03b Ontwerp BP Het Hoefke 6.pdf
Tekst van het document
5.6. Geur Voor de geurbeoordeling van agrarische bedrijven in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt een specifiek toetsingsregime. De Wgv schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten (zoals woningen) en dus voor de ruimtelijke
32
ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Voor wat betreft geurhinder en veehouderijen betekent dit enerzijds dat een goed woon- en leefklimaat moet worden gegarandeerd ten opzichte van geurgevoelige objecten, anderzijds mogen veehouderijen en derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In de Wgv wordt onderscheid gemaakt tussen veehouderijen waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Voor de diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, is bepaald hoe hoog de geurbelasting (uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht) mag zijn op een geurgevoelig object. Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld geldt een vaste afstand conform de Wvg.
Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van ODZOB (plangebied met blauw omcirkeld)
Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt geen nieuw geurgevoelig object of veehouderij mogelijk waarvoor toetsing aan de Wgv noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het wel verstandig om af te wegen of ter plaatse van de bestaande woning een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dit kan met behulp van bovenstaande kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB). Op die kaart is te zien dat de kwaliteit van de leefomgeving als ‘zeer goed’ wordt beoordeeld. Er is dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.7. Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een (historische) bodemonderzoek plaats te vinden. Met dit onderzoek dient de bodem- en
33
grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt geen gevoeligere functie mogelijk dan voorheen. Het perceel wordt in de huidige situatie al gebruikt voor het bedrijf. Ook de veldschuur buiten de huidige bedrijfsbestemming is als zodanig vergund. De vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ is dan ook bedoeld voor het bestendigen van dit gebruik. Aan de zuidzijde wordt bedrijfsbestemming weggenomen waar het perceel niet voor bedrijfsactiviteiten wordt gebruik. Een bodemonderzoek kan dan ook achterwege blijven.
5.8. Milieueffectrapportage Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van he Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan Gezien de aard en omvang (planologische vormverandering bestemmingsvlak en bestendigen reeds vergunde situatie en geldende bouw- en gebruiksmogelijkheden) van het plan is in dit geval geen sprake van een activiteit die onder het Besluit m.e.r. valt.
34
5.9. Gezondheid 5.9.1. Endotoxinen Volgens de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0 is er een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Zodoende moet worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk. Bovendien komen binnen 2 kilometer van het plangebied geen varkens- en pluimveehouderijen voor. Ten aanzien van endotoxinen is er dan ook geen onaanvaardbaar gezondheidsrisico.
5.9.2. Geitenhouderijen In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderijen Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGOonderzoek zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 tot 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is (Bron: Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen - d.d. 17 oktober 2017).
In het laatste VGO-rapport (VGO 3) is de gevonden associatie tussen pluimveehouderijen en omwonenden echter niet bevestigd. Beoordeling plan Het plangebied is niet gelegen binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het aspect gezondheid in relatie tot geitenhouderijen vormt voor dit plan dan ook geen belemmering.
5.9.3. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet
35
onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Beoordeling plan In de omgeving van het plangebied worden geen gewassen geteeld of gekweekt waarvoor een spuitzone in acht moet worden genomen of waarvoor de spuitzone planologisch beschermd dient te worden. De naastgelegen agrarische percelen vallen onder het beheer van Brabants Landschap. Natuurwaarden staan hier centraal en gewasbeschermingsmiddelen blijven daarbij achterwege. Deze ontwikkeling vormt dan ook geen beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden en wordt niet belemmerd door spuitzones.
36
Hoofdstuk 6.
Water
De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan.
6.1. Beleid 6.1.1. Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Provinciaal Milieu en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen voor het milieu- en waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn: • voldoende water voor mens, plant en dier; • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s en • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
6.1.2. Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het water van onder andere de gemeente Goirle en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt, voor zover relevant, hierna kort besproken: • Waterbeheerplan 2016-2021; • Kadernota 2018-2027; • Keur Waterschap Brabantse Delta. Waterbeheerplan Brabantse Delta 2016-2021 Het waterbeheerplan is het resultaat van een dialoog tussen alle verschillende partners die belang hebben bij goed waterbeheer. Het plan geeft inzicht in de doelen die het waterschap de komende zes jaar wil bereiken. Het is afgestemd op de gemeentelijke en provinciale plannen op
37
het gebied van waterbeheer, de Europese Kaderrichtlijn Water en de Stroomgebiedbeheerplannen voor de Maas en de Schelde. Het gaat over verschillende onderdelen: • het watersysteem, bestaande uit het samenhangende geheel van • oppervlaktewater en ondiep grondwater, inclusief kunstwerken zoals pompen en stuwen; het beheer gaat dan over de waterkwaliteit en de waterkwantiteit: over de stoffen in het water, de planten en dieren in en langs het water en over aan- en afvoer van water en het regelen van de waterstanden. • de dijken (waterkeringen) langs de grote en kleine rivieren; • de rioolwaterzuiveringsinstallaties, inclusief de bijbehorende pompen en transportleidingen (samen met de gemeentelijke riolering onderdeel van de afvalwaterketen); • de regionale vaarwegen voor beroeps- en recreatievaart. Kadernota 2018-2027 Deze nota beschrijft hoe het waterschap onder meer omgaat met een aantal uitdagingen waarvoor ze gesteld wordt. In eerste instantie gaat het om klimaatadaptatie. De effecten van klimaatverandering zijn groter dan door velen gedacht en er zal een tandje bijgezet moeten worden. Een tweede uitdaging is de waterkwaliteit. Het waterschap is inmiddels gestart met het uitvoeren van een eerste serie watersysteemanalyses, die de komende jaren worden uitgebreid.
Het waterschap evalueert daarbij de huidige aanpak en combineert dit met de nieuwste, lokale en (inter)nationale kennisinzichten. Daarbij zoekt het waterschap actief de samenwerking met bedrijven, inwoners, terreinbeheerders en medeoverheden. `1 Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: • het dempen of wijzigen van een watergang; • het aanleggen van kabels of leidingen; • het planten van bomen en struiken; • het brengen van water in een watergang.
38
6.1.3. Gemeente Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld. Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het PWR vervult vier hoofdfuncties: • Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. • Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. • Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven. • Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).
Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: • We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen; • We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken; • We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering; • We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater.
We streven naar watersysteemherstel; • We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is; • We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen; • We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem; • We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen; • We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: • Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; • Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem; • Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem
39
•
•
We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld; Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers.
Waterberging Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling van de openbare ruimte klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als overweging. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² hanteert de gemeente Goirle een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur. Dit zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Daarnaast hanteert de gemeente Goirle bij herontwikkelingen een compensatie van 20 mm waterberging (indien realiseerbaar) conform bui 8 uit de Kennisbank Stedelijk water.
6.2. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet in een vormverandering van een bestaande bedrijfsbestemming zonder dat de omvang ervan toeneemt. Daarmee wordt een reeds bestaande en vergunde situatie juridisch-planologisch verankerd. De bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden blijven behouden. Er is dan ook geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Het plan heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding ter plaatse.
40
Hoofdstuk 7.
Opzet planregels
7.1. Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
7.2. Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Artikel 1. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Artikel 2. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
7.3. Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: • bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; • bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; • nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; • afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; • afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk • zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ; • wijzigingsbevoegdheid. • Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen:
41
Artikel 3. Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden Deze bestemming is opgenomen voor de gronden die vanwege de vormverandering van het bouwvlak niet meer tot de bedrijfsbestemming horen. Deze gronden zijn primair bedoeld voor agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie of als ecologische verbindingszone. Op deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen worden opgericht. Ook bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn maar beperkt toegestaan. Voor bepaalde werken en werkzaamheden in de bodem is een omgevingsvergunning nodig. Artikel 4. Bedrijf Deze bestemming is primair bedoeld voor een bedrijf ten behoeve van beheer en onderhoud natuurgebieden alsmede natuurrecreatieve en educatie activiteiten met bedrijfswoning. In de bouwregels is bepaald wat er zoal mag worden gebouwd en in welke omvang. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, bijgebouwen bij bedrijfswoningen en bouwwerken voor zover het niet geen gebouw betreft (zoals erfafscheidingen). Onder bepaalde voorwaarden kan hiervan worden afgeweken (afwijken van de bouwregels). In de gebruiksregels is bepaald dat het onder voorwaarden mogelijk is een aanhuis-verbonden beroep of bedrijf uit te oefenen.
Mocht de bestemming ‘Bedrijf’ in de toekomst niet meer wenselijk zijn, dan kan de bestemming onder de voorwaarden genoemd onder de wijzigingsbevoegdheid worden omgezet naar een woonbestemming. Artikel 5. Waarde - Archeologie In de regels behorende bij deze dubbelbestemming is aangegeven dat bij bepaalde ingrepen en onder bepaalde voorwaarden eerst nader archeologisch onderzoek vereist is. Door middel van een dubbelbestemming wordt gezorgd dat de mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden worden beschermd.
7.4. Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, aanduidings-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels. Anti-dubbeltelbepaling In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan
42
afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm opgenomen. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn aanduidingsregels opgenomen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels. Algemene procedure regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die burgemeester en wethouders in acht dienen te nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regel over andere eisen.
7.5. Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2). Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan worden aangehaald.
43
44
Hoofdstuk 8.
Uitvoerbaarheid
8.1. Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening moet een exploitatieplan worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorzien, tenzij het verhaal van grondexploitatiekosten over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins, zoals bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, is verzekerd, of, zoals hier het geval is, er geen kosten in het openbaar gebied worden gemaakt. Nu deze laatste situatie zich voordoet kan gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan worden besloten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Het project wordt op kosten van initiatiefnemer gerealiseerd. Het bestemmingsplan is opgesteld op kosten van de initiatiefnemer. Alleen de kosten voor begeleiding van de planologische procedure komen voor rekening van de gemeente (waarvoor leges bij initiatiefnemer in rekening worden gebracht). Omdat het verhaal van kosten daarmee is verzekerd, is het op- en vaststellen van een exploitatieplan niet vereist en kan als zodanig worden besloten. Met initiatiefnemer is een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Er zijn dan ook geen consequenties voor de economische uitvoerbaarheid van het plan.
8.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Inspraakprocedure Conform de Inspraakverordening Goirle heeft het voorontwerpbestemmingsplan voor duur van drie weken voor inspraak ter inzage gelegen. Van de mogelijkheid om een inspraakreactie naar voren te brengen is geen gebruik gemaakt. Het eindverslag is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De inspraakprocedure heeft niet geleid tot aanpassingen van het voorontwerpbestemmingsplan. Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang zijn onder meer Waterschap Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant bij dit plan betrokken. Een verslag van dit wettelijk vooroverleg is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het vooroverleg heeft niet geleid tot aanpassingen van het voorontwerpbestemmingsplan. Zienswijzenprocedure Het opgestelde ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd, na voorafgaande publicatie in het Gemeenteblad. Gedurende de periode van terinzagelegging is
45
het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar op de website www.ruimtelijkeplannen.nl en analoog raadpleegbaar in het gemeentehuis.
46
Separate bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3.
Standaard Verantwoording Groepsrisico Eindverslag inspraakprocedure voorontwerpbestemmingsplan Eindverslag overleg ex. artikel 3.1.1 Bro voorontwerpbestemmingsplan
47
GEMEENTE GOIRLE
B E S T E M M I N G S P L A N H E T H O E F K E 6, R I E L
: BESTEMMINGSPLANNUMMER : SCHAAL VAN DE VERBEELDING : STATUS PLAN : DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP : DATUM VASTSTELLING : DATUM UITSPRAAK ABRS : DATUM INWERKINGTREDING : DATUM ONHERROEPELIJK : NAAM EN ADRES OPSTELLER : GEMEENTE
GOIRLE
NL.IMRO.0785.BP2021010HOEFKEZES-OW01 1:500 ONTWERP
PLAN ROS, TORENALLEE 20, 5017 BC EINDHOVEN
PLANREGELS
2
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .................................................................................................................3 Hoofdstuk 1.
Inleidende regels .......................................................................................4
Artikel 1.
Begrippen .......................................................................................................... 4
Artikel 2.
Wijze van meten.............................................................................................. 15
Hoofdstuk 2.
Bestemmingsregels .................................................................................. 17
Artikel 3.
Agrarisch - Landschaps- en Natuurwaarden ................................................... 17
Artikel 4.
Bedrijf .............................................................................................................. 20
Artikel 5.
Waarde - Archeologie...................................................................................... 24
Hoofdstuk 3.
Algemene regels ...................................................................................... 26
Artikel 6.
Anti-dubbeltelregel ......................................................................................... 26
Artikel 7.
Algemene bouwregels ..................................................................................... 26
Artikel 8.
Algemene gebruiksregels ................................................................................ 27
Artikel 9.
Algemene aanduidingsregels .......................................................................... 28
Artikel 10.
Algemene afwijkingsregels .............................................................................. 29
Artikel 11.
Algemene wijzigingsregels .............................................................................. 30
Artikel 12.
Algemene procedureregels ............................................................................. 31
Hoofdstuk 4.
Overgangs- en slotregels .......................................................................... 32
Artikel 13.
Overgangsrecht ............................................................................................... 32
Artikel 14.
Slotregel .......................................................................................................... 32
Bijlagen bij regels .............................................................................................................. 34 Bijlage 1.
Staat van Bedrijfsactiviteiten .......................................................................... 34
3
Hoofdstuk 1. Artikel 1.
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: Plan: het bestemmingsplan ‘Het Hoefke 6, Riel’ met NL.IMRO.0785.BP2021010Hoefkezes-ow01 van de gemeente Goirle.
identificatienummer
Bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; aan huis verbonden bedrijf: het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke -geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen- bedrijvigheid dat door tenminste één bewoner in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning of de daarbij behorende bijgebouwen past, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie, in ruimtelijke en visuele zin blijft behouden, en de activiteit ter plaatse kan worden uitgeoefend, waaronder een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit behoort, met dien verstande dat de activiteit niet vergunningplichtig is ingevolge de Wet milieubeheer en is vermeld in categorie 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij deze regels) of voor wat betreft de aard en omvang in relatie tot de milieuhinder die de bedrijfsactiviteit veroorzaakt, gelijk gesteld
kan worden met een bedrijf dat behoort tot één van deze categorieën; aan huis verbonden beroep: een beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig of hiermee te vergelijken gebied - niet zijnde detailhandel, dat door tenminste één bewoner van een woning in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie blijft behouden, en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke en visuele uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; afgewerkt bouwterrein: de gemiddelde hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, omringende grond;
4
afhankelijke woonruimte: een (gedeelte van een) bijgebouw, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de (bedrijfs)woning, waarbij dit bijgebouw hoort, en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest; ander werk: een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid; archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling, dat voldoet aan de meest actuele versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), met als resultaat het overleggen van een archeologische rapportage zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988; archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden; bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; bedrijf: een inrichting of instelling, gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; bedrijfsvloeroppervlak: de totale binnenwerkse oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke; bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een
terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; begane grond: de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau danwel waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1,50 meter boven meetniveau is gelegen. Onder een begane grondlaag wordt eveneens een souterrain verstaan; bestaande situatie (bebouwing en gebruik): a. legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals deze mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning;
5
b. het legale gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; bevoegd gezag: bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wabo; bijgebouw: een al dan niet vrijstaand gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk; bouwgrens: de grens van een bouwvlak; bouwlaag: een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang van hout, steen of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect en duurzaam met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun
vindt in of op de grond;
6
buitenrijbaan: een niet overdekte piste voorzien van een bewerkte aangepaste bodem waarin training en africhting van paarden kan plaatsvinden; cultuurhistorische waarden: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur; dagrecreatie: het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de woning, zonder dat daar een overnachting elders mee gepaard gaat; dak: de bovenafdichting van een gebouw; detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde een supermarkt; dienstverlening: het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; ecologische verbindingszone: een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur); erfbeplanting: visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of
een terrein met een andere functie; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overigen); extensief recreatief medegebruik: een recreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, waarbij de aan de gronden toegekende waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
7
functie: doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan; gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; gebruiken: het gebruiken, doen en laten gebruiken; hergebruik: gebruik van een bestaand bouwvlak, zoals van een agrarisch bedrijf, een niet-agrarisch bedrijf of een woning met bijbehorend erf, voor een ander soort bedrijf of functie dan volgens de geldende bestemming is toegestaan; hoofdfunctie: een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag worden gebruikt; hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; huishouden: persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen; hydrologisch waardevol: gronden met waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie in relatie tot één of meer van de volgende waarden en/of omstandigheden: • aanwezige aardkundige waarden; • aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden; • aanwezige mogelijkheden voor
ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden; Daarbij behoren tevens kwantitatieve aspecten (zoals hoge waterstand, stabiel waterpeil, kwelsituatie) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild); kamerverhuur: het verschaffen van woonverblijf aan meer dan één huishouden, met dien verstande dat het verhuren van kamers zonder eigen voorzieningen, zoals een badkamer en keuken, aan maximaal twee personen, door een eigenaar (hospita) die in dezelfde woning woont niet als kamerverhuur wordt aangemerkt;
8
kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan dan wel enig ander onderkomen, voertuig, gewezen voertuig of een gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, en die geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht of (kunnen) worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf, met uitzondering van stacaravans; kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf; kleinschalig kamperen: kamperen, in de vorm van recreatief medegebruik op gronden met een andere hoofdfunctie, voor maximaal 15 kampeermiddelen, geen stacaravans zijnde; kunstwerken: civieltechnische bouwwerken alsmede waterstaatkundige bouwwerken die van belang zijn voor de functie die de wateren hebben, dan wel uit anderen hoofde behoren tot, of gelegen zijn in een watergang; (kleine) landschapselementen: ecologische en/of landschappelijke waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha; landschapswaarden: het geheel van waarden in verband met bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, cultuurhistorische en
visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang; mantelzorg: het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband; mestbewerking: behandelen van dierlijke mest waarbij de mest een fysieke verandering ondergaat en het totaal aan elementen in de meststoffen behouden blijf, zodat deze beter als mest kan worden gebruikt of voor andere functies als mest geschikt wordt; mestverwerking: het proces om (drijf)mest af te breken, (door o.a. mestvergisting), om te zetten in nieuwe, bruikbare producten, zoals energie uit biomassa, of te bewerken tot kwalitatief hoogwaardige meststoffen;
9
natuurwaarden: waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied; normaal onderhoud: het onderhoud noodzakelijk voor het gebruik en de instandhouding van de gronden overeenkomstig de aan de gronden toegekende doeleinden en/of op de gronden voorkomende bouwwerken; nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, warmtedistributie-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, openbare sanitaire voorzieningen, transformatiehuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, waterhuishoudkundige voorzieningen, (collectieve) energievoorzieningen (onder andere warmte- en koudeopslag), telefooncellen, abri's, apparatuur voor telecommunicatie, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, en dergelijke.
omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wabo; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo; omgevingsvergunning voor het afwijken: omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo; omgevingsvergunning voor het bouwen: omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk: omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo; ondergeschikte bouwdelen/bouwdelen van ondergeschikt belang: bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het gebouw uitsteken zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, licht-, antenneen vlaggenmasten, windvanen, wolfseinden, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, balkon- en terrashekken, en dergelijke, dakkapellen, andere ondergeschikte dakopbouwen, liftschachten, en
overige overstekende ondergeschikte daken;
10
ondergronds: beneden het peil; overig bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; pand: de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde verbonden is en afsluitbaar is; perceelsgrens: de grens van een bouwperceel; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostitutiebedrijf: een inrichting of instelling gericht op het tegen betaling doen plaatsvinden van seksuele omgang met prostituees op een naar buiten toe kenbare wijze, zoals een bordeel of escortbedrijf; ruimtelijke eenheid: complex van bij elkaar behorende bouwwerken; seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; stacaravans: Onderkomens, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dienen of kunnen dienen tot de woon dag- of nachtverblijf van een of meer personen, en die door de aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen wel over een korte afstand naar een vaste standplaats kunnen worden verreden, doch niet bestemd zijn om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze onderkomens wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt zijn om te worden verreden, worden zij aangemerkt als stacaravan; souterrain: een bijzondere bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzend peil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven peil is gelegen;
11
Staat van bedrijfsactiviteiten: een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en installaties; teeltondersteunende voorzieningen: (teelt)ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegronds tuinbouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren; hierdoor vindt (een deel van) de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productiekwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of –verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik; (teelt)ondersteunende kas: een teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. Hieronder vallen ook schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen (>1,5 meter); permanente (teeltondersteunende) voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die voor onbepaalde tijd worden gebruikt.
tijdelijke (teeltondersteunende) voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten; hoge (teelt)ondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, die in de regel hoger zijn dan 1,5 m. Hieronder worden in ieder geval verstaan: teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen; plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen; lage (teelt)ondersteunende voorzieningen: (teelt)ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op nabij de grond worden aangebracht, met een maximale hoogte van 1,5 m Hieronder wordt in ieder geval verstaan: containervelden (een geheel verharde ondergrond veelal van niet-opneembare/gesloten verhardingen, zoals beton; of anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen) lage tunnels (halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen) insectengaas, afdekfolies, acryldoek, vlakveldfolies en vraatnetten, lage tunnels, van halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen; insectengaas; afdekfolies; acryldoek;
vlakveldfolies; vraatnetten;
12
overige (teelt)ondersteunende voorzieningen (boomteelthek): een permanente (teelt)ondersteunende voorziening c.q. een bouwwerk in de vorm van een hek met afrastering, met een hoogte van niet meer dan 1,5 m, op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden; terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt; uitvoeren: het uitvoeren, doen uitvoeren en laten uitvoeren; verblijfsrecreatie: het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen; verharden van wegen: het aanbrengen van een dichte deklaag in de vorm van bijvoorbeeld klinkers, asfalt of beton; verkoopvloeroppervlakte: de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank; vloeroppervlak: de totale oppervlakte, buitenwerks gemeten, van alle ruimten op de begane grond, de verdiepingen, de zolder en de aangebouwde bijgebouwen; voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel van het
hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie, dan wel gelet op de uitstraling ervan, als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; voorgevelrooilijn: a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
13
Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; water en waterhuishoudkundige voorzieningen: a. al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. b. alle voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, etc. doeleinden die het waterhuishoudingbelang dienen, zoals watergangen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang en dergelijke; wet/wettelijke regelingen: indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen dan wel verordeningen en dergelijke, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van vaststelling van het plan, tenzij anders is bepaald; wijziging: een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid , sub a, van de Wet ruimtelijke ordening; woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden; zendmast: inrichting voor draadloze transmissie van telecommunicatie of andere signalen.
14
Artikel 2.
Wijze van meten
Meetregels Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1.1. afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse grens van het bouwperceel: tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en enig punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.1.2. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.1.3. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.1.4. bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen; 2.1.5. horizontale diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel; 2.1.6. inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.7. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.1.8. verticale diepte van een bouwwerk: van het peil tot het laagste punt van het bouwwerk, fundering niet meegerekend. 2.1.9.
lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de buitenste verticale projecties van bouwdelen en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren, boven peil; 2.1.10. peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
15
Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het gebouw uitsteken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. Onder ondergeschikte bouwdelen worden in ieder geval verstaan plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, licht, antenne- en vlaggenmasten, windvanen, wolfeinden, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, balkon- en terrashekken, en dergelijke, dakkapellen, andere ondergeschikte dakopbouwen, liftschachten, en overige overstekende ondergeschikte daken.
16
Hoofdstuk 2. Artikel 3.
Bestemmingsregels
Agrarisch - Landschaps- en Natuurwaarden
Bestemmingsomschrijving De op de verbeelding voor ‘Agrarisch - Landschaps- en Natuurwaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen; b. ecologische verbindingszones; c. behoud en ontwikkeling van (kleinschalige) landschapselementen; d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van (on- of halfverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen; e. tuinen en erven; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. extensief recreatief medegebruik.
Bouwregels 3.2.1. Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd; b. de oppervlakte van bestaande gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte; c. de (bouw)hoogte van bestaande gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande (bouw)hoogte. 3.2.2. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken zijn uitsluitend binnen een op de verbeelding aangeduid ‘bouwvlak’ toegestaan; b. in afwijking van het bepaalde onder sub a zijn buiten een bouwvlak de volgende bouwwerken toegestaan: 1. erf- en terreinafscheidingen; 2. bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding; 3. eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensieve openluchtrecreatie, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken; c. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; d. de (bouw)hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.
17
Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 voor het bouwen van tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van permanente teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 m; b. de oppervlakte aan permanente teeltondersteunende voorzieningen niet meer mag bedragen dan 1,5 ha; c. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan aangrenzend aan de bestemming ‘Agrarisch – Bedrijf’; d. de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1. Omgevingsvergunning Het is verboden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: a. in het algemeen: 1. het verzetten van grond (afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen) van meer dan 100 m³ een en ander voorzover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet; 2. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk; 3. het graven, dempen, danwel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3.4.2. Uitzondering Het bepaalde in lid 3.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan. 3.4.3.
Toelaatbaarheid Een vergunning als bedoeld in lid 3.4.1 wordt uitsluitend verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschaps- en natuurwaarden, archeologische waarden, hydrologische waarden en/of het waterbergend vermogen van de gronden.