenseweg 42, 49 en 55 en de schuur tegenover Bakertand 5), de voormalige aanwezigheid van tuinbouwkassen met als kritische parameters OCB’s (Abcovenseweg 49) en de voormalige aanwezigheid van een champignonkwekerij met de kritische parameters pentachloorfenol, endosulfan en OCB’s.
Er dient rekening gehouden te worden met mogelijk instroom van bodemverontreiniging vanuit de nabij de onderzoekslocatie aanwezige percelen Hoge Wal 1 (hier is een tankstation met gebruik van brandstofproducten), Bakertand 4a (zware metalen als gevolg van opslag mest) en Bakertand 5 (zware metalen als gevolg van opslag mest en minerale olie als gevolg van de opslag van diesel). Er zijn (vanuit bron Topotijdreis) enkele (momenteel) gedempte sloten en voormalig aanwezige wegen dan wel zand/puinpaden aanwezig (geweest) binnen de onderzoekslocatie. Kritische parameters die hiermee samenhangen zijn zware metalen, PAK en asbest. Tevens is in het verleden een voormalige boomgaard aanwezig geweest, waarbij als kritische parameter OCB’s onderzocht dient te worden (als aanvulling op de standaard-opzet). Momenteel zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie enkele sloten (onderzoek op basis van standaardpakket) en ook (puin)halfverhardingslagen en asfaltverhardingen aanwezig met als kritische parameters zware metalen, PAK en asbest. Afhankelijk van de definitieve invulling van de herinrichting zullen mogelijk enkele bestaande wegen en fietspaden onderdeel uitmaken van de onderzoeksopzet. Aandachtspunt hierbij is de aanwezigheid van de bermen en de aanwezigheid van dammen (toegang van weg naar erf) die mogelijk verontreinigd zijn.
Het overige deel van de onderzoekslocatie (hierboven niet genoemd) kan onderzocht worden als onverdachte locatie (weiland en akkerland). Ten slotte zijn twee percelen (Abcovenseweg 57a en Hoge Wal 15 en 17) te onderscheiden waar recentelijk reeds bodemonderzoek heeft plaatsgevodne; ter plaatse van deze percelen hoeft nu geen aanvullend bodemonderzoek verricht te worden. Afhankelijk van gemeentelijk beleid dient echter overwogen te worden de grond te verifiëren op bodemverontreiniging voor de locatie Hoge Wal 15 en 17, aangezien hier bodemonderzoek is verricht voorafgaand aan de sloop. Eventueel dient dan actualisatie-onderzoek plaats te vinden van de situatie na sloop. Voor de locatie Abcovenseweg 57a is al actualisatie-onderzoek verricht na sloop; hier is dus geen actualisatie-onderzoek benodigd. Op basis van het historisch bodemonderzoek en de uitkomsten dient in het vervolgtraject een onderzoeksstrategie voor het gehele gebied te worden bepaald met boringen en, indien nodig, asbestgaten, inclusief analyses. Dit verkennend bodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd.
Bakertand Pagina 41 van 51
5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1
Relevant kader
In de Wet Milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: Het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswoningen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; Kantoorlocaties met een bruto oppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en één ontsluitingsweg. Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht. 5.6.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Woningbouwlocaties behoren tot één van de categorieën van projecten waarvoor in de Regeling NIBM getalsmatige grenzen zijn opgenomen waarbinnen een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. NIBM-grens woningbouwlocaties: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of; 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. In 2021 heeft sweco onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit (Bijlage 13). Onderstaand worden de belangrijkste conclusie van het onderzoek benoemd. Maximale projectbijdrage Voor het bepalen van de projectbijdrage is gebruik gemaakt van de NIBM-tool (versie 06-04-2021). Deze tool berekend op basis van worstcase uitgangspunten de projectbijdrage op basis van de ingevoerde verkeersgeneratie van het plan. Voor de verkeersgeneratie van het plan is uitgegaan van de kengetallen van het CROW7. De vervoersbewegingen die hieruit zijn afgeleid bedragen 4497 vervoersbewegingen per dag (weekdaggemiddelde). Zie bijlage 1 voor de berekening van
Bakertand Pagina 42 van 51
deze verkeersaantrekkende werking. Hierbij is voor de NIBM-tool een worst case aanname gedaan. Er is aangenomen dat 1% van de verkeersgeneratie bestaat uit vrachtverkeer. Alle woningen voor Bakertand zullen in 2031 gerealiseerd zijn en in de NIBM-tool gerekend voor het jaar 2022. Dit is een worst-case scenario aangezien het Nederlandse wagenpark naar verwachting alleen schoner zal worden. In 2030 zullen de concentraties dan ook lager zijn. Als laatste is voor concentratiebijdrage PM2,5 aangenomen dat alle PM10 uitstoten bestaan uit PM2,5. Op basis van bovenstaande gegevens is de maximale bijdrage van het wegverkeer voor NO2 3,87 µg/m3, voor PM10 0,90 µg/m3 en voor PM2,5 0,90 µg/m3.
Figuur 5-3 Maximale concentratiebijdragen van de verkeersgeneratie van het plan
Toetsing grenswaardenplansituatie Om verder onderzoek te doen naar de luchtkwaliteit naar aanleiding van de NIBM-tool zijn de huidige concentratie waardes en de invloed van het plan afgezet tegen de grenswaardeszoals die nu bekend zijn. Voor de toetsing aan de grenswaarden zijn de maximale concentratiebijdragen ten gevolge van de verkeersgeneratie van het plan opgeteld bij de maximale huidige concentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. In tabel 5-2 zijn de gesommeerde jaargemiddelde concentraties van de luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven. Het betreft hier dus de achtergrondconcentraties8 inclusief de concentratiebijdrage van het lokale wegverkeer (huidig + plan). Grenswaarde
Concentratie huidig
Concentratie -bijdrage plan
Concentratie huidig + plan
Jaargemiddelde 40 concentratie NO2
32,7
3,87
36,6
Jaargemiddelde 40 concentratie PM10
19,9
0,90
20,8
Jaargemiddelde concentratie PM2,5
12,1
0,90
13,0
25
Tabel 5-2 Maximale jaargemiddelde concentraties (µg/m3) stikstofdioxide en fijnstof
Uit de tabel blijkt dat op basis van worst case uitgangspunten er in de directe omgeving geen overschrijdingen zijn van de grenswaarden. Ter hoogte van de planontwikkeling zullen hiermee
Bakertand Pagina 43 van 51
geen mensen worden blootgesteld aan concentraties boven de grenswaarden. Toetsing besluit gevoelige bestemmingen Aangezien er in het plan namelijk ook ruimte is voor een school of een andere maatschappelijke voorziening, dient er aandacht te worden besteed aan het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. In onderhavige situatie geldt een zone van 300 meter vanaf de rand van de Rijksweg A58. In het bestemmingsplan worden ter plaatse van de bestemming ‘Maatschappelijk’ gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt, zoals bedoeld in het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Conform de planologische verbeelding (concept) bedraagt de afstand tussen de maatschappelijke bestemming en de Rijksweg A58 circa 650 meter. De maatschappelijke bestemming ligt hiermee buiten voornoemde onderzoekszone zodat het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’ geen belemmeringen oplevert voor het planvoornemen. Conclusie Uit de resultaten van het luchtonderzoek komt naar voren dat langs de ontsluitende wegen van het plangebied geen overschrijdingen optreden van de grenswaarden voor de concentraties stikstofdioxide en fijnstof. Hiermee worden ten gevolge van het plan ook geen mensen blootgesteld aan concentraties boven de grenswaarden. Hiermee voldoet het plan aan grondslag a van artikel 5.16 lid 1 uit de Wet milieubeheer.
Er worden ook geen gevoelige bestemmingen gerealiseerd binnen de onderzoekszones zoals opgenomen in het Besluit gevoelige bestemmingen. Op het gebied van luchtkwaliteit is er geen belemmering om het plan tot uitvoering te brengen.
5.7
Externe veiligheid
5.7.1
Relevant kader
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt; Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.
Bakertand Pagina 44 van 51
5.7.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Sweco heeft in 2021 een onderzoek gedaan naar de externe veiligheidssituatie in en rond het plangebied (Bijlage 14). De belangrijkste bevindingen van het onderzoek worden hieronder beschreven. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor Breda – Tilburg en de rijksweg A58. Doordat het plangebied buiten een afstand van 200 meter van het spoor Breda – Tilburg ligt, zijn er geen risicoberekeningen noodzakelijk. Alleen een beperkte verantwoording groepsrisico is nodig. Plaatsgebonden risico De A58 heeft op het wegdeel langs het plangebied een PR10-6-contour, maar die ligt niet over het plangebied. Het PR vormt hiermee geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico De groepsrisicoresultaten van de relevante risicobronnen zijn samengevat in onderstaande tabel: Tabel 5-3 groepsrisicoresultaten
Situatie
Maximale waarde ten opzichte van oriëntatiewaarde
Huidige situatie
0,422
plansituatie
0,422
Plasbrandaandachtsgebied Het plangebied ligt voor een klein deel binnen het PAG. De bebouwingsvlakken liggen echter buiten het PAG. Voor nieuwbouw binnen een PAG moet op grond van artikel 10 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zorgvuldig afgewogen worden of nieuwe objecten binnen het PAG worden toegestaan. Zo ja, dan moeten die nieuwe objecten in het PAG voldoen aan extra eisen. Bijvoorbeeld eisen ten aanzien van brandwerendheid, die gelden op basis van afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2012. De kosten die hieruit voortvloeien komen voor rekening van de opdrachtgevers van de nieuwe bebouwing. Verantwoording groepsrisico De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Het bevoegd gezag gaat akkoord met het restrisico.
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Sinds 1 april 2011 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit Besluit is dat in elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., aandacht moet worden besteed aan de vraag of er al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van uit te voeren activiteit(en) zijn. Daarom moet er voortaan bij elk planologisch besluit, maar ook bij bepaalde vergunningen, over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r., een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld worden. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat.
Bakertand Pagina 45 van 51
Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is. De (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit mer worden niet overschreden, zodat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden uitgevoerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 15. Op grond van deze uitkomsten is aan het bevoegd gezag voorgesteld om gelijktijdig met het besluit om voorliggend ontwerpbestemmingsplan vrij te geven voor inspraak, tevens te besluiten dat een verdere m.e.r.-procedure niet aan de orde is.
5.9
Conclusie
De diverse milieuaspecten vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Het plan wordt uitvoerbaar geacht.
Bakertand Pagina 46 van 51
Hoofdstuk 6
6.1
Opzet planregels
Plansystematiek
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
6.2
Verbeelding
Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven.
6.3
Regels
De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezig en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels 6.3.1
Hoofdstuk1: Inleidende regels
In Artikel 1 ('Begrippen') is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Vervolgens is in Artikel 2 ('Wijze van meten') een omschrijving gegeven van de te gebruiken wijze van meten. 6.3.2
Hoofdstuk2: Bestemmingsregels
De regels in verband met de bestemmingen kennen alle een gelijke opbouw (voor zover van toepassing). De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van het aanvragen van een omgevingsvergunning. Door middel van een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van enkele bouwregels. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. Artikel 3 Bedrijf De bestemming Bedrijf is specifiek bestemd voor de bestaande boerderijwinkel. Er zijn geen extra ontwikkelingsmogelijkheden opgenomen in deze regeling. Bakertand Pagina 47 van 51
Artikel 4 Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen De bestemming Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen is bestemd voor een verkooppunt motorbrandstoffen in de vorm van vloeibare brandstoffen, gecomprimeerd aardgas en elektra, met uitzondering van LPG en waterstof. Dit betreft het bestaande verkooppunt, de regeling is overgenomen uit het bestemmingsplan 'Bakertand, Abcovenseweg eo 2015', welke vigerend was tot vaststelling van dit plan. Artikel 6 Groen - 2 De structuurdragende groenvoorzieningen in het plangebied hebben de bestemming 'Groen' gekregen. Naast groen zijn hier ook in-, uitritten, voet- en rijwielpaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, hondenuitlaatplaatsen en hondentoiletten, speelvoorzieningen, voorwerpen van beeldende kunst en straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen bouwwerken worden gebouwd. Het bouwen van gebouwen in deze bestemming is niet toegestaan. Artikel 5 Groen - 1 In afwijking op de voorgaande groenbestemming is een extra groenbestemming toegevoegd ter plaatse van de westrand van het plan. In deze groenbestemming zijn in afwijking op Groen - 1, géén wegen en parkeerplaatsen direct mogelijk. Artikel 7 Maatschappelijk Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de toekomstige bouw van een maatschappelijke voorziening, zoals een BSO.
Boven de maatschappelijke voorziening zijn woningen mogelijk. Artikel 8 Natuur Ter plaatse van de natuurbestemming is een natuurontwikkeling beoogd. Tevens is in dit gebied een geluidwerende voorziening toegestaan en is ruimte voor de (regionale) waterbergingsopgave. Artikel 9 Verkeer De hoofdverkeerstructuur is bestemd als 'Verkeer'. Op deze gronden is, naast de ontsluitingsfunctie, ruimte voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, parkeerplaatsen, rijwielstalvoorzieningen en beeldende kunst. In deze bestemming zijn evenementen ook toegestaan. Artikel 10 Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is. Dit betreft de bestaande woningen in het plangebied, waar op enkele percelen tevens de mogelijkheid is voor een extra woning. Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. Artikel 11 Woongebied Voor de nieuwe woongebieden in het plangebied is de bestemming 'Woongebied' opgenomen. Binnen deze gronden zijn maximaal 703 woningen en openbaar gebied beoogd. Het betreft een flexibele bestemming waarbinnen, naast de functie wonen, onder meer verkeersvoorzieningen, speel-, groen- en nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding mogelijk zijn.