CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Bijlage 2.1 Vast te stellen bestemmingsplan Zuidrand Goirle locatie Van Besouw fase 2 zonder de separate bijlagen bij de plantoelichting.pdf

Oordeelsvormend 13 september 2022, gemeente GoirleBij agendapunt: 4: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Van Besouw fase 231.625 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De deelgebieden 'De Fabriek' en 'Overgang naar het landschap' maken deel uit van het inmiddels vastgestelde bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" (fase 1) en vallen buiten dit bestemmingsplan.

29

Voor een uitgebreide beschrijving van de invulling van de verschillende deelgebieden wordt verwezen naar paragraaf 2.4 en bijlage 1 (het vastgestelde stedenbouwkundig plan) bij deze toelichting. In bijlage 1 bij deze toelichting is tevens verwoord hoe de uitgangspunten uit de visie op de zuidrand (bijlage 3) vertaald zijn naar de stedenbouwkundige visie.

Beeldkwaliteitsplan Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. In opdracht van de NBU Projectontwikkeling IV is door Bedaux de Brouwer Architecten en Mulleners + Mulleners in januari 2019 het beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 2 bij deze plantoelichting en zie bijlage 2 bij de planregels). Een belangrijk uitgangspunt van dit plan is het scheppen van eenheid voor de beeldkwaliteit van de woningen en appartementen. Hierbij moet zichtbaar zijn dat het begin van het plan bij het einde hoort, alsook de fabriek in het verleden één terrein was. Het gaat er dus om dat deelplannen voor de woningbouwontwikkeling in het grote geheel van de gehele herontwikkeling van het plangebied passen. De cultuurhistorische betekenis van de plek biedt mogelijkheden voor een architectuur die zich richt op de eigenheid van de locatie Van Besouw. Ook de historische relatie tussen het beekdal van de Nieuwe Leij en Van Besouw kan opnieuw tot uitdrukking worden gebracht door de architectuur. Het beeldkwaliteitsplan is op basis van een aantal thema's opgesteld. Deze thema's worden onderstaand toegelicht. Het beeldkwaliteitsplan heeft betrekking op het gehele terrein van de locatie Van Besouw en is opgesteld in het kader van de planvorming voor de ontwikkeling van fase 1 van de locatie Van Besouw.

In dat verband is het beeldkwaliteitsplan dan ook op 22 september 2020 samen met het bestemmingsplan voor fase 1 vastgesteld door de gemeenteraad. Het beeldkwaliteitsplan wordt ook voor fase 2 gebruikt. Omdat het reeds is vastgesteld hoeft het niet opnieuw vastgesteld te worden. Voor de volledigheid is het beeldkwaliteitsplan als bijlage 2 bij deze plantoelichting en als bijlage 2 bij de planregels gevoegd. Door het beeldkwaliteitsplan als bijlage bij de regels te voegen maakt het deel uit van de planregels van dit bestemmingsplan en vormt het een direct toetsingskader voor te zijner tijd te verlenen omgevingsvergunningen voor bouwactiviteiten. Over de inhoud van het beeldkwaliteitsplan heeft de gemeentelijke welstandscommissie positief geadviseerd.

Eenheid van architectuur en morfologie Het doel ten aanzien van architectuur en de morfologie is het scheppen van een eenheid in het plangebied en tegelijkertijd de diversiteit en eigenheid te bewaren van de industriële, dorpse en landelijke buurten. De drie buurten (De fabriek, Het Lint en De Lanen) of woonsferen zijn individueel herkenbaar én onafscheidelijk verbonden door het concept van het totaalplan. Hierin beweegt de architectuur planbreed tussen modern en klassiek. Ontwerpuitgangspunten om eenheid te creëren: Het plan is een totaalplan en dat moet zichtbaar zijn. Zoeken naar eenheid binnen een veelvoud aan woningtypes, door middel van een beperkt architectuur- en materiaalpalet. Om verscheidenheid te creëren: Aansluiting op bestaande context, aan randen van plangebied. Subtiel variatie aanbrengen binnen de afzonderlijke buurten is mogelijk, zolang de samenhang behouden blijft. Zoeken naar een relatie met wat op de specifieke plaats heeft gestaan. Beeldkwaliteit planbreed Evenals de basiselementen van de openbare ruimte vormt de architectuur zich naar enkele elementen die steeds op eigen wijze binnen het totaalplan voorkomen. Het voornemen is om deze basis aan te

30

vullen met nieuwe elementen die passend zijn bij de specifieke identiteit en woonsfeer. Het herhalen van vorm, materialen en details zorgt vervolgens voor planbrede uniformiteit.

Materialisatie Planbreed is de nieuwbouw geïnspireerd door het verleden van Van Besouw. Hiermee kunnen de nieuwe woonbuurten voortborduren op de eigenheid van de plek en een unieke en boeiende identiteit krijgen. Gericht op de materialisatie resulteert dit in een ambachtelijk gebruik van baksteen door middel van bijzondere metselwerkverbanden, rollagen, staand metselwerk en spiegelstukken. Hierbij is er ook aandacht voor het voegwerk.

De Fabriek Het plandeel De Fabriek maakt deel uit van fase 1 en wordt in dit plan niet nader toegelicht.

Het Lint Plandeel het Lint maakt deel uit van de historische ‘ruggengraat’ van Goirle en dient zich hiernaar te vormen. De bebouwing sluit aan op de typologieën van een dorpsstraat, zoals aan het noordelijke deel van de Kerkstraat aan zijde tussen de kerk en de portierloge. De nieuwbouw werkt helend voor historische continuïteit van lintbebouwing. Dorpse vriendelijkheid en verscheidenheid kan hier ter uiting komen door een afwisseling van roodbruine, roodpaarse en gekeimde gevels, al dan niet beëindigd in een donkere dakpan. Elementen als een Frans balkon kunnen in de gevel een openheid creëren, om zo de vriendelijkheid en relatie binnen-buiten te benadrukken. Ten alle tijden dienen de zonnepanelen op het achtervlak te liggen, om geen afbreuk te doen aan het historische lint. Gezien de oriëntatie op zuid is dit ook de meest voordelige plaatsing.

De Lanen De woningen in het gebied kennen een hoogwaardige architectuur met bijzondere aandacht voor detaillering en materialen. De architectuur kenmerkt zich door een eigentijds landelijke uitstraling met een ingetogen modern karakter, waarbij de diverse woningen meer uitdrukking geven aan individuele woonwensen. De materialisatie hier kan gezien worden als een doorzetting van plandeel Het Lint, waarbij elementen als houten luiken en omlijstingen de landelijke sfeer kunnen benadrukken.

4.2

Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

4.2.1

Archeologie

Algemeen Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen plaats te laten vinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bhetodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek 31

verhaald kunnen worden op de verstoorder; de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening. In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen.

Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan.

Onderzoek In het kader van de ontwikkeling Zuidrand Goirle heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd voor de totale planontwikkeling Zuidrand Goirle. Onderstaand worden de conclusies behandeld. Het complete onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.

Archeologie Op basis van het bureauonderzoek is aan het plangebied grotendeels een middelhoge tot hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden uit de steentijd tot en met de nieuwe tijd. In hoeverre het archeologisch niveau verstoord zal raken door de geplande herinrichting van het gebied en of het gebied al verstoord is door de huidige inrichting, is afhankelijk van de dikte van het ophoogdek. Derhalve wordt geadviseerd om in de nog niet onderzochte gebieden met een middelhoge tot hoge verwachting voor archeologische waarden uit de steentijd tot en met de volle middeleeuwen bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm –mv (normale ploegdiepte) een verkennend booronderzoek uit te voeren om de aard en intactheid van de bodem nader in kaart te brengen. Op basis van het bureauonderzoek is in oktober 2018 een verkennend booronderzoek uitgevoerd door Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie (bijlage 5 bij deze toelichting). Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw van het plangebied gekenmerkt wordt door een diep verstoorde bouwvoor op (verspoeld) dekzand. De kans op het aantreffen van archeologische waarden is daardoor zeer klein. In het verkennend booronderzoek wordt derhalve geadviseerd om geen nader onderzoek naar archeologische waarden uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor werkzaamheden.

Het Monumentenhuis Brabant heeft op 13 december 2018 ingestemd met het advies om geen nader onderzoek naar archeologische waarden uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor werkzaamheden (bijlage 6 bij deze plantoelichting). Naar aanleiding daarvan heeft het bevoegd gezag op 9 april 2019 ingestemd met dit selectieadvies. Het plangebied is daarmee vrijgegeven voor de realisatie van de plannen en nader onderzoek naar archeologie derhalve niet noodzakelijk. Bijlage 7 bij deze plantoelichting bevat het selectiebesluit.

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied. Ondanks dat de kans op het aantreffen van archeologische waarden in het plangebied nihil is, bestaat altijd de kans dat er een toevalsvondst gedaan wordt. Voor toevalsvondsten geldt op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht. Voor aanvang van de werkzaamheden in het plangebied wordt de uitvoerder van de werkzaamheden op deze meldingsplicht gewezen. Bij een toevalsvondst

32

wordt de vondst zo spoedig mogelijk gemeld bij het bevoegd gezag, de gemeente Goirle en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. 4.2.2

Cultuurhistorie en monumenten

Algemeen Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet 1988, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

Gemeentelijke monumenten In het plangebied voor fase 2 komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor. In dit plan, ten behoeve van de ontwikkeling van fase 2, gelden geen bijzondere aandachtspunten vanuit cultuurhistorisch oogpunt.

In de planvorming voor fase 1 is een uitgebreide analyse gemaakt van de historische geografie en de bouwhistorie. Deze analyse is voor de volledigheid als bijlage 4 bij de plantoelichting gevoegd. Daarnaast is, in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan voor fase 1, advies ingewonnen van de monumentencommissie (zie bijlage 8 bij de plantoelichting).

Conclusie Cultuurhistorische waarden en gebouwen komen alleen in het plangebied van fase 1 voor en worden beschermd door het desbetreffende bestemmingsplan. In het plangebied van fase 2 komen geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing of historisch-geografische lijnen voor en is het instellen van een dergelijk beschermingsregime niet nodig. Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan daarmee niet in de weg.

4.3

Volkshuisvesting

Ladder voor duurzame verstedelijking Bij de afweging tussen de verschillende locaties moet in de eerste plaats worden gekeken naar de ladder voor duurzame verstedelijking. Dit is een vereiste uit het Besluit ruimtelijke ordening. Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Eén van de voorwaarden die de gemeente heeft gesteld bij het vaststellen van de visie voor de Zuidrand Goirle is dat er gebouwd wordt naar behoefte, zowel kwantitatief en kwalitatief.

Bestaand stedelijk gebied De locatie van Van Besouw ligt in het bestaand stedelijk gebied van Goirle. Dit blijkt uit de wijze waarop het plangebied getypeerd is in het beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle. In aanvulling op het voorgaande geldt dat artikel artikel 1.1.1, lid 1, sub h van het Besluit ruimtelijke ordening het bestaand gebied als volgt definieert: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van

33

wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; In het plangebied is sprake van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van (bedrijfs)bebouwing. Deze bebouwing ligt in een raamwerk dat bestaat uit wegen en (stedelijke) groenstructuren. Ook hieruit blijkt dat het plangebied onderdeel is van het bestaand stedelijk gebied.

Kwantitatief In de Woonvisie 2019 heeft de raad uitgangspunten opgenomen voor het prioriteren van woningbouwlocaties. Nu is geconstateerd dat prioritering van de locaties niet langer nodig is, stelt het college in dit Woningbouwprogramma een werkwijze voor waarop zij de doelen en ambities uit de Woonvisie wil bereiken. Omdat deze werkwijze niet is opgenomen in de Woonvisie consulteert het college de raad over de wijze waarop het college invulling wil geven aan de door de gemeenteraad gestelde kaders, voordat het college het Woningbouwprogramma- en prioritering 2020-2021 definitief vaststelt. De gemeenteraad heeft d.d. 3 november 2020 ingestemd met het Woningbouwprogramma- en prioritering 2020-2021. Hierin zijn voor fase 2 van Van Besouw 35 woningen opgenomen. Het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" maakt de bouw van 155 woningen in fase 1 mogelijk. In fase 1 worden echter 149 woningen gerealiseerd. Zes woningen worden dus niet gebouwd. Van deze zes woningen worden er drie, op basis van een privaatrechtelijke afspraak tussen de gemeente Goirle en de ontwikkelaar, toegevoegd aan de ontwikkeling van fase 2. Daarmee maakt dit bestemmingsplan voor fase 2 maximaal 38 (35+3) woningen in fase 2 mogelijk en voldoet daarmee aan de kwantitatieve behoefte.

In totaal worden daarmee op de totale locatie Van Besouw op grond van dit bestemmingsplan en het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" 187 woningen gebouwd.

Kwalitatief In het plangebied worden verschillende woningentypologieën gerealiseerd. De definitieve invulling is momenteel nog niet volledig bekend, maar er komen (op basis van de huidige inzichten) onder andere aaneengebouwde woningen, twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande/geschakelde woningen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn voor de (sociale) aaneengebouwde woningen minimaal te realiseren aantallen opgenomen.

Sociale eenheden maken ook onderdeel uit van de kwalitatieve behoefte. Woonstichting Leystromen heeft voor haar gehele bezit een portefeuillestrategie opgesteld. Hierin is bepaald wat de toekomstige behoefte is aan sociale eenheden. Op basis hiervan is gekeken naar het gewenste aantal sociale eenheden voor de gehele Zuidrand Goirle. In de notitie "Sociaal woonprogramma Zuidrand Goirle" van woonstichting Leystromen is dit aantal toegelicht en toegedeeld aan de deellocaties Van Besouw en Van Puijenbroek/Land van Anna. Binnen de portefeuillestrategie past een toevoeging van circa 50 DAEB (Diensten van Algemeen Economisch Belang) huurwoningen in de totale Zuidrand. Voor de verdeling van de 50 woningen zijn er 28 sociale woningen toegedeeld aan Van Besouw. Daarvan maken er 9 deel uit van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Deze zijn in de planregels vastgelegd. Daarmee kan worden gestuurd in het woningaanbod binnen het plangebied.

Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. Op 2 juli 2019 is de Woonvisie

34

gemeente Goirle 2019-2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de volgende ambities benoemd: 1. Doelgroepen: De gemeente luistert goed naar woningzoekenden in de gemeente Goirle. 2. Duurzaamheid: De gemeente wil zorgvuldig omgaan met energie, water en grondstoffen zoals beschreven in het Milieubeleidsplan Duurzaam Goirle 2017-2022. Nieuwe woningen moeten weinig tot geen energie verbruiken en zo min mogelijk CO2 uitstoten. 3. Woonomgeving: De gemeente wil aantrekkelijk zijn voor jong en oud en een prettige alsmede groene omgeving bieden. Dit geldt zowel voor de woning zelf, maar ook voor de locatie, diens omgeving en de voorzieningen. 4. Nieuwbouw: De gemeente wil voldoende en de juiste woningen bouwen en de gewenste woonmilieus toevoegen. De gemeente neemt de woningbehoefte van Goirlenaren als uitgangspunt bij het bouwen en realiseren van nieuwe woningen. Bij de woningprogrammering houdt de gemeente rekening met de woningen en woonmilieus die door verhuizing beschikbaar komen. De woonvisie is tot stand gekomen op basis van een kwalitatief woonbehoefteonderzoek uit 2018 en twee bijeenkomsten (1 in Goirle en 1 in Riel) waar inwoners aan konden geven wat zijn belangrijk vinden in hun woonplaats.

Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. De woningen die op de locatie Bakertand gerealiseerd mogen worden vallen buiten deze ambities. De gemeentelijke bouwopgave wordt jaarlijks in regioverband berekend.

Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente woonmilieus toe die al in relatief ruimte mate beschikbaar zijn. Concreet zet de gemeente de komende jaren in op de toevoeging van koopwoningen in middeldure en dure categorieën om een verhuisstroom op gang te brengen. De afspraken over de woningbouw in de Zuidrand zijn getoetst aan de bepalingen uit de woonvisie over de woningen die in specifieke categorieën gerealiseerd moeten worden en voldoen aan die afspraken en de woonbehoefte.

Conclusie Onderhavig plan bevat een gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag naar woningen binnen de gemeente. Het te realiseren programma voldoet aan de afspraken uit de woonvisie. De nieuw te bouwen woningen worden zo energiezuinig mogelijk uitgevoerd. Daarnaast is de woningbouwlocatie na ontwikkeling te kenmerken als een prettige en groene omgeving. Met deze ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambities van de gemeente Goirle.

Conclusie Dit bestemmingsplan maakt deel uit van de gebonden capaciteit.Er is sprake van gebonden capaciteit wanneer het college heeft besloten tot: Het starten van de benodigde ruimtelijke procedure om woningbouw op deze locatie mogelijk te maken. en/of Het aangaan van een intentieovereenkomst of anterieure overeenkomst voor ontwikkeling van de locatie, Met voorliggend plan is voorzien in een totaal aantal van 38 woningen, waarvan de verdeling over de verschillende woningtypologieën nog nader bepaald wordt.

35

4.4

Groen

De gemeenteraad heeft op 11 maart 2014 het Groenstructuurplan vastgesteld. Dit plan bevat de langetermijnvisie op het gemeentelijk groen binnen de bebouwde kom. Het openbaar groen van de gemeente Goirle fungeert als visitekaartje van de gemeente en is bepalend voor de sfeer en beleving van de openbare ruimte. De wijken in de kernen in de gemeente Goirle hebben allemaal hun eigen karakteristieken. Het plangebied ligt volgens het groenstructuurplan in de wijk 'Abcoven'. Het groenstructuurplan beschrijft dat onder andere de Kerkstraat en de Beeksedijk een mooie groenstructuur met grote bomen hebben. Deze kwaliteit heeft een relatie met het plangebied. Een andere kwaliteit van de groenstructuur die een relatie met het plangebied heeft is de groene dorpsrand die gevormd wordt door het beekdal van de Nieuwe Leij. De nieuwe wijk krijgt voldoende bomen en openbaar groen in de straat om de buurt aantrekkelijk en leefbaar te houden.

Afbeelding 4.4: Uitsnede uit de groenstructurenkaart van Abcoven in Goirle (plangebied rood omlijnd)

De groenstructurenkaart van Goirle (afbeelding 4.4) laat verder zien dat binnen het plangebied, op de hoek Kerkstraat-Beeksedijk, buurtgroen gesitueerd is. Het plangebied wordt gekenmerkt door de groene randen. Het middengebied is dicht bebouwd. In de nieuwe situatie blijven de groene randen grotendeels behouden. Wel worden er bomen gekapt en wordt de oever van de Nieuwe Leij flauwer gemaakt. In de nieuwe situatie komen nieuwe bomen terug in de openbare ruimte en tuinen. Het buurtgroen bestaat uit groenvlakken in de wijken die een belangrijke functie hebben op buurtniveau. Ze zijn niet bepalend voor

36

de geleiding van de wijk. Buurtgroen heeft een functie in afscherming en aankleding maar vooral ook in klimaatadaptatie om hittestress tegen te gaan en water op te vangen. Buurtgroen is medebepalend voor de sfeer en leefbaarheid van de buurt. Hierbij is het belangrijk dat de inrichting van het groen is afgestemd op deze functie en dat het een rustige en open uitstraling heeft. Het buurtgroen dient te worden behouden en waar mogelijk versterkt. Een deel van het buurtgroen op de hoek Kerkstraat-Beeksedijk wordt in de toekomstige situatie bebouwd. Een deel krijgt de functie van wadi. Tegenover het deels bebouwen van betreffend buurtgroen staat het realiseren van nieuw buurtgroen binnen het toekomstig woongebied. Dit groen heeft een openbaar en functioneel karakter en is daarmee van meerwaarde voor het gebied en de omgeving.

Afbeelding 4.5: In blauw de te handhaven bomen locatie Van Besouw (bron: stedenbouwkundig plan Van Besouw, Mulleners + Mulleners architecten, Bedaux De Brouwer architecten & Buro Lubbers, oktober 2018)

Ten behoeve van het opstellen van het stedenbouwkundig plan is een tweetal zogenoemde boomeffectanalyses (BEA) uitgevoerd. Op basis van deze BEA's is bepaald welke bomen in het plangebied behoudenswaardig zijn en in het verlengde daarvan, welke komen gekapt of gehandhaafd (al dan niet na verplanting) kunnen worden. Afbeelding 4.5 toont de te handhaven bomen in het plangebied. De uitgevoerde BEA's zijn als bijlage 9 en bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd.

Conclusie In het plan wordt een aantal waardevolle en bestaande bomen ingepast. Er gaan bestaande bomen verloren, echter er komen in de nieuwe wijk veel nieuwe bomen in de openbare ruimte voor terug. In de Kerkstraat worden de bestaande lindes en meidoornhagen behouden zoals ook is opgenomen in het groenplan van de gemeente. Aan de Beeksedijk blijft de rij eiken langs de weg behouden. Het groene profiel van de Beeksedijk biedt straks ruimte aan tijdelijke waterberging. De zuidrand (langs de Nieuwe Leij) krijgt een breed en flauw talud. Daarin komen ook weer bomen te staan. Dat wordt een nieuwe groene dorpsrand. In het plan worden ook hagen en plantvakken aangelegd en er wordt gestreefd naar groene erfscheidingen in de vorm van hagen. Er is ruimte opgenomen voor drie 'informele speelplekken'. Het aspect groen is hiermee voldoende onderzocht en geïntegreerd in het plangebied.

37

4.5

Verkeer en parkeren

Verkeer Door Antea Group is in 2021 een verkeersonderzoek uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt de verkeerskundige impact op de omgeving in beeld gebracht. Het gaat daarbij om de verkeersgeneratie en –verdeling van de motorvoertuigbewegingen. Daarmee kan worden beoordeeld wat de impact is op de omgeving. Dit verkeersonderzoek gaat in op de ontwikkeling van dit bestemmingsplan. Hierbij is uitgegaan van het jaar 2030, waarbij Van Besouw fase 1 al is opgenomen. Het komt erop neer dat in dit verkeersonderzoek dus de volledige ontwikkeling van Van Besouw in beeld is gebracht. Beoordeeld is of het netwerk het extra verkeer kan verwerken. Daarbij is een worstcasebenadering toegepast waarbij uitgegaan is van de woningbouwaantallen die in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Voor Van Besouw in totaal worden 1.494 verkeersbewegingen per gemiddelde werkdag berekend, voor zowel fase 1 als fase 2. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 3.1 van het onderzoek. Het complete onderzoek is als bijlage 11 bijgevoegd. Fase 2 is ingeklemd tussen de fase 1 in het westen, de Kerkstraat in het noorden, en de Beeksedijk in het oosten. De ontsluiting van fase 2 zal verlopen via de Beeksedijk en de Kerkstraat (zie figuur 3.1 van het onderzoek). Via de Kerkstraat kan alleen richting Van Besouw worden gereden, al het verkeer verlaat de wijk via de Beeksedijk.

Dit komt doordat de ingangen vanaf de Kerkstraat eenrichtingswegen zijn richting Van Besouw. Hierdoor is het alleen mogelijk om de wijk te verlaten via de Beeksedijk. Tussen het oostelijke en westelijke deel van het plangebied is geen onderlinge uitwisseling voor gemotoriseerd verkeer mogelijk. Op basis van de resultaten van het verkeersmodel en ervaringen van de gemeente Goirle (GVVP 2013) is een viertal kruispunten geselecteerd die nader zijn onderzocht, waarbij is beoordeeld of deze kruisingen de toekomstige verkeersstromen kunnen afwikkelen. Het gaat om de volgende kruispunten: Van Besouw – Beeksedijk (voorrangskruispunt); Rillaersebaan – Turnhoutsebaan (verkeerslichten); Turnhoutsebaan – Tijvoortsebaan (rotonde); Rillaersebaan – Tilburgseweg (rotonde). Alleen op de wegen dichtbij het plangebied is er een significante toename van het verkeer berekend (Abcovenseweg, Molenstraat). Deze toename zorgt niet voor doorstromingsproblemen, er worden namelijk geen nieuwe knelpunten berekend. Daarnaast blijven de intensiteiten op de wegvakken binnen de gestelde grenswaarde.

Dit bestemmingsplan is het tweede bestemmingsplan voor de locatie Van Besouw. Daarnaast wordt ook het voormalig fabrieksterrein van Van Puijenbroek getransformeerd tot woningbouwlocatie. In totaal zijn er daarmee drie woningbouwontwikkelingen in de zuidrand in uitvoering/ontwikkeling. In totaal worden in deze drie projecten samen circa 390 woningen gerealiseerd. Het gezamenlijk effect van deze woningbouwontwikkelingen is beschouwd in het verkeersonderzoek. Uit deze beschouwing blijkt dat de ontwikkelingen in totaal tot circa 3.000 motorvoertuigbewegingen per werkdag leiden en dat dit niet leidt tot het ontstaan van knelpunten.

Conclusie Door de ontwikkelingen van dit bestemmingsplan krijgt het verkeersnetwerk van Goirle meer verkeer te verwerken. Dit extra verkeer zorgt niet voor nieuwe of veel grotere verkeersproblemen in Goirle ten opzichte van de autonome situatie. Een viertal kruispunten is nader onderzocht, omdat deze maatgevend zijn voor de afwikkeling van het verkeer in Goirle of voor de locatie Van Besouw. Uit deze kruispuntberekeningen komt naar voren dat deze in autonome situatie, noch in de plansituatie een

38

knelpunt in de verkeersafwikkeling vormen. Daarom worden er voor zowel de ochtend- als de avondspits geen problemen verwacht met de doorstroming op deze beschouwde kruispunten in Goirle. Daarnaast zijn er op andere wegvakken geen doorstromingsknelpunten berekend. Ook het toekomstige voorrangskruispunt tussen de Beeksedijk en Van Besouw kan al het verkeer van en naar de ontwikkeling voldoende afwikkelen. Hier zijn geen doorstromingsproblemen te verwachten. Algehele conclusie is dat door de ontwikkeling van dit bestemmingsplan er ongeveer 300 motorvoertuigen per etmaal van en naar het plangebied gaan. Deze 300 motorvoertuigen zorgen niet voor doorstromingsknelpunten in Goirle.

Parkeren Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan was het uitgangspunt dat de auto in het plangebied te gast (maar niet onzichtbaar) moet zijn. Daarbij gold wel als voorwaarde dat de auto niet overheersend aanwezig mag zijn in het straatbeeld. Om die reden zijn de meeste parkeervoorzieningen op eigen terrein of in parkeerclusters georganiseerd.

Het parkeren is bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan met inachtneming van het woningbouwprogramma uitgewerkt op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid. Omdat het inrichtingsplan na vaststelling van het stedenbouwkundig plan is doorontwikkeld, is de parkeertelling nogmaals uitgevoerd. Deze telling is als bijlage 12 bij deze plantoelichting gevoegd. De parkeertelling is tot stand gekomen op basis van CROW-publicatie 317. Vergelijking met de meer recente CROW-publicatie 381 leert echter dat voor de woningtypen die met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden er in CROW-publicatie 381 geen nieuwe kentallen geïntroduceerd zijn. De parkeertelling voldoet daarmee aan CROW-publicatie 381.

Het aantal parkeerplaatsen op privéterrein en openbaar gebied wordt conform de parkeerbalans uit bijlage 12 gerealiseerd. Aanvullend op het voorgaande geldt dat er in fase 1, in een deel van het plangebied dat grenst aan de Kerkstraat, vier extra parkeerplaatsen gerealiseerd worden in het openbaar gebied. Afbeelding 4.6 toont links de oorspronkelijk ingetekende parkeerplaatsen en rechts de extra toegevoegde parkeerplaatsen (lichtgroen gearceerd). Met het toevoegen van deze vier parkeerplaatsen komt het totale aantal parkeerplaatsen in het openbaar gebied op 211. Daarmee zijn er in dit openbaar gebied vier parkeerplaatsen meer aanwezig dan op grond van de parkeerbalans noodzakelijk is. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernormen.

39

Afbeelding 4.6: Vergelijking oorspronkelijk ingetekende parkeerplaatsen (links) en extra toegevoegde parkeerplaatse (rechts) (Civil Support, 2021)

De woningen in het plangebied van dit bestemmingsplan krijgen parkeerplaatsen op eigen terrein. Waar dit niet mogelijk is, krijgen woningen parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Op grond van dit bestemmingsplan is sprake van een behoefte aan 43 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. 12 van die 43 parkeerplaatsen zijn reeds gerealiseerd in het plangebied van het vastgestelde bestemmingsplan 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw'. Dat betekent dat voor 31 parkeerplaatsen in de openbare ruimte in onderhavig bestemmingsplan bepaald moet worden dat zij gerealiseerd worden in het plangebied van dit bestemmingsplan 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw fase 2'. Dit aantal van 31 parkeerplaatsen in de openbare ruimte is dan ook vastgelegd in artikel 6.3.3 van de regels van dit bestemmingsplan.

40

Bij de vestiging van nieuwe functies, zoals het geval in dit bestemmingsplan, worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit is in de planregels opgenomen.

Afbeelding 4.7: Parkeren in het stedenbouwkundig plan (bron: stedenbouwkundig plan Van Besouw, Mulleners + Mulleners architecten, Bedaux De Brouwer architecten & Buro Lubbers, oktober 2018) (met een stallingsgarage wordt een inpandige parkeergarage bedoeld waar de eigenaren/gebruikers van de appartementen hun voertuig kunnen parkeren?

Conclusie Ten aanzien van parkeren wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de uitvoering van dit plan.

Openbaar vervoer Het woongebied ligt op een gemiddelde loopafstand van tien minuten van de meest nabijgelegen bushaltes naar Riel en Hilvarenbeek.

Conclusie Het plangebied is met het openbaar vervoer goed te bereiken.

41

Hoofdstuk 5

M ILIEUASPECT EN

Dit hoofdstuk gaat in op de relevante milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.1

Milieuhinder en bedrijven

Algemeen Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving.

De VNG-handreiking hanteert richtafstanden die in acht moeten worden genomen tussen gevoelige bestemmingen en milieubelastende functies. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Voor onderhavig plangebied wordt - gezien de toekomstige functies in de Zuidrand en de omgeving - uitgegaan van een rustige woonwijk. De te hanteren richtafstanden zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel 5.1: Richtafstanden uit de VNG-handreiking (VNG, 2009)

Onderzoek Invloed van de omgeving op het voornemen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het plangebied. Daarnaast bestaat de directe omgeving van het plangebied hoofdzakelijk uit woningen. Op basis van het vigerend bestemmingsplan zijn enkel de volgende functies in de nabijheid gelegen: 1. Kerkstraat 1, kerk, milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter. 2. Kerkstraat 60, eetcafé/restaurant, milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter 3. Korenmolenplein 8, bestemming: detailhandel, milieucategorie 1. Feitelijk gebruik: sportschool, milieucategorie: 2, grootste afstand 30 meter. 4. Een bedrijfsbestemming achter Korenmolenplein 8: milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter.

42

Het plangebied ligt buiten de richtafstand van de onder 1 tot en met 4 genoemde inrichtingen. Deze inrichtingen zijn daarmee niet van invloed op het planvoornemen. Specifiek voor de onder 4 genoemde bedrijfsbestemming wordt opgemerkt dat er een woonbestemming tussen deze bedrijfsbestemming en het plangebied ligt. De bestaande woning is daarmee eerder beperkend voor de bedrijfsbestemming dan de ontwikkelingen in het plangebied.

Invloed van het voornemen op de omgeving Met dit plan verdwijnt de bedrijfsbestemming en wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Reguliere woningbouw kent in het kader van milieuzonering geen externe werking. Daarmee kan een goed woonen leefklimaat worden gegarandeerd en zijn er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

Landelijk gebied Direct ten zuiden van het voormalige fabrieksterrein is in de huidige situatie landelijk gebied aanwezig, waar diverse agrarische bedrijven gevestigd zijn. Op afbeelding 5.1 is de GES score te zien van de geur van veehouderijen in de omgeving. GES staat voor Gezondheids Effect Screening-scores, welke zijn gebaseerd op een bepaalde kans op geurhinder. Binnen het plangebied geldt een 'goede' GES score. Dit betekent dat 0 - 5% van de mensen die daarnaar wordt gevraagd in een hinder-enquete aan hebben gegeven dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder. Er is sprake van een vrij matige GES-score. De score is, op basis van de legenda, wel voldoende. Dat betekent dat de geursituatie in het plangebied de woningbouwontwikkeling niet zal belemmeren.

Afbeelding 5.1: GES-score geur veehouderij o.b.v. hinderpercentages (bron: atlasleefomgeving.nl, 2013)

43

De ontwikkeling voorziet in de bouw van woningen en maakt geen nieuwe functies mogelijk die geur emitteren of die leiden tot risico's op het gebied van endotoxinen of zoönosen. De effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit zijn in paragraaf 5.5 geanalyseerd.

De agrarische bedrijven die het dichtste bij het plangebied liggen, bevinden zich op een afstand van circa 400 meter van het plangebied. Het gaat om twee grondgebonden agrarische bedrijven. Een agrarisch bedrijf aan de Beeksedijk 16 is een melkveehouderij. Een agrarisch bedrijf aan de Beeksedijk 18 is een gecombineerde melkvee- en varkenshouderij. Geiten- of pluimveehouderijen zijn niet aanwezig in de buurt van het plangebied. Voor endotoxinen bestaat op dit moment geen officiële norm of grenswaarde. De Gezondheidsraad adviseert uit te gaan van een advieswaarde van 30 EU/m3 lucht voor de algemene bevolking. In de Handreiking Veehouderij en gezondheid omwonenden wordt ervan uitgegaan dat deze advieswaarde bij individuele varkensbedrijven op een afstand van 200 meter niet langer overschreden wordt. Dit maakt de blootstelling van toekomstig inwoners van het plangebied aan endotoxinen in een grotere hoeveeheid dan 30 EU/m3 lucht onwaarschijnlijk. De Handreiking Veehouderij en gezondheid omwonenden beschrijft dat de overdracht van zoönosen plaats kan vinden via voedsel of contact met dieren dan wel hun mest. Vanwege de grote afstand tussen veehouderijen en het plangebied zijn deze risico's klein zolang bewoners/bezoekers van het plangebied ze niet bewust opzoeken.

Ten aanzien van de verplaatsing van zoönosen door de lucht geldt dat door de afstand tussen de veehouderijbedrijven en het plangebied de kans klein is dat bij de uitbraak van een dierziekte, deze zoönosen snel in het plangebied terecht komen.

Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.2

Externe veiligheid

Beleid en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

Plaatsgebonden risico

44

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is.

Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: de kans op een ongeval; het effect van het ongeval; het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Onderzoek Buisleidingen Nabij het plangebied bevinden zich twee hogedrukaardgastransportleidingen van Gasunie (afbeelding 5.2).

45

Afbeelding 5.2: Uitsnede risicokaart met de ligging van het plangebied (groen) ten opzichte van de gasleidingen (rood)

Enkele kenmerken van de leidingen zijn weergegeven in tabel 5.2, waaronder het invloedsgebied. De personendichtheid hierbinnen is bepalend voor de hoogte van het groepsrisico. Tabel 5.2: Leidinggegevens Gasunie

Het plangebied bevindt zich niet binnen de invloedsgebieden van deze leidingen. De meest nabijgelegen leiding ligt op een afstand van circa 500 meter en daarmee buiten de grootste afstand van het invloedsgebied. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico binnen het invloedsgebied van de leidingen niet toe. Een verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk. Uit afbeelding 5.3 blijkt verder dat de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 ten zuiden van het plangebied een buisleidingtracé voorziet. De afstand tussen dit tracé en het plangebied is circa 500 meter. Dit voorziene buisleidingentracé ligt in de zone waar ook de eerdergenoemde hogedrukaardgastransportleidingen in liggen.

46

Afbeelding 5.3: Buisleidingtracé uit de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035, ten opzichte van het plangebied (groen)

Voor de beoordeling van de mogelijke nadelige gevolgen van nieuwe leidingen in deze strook is het belangrijk om te weten welke stoffen door welk soort leidingen vervoerd gaan worden. Dit is echter nog onbekend, het betreft immers een reservering voor de toekomst.

In het ‘Handboek buisleiding in het bestemmingsplan’ (2016) wordt voor deze situaties aangegeven om de nadelige gevolgen te benaderen via één of meer fictieve leidingen. Voor de onderhavige situatie is hiervoor het risico en effect van de bestaande buisleidingen genomen. Het betreft hier grote hogedrukaardgastransportleidingen, met een verhoudingsgewijs groot invloedsgebied. In de leidingstrook is ruimte voor meerdere leidingen van dit kaliber. In de omgeving is voldoende ruimte voor de bijbehorende risicocontouren. De herontwikkeling van de locatie Van Besouw heeft daarnaast geen negatieve invloed op de gebruiksmogelijkheden van deze zone.

Samenvattend geldt dat de voorgenomen geen beperkingen oplevert van de gebruiksmogelijkheden van de reserveringsstrook voor toekomstige leidingen. Daarnaast zijn er als gevolg van eventuele toekomstige leidingen geen beperkingen voor de geplande woningbouw binnen deze locatie vanuit het aspect externe veiligheid.

Rijksweg A58 Op circa 2,2 kilometer van het plangebied ligt de rijksweg A58. Uit de Regeling basisnet volgt dat de A58 (ter hoogte van het plangebied) een maximale PR 10-6-contour heeft van 24 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmeringen. De voorgenomen ontwikkeling ligt wel in het invloedsgebied van toxische scenario's die zich voor kunnen

47

doen als gevolg van transportbewegingen op de A58. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee tot een toename van het groepsrisico in dit invloedsgebied. Om die reden wordt deze toename in het groepsrisico in de navolgende alinea's verantwoord.

Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten

Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts)

In het plangebied en de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Dit onderdeel van externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Groepsrisicoverantwoording De afstand tussen het plangebied en de rijksweg A58 bedraagt meer dan 200 meter. Dit betekent dat een beperkte verantwoording van het groepsrisico op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing is. Het plangebied ligt op basis van de Standaardverantwoording Groepsrisico van de gemeente Goirle uit 2019 (zie bijlage 13) in een gebied waar deze standaardverantwoording toegepast kan worden). De navolgende verantwoording is derhalve gebaseerd op deze standaardverantwoording. Met inachtneming van deze standaardverantwoording vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Wat zelfredzaamheid betreft is bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen, het voorkeurscenario om zo snel mogelijk te schuilen in een gebouw. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Er zijn verschillende manieren om personen adequaat te alarmeren, zoals NL-Alert.

In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn.

48

Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving).

Het bestemmingsplan maakt geen bestemmingen mogelijk voor de aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen. Daarmee wordt de zelfredzaamheid van aanwezigen voldoende geacht.

Bestrijdbaarheid bij een incident met een toxische vloeistof is mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is.

Overleg Brandweer Midden- en West-Brabant In het kader van het overleg op grond van het Bro vindt op basis van het voorontwerpbestemmingsplan overleg plaats met de Brandweer Midden- en West-Brabant. Het advies van deze organisatie over de omgang met externe veiligheid wordt bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd. In afwachting van dit advies is het advies van de Brandweer Midden- en West-Brabant over het bestemmingsplan voor fase 1 als bijlage 14 bij de plantoelichting gevoegd.

Conclusie Ten aanzien van externe veiligheid en voorziene buisleidingtracés zijn er geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling en de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.3

Kabels, leidingen en straalpad

In of nabij het plangebied liggen behoudens in de in paragraaf 5.2 beschouwde buisleidingen geen andere planologisch relevante buisleidingen. Daarnaast liggen in of nabij het plangebied geen planologische relevante kabels of straalpaden. Op dit vlak is er daarmee geen spake van belemmeringen in de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.4

Geluid

Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlands geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteiten en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij met behulp van een geluidrekenmodel per zone de geluidbelasting in het plangebied en op bestaande woningen bepaald is. Voor geluidgevoelige bestemmingen waarvoor de geluidbelasting ten hoogste 48 dB bedraagt, gelden vanuit de Wet geluidhinder geen voorwaarden. Indien geluidgevoelige bestemmingen in een geluidbelasting tussen 49 en 63 dB ontvangen, dienen hiervoor hogere waarden te worden vastgesteld. Indien de geluidgevoelige bestemmingen een geluidbelasting hoger dan 63 dB ontvangen, is het vaststellen van een hogere waarde niet mogelijk. Dergelijke geluidgevoelige bestemmingen moeten worden uitgevoerd met een bouwkundige voorziening, zoals een dove gevel of vliesgevel. Indien een

49

hogere waarde wordt vastgesteld of een dove gevel wordt toegepast, dient bovendien met deze hoge geluidbelasting rekening te worden gehouden in het bouwkundig ontwerp, door het realiseren van een geluidluwe buitenruimte, verblijfsruimtes aan de geluidluwe gevel, etc.

Onderzoek Door Antea Group (juli 2021) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op het plangebied. Het complete akoestisch onderzoek is als bijlage 15 bijgevoegd. Resultaten De geluidbelasting van de gezoneerde wegen Molenstraat-Mulderseweg-Groeneweg-Abcovenseweg en van de niet gezondeerde wegen “Kerkstraat” en “Projectweg Van Besouw fase 2” (de weg in het plangebied) overschrijdt de voorkeursgrenswaarde niet. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de wegen Abcovenseweg-Beeksedijk bedraagt maximaal 58 dB. De voorkeursgrenswaarde (48 dB incl. aftrek ex artikel 110g Wgh) wordt ter plaatse van 11 in het plangebied nieuw te bouwen woningen overschreden. Dit noopt tot het nemen van geluidreducerende/geluidwerende maatregelen en/of het vaststellen van een hogere waarde. Maatregelen Het toepassen van bron- en overdrachtsmaatregelen is vanuit financieel en stedenbouwkundig oogpunt niet haalbaar. Door het toepassen van een geluidreducerend wegdek kan de geluidbelasting ten hoogste 6,6 dB worden gereduceerd. Door het toepassen van dit wegdek zal het aantal woningen met een geluidbelasting van boven de voorkeursgrenswaarde worden gereduceerd van 11 naar 6 woningen. Omdat het wegdek over een lange afstand (> 250 meter) dient te worden vervangen is deze maatregel vanuit financieel oogpunt niet doelmatig.

Door het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm kan mogelijk de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de wegen Abcovenseweg-Beeksedijk worden beperkt. Echter, door het toepassen van een geluidscherm wordt de directe relatie tussen de aan deze wegen gelegen woningen en hun omgeving belemmerd. Deze maatregel is daarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Hogere waarden Uit het voorgaande volgt dat het nemen van bron- of overdrachtsmaatregelen niet doelmatig is. Dit betekent dat voor de 11 woningen aan de Abcovenseweg en Beeksedijk die een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde ontvangen, hogere waarden vastgesteld moeten worden. Deze 11 woningen zijn nieuw te bouwen woningen die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Zij liggen in het oostelijke deel van het plangebied. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze woningen beschikken over een geluidluwe achtergevel. Ruimten die om rust vragen (zoals slaapkamers en de achtertuin) kunnen aan deze gevels gesitueerd worden. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. De hogere waarden die voor de desbetreffende nieuwbouwwoningen verleend moeten worden, zijn getoond in tabel 5.3.

Tabel 5.3: Vast te stellen hogere waarden

50

Verkeersaantrekkende werking Op de gevels van de bestaande woningen is er geen sprake van een relevante bijdrage in de geluidbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking. Dit is bepaald op basis van de toename in de verkeersintensiteiten en een berekening van de geluidbelasting op de gevels van de maatgevende woningen.

Conclusie Vanuit het aspect akoestiek bestaan er, mits de bovengenoemde hogere waarden vastgesteld worden, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.5

Lucht

Algemeen De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in 'Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden. Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit Gevoelige bestemmingen.

Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. In onderstaande tabel zijn de desbetreffende grenswaarden weergegeven.

Tabel 5.4: Vastgestelde grenswaarden (concentraties in µg/m3)

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2 5) in

51

Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Hierbij moet opgemerkt worden dat de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m3) in Nederland nergens meer dan 18 keer per jaar wordt overschreden. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor en uit metingen over de afgelopen 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is.

Overige luchtverontreinigende stoffen Voor de overige luchtverontreinigende stoffen, waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen), geldt dat deze grenswaarden niet worden overschreden en de concentraties vertonen eveneens een dalende trend. Het is dan ook aannemelijk dat een overschrijding van de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden, als gevolg van een besluit, redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Onderzoek Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Volgens deze regeling is geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze aantallen zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Afbeelding 5.4 toont een rekenpunt uit de monitoringstool dat in het plangebied ligt.

Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied in drie jaren (2019, 2020 en 2030) de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt in alle drie de jaren eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden in 2019, 2020 of 2030.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1346/documents/23646