04 Bijlage 1 Bijlagen totaal.pdf
Tekst van het document
Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld. Er is een archeologische verwachting met bijbehorende verwachtingskaart opgesteld op basis van de gemeentelijke beleidskaart van de gemeente Tilburg, de aanwezige bodem en ondergrond, de resultaten van de binnen het plangebied uitgevoerde booronderzoeken en de resultaten van archeologisch onderzoek uit de directe omgeving. Op deze samengestelde verwachtingskaart is de archeologische verwachting in kleuren weergegeven. Bij een hoge tot zeer hoge verwachting (in gebieden op de dekzandrug en dekzandwelvingen) wordt aanbevolen ten minste 8 procent van het te verstoren terrein te onderzoeken door middel van proefsleuven. In het gebied met een middelhoge verwachting (op dekzandwelvingen maar waar verstoringen zijn aangetoond) wordt aanbevolen 4% van het te verstoren terrein te onderzoeken door middel van proefsleuven. In het gebied met een lage verwachting (beekdalgebied, dalvormige laagten of afgegraven zones) wordt aanbevolen ten minste 1% van het te verstoren terrein te onderzoeken met proefsleuven. Eerder is het beekdalgebied vrijgegeven op basis van het uitgevoerde booronderzoek, maar recent onderzoek in de omgeving heeft aangetoond dat op de grens van het beekdal naar het dekzand en zelfs in de beekdalen mogelijk bewoning heeft plaatsgevonden.
In en op het esdek is een archeologische verwachting aanwezig vanaf de Late Middeleeuwen/ Nieuwe tijd. In het dekzand is een archeologische verwachting aanwezig vanaf het laat Paleolithicum tot en met de vroege Middeleeuwen. Deze verwachting is in het bijzonder hoog voor de periode IJzertijd/ vroeg Romeinse tijd gezien het aantreffen van vindplaatsen uit deze periode in de directe omgeving van het plangebied.
1
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Actueel/Goirle/CVDR338019.html
5 (27)
In en op het esdek is tevens een hoge verwachting vanaf de 15e eeuw. Ten noorden en westen van het plangebied zijn diverse vindplaatsen aangetroffen uit deze periode. Ook zijn er enkele vondsten gedaan uit het Mesolithicum en Neolithicum. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Sweco Nederland vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Per ingreep en per locatie wordt bekeken in hoeverre vervolgonderzoek noodzakelijk is. In het noorden van het plangebied en langs de Stappengoorweg wordt een talud aangebracht van zand met een maximale hoogte van 9 meter. Aanbevolen wordt om deze ingreep vrij te geven voor uitvoering. Gezien de niet zetting gevoelige ondergrond en de ligging van de zone binnen een lage verwachting (beekdal) is de verwachte verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden zeer klein. Voor de bouwkuipen van de huizen wordt tot op ca. 1 meter onder maaiveld gegraven. Gericht op de toekomstige locatie van de bebouwing wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Hiervoor is een advieskaart opgesteld met de proefsleuven hoofdzakelijk gepland op de toekomstige bouwputten. Met deze dekking wordt in de zone met een zeer hoge verwachting een totale dekking bereikt van 6,3 %. In de zone met een hoge verwachting is de dekking ca. 5,2 %.
In de andere zones is de bebouwing niet zo dicht, hier zijn de sleuven zo veel mogelijk gepland op de geplande bouwkuipen. Op basis van dit proefsleuvenonderzoek kan dan vervolgens een afweging gemaakt worden of er bepaalde zones opgegraven dienen te worden of door middel van planinpassing in situ behouden kunnen blijven. Deze fase van het onderzoek dient voornamelijk om de te graven bouwkuipen te onderzoeken. Daarnaast kan bij elke ingreep nader bekeken worden of er vervolgonderzoek nodig is, of dat de betreffende zone al voldoende onderzocht is. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van kabels en leidingen, wegen en riolering of de aanleg van groen. De zones die intensief onderzocht zijn kunnen zonder dubbelbestemming archeologie opgeleverd worden, zones waar geen proefsleuven gepland zijn kunnen de dubbelbestemming behouden. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen opgesteld te worden, die wordt goedgekeurd door de bevoegde overheid.
6 (27)
Tabel 1.1
Overzicht van archeologische perioden2
Periode Laat-Paleolithicum (Oude Steentijd) Mesolithicum (Midden Steentijd)
Tijd 9.000 v.Chr.
to t-
Neolithicum (Nieuwe Steentijd)
5.325 v.Chr.
-
9.000 v.Chr. 4.900 v.Chr. 1.900
Bronstijd
1.900 v.Chr.
-
v.Chr. 800 v.Chr.
IJzertijd
800 v.Chr.
-
12 v.Chr.
Romeinse Tijd
12 v.Chr.
-
450 n.Chr.
Vroege Middeleeuwen
450
-
Late Middeleeuwen
1.050
-
1.050 n.Chr. 1.500
Nieuwe Tijd
1.500
-
n.Chr. heden
Tabel 1.2
Indeling van het Kwartair
Chronostratigrafie Kwartair Holoceen
Pleistoceen
Subatlanticum Subboreaal Atlanticum Boreaal Preboreaal Laat Weichselien (ijstijd) Eemien Midden Saalien (ijstijd) Elsterien (ijstijd) Vroeg
2
Jaren geleden 3.000 - heden 5.000 - 3.000 8.000 - 5.000 9.000 - 8.000 10.000 - 9.000 130.000 - 10.000 120.000 - 10.000 130.000 - 120.000 800.000 - 130.000 200.000 - 130.000 400.000 - 315.000 2.400.00 - 800.000 0
Bron: Archeologisch Basis Register 1992.
7 (27)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding van het onderzoek In opdracht van Bakertand B.V. heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een locatie aan de noordzijde van Goirle, grenzend aan de snelweg A58. Hier worden ca. 710 woningen gerealiseerd. Hiervoor zullen de nodige wegen en nutsvoorzieningen worden aangelegd. De exacte verstoringsdiepten voor de beoogde ingrepen zijn nog onbekend. 1.2 Methodiek Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4002 en bestaat uit elf processtappen: 1. afbakenen plan- en onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik (LS01); 2. aanmelden onderzoek bij Archis; 3. vermelden (en toepassen) overheidsbeleid (LS01); 4. beschrijven huidig gebruik (LS02); 5. beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); 6. beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond (LS02, LS03, LS04); 7. beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijke kenmerken (LS04); 8. opstellen gespecificeerde verwachting en formuleren onderzoeksstrategie (LS05); 9. opstellen standaardrapport bureauonderzoek (LS06); 10. aanleveren standaardrapport - afmelden onderzoek in Archis; 11. aanleveren digitale gegevens bij e-depot (DS05).
Processtappen 1 tot en met 7 leveren gegevens op basis waarvan de gespecificeerde verwachting (stap 8) wordt opgesteld. Deze stappen worden behandeld in paragraaf 1.1 en hoofdstuk 2. Processtap 9 resulteert in het voorliggende rapport. Processtappen 10 en 11 hebben betrekking op het openbaar maken van het bureauonderzoek voor derden bij onder meer Archis en het e-Depot. Bij de uitvoering van het onderzoek is niet afgeweken van de BRL. 1.3 Doelstelling en vraagstelling De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden zullen eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem verstoren en/of vernietigen. Derhalve dienen voorafgaand aan die werkzaamheden de archeologische waarden binnen het plangebied in kaart te worden gebracht. Het doel van het bureauonderzoek is inzicht te krijgen in de archeologische waarde van het plangebied. Het onderzoek richt zich op de vraag of er in het plangebied archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig? • Is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek wordt geadviseerd?
8 (27)
2
Bureauonderzoek
2.1
Afbakening plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik
2.1.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de A58, aan de noordgrens van Goirle. Het totale plangebied heeft een grootte van ca. 50.39 hectare. Het plangebied wordt weergegeven in Bijlage 1. 2.1.2 Huidig gebruik van het plangebied Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als grasland en landbouwgebied, daarnaast zijn een aantal gebieden begroeid met bomen. Er zijn een aantal boerderijen en bedrijfsgebouwen aanwezig. Een deel van de bebouwing zal worden behouden.
Afbeelding 1: De locatie van het plangebied. Het plangebied is aangegeven in het rood.
2.1.3 Toekomstig gebruik van het plangebied Binnen het plangebied worden ca. 710 woningen plus een gebouw voor maatschappelijke functies gerealiseerd. Hiervoor zullen tevens nieuwe wegen, nutsvoorzieningen en groen worden aangelegd. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt de ontsluiting van het plangebied aangesloten op de Rillaersebaan. De exacte vorm van deze aansluiting is nog niet duidelijk. Wel is de verwachting dat ter plaatse van de aansluiting ca. 50 cm vanaf het maaiveld zal worden afgegraven binnen, en net buiten het plangebied (zie afbeelding 3). Aan de noordzijde van het plangebied, en vervolgens richting het zuiden langs de snelweg A58 en de Stappegoorweg wordt tevens een talud aangebracht van ca. 9 meter hoog. Dit wordt aangelegd om de geluidsoverlast vanaf de snelweg tegen te gaan.
9 (27)
Afbeelding 2: de mogelijke aanpassingen voor de aanleg van een rotonde aan de Rillaerse Baan. Deze ingreep is nog onzeker.
10 (27)
2.2 Overheidsbeleid De gemeente Goirle voert geen archeologiebeleid en is niet in het bezit van een archeologische beleidskaart. Wel heeft de gemeente een erfgoedverordening ingevoerd in 2014. Hierin wordt beschreven wat de regels zijn betreft het aanwijzen en wijzigen van monumenten, maar geen regels en verplichtingen wat betreft archeologisch onderzoek.3 In het archeologisch beleid wordt verwezen naar de AMK, IKAW en CHW. Binnen het plangebied is er sprake van een geldend bestemmingsplan genaamd De Bakertand, vastgesteld in 2004. Deze is echter niet actueel, en archeologische waarden worden niet genoemd. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Tilburg is het plangebied echter wel aangegeven, ondanks dat het hier (nog) geen deel van uitmaakt. Het archeologisch monument wordt op deze kaart aangegeven als terrein van hoge archeologische waarde. Op de dekzandwelvingen is een hoge verwachting aanwezig. In het beekdal en de dalvormige laagten is een basisverwachting aanwezig. Ook wordt een afgegraven zone aangegeven met een verwachting: verstoord. Er staan bij deze verwachtingskaart geen verstoringsgrenzen aangegeven. 2.3 Aardwetenschappelijke kenmerken Om de landschapsgenese in beeld te brengen is gebruik gemaakt van bodemkaarten en geologische en geomorfologische kaarten. Met behulp hiervan worden de bodem en het landschap beschreven.
Onderdeel van deze studie vormt een analyse van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Tabel 2.1
Aardwetenschappelijke informatie
Bron Geologie
Geomorfologie
Bodemkunde AHN
Informatie Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (kaartcode Bx6) Dekzandrug, dekzandwelvingen, beekdalbodem, dalvormige laagte, glooiing van beekdalzijde, laagte ontstaan door afgraving (kaartcode B53, L51, R42, R23, H42, N94) Hoge zwarte enkeerdgronden, lage enkeerdgronden, vorstvaaggronden (kaartcode zEZ23, EZg23, Zb23) 11.7 tot 16,1 m NAP
De ondergrond in het plangebied is gevormd in het vroeg en midden Pleistoceen (vanaf ca. 2.6 miljoen jaar geleden). Onder mariene, estuariene en fluviatiele invloeden is er fijn zand en klei afgezet. Vanaf ca. 1,5 tot 1,2 miljoen jaar geleden zijn estuariene (afzettingen in een delta van een rivier) en fluviatiele afzettingen van de Formatie van Stramproy afgezet. De Formatie van Stramproy bestaat in de top van de uit klei- of leemlagen. Deze afzettingen komen op een niveau van 27 tot 33 meter onder maaiveld voor. In het Midden Pleistoceen is vervolgens in het lager gelegen deel van het plangebied door de Rijn en Maas grof zand en grind afgezet, samen met grijze tot blauwgrijze klei. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Sterksel en zijn te verwachten op een diepte van 8,5 tot 12 meter onder maaiveld. Het huidige zandlandschap is grotendeels in het Weichselien (114.300 tot 9.700 BP) gevormd. In deze periode heerste een toendraklimaat met een permanent bevroren bodem. Door de wind werd in deze periode grote pakketten zand verplaatst. Tijdens natte zomers kwam ook veenvorming voor. 3
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Actueel/Goirle/CVDR338019.html
11 (27)
Deze pakketten van zand en veen worden tot de Formatie van Boxtel gerekend. Aan het einde van het Pleistoceen (ca. 15.500 tot 11.800 BP) veranderde het klimaat en ging het landschap over in een arctische steppe zonder begroeiing. Er ontstonden zandverstuivingen, waardoor op de plaats waar zand wegstoof een dun grindlaagje overbleef. Het stuifzand werd afgezet in depressies van riviergeulen waardoor het landschap nivelleerde. Dit dekzand wordt gerekend tot het Laagpakket van Wierden. 4 Binnen het plangebied komen hoge zwarte enkeerdgronden voor. Enkeerdgronden zijn historische bouwlanden. Deze gebieden zijn vanaf de 16e eeuw sterk opgehoogd met plaggen, afkomstig uit het heidegebied. Hierdoor zijn dikke zwarte enkeerdgronden ontstaan met een meer dan 50 cm dikke, donkere humeuze bovenlaag. In de ideale situatie bestaat de bodem uit een podzolbodem. Deze bestaat uit een bleekgrijze uitspoelingslaag (E-horizont), een donkere inspoelingslaag (B horizont), gevolgd door de C horizont, het oorspronkelijke moedermateriaal. Vaak is echter de E- of zelfs de B-horizont verdwenen door menselijk handelen zoals ploegen. Binnen het plangebied komen ook lage enkeerdgronden voor. Ook dit zijn zandgronden met een meer dan 50 cm dikke humeuze bovenlaag.
In dit geval echter zijn de gronden in één keer opgehoogd met humeus materiaal in tegenstelling tot de hoge zwarte enkeerdgronden, waar de humeuze bovenlaag over een lange periode is ontstaan. Aan de uiterste noordwestzijde van het plangebied komen vorstvaaggronden voor. Dit zijn gronden die weinig bodemvorming vertonen, en zijn dan ook humusarm. 5
afbeelding 3: AHN (actueel hoogtebestand nederland) met daarop het plangebied. De dekzandrug richting het zuidwesten van het plangebied is duidelijk zichtbaar. Ook zijn duidelijk dieper gelegen delen, die zijn afgegraven te zien, net als het lager gelegen beekdaal aan de noordzijde.
4 5
Berendsen, 2008. Berendsen, 2008; De Bakker & Schelling, 1989.
12 (27)
Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland is het plangebied aan de noordzijde erg laag gelegen met een hoogte van 11,7 m boven NAP. Richting het zuidwesten loopt het plangebied op naar een hoogte van 16,1 m boven NAP. Het noorden van het plangebied is dan ook gelegen in een beekdalbodem. Het zuidwesten van het plangebied is gelegen op een dekzandrug. Naast de dekzandrug is een donker vlak te zien, hier is een laagte zichtbaar die het gevolg is van afgravingen. Het gebied tussen de dekzandrug en het beekdal bestaat uit dekzandwelvingen. Volgens een aantal boringen binnen het plangebied afkomstig uit het DINO loket is het esdek in het midden van het gebied een halve meter dik, gevolgd door het dekzand van de Formatie van Boxtel tot een diepte van 11,5 meter onder maaiveld. Hieronder bevinden zich afzettingen van de formatie van Sterksel tot een diepte van 27 meter waarna de afzettingen van de Formatie van Stramproy aanwezig zijn.
13 (27)
Afbeelding 4: Boring uit het Dinoloket binnen het plangebied.
2.4 Archeologische waarden Om de reeds bekende archeologische waarden in beeld te krijgen, zijn diverse bronnen geraadpleegd, zoals de Archeologische Monumentenkaart, de cultuurhistorische waardenkaart, Archis 3 en reeds uitgevoerde onderzoeken in de omgeving van het plangebied. 2.4.1 Archeologische verwachtingskaart De gemeente Goirle heeft geen archeologische beleidskaart of verwachtingskaart. Er wordt verwezen naar de CHW (cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord Brabant. Ook wordt het plangebied weergegeven op de archeologische beleidskaart van de gemeente Tilburg. 2.4.2 Cultuurhistorische waardenkaart Volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn er diverse cultuurhistorische waarden aanwezig binnen het plangebied. Zo is er de historische laanbeplanting langs de rijksweg met villa’s en tuinen uit 1840-1895. De zone met dekzand en beekdalen wordt aangeduid als de Meierij. Beschreven wordt de bewoning op het dekzand, en het gebruik van de lager gelegen, nattere delen als weide, hooiland of hakhout. Er zijn tevens langs de weg Bakertand een drietal historische boerderijen aanwezig langs de tevens historische weg Bakertand die door het gehucht Bakertand loopt. De boerderijen dateren uit ca. 19001910. Daarnaast wordt een terrein met een hoge archeologische verwachting (AMK terrein 2108) genoemd in het zuidwesten van het plangebied op de dekzandrug.
14 (27)
Afbeelding 5: Uitsnede van de CWK (cultuurhistorische waardenkaart) van de provincie Noord Brabant.
2.4.3 Archeologische Monumenten De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. Binnen het plangebied ligt één archeologisch monument. (zie Tabel 2.2). Tabel 2.2 AMK-terreinen en rijksmonumenten in het onderzoeksgebied Monumentnummer Status Beschrijving 2108 AMK terrein Nederzetting uit de Vroege en Late Middeleeuwen.
15 (27)
Het AMK terrein is gelegen in een groot deel van het zuidwesten van het plangebied en betreft een terrein met bewoningssporen uit de Vroege en Late Middeleeuwen. Er zijn bij een onderzoek door de AWN in 1985 acht waterputten, paalgaten en een haard aangetroffen uit de 6e t/m13e eeuw. 2.4.4 Archeologische vondstlocaties Volgens Archis 3 staan binnen het plangebied drie archeologische vondstlocaties geregistreerd (zie Tabel 2.2). In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich nog eens negen vondstlocaties. Tabel 2.3
Vondstmeldingen in het onderzoeksgebied
Zaakidentificatie 2140605100
Complex Bewoning onbepaald
Datering Paleolithicum/IJzertijd, Neolithicum/Romeinse Tijd, Vroege/Late Middeleeuwen IJzertijd/Middeleeuwen
3232145100
Bewoning
2140605100
Niet te bepalen
Paleolithicum/IJzertijd, Neolithicum/Nieuwe Tijd
2140605100
Urnenveld
IJzertijd
2909515100
Begraving, onbepaald
Late Bronstijd/Vroege IJzertijd
2143619100
Niet te bepalen
Paleolithicum/Nieuwe Tijd
3232348100
Bewoning
Voege Middeleeuwen
3228800100
Niet te bepalen
Vroege/Late Middeleeuwen
3232356100
Bewoning onbepaald
IJzertijd/Middeleeuwen
3089805100
Bewoning, akker/tuin
IJzertijd/Romeinse Tijd, Vroege Middeleeuwen/ Nieuwe Tijd
Beschrijving Vondsten bij een booronderzoek door Bilan in 2001. Er zijn diverse vondsten zoals vuursteen en keramiek aangetroffen uit diverse periodes. Vondsten gedaan bij een onderzoek door een onbekende partij in 2008. Het gaat om ondetermineerbaar aardewerk. Vondsten gedaan bij een booronderzoek door Bilan in 2001. Er zijn diverse vondsten zoals vuursteen en keramiek aangetroffen uit diverse periodes. Niet archeologische vondstmelding van een urn uit de IJzertijd. Bij het afgraven van een hoge akker in 1954 is een gladwandige urn en een kringgreppel aangetroffen. Vondsten bij een booronderzoek uit 1995. Er is onder andere vuursteen, natuursteen en keramiek gevonden uit het Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Vondsten gedaan bij een opgraving door de AWN in 1989. Er is een huisplattegrond en een waterput uit de Vroege Middeleeuwen aangetroffen Bij een archeologische opgraving in 1985 is een waterput, paalsporen en een sloot aangetroffen uit de Vroege Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Bij een opgraving uit 1987 is een huisplattegrond aangetroffen uit de Midden IJzertijd, en keramiek uit de IJzertijd en Middeleeuwen. Bij een opgraving in 1985 is keramiek, een waterput, en paalkuilen aangetroffen uit de IJzertijd en Romeinse Tijd en de Middeleeuwen/ Nieuwe Tijd.
16 (27)
2086774100
2316854100
Bewoning inclusief verdediging, begraving, vicus Bewoning inclusief verdediging
Paleolithicum t/m Romeinse Tijd
Bij een opgraving door BAAC in 2004 zijn veel vondsten gedaan uit diverse perioden.
Neolithicum, IJzertijd, Romeinse Tijd
Bij een begeleiding door IDDS archeologie zijn paalsporen en keramiek aangetroffen uit diverse perioden.
2.4.5 Archeologische onderzoeksmeldingen Volgens Archis 3 staan binnen het onderzoeksgebied vijf archeologische onderzoeksmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied van ca. 300 meter rondom het plangebied bevinden zich nog eens zeventien onderzoeksmeldingen (zie Tabel 2.4). Tabel 2.4 Onderzoeksmeldingen in het onderzoeksgebied Zaakidentificatie Type onderzoek Uitvoerder / Jaar Resultaat 2140605100 Booronderzoek BILAN 2001 Vervolg 2143619100 Booronderzoek Instituut voor Onbekend Toegepast Historisch Onderzoek 1996 2025229100 Proefsleuvenonde BAAC 2003 Vervolg rzoek 2139423100 Booronderzoek BILAN 2003 2143927100 Bureauonderzoek Instituut voor Vervolg Toegepast Historisch Onderzoek 1999 2086774100 Opgraving BAAC 2004 Diverse vindplaatsen aangetroffen 2316854100 Begeleiding IDDS 2011 Vervolg 2139261100 Booronderzoek BILAN 2003 Geen vervolg 2465976100 Bureauonderzoek Econsultancy Vervolg 2014 4701631100 Bureauonderzoek RAAP 2019 Vervolg 4609746100 Bureauonderzoek RAAP 2018 Vervolg 2299983100 Bureauonderzoek Synthegra 2010 Geen vervolg 2140557100 Booronderzoek BILAN 2001 Onbekend 2152431100 Bureauonderzoek BILAN 2007 Vervolg 2358918100 Bureauonderzoek Arcadis 2012 Onbekend 2448099100 Booronderzoek BAAC 2014 Vervolg 2073724100 Proefsleuven BILAN 2005 Vervolg 2448082100 Booronderzoek BAAC 2014 Idem 2448099100 2465051100 Proefsleuven BAAC 2014 Vervolg 2141820100 Opgraving
BILAN 2007 Vindplaats aangetroffen 2143319100 Booronderzoek Instituut voor Onbekend Toegepast Historisch Onderzoek 1993 2001585100 Opgraving RCE 1989 Vindplaats
17 (27)
In 2001 is binnen het plangebied een inventariserend booronderzoek uitgevoerd door BILAN in opdracht van de gemeenten Tilburg en Goirle (om nr 2140605100). Het onderzoek heeft aangetoond dat het plangebied deel uitmaakte van een groot essencomplex. Deze gronden bedekken vaak rijke archeologische vindplaatsen. De archeologische verwachting bleek echter niet overal even hoog. Geadviseerd werd om in het plangebied in zones met een hoge archeologische verwachting een proefsleuvenonderzoek uit te voeren met een dichtheid van 8%. Binnen zones met een matige [of middelhoge] verwachting werd een proefsleuvenonderzoek geadviseerd met een dichtheid van 4% en in gebieden met een lage archeologische verwachting met een dekking van 2%. Daarnaast is er in het plangebied nog een zone aanwezig (AMK terrein 2108) waarvoor de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek aanbevolen heeft een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit omdat er mogelijk een Vroeg Middeleeuws (Merovingisch) grafveld ligt wat niet met een booronderzoek kan worden gelokaliseerd. Het onderzoek toont aan dat er binnen het plangebied enkeerdgronden bevinden met een dikte van 75 tot 100 cm. Ook werd er in de boringen aardewerk en vuursteen aangetroffen uit de Prehistorie en Late Middeleeuwen.6
Afbeelding 6: Het plangebied met daarop de boringen die zijn gezet in 2001 door BILAN.
Binnen een deel van het plangebied zijn in navolging van het bovenstaande booronderzoek proefsleuven gegraven door BAAC in 2003. Slechts drie van de proefsleuven bevonden zich binnen het plangebied, de andere sleuven lagen ten westen van het onderhavige plangebied. Er zijn in totaal 14 proefsleuven aangelegd. In de sleuven zijn sporen van een IJzertijd nederzetting aangetroffen, mogelijk met een naastgelegen grafveld. Er is bij het onderzoek een crematiegraf aangetroffen wat wijst op de aanwezigheid van een grafveld. Het archeologische vlak bevond zich op 13,9 tot 15,2 + NAP. De vindplaats werd echter begrensd buiten het huidige plangebied. In de proefsleuven die binnen het huidige plangebied liggen werden slechts enkele sporen aangetroffen. 7 6 7
Doutzenberg 2001 Van der Weerden 2003.
18 (27)
Afbeelding 7: De proefsleuven die door BAAC zijn gegraven in 2003.
In een aanvullend booronderzoek door BILAN in 2003 waarbij het nog niet onderzochte noordelijke deel van het plangebied is onderzocht bleek dat door de ligging van dit deel van het plangebied in een beekdalbodem een lage verwachting is op archeologie. Vanwege de aanwezigheid van veen onder een relatief recente opgebrachte ophooglaag bleek dat de omstandigheden gedurende lange tijd waarschijnlijk te nat zijn geweest voor bewoning. De verwachting in dit deel van het plangebied is daarom laag.8 In 2004 is net buiten het plangebied aan de westzijde door BAAC een opgraving uitgevoerd naar aanleiding van het proefsleuvenonderzoek uit 2003. Bij dit onderzoek zijn in totaal 1184 antropogene sporen aangetroffen die deel uitmaken van een nederzetting uit de Late Bronstijd/ Vroege Ijzertijd, een nederzetting uit de Late IJzertijd en een nederzetting uit de laat Romeinse tijd. Er zijn in totaal zeven huisplattegronden aangetroffen die dateren uit de late Prehistorie. Ook zijn er twee (waarvan een al tijdens de proefsleuven) crematiegraven aangetroffen. Bij deze crematiegraven zijn bijgiften gevonden in de vorm van een glazen La Tène glasarmring en een spinklos. Uit analyse van de crematieresten bleek dat de resten van een vrouw van 19-28 jaar zijn, die mogelijk bij de bevalling is overleden gezien de aanwezigheid van een botfragment van een (ongeboren?) baby.
De tweede urn behoorde ook toe aan een volwassene, maar hier was het niet mogelijk een geslacht te bepalen. De graven liggen echter op grote afstand van elkaar, en er blijkt geen sprake te zijn van één grafveld. Bij het onderzoek is een grote hoeveelheid vondsten aangetroffen, in totaal zijn 1292 fragmenten aardewerk aangetroffen, voornamelijk afkomstig uit de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd. Er werden 28 middeleeuwse scherven aangetroffen tijdens het onderzoek, ook zijn er in totaal 86 metalen voorwerpen gevonden. 9
8 9
Gheysen 2003. Bink 2005.
19 (27)
Afbeelding 8: de opgraving net buiten het plangebied aan de westzijde.Te zien zijn diverse huisplattegronden en structuren uit de Ijzertijd en Romeinse tijd.
20 (27)