04 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw fase 2.pdf
Tekst van het document
Wat zelfredzaamheid betreft is bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen, het voorkeurscenario om zo snel mogelijk te schuilen in een gebouw. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Er zijn verschillende manieren om personen adequaat te alarmeren, zoals NL-Alert.
In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn.
51
Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving).
Het bestemmingsplan maakt geen bestemmingen mogelijk voor de aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen. Daarmee wordt de zelfredzaamheid van aanwezigen voldoende geacht.
Bestrijdbaarheid bij een incident met een toxische vloeistof is mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is.
Overleg Brandweer Midden- en West-Brabant In het kader van het overleg op grond van het Bro vindt op basis van het voorontwerpbestemmingsplan overleg plaats met de Brandweer Midden- en West-Brabant. Het advies van deze organisatie over de omgang met externe veiligheid wordt bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd. In afwachting van dit advies is het advies van de Brandweer Midden- en West-Brabant over het bestemmingsplan voor fase 1 als bijlage 14 bij de plantoelichting gevoegd.
Conclusie Ten aanzien van externe veiligheid en voorziene buisleidingtracés zijn er geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling en de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.3
Kabels, leidingen en straalpad
In of nabij het plangebied liggen behoudens in de in paragraaf 5.2 beschouwde buisleidingen geen andere planologisch relevante buisleidingen. Daarnaast liggen in of nabij het plangebied geen planologische relevante kabels of straalpaden. Op dit vlak is er daarmee geen spake van belemmeringen in de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.4
Geluid
Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlands geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteiten en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij met behulp van een geluidrekenmodel per zone de geluidbelasting in het plangebied en op bestaande woningen bepaald is. Voor geluidgevoelige bestemmingen waarvoor de geluidbelasting ten hoogste 48 dB bedraagt, gelden vanuit de Wet geluidhinder geen voorwaarden. Indien geluidgevoelige bestemmingen in een geluidbelasting tussen 49 en 63 dB ontvangen, dienen hiervoor hogere waarden te worden vastgesteld. Indien de geluidgevoelige bestemmingen een geluidbelasting hoger dan 63 dB ontvangen, is het vaststellen van een hogere waarde niet mogelijk. Dergelijke geluidgevoelige bestemmingen moeten worden uitgevoerd met een bouwkundige voorziening, zoals een dove gevel of vliesgevel. Indien een
52
hogere waarde wordt vastgesteld of een dove gevel wordt toegepast, dient bovendien met deze hoge geluidbelasting rekening te worden gehouden in het bouwkundig ontwerp, door het realiseren van een geluidluwe buitenruimte, verblijfsruimtes aan de geluidluwe gevel, etc.
Onderzoek Door Antea Group (juli 2021) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op het plangebied. Het complete akoestisch onderzoek is als bijlage 15 bijgevoegd. Resultaten De geluidbelasting van de gezoneerde wegen Molenstraat-Mulderseweg-Groeneweg-Abcovenseweg en van de niet gezondeerde wegen “Kerkstraat” en “Projectweg Van Besouw fase 2” (de weg in het plangebied) overschrijdt de voorkeursgrenswaarde niet. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de wegen Abcovenseweg-Beeksedijk bedraagt maximaal 58 dB. De voorkeursgrenswaarde (48 dB incl. aftrek ex artikel 110g Wgh) wordt ter plaatse van 11 in het plangebied nieuw te bouwen woningen overschreden. Dit noopt tot het nemen van geluidreducerende/geluidwerende maatregelen en/of het vaststellen van een hogere waarde. Maatregelen Het toepassen van bron- en overdrachtsmaatregelen is vanuit financieel en stedenbouwkundig oogpunt niet haalbaar. Door het toepassen van een geluidreducerend wegdek kan de geluidbelasting ten hoogste 6,6 dB worden gereduceerd. Door het toepassen van dit wegdek zal het aantal woningen met een geluidbelasting van boven de voorkeursgrenswaarde worden gereduceerd van 11 naar 6 woningen. Omdat het wegdek over een lange afstand (> 250 meter) dient te worden vervangen is deze maatregel vanuit financieel oogpunt niet doelmatig.
Door het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm kan mogelijk de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de wegen Abcovenseweg-Beeksedijk worden beperkt. Echter, door het toepassen van een geluidscherm wordt de directe relatie tussen de aan deze wegen gelegen woningen en hun omgeving belemmerd. Deze maatregel is daarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Hogere waarden Uit het voorgaande volgt dat het nemen van bron- of overdrachtsmaatregelen niet doelmatig is. Dit betekent dat voor de 11 woningen aan de Abcovenseweg en Beeksedijk die een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde ontvangen, hogere waarden vastgesteld moeten worden. Deze 11 woningen zijn nieuw te bouwen woningen die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Zij liggen in het oostelijke deel van het plangebied. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze woningen beschikken over een geluidluwe achtergevel. Ruimten die om rust vragen (zoals slaapkamers en de achtertuin) kunnen aan deze gevels gesitueerd worden. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. De hogere waarden die voor de desbetreffende nieuwbouwwoningen verleend moeten worden, zijn getoond in tabel 5.3.
Tabel 5.3: Vast te stellen hogere waarden
53
Verkeersaantrekkende werking Op de gevels van de bestaande woningen is er geen sprake van een relevante bijdrage in de geluidbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking. Dit is bepaald op basis van de toename in de verkeersintensiteiten en een berekening van de geluidbelasting op de gevels van de maatgevende woningen.
Conclusie Vanuit het aspect akoestiek bestaan er, mits de bovengenoemde hogere waarden vastgesteld worden, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.
5.5
Lucht
Algemeen De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in 'Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden. Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit Gevoelige bestemmingen.
Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. In onderstaande tabel zijn de desbetreffende grenswaarden weergegeven.
Tabel 5.4: Vastgestelde grenswaarden (concentraties in µg/m3)
Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2 5) in
54
Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Hierbij moet opgemerkt worden dat de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m3) in Nederland nergens meer dan 18 keer per jaar wordt overschreden. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor en uit metingen over de afgelopen 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is.
Overige luchtverontreinigende stoffen Voor de overige luchtverontreinigende stoffen, waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen), geldt dat deze grenswaarden niet worden overschreden en de concentraties vertonen eveneens een dalende trend. Het is dan ook aannemelijk dat een overschrijding van de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden, als gevolg van een besluit, redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
Onderzoek Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Volgens deze regeling is geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze aantallen zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Afbeelding 5.4 toont een rekenpunt uit de monitoringstool dat in het plangebied ligt.
Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied in drie jaren (2019, 2020 en 2030) de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt in alle drie de jaren eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden in 2019, 2020 of 2030.
55
Afbeelding 5.4: NSL-monitoring nabij plangebied (groen omlijnd)
Conclusie Er bestaan voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
5.6
Bodem
Algemeen Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie.
Onderzoeken Er zijn in het verleden diverse onderzoeken uitgevoerd op de voorgenomen ontwikkelingslocatie (Kerkstraat 51 en 53 te Goirle). De onderzoeksresultaten zijn samengevat in een memo (bijlage 16 bij deze plantoelichting). In 2018 is een gecombineerd verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 17 bij deze plantoelichting). In 2019 is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 18 bij deze plantoelichting).
56
Een samenvatting van die onderzoeken is hieronder opgenomen.
Kerkstraat 49-51 Bij de eerdere onderzoeken werd geconcludeerd dat op de percelen aan de Kerkstraat 49-51, behoudens de aangetroffen spot nabij boring 205 (PAK en metalen), op het onderzochte deel van het terrein geen of nauwelijks verontreinigingen aanwezig zijn. De gehaltes VOCl (vluchtige organische chloorverbindingen) in het grondwater waren relatief beperkt en behoefden geen nader onderzoek. Met het onderzoek werd geen uitspraak gedaan over de niet onderzochte delen van de locatie, alsook de reeds bekende verontreinigingen op het perceel, waaronder de olieverontreiniging nabij boring 32.
Voor deze locatie kunnen de aandachtspunten als worden samengevat: Op de locatie zijn vier spots met PAK, metalen en/of minerale olie aangetroffen, welke nader onderzocht dienen te worden alvorens tot sanering kan worden overgegaan. Diverse boringen zijn in 2007 niet uitgevoerd, vanwege aanwezigheid van kabels en leidingen. Bij onderzoeken voor 2007 zijn diverse VOCl, ftlalaten en chloorbenzenen in het ondiepe grondwater aangetroffen. Mogelijk zijn deze verontreinigingen deels afgebroken, doch het is niet uit te sluiten dat de verontreinigingen naar het diepere grondwater zijn uitgezakt (zwaarder dan water). Kerkstraat 53/Beeksedijk 1 Bij eerder onderzoek werd geconcludeerd dat in de voormalige weverij een oliespot in de grond werd aangetroffen en aan de zuidzijde werd een spot met metalen in de grond aangetroffen (vermoedelijke gedempte watergang). Op de scheiding tussen Kerkstraat 51 en 53 werd ter plaatse van de brandkraan, een sterke verontreiniging met PER (tetrachlooretheen) in het grondwater aangetroffen. Verder werden in het grondwater nog matige verontreinigingen met PER (voormalige weverij) en CIS (een vluchtige verontreiniging) (in gebouw 50) aangetroffen. De gehaltes VOCl in het grondwater waren dusdanig dat nader onderzoek wenselijk is.
Voor deze locatie kunnen de aandachtspunten als worden samengevat: Op de locatie zijn thans een spot met metalen en een spot met minerale olie aangetroffen, welke nader onderzocht dienen te worden alvorens tot sanering kan worden overgegaan. In het grondwater zijn in 2008 matige tot sterke verontreinigingen met VOCl en ftalaten aangetroffen. Nader onderzoek naar de omvang is nodig. Op het perceel is een deel geasfalteerd. Mogelijk is sprake van teerhoudend asfalt. Verder is onder de asfaltverharding een puinlaag aanwezig. Dit kan asbestverdacht zijn. Onderzoek naar asfalt en puin is gewenst. In de periode van juni tot en met oktober 2018 is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. een gecombineerd verkennend en nader bodemonderzoek, verhardings- en infiltratie-onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het terrein aan de Kerkstraat 49-54 te Goirle (zie bijlage 17 bij deze plantoelichting). In dit bodemonderzoek is (naast teerhoudendheid van asfalt, herbruikbaarheid van funderingslagen en infiltratie-eigenschappen van het terrein) het algehele terrein door middel van een verkennend bodemonderzoek onderzocht en zijn de verontreinigingen die in het verleden reeds zijn aangetoond geïnventariseerd en daar waar nodig geactualiseerd en/of aanvullend onderzocht.
Tevens zijn bij het nader onderzoek verontreinigingen, die bij het voorgaand onderzoek aanvullend zijn aangetroffen aanvullend onderzocht. Geconcludeerd werd dat op variërende dieptes diverse grondverontreinigingen met diverse zware metalen, PAK (Polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en minerale olie aanwezig zijn. Daarnaast was, op relatief grote diepte (van 9 tot 10 meter onder maaiveld), een grondwaterverontreiniging met ftalaten aanwezig. Een tweetal oliespots, een verontreiniging met PAK en een (diepe) grondwaterverontreiniging met VOCl, die in het verleden waren aangetoond worden bij het laatste bodemonderzoek niet (significant) meer
57
aangetroffen. De resultaten van deze onderzoeken zijn verwoord in de rapportage van Wematech Bodem Adviseurs B.V. met kenmerk GB50180356.R001-1. In oktober 2019 zijn bij het aanvullend onderzoek geen ftalaten in het grondwater aangetoond. Mogelijk is de verontreiniging als gevolg van natuurlijke processen en/of verdunning niet meer aanwezig. Verder is bij de locatie J10 aanvullend onderzoek verricht naar de verticale verspreiding van koper en zink. Hierbij is gebleken dat de verontreiniging in de grond tot tenminste 3 meter onder maaiveld aanwezig is. De resultaten van dit onderzoek zijn verwoord in de briefrapportage van Wematech Bodem Adviseurs B.V. met kenmerk GB50190516.B001-0. Uit deze onderzoeken is naar voren gekomen dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op delen van de locatie niet voldoet aan de beoogde functie (wonen).
Sanering Om de locatie geschikt te maken voor de beoogde functie (wonen) is voor het saneren van de verontreinigde bodem een saneringsplan opgesteld (zie bijlage 19 bij deze plantoelichting). Het bevoegd gezag heeft hiermee ingestemd (zie bijlage 20 bij deze plantoelichting). De sanering is voltooid (zie bijlage bij deze plantoelichting). Na de sloop van de panden is de bodemsanering uitgevoerd (zie bijlage 21 en bijlage 22 bij deze plantoelichting) Het bevoegd gezag heeft hiermee ingestemd (zie bijlage 23 bij deze plantoelichting).
Conclusie Op basis van de beschikbare bodemgegevens voor de locatie Van Besouw en na het uitvoeren van de bodemsanering kan worden geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie (wonen). Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.7
Natuur
De bescherming van natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming, die waardevolle gebieden en soorten beschermt. Deze wet is een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.
Algemeen Ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er dient onderzocht te worden of het plan effect heeft op beschermde soorten of beschermde gebieden (Wet natuurbescherming; Wnb en Natuurnetwerk Brabant). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. Dit wordt gedaan op basis van een natuurtoets. Deze natuurtoets is als bijlage 24 bij deze toelichting gevoegd.
Gebiedsbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming en Natuur Netwerk Brabant (NNB, voorheen de Ecologische hoofdstructuur) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De Wnb kent tevens een zogenaamde "externe werking", wat betekent dat ook projecten buiten beschermde gebieden vergunningplichtig kunnen zijn wanneer zij een negatief effect hebben op deze gebieden.
Natuur Netwerk Brabant (NNB) Het plangebied ligt niet in het NNB.
58
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 1,7 kilometer ten westen van de deellocatie (zie afbeelding 5.5). Het betreft hier het gebied Regte Heide & Riels Laag.
Afbeelding 5.5: Ligging plangebied (rood omrand) t.o.v. Natura 2000-gebied. Blauw gestreept = Habitatrichtlijngebied. Bron: Natura 2000 viewer, EEA.
Soortenbescherming Naast gebiedsbescherming vindt bescherming van soorten plaats via de Wnb. In de Wnb is soortenbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving.
Onderzoek In het kader van de ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van aantasting van beschermde soorten en/of gebieden. De complete natuurtoets is als bijlage 24 bijgevoegd. Onderstaand zijn de bevindingen van de natuurtoets weergegeven.
Gebiedsbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Brabant (NNB; voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden.
59
Natuur Netwerk Brabant In de voorheen aanwezige situatie (dus voor het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" werd vastgesteld) was het plangebied bestemd voor bedrijvigheid uit maximaal milieucategorie 4.1 (SBI-codes 252 en 1751). De toegestane bedrijvigheid is met het geldend bestemmingsplan afgewaardeerd naar milieucategorie 1. Dat er een mogelijkheid tot de vestiging van bedrijvigheid bestaat, betekent dat er uitstoot van met name geur en geluid plaats kan vinden. Daarnaast kent bedrijvigheid een verkeersaantrekkende werking door het aankomen en vertrekken van personeel, bezoekers en transport van grondstoffen/eindproducten. Al deze zaken kunnen leiden tot een milieubelasting op het NNB-gebied dat ten zuiden van de Nieuwe Leij ligt. Tussen dit NNB-gebied en het plangebied voor dit bestemmingsplan ligt het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw"). Bij vaststelling van dat bestemmingsplan is gemotiveerd dat de woningbouw op de locatie Van Besouw geen negatief effect op het NNB-gebied heeft. Nu het plangebied van dit bestemmingsplan op enige afstand van het NNB-gebied ligt, wordt deze redeneerlijn hier ook gevolgd. De nieuwe woningen komen immers op (nog) grotere afstand van het NNB-gebied te liggen.
Natura 2000 Op basis van de aard van het voornemen in combinatie met de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn effecten als gevolg van vrijwel alle verstoringsfactoren (zoals geluid- en lichtverstoring) op voorhand uitgesloten. Wel kan het plan, onder andere door een toename in verkeersstromen, bijdragen aan de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitattypen in de omgeving. Zo herbergt het Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ dergelijke gevoelige habitattypen. Een toename van stikstofdepositie kan een negatieve invloed hebben op dergelijke habitattype.
Stikstofdepositie Ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is er stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd om de depositie gedurende de bouw- en gebruiksfase te bepalen. De aangevraagde activiteit (het totaal van fase 1 en 2) veroorzaakt stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied met habitattypen en soorten die negatief worden beïnvloed door een overmaat aan stikstofdepositie. Door de getroffen maatregelen die stikstofdepositie verminderen is het mogelijk om voor activiteiten, door middel van salderingsruimte uit het stikstofregistratiesysteem (SSRS), een vergunning te verlenen. Voor onderhavige voorgenomen activiteit is sprake van een toename van stikstofdepositie en is salderingsruimte benodigd. Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de gevraagde vergunning kan worden verleend voor de beoogde activiteit en de daarbij behorende stikstofdepositie. De Omgevingsdienst Brabant Noord heeft d.d. 28 september 2020, namens Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de betreffende vergunning verleend. De vergunning is opgenomen in bijlage 25 van deze toelichting. Op grond van de vergunning wordt geconcludeerd dat de aangevraagde activiteit, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, geen significante gevolgen kan hebben voor de Natura 2000.
Soortbescherming Natuurtoets Uit de natuurtoets (bijlage 24 bij deze toelichting) blijkt dat het plangebied een functie als kraam- en verblijfsgebied voor vleermuizen. Daarnaast bestaat in het plangebied de kans op het aantreffen van uilen, gierzwaluwen en marterachtigen. Uit de natuurtoets blijkt dat deze soorten het plangebied mogelijk als vaste rust- en verblijfplaats gebruiken.
60
Nader onderzoek Naar aanleiding van de voorgaande conclusies uit de natuurtoets is in 2017 nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen, uilen, gierzwaluwen en marterachtigen in het plangebied uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 26 bij deze toelichting gevoegd.
Uit het nader onderzoek blijkt dat er in het plangebied geen vaste rust- en verblijfsplaatsen van uilen aangetroffen. Ook van de gierzwaluw zijn tijdens het nader onderzoek geen verblijfplaatsen aangetroffen. Uit het nader onderzoek blijkt dat er in het plangebied ook geen verblijfplaatsen van marterachtigen aanwezig zijn.
Uit het nader onderzoek blijkt verder dat het terrein een belangrijke functie heeft voor gewone dwergvleermuizen. Die dieren gebruiken het plangebied als kraamgebied (tot circa 80 vleermuizen), als zomerverblijfplaats en als paarverblijfplaats. De aanwezigheid van vleermuizen betekent dat de sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van de gewone dwegvleermuis. Als gevolg van de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis in het plangebied kunnen de werkzaamheden in het plangebied pas uitgevoerd kunnen worden nadat een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend is.
Ontheffing en mitigerende maatregelen Op 22 maart 2018 is de aanvraag van een ontheffing ingevolge artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag heeft onderzoek plaatsgevonden naar mitigerende maatregelen om negatieve effecten op de aanwezige vleermuizen weg te nemen. Op 27 september 2018 is door het bevoegd gezag de gevraagde ontheffing verleend (bijlage 27 bij deze toelichting). In de ontheffing zijn mitigerende maatregelen en aanvullende voorschriften gesteld om eventuele onevenredige negatieve effecten op vleermuizen weg te nemen.
Omdat uit het nader onderzoek blijkt dat er alleen vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn, is het uitsluitend voor deze dieren nodig om een ontheffing aan te vragen en mitigerende maatregelen te nemen. In en om het plangebied zijn reeds mitigerende maatregelen getroffen. Zo zijn voor de mitigatie van de kraamverblijfplaatsen en de zomer- en paarverblijfplaatsen op 5 maart 2018 de volgende maatregelen genomen: Ten behoeve van de zomer- en paarverblijfplaats zijn vier platte kasten in de directe omgeving opgehangen. Ten behoeve van de kraamverblijfplaats zijn in de directe omgeving acht meervoudige, grote vleermuiskasten aangeboden. Daarvan zijn vier kraamkasten aan gebouwen aangeboden en vier zijn bevestigd aan palen. De locaties van de voornoemde kasten worden getoond op afbeelding 5.6. Die afbeelding is afkomstig uit de verleende ontheffing.
61
Afbeelding 5.6: Locaties vleermuiskasten in en nabij het plangebied
In de nieuwbouw komen in de toekomstige situatie ruimschoots (inbouw)voorzieningen terug die de verblijfplaatsen van de vleermuizen permanent mitigeren. Het zal hier gaan om 12 inbouwkasten (8 kraamkasten en 4 zomer-/paarkasten). Door de kasten inwendig te voorzien kunnen de voorzieningen hiermee dienen voor meerdere functies voor de gewone dwergvleermuis. Deze vleermuiskasten zijn reeds opgehangen. Uit de monitoring van de verleende ontheffing (bijlage 28 bij deze plantoelichting) blijkt dat de uitgevoerde mitigerende maatregelen in 2019 al (beperkt) gebruikt worden door vleermuizen.
Gelet op de verleende ontheffing vormt de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan, mits de voorschriften uit de ontheffing nageleefd worden.
De aanwezigheid van vleermuizen vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan, ervan uitgaande dat voor de verdere planuitwerking wordt geaccepteerd dat de voorwaarden zoals gesteld in de verleende ontheffing nageleefd worden bij het uitvoeren van werkzaamheden in het plangebied. Naast het voorkomen van vleermuizen moet in de toekomst tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met algemene broedvogels (artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming).
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan onder de voorwaarden zoals genoemd in de verleende ontheffing en de overige voorwaarden (bijvoorbeeld met betrekking tot algemene broedvogels) zoals genoemd in deze paragraaf. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is reeds een ontheffing (bijlage 27 bij deze toelichting) voor het uitvoeren van handelingen met effect op vleermuizen verleend.
5.8
Milieueffectrapportage
Algemeen
62
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een plan (bijvoorbeeld bestemmingsplan) of besluit (bijvoorbeeld de omgevingsvergunning) planmer-plichtig, projectmer-plichtig of vormvrij of niet vormvrij mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het bevoegd gezag dient bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die zouden moeten noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Hierbij dient het bevoegd gezag rekening te houden met de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Wetswijziging per 16 mei 2017 Op 16 mei 2017 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat (ook) voor een vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig plan een apart m.e.r.-beoordelingsbesluit door het bevoegd gezag noodzakelijk is en dat de informatie hiervoor in een zogenaamde aanmeldingsnotitie gegeven moet worden (voor 16 mei 2017 was dit nog vormvrij en kon de informatie en het besluit onderdeel uitmaken van het moederbesluit).
Het uitgangspunt (”geest van de wet”) van een m.e.r.-beoordeling is dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij er sprake is van wezenlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r. onder (in ieder geval) categorie D11.2. De omschrijving van de drempelwaarde behorend bij deze categorie en de drempelwaarden van andere categorieën die mogelijk van toepassing zijn op de gehele ontwikkeling van de zuidrand van Goirle zijn opgenomen in onderstaande tabel. Dit bestemmingsplan heeft namelijk betrekking op de ontwikkeling van een plangebied in de zuidrand van Goirle. De ontwikkeling van 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw fase 2' maakt daarmee deel uit van een groter geheel. Andere bestemmingsplannen maken de ontwikkeling van andere delen van die zuidrand mogelijk. Waar dit bestemmingsplan alleen een ontwikkeling zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. mogelijk maakt, maken andere bestemmingsplannen ook landinrichtingsprojecten of de winning van oppervlaktedelfstoffen mogelijk. Om de milieueffecten van al deze bestemmingsplannen samenhangend te kunnen beoordelen is een integrale aanmeldingsnotitie opgesteld.
63
Tabel 5.5: M.e.r-(beoordelingsplichtige) activiteiten
Categorieën D9 en D16.1 zijn niet van toepassing op dit bestemmingsplan, maar zijn relevant voor andere bestemmingsplannen die in het kader van de ontwikkeling van de Zuidrand Goirle opgesteld zijn of worden. Categorie D11.2 is wel relevant voor dit bestemmingsplan. In totaal voorziet dit bestemmingsplan in de bouw van 38 woningen. De drempelwaarden behorend bij categorie D11.2 worden derhalve niet overschreden. Daarom moet voor de onderhavige bestemmingsplannen een aanmeldnotitie opgesteld worden. Deze aanmeldnotitie is als bijlage 29 bij deze plantoelichting gevoegd.
De aanmeldnotitie is gebaseerd op de onderzoeken en toetsen die ten grondslag liggen aan dit bestemmingsplan. Aanvullende informatie over een bepaald onderdeel van de aanmeldnotitie kan worden gevonden in de paragraaf waar het desbetreffende onderdeel uitgebreider beschreven is. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De milieugevolgen zijn beoordeeld op: hinder voor de omgeving; bodem, water en ecologie, archeologie en cultuurhistorie;
64
gezondheid; cumulatie met overige projecten/ontwikkelingen. Conclusie De in het plangebied voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
65
Hoofdstuk 6
WAT ER
De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan.
6.1
Beleid
Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021.
Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water.
Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen van het milieu- en waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water, lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en extra risico's; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Structuurvisie De provincie gaat ervan uit dat de wateroverlast in de regionale watersystemen in 2015 aangepakt is waarbij de trits "vasthouden, bergen, afvoeren" als uitgangspunt geldt. Het vasthouden van het water vindt zoveel als mogelijk bovenstrooms op de hoger gelegen gebieden plaats in de zogenaamde brongebieden. Hier liggen kansen voor de koppeling met natuurontwikkeling en droogtebestrijding. Ook in de nabijheid van de grote steden liggen kansen voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied.
Waterschap De Dommel Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken: Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water'; Handreiking Watertoets; Keur 2015.
66
Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water' Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016 - 2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's: droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlakte water; natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen.
Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen zijn: voldoende water voor landbouw en natuur; wateroverlast en hittestress; kringloopdenken; steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; vergroten waterbewustzijn. Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap: www.dommel.nl
Werken aan een watertransitie: Waterbeheerprogramma 2022-2027 Dit waterbeheerprogramma is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. In het waterbeheerprogramma beschrijft het Waterschap De Dommel hoe zij de hun doelen willen behalen. Deze doelen zijn als volgt: droge voeten, schoon water en voldoende water. Ten aanzien van deze doelen wil het waterschap in 2027 onder andere het volgende bereikt hebben: Wateroverlast voorkomen door waterkeringen en -bergingen aan te leggen. De kwaliteit van het water in het waterysteem laten voldoen aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water en de kwaliteit van gezuiverd water verhogen. Water vasthouden en benutten voor aanvulling van het grondwater in combinatie met het beperken van grondwateronttrekkingen en het slimmer alsmede sneller sturen in het watersysteem. Voor dit bestemmingsplan is het eerste streven van belang. In het kader van het bestemmingsplan voor fase 1 is reeds voorzien in de realisatie van een waterbergingsgebied nabij de Nieuwe Leij. Tevens is in die fase een integraal plan gemaakt voor de waterafvoer van alle woningen in het plangebied van dit bestemmingsplan en het plangebied van het bestemmingsplan voor fase 1. Paragraaf 6.2 beschrijft hoe het watersysteem van de nieuwe wijk vorm heeft gekregen.
Een goed functionerend watersysteem met voldoende waterbergingscapaciteit en zo min mogelijk negatieve gevolgen voor de Nieuwe Leij heeft vanaf het begin van de planvorming voor de nieuwe wijk als uitgangspunt gediend. Op basis hiervan is
67
het onderdeel water steeds een integraal onderdeel van de planvorming geweest. Deze werkwijze past in het streven van in het waterbeheerprogramma om het water vanaf planvorming tot realisatie een volwaardig onderdeel te laten zijn van projecten.
Handreiking watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De initiatiefnemer verwoordt in een waterparagraaf zijn afweging van de waterhuishoudkundige aspecten. Het waterschap geeft hierover een wateradvies. De Handreiking watertoets, die door het waterschap De Dommel is opgesteld, is een middel om te komen tot een evenwichtige watertoets. De handreiking is te vinden op de website van het waterschap www.dommel.nl
Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen, die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan, is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is, zijn: het dempen of wijzigen van een watergang; het aanleggen van kabels of leidingen; het planten van bomen en struiken; het brengen van water in een watergang. Gemeente Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle' Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld.
Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het PWR vervult vier hoofdfuncties: Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven. Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).
68
Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen; We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken; We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering; We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater. We streven naar watersysteemherstel; We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is; We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen; We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem; We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen; We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: 1. Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; 2.
Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem; 3. Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld; Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers. Waterberging Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling van de openbare ruimte klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als overweging. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² hanteert de gemeente Goirle een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur. Dit zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen.
Daarnaast hanteert de gemeente Goirle bij herontwikkelingen een compensatie van 20 mm waterberging (indien realiseerbaar) conform bui 8 uit de Kennisbank Stedelijk water.
6.2
Huidige en toekomstige situatie
Op basis van het programma van eisen hebben Mulleners + Mulleners Architecten en Bedaux de Brouwer Architecten een eerste stedenbouwkundig ontwerp gemaakt. Dit ontwerp is in samenwerking met Buro Lubbers en Civil Support verder uitgewerkt tot waterhuishoudkundig plan met aandacht voor een klimaatbestendig watersysteem. De complete rapportage is als bijlage 30 bijgevoegd. Onderstaand zijn de belangrijkste aspecten uit het rapport weergegeven.
Huidige situatie
69
De huidige situatie wordt gekenmerkt door een hoog percentage (68%) aan bebouwing en verharding. De afwatering van het verhard oppervlak vindt volledig plaats op het gemengd riool van Goirle. Dit gemengd rioolstelsel verwerkt zowel het vuil- als het hemelwater dat afkomstig is van het plangebied. De gronden rondom de bestaande bedrijfsbestemming bestaan uit groenvoorzieningen, deze gronden wateren (via infiltratie) af op de Nieuwe Leij. Een gedeelte van het plangebied was door de provincie Noord-Brabant aangewezen als regionaal waterbergingsgebied (zie ook paragraaf 3.2). Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is dit regionaal waterbergingsgebied herbegrensd in het kader van het voorbereiden van het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw". Het deel van de waterberging dat herbegrensd is, is gecompenseerd door het aanbrengen van nieuwe waterberging in zowel fase 1 als fase 2. In de regels van dit bestemmingsplan is door middel van een voorwaardelijke verplichting bepaald dat deze waterberging in stand moet blijven. In de huidige situatie is op de Beeksedijk regelmatig sprake van wateroverlast. Deze wateroverlast ontstaat door de afstroming van regenwater uit de hogere delen van Goirle richting het plangebied. Het plangebied ligt namelijk in een 'kuil' en het water stroomt naar die plek. Deze wateroverlast mag in ernst en omvang niet toenemen.
De opgave is om de afwatering los te koppelen van het riool en het water op te lossen binnen het plangebied. Daarnaast biedt de laagte aan de Beeksedijk ruimte om het water van piekbuien uit de kern van Goirle op het maaiveld te bufferen. Deze ruimte dient weer geborgd te worden in het plan. In de huidige situatie ligt rondom het plangebied een gemengd rioolstelsel. Dat stelsel is een onderdeel van het rioolgebied Centrum-Laag. Aan de Beeksedijk (ten oosten van het plangebied) staat het waterschapsgemaal (capaciteit 1.630 kubieke meter/uur) van het rioolgebied Centrum-Laag. Al het vuilwater en het hemelwater dat afkomstig is uit het plangebied wordt via het gemengd rioolstelsel afgevoerd. Het riool ten westen van het plangebied vormt in de huidige situatie de afvoer richting een gemengde overstort. Dit riool is voorzien van een extra berging in de bergingszak in de vijver aan de Hoogen Dries. De bergingszak functioneert niet naar behoren en wordt op termijn verwijderd.
Wateropgave Gelegen op de overgang van dorp naar beekdal is de Van Besouw-locatie een belangrijke schakel in het watersysteem van de Zuidrand en Goirle. Naar verwachting veroorzaakt de klimaatverandering in de toekomst zwaardere regenbuien afgewisseld met periodes van grotere droogte. De dynamiek leidt tot meer piekafvoer en meer periodes met zeer weinig water. Het waterhuishoudingsplan voorziet het stedenbouwkundig plan van een robuust watersysteem en een klimaatadaptieve inrichting van het bebouwde gebied. Een belangrijke opgave in het plangebied is dan ook om meer ruimte te creëren voor waterberging. Dit is mede van belang gelet op de eerdergenoemde aanwijzing van een gedeelte van het plangebied als regionaal waterbergingsgebied. Om een robuust watersysteem te creëren bestaat er ook een opgave om de afwatering van de verharde delen van het plangebied los te koppelen van het riool en de infiltratie en berging van water op te lossen binnen het plangebied. De laagte aan de Beeksedijk in het plangebied biedt daarnaast ruimte om het water van piekbuien uit de kern van Goirle op te vangen. Water in het plangebied moet trapsgewijs hergebruikt, vastgehouden, geïnfiltreerd, geborgen en afgevoerd worden. Zo wordt het water zichtbaar van de woning naar wadi’s gebracht. In wadi's moet het het water infiltreren en mogelijk bij piekbuien overlopen naar het beekdal van de Nieuwe Leij.
Door het watersysteem zichtbaar te integreren in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte wordt klimaatbewustwording van de bewoners gestimuleerd. Bovendien creëert de verbinding van water aan groen een aangenaam en bijzonder woonmilieu.
Compensatieopgave
70
Voor het bepalen van de waterbergingsopgave gelden de volgende uitgangspunten: bij toename verhard oppervlak 60 millimeter compenseren; overig verhard oppervlak 15 millimeter compenseren; Om risico’s op wateroverlast te beperken is vanuit de gedachte klimaatrobuuste inpassing meer waterberging gewenst en mag de nettowateraanvoer naar de Nieuwe Leij (afwatering) als gevolg van het bestemmingsplan niet toenemen. Om de toename van de wateraanvoer te voorkomen is extra waterberging gewenst.
Aanvullend op het voorgaande geldt dat een extreme bui waarbij in 60 minuten 70 millimeter regenwater per vierkante meter valt geen waterschade bij gebouwen of gebiedsontsluitingswegen op mag leveren.
Compensatie verhard oppervlak Overzicht totaal verhard oppervlak in huidige en nieuwe situatie: Huidig verhard oppervlak 39.780 m² (dit verhard oppervlak telt mee in de compensatieopgave). Toekomstige verhard oppervlak 38.238 m² (totale plangebied in eindsituatie met fase 2). In de nieuwe situatie wordt er minder m² verhard oppervlak in het plan voorzien dan in de huidige situatie.
Compensatiemaatregelen In totaal wordt er in het plangebied 1.382 m3 bergingscapaciteit gerealiseerd in de openbare ruimte. In totaal is er 35.859 m2 verhard oppervlak op deze waterberging aangesloten (zowel fase 1 als fase 2). Deze bergingscapaciteit geeft ruimte voor 39 millimeter waterberging per vierkante meter in het plangebied. Wanneer de bergingsvijver aan de Hoogen Dries meergerekend wordt, is er in het plangebied sprake van 94 millimeter waterberging per vierkante meter in het plangebied.
Aanvullend op de bovengenoemde waterbergingscapaciteit is er in de plangebieden van fase 1 en fase 2 in totaal ruimte voor 132 m3 extra waterberging. De compensatie van deze berging vindt plaats boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bijlage 31 toont hoe deze waterberging gerealiseerd wordt. Deze extra waterberging is bedoeld als calamiteitenberging in situaties waarin er extreem veel neerslag in korte tijd valt. In totaal is er daarmee 1.776 m3 waterbergingscapaciteit in het plangebied beschikbaar. Deze waterbergingscapaciteit is te vertalen naar gemiddeld 50 millimeter waterberging per vierkante meter in het plangebied. Als hier dan ook nog gebruik wordt gemaakt van de bergingsvijver aan de Hoogen Dries, dan is er in totaal 105 millimeter waterberging per vierkante meter in het plangebied aanwezig.
In een deel van het plangebied waar woningbouw voorzien is, ligt een waterbergingsgebied dat in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid was als 'regionale waterberging'. Uit het waterhuishoudkundig plan blijkt dat met de voorziene woningbouw het plangebied voldoende ruimte blijft bieden voor waterberging. Evenwel maakt de aanduiding 'regionale waterberging' uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant woningbouw op gronden met deze aanduiding niet zonder meer mogelijk. Om die reden is de aanduiding voorzien van een andere begrenzing toen het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" in procedure was. In paragraaf 3.2 van deze plantoelichting is hier nader op ingegaan. De waterbergingscapaciteit zoals die in het plangebied opgenomen was in de aanduiding regionale waterberging uit Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is echter niet vervallen. Met dit plan wordt in het plangebied voorzien in compenserende waterberging in het openbaar gebied.
71
Neerslag Met uitzondering van de woningen aan de Kerkstraat (zie onder afvalwater) wordt regenwater afkomstig van daken, inritten en verhardingen in de voortuinen geloosd op de weg. Regenwater afkomstig uit achtertuinen wordt bovengronds afgevoerd naar bergings-/infiltratievoorzieningen of (bij grote kavels) verwerkt op eigen terrein.
Het waterysteem dat in het plangebied voorzien is, is doorgerekend voor drie neerslagsituaties: Bui L08: hierbij valt 19,8 millimeter neerslag per vierkante meter in 60 minuten. BL10: hierbij valt 35,7 millimeter neerslag per vierkante meter in 45 minuten. Extreme bui: hierbij valt 70 millimeter neerslag per vierkante meter in 60 minuten. Uit de doorrekening van deze neerslagsituaties (zie ook bijlage 30) blijkt dat buien L08 en L10 zonder overlast verwerkt kunnen worden door het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied. Bui L08 kan grotendeels lokaal geborgen worden. Bij bui L10 vindt via de wadi's in het plangebied voor fasen 1 en 2 afstroming plaats naar de waterbergingen aan de randen van het plangebied. Daarbij kan er tijdelijk op enkele plekken water op straat staan.
2D-modellering neerslagbestendigheid Op 4 juni 2020 is er een 2D-modellering van de neerslagbestendigheid van het plangebied voor fasen 1 en 2 uitgevoerd. Uit deze modellering blijkt dat het plangebied in de toekomstige situatie neerslagbestendig is. Een extreme regenbui waarbij in één uur 70 millimeter neerslag per vierkante meter valt, kan verwerkt worden zonder dat het water woningen of schuren inloopt en zonder dat er meer dan 30 centimeter water op straat komt te staan. De volledige modellering is als bijlage 32 bij deze plantoelichting gevoegd.
Eventuele extreme neerslag kan samenvallen met hoogwater in de Nieuwe Leij dat opgestuwd wordt door de wind. In die uitzonderlijke situatie ontstaat geen wateroverlast ter plaatse van de woningen die het dichtst bij de Nieuwe Leij liggen. Daaruit kan afgeleid worden dat deze uitzonderlijke situatie ook niet leidt tot wateroverlast ter plaatse van woningen die op grotere afstand van de Nieuwe Leij liggen. Deze wateroverlast wordt voorkomen door woningen circa 40 centimeter boven het hoogste waterpeil te bouwen, hiermee is er altijd een veiligheidsmarge.
Afvalwater In de toekomstige situatie wordt in het plangebied een vijftrapsstrategie op het gebied van water gehanteerd: 1. 2. 3. 4. 5.
hergebruik; vasthouden/infiltreren; bergen; afvoeren naar oppervlaktewater; afvoeren naar riolering.
Uit deze vijftrapsstrategie volgt dat afvoeren naar de riolering de laatste stap is. Hiermee moet overbelasting van het rioolstelsel voorkomen worden. Water wordt in de toekomstige situatie zoveel mogelijk vastgehouden in het plangebied zodat het ter plaatse in de bodem kan infiltreren. De nieuw te bouwen woningen aan de Kerkstraat vormen een uitzondering op dit uitgangspunt. Deze woningen grenzen direct aan het bestaande trottoir waardoor er geen ruimte is voor het vasthouden en laten
72
infiltreren van water. Het afval- en regenwater afkomstig van deze woningen wordt separaat aangeboden aan het gemengd rioolstelsel. Wanneer hier in de toekomst een gescheiden rioolstelsel gerealiseerd wordt, kunnen de regenwater- en afvalwaterafvoeren op dit stelsel aangesloten worden.
Voor de overige woningen in het plangebied geldt dat regen- en afvalwater afkomstig van deze woningen gescheiden aangeboden wordt aan het bestaande gemengde rioolstelsel. De gemeente Goirle is voornemens in de toekomst een gescheiden rioolstelsel in het centrum aan te leggen, de zogeheten Blauwe Ader. Als het gescheiden stelsel functioneel wordt, kunnen de woningen in het plangebied op dat stelsel aangesloten worden.
Conclusie Het plangebied kent in de toekomstige situatie een robuust watersysteem met voldoende bergingscapaciteit om neerslag in het plangebied op te vangen en te verwerken. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Op 22 oktober heeft het Waterschap De Dommel ingestemd met het waterhuishoudkundig plan zoals dat bij deze plantoelichting gevoegd is. Ter bescherming van de Nieuwe Leij is in het plan voor fase 1 een beschermingsstrook van 5 meter vanaf de watergang opgenomen. Daarnaast is in het waterhuishoudingsplan rekening gehouden met het regionale bergingsgebied dat in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in het plangebied voorzien was. De bijbehorende waterbergingscapaciteit blijft aanwezig in het plangebied.
73
Hoofdstuk 7
OPZET PLANREGELS
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen.
7.1
Plansystematiek
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
7.2
Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels
Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten.
Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomen dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven.
Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.