03b Ontwerp BP Het Hoefke 6.pdf
Tekst van het document
GEMEENTE GOIRLE
B E S T E M M I N G S P L A N H E T H O E F K E 6, R I E L
: BESTEMMINGSPLANNUMMER : SCHAAL VAN DE VERBEELDING : STATUS PLAN : DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP : DATUM VASTSTELLING : DATUM UITSPRAAK ABRS : DATUM INWERKINGTREDING : DATUM ONHERROEPELIJK : NAAM EN ADRES OPSTELLER : GEMEENTE
GOIRLE
NL.IMRO.0785.BP2021010HOEFKEZES-OW01 1:500 ONTWERP
PLAN ROS, TORENALLEE 20, 5017 BC EINDHOVEN
PLANTOELICHTING
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1.
Inleiding ....................................................................................................5
1.1.
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan .................................................. 5
1.2.
Ligging en begrenzing plangebied ..................................................................... 5
1.3.
Vigerende bestemmingsplannen ...................................................................... 6
1.4.
Bij het plan behorende stukken ........................................................................ 7
1.5.
Leeswijzer .......................................................................................................... 7
Hoofdstuk 2.
Beschrijving plangebied .............................................................................9
Hoofdstuk 3.
Ruimtelijk beleidskader............................................................................ 11
3.1.
Rijk ................................................................................................................... 11
3.2.
Provincie .......................................................................................................... 12
3.3.
Gemeente ........................................................................................................ 21
Hoofdstuk 4.
Thematische beleidskaders ...................................................................... 23
4.1.
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg......................................... 23
4.2.
Flora en fauna.................................................................................................. 25
4.3.
Verkeer en parkeren ....................................................................................... 26
Hoofdstuk 5.
Milieuaspecten ........................................................................................ 27
5.1.
Milieuhinder en bedrijven ............................................................................... 27
5.2.
Externe veiligheid ............................................................................................ 28
5.3.
Kabels, leidingen en straalpad ........................................................................ 30
5.4.
Geluid .............................................................................................................. 30
5.5.
Lucht ................................................................................................................ 30
5.6.
Geur ................................................................................................................. 32
5.7.
Bodem ............................................................................................................. 33
5.8.
Milieueffectrapportage ................................................................................... 34
5.9.
Gezondheid ..................................................................................................... 35
3
Hoofdstuk 6.
Water ...................................................................................................... 37
6.1.
Beleid ............................................................................................................... 37
6.2.
Beoordeling plan ............................................................................................. 40
Hoofdstuk 7.
Opzet planregels ...................................................................................... 41
7.1.
Plansystematiek .............................................................................................. 41
7.2.
Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels ................................................. 41
7.3.
Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels ............................................. 41
7.4.
Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels .................................................. 42
7.5.
Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel ............................... 43
Hoofdstuk 8.
Uitvoerbaarheid ...................................................................................... 45
8.1.
Economische uitvoerbaarheid......................................................................... 45
8.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 45
Seperate bijlagen............................................................................................................... 47 Bijlage 1.
4
Standaard Verantwoording Groepsrisico ........................................................ 47
Hoofdstuk 1.
Inleiding
1.1. Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De locatie Het Hoefke 6 in Riel is een beheerlocatie van Brabants Landschap. Hier staat momenteel een boerderij met werkschuur en sinds 2018 ook een nieuwe veldschuur. De boerderij heeft als functie dienstwoning met publieksruimte. De werkschuur van Brabants Landschap wordt gebruikt voor opslag, beheer en onderhoud gereedschappen en materialen. Voor de werkeenheid Midden-Zuid van Brabants Landschap is het Hoefke 6 uitvalsbasis voor de vaste werknemers en vrijwilligers die in de omliggende terreinen zoals Regte heide, Riels Laag, Ooijevaarsnest, Brakelse bossen, Halve maan, Nieuwkerk, Rovertse heide, Annanina’s Rust en Gorp aan de Leij beheer en onderhoudswerkzaamheden uitvoeren. Op 10 juli 2018 heeft het college van gemeente Goirle medewerking verleend aan het verzoek tot het oprichten van de veldschuur op het perceel Het Hoefke 6 in Riel. Het college heeft besloten dat de veldschuur in eerste instantie mag worden opgericht met een tijdelijke instandhoudingstermijn van maximaal 5 jaar. Tevens heeft het college besloten dat er binnen de instandhoudingstermijn een partiële herziening van het bestemmingsplan moet worden opgestart om de veldschuur definitief planologisch te kunnen regelen. Dit omdat de velschuur in strijd is met het geldende bestemmingsplan.
Op 19 november 2018 heeft gemeente Goirle vergunning verleend voor het bouwen van de veldschuur en voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’, waarmee voor de duur van vijf jaar van het bestemmingsplan mag worden afweken. Inmiddels is de bijna de helft van deze termijn verstreken. Daarom wil Brabants Landschap gevolg geven aan de oproep van gemeente Goirle om het geldende bestemmingsplan te herzien om de veldschuur definitief planologisch te kunnen regelen. Aangezien de veldschuur buiten het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ ligt, moet het bestemmingsvlak dusdanig van vorm worden gewijzigd dat de velschuur hierbinnen komt te liggen. Het geldende bestemmingsplan bevat geen wijzigingsbevoegdheid om de gewenste vormverandering van het bestemmingsvlak mogelijk te maken. Daarom is een nieuw juridischplanologische kader nodig. Dit (postzegel)bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2. Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt op ruim 1,5 kilometer ten zuiden van de kern Riel in de gemeente Goirle. In het bijzonder gaat het om het perceel Het Hoefke 6, dat kadastraal bekend staat als gemeente Goirle, sectie H, nummers 56, 60 (ged.) en 61 (ged.). Het huidige bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ is ongeveer 2.600 m² groot. Aan de zuidzijde van het bestemmingsvlak zal een deel van het bestemmingsvlak worden weggehaald en dit wordt aan de noordzijde toegevoegd. De omvang van het bestemmingsvlak blijft daardoor ongewijzigd.
5
Luchtfoto met het adres Het Hoefke 6 met blauwe cirkel aangeduid (Bron: https://www.pdok.nl/viewer/)
Het perceel wordt vrijwel helemaal omsloten door natuurgebied. Aan de westzijde liggen de Brakelse bossen. Aan de oostzijde ligt het Natura2000-gebied Regte Heide.
1.3. Vigerende bestemmingsplannen Het plangebied is gelegen binnen het geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied Goirle”, dat is vastgesteld op 9 december 2008, in werking is getreden op 24 september 2009 en onherroepelijk is geworden op 20 april 2011. Het plangebied heeft op basis van dat bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijf’. Het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ grenst aan de westzijde aan de bestemming ‘Bos’. Voor het overige deel wordt het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ omsloten door de bestemming ‘Agrarisch – Landschaps- en Natuurwaarden’.
Uitsnede bestemmingsplan. De recent gebouwde veldschuur is met rode marker aangeduid. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
6
De recent opgerichte veldschuur valt buiten de bedrijfsbestemming en binnen de agrarische bestemming. Voorliggend bestemmingsplan omvat een vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’, zodanig dat de veldschuur binnen de bedrijfsbestemming komt te liggen. Daarvoor wordt aan de noordzijde bedrijfsbestemming toegevoegd. Omdat de omvang van het bestemmingsvlak niet mag vergroten, is aan de zuidzijde bedrijfsbestemming weggehaald. Hier komt de aangrenzende agrarische bestemming voor terug. Verder geldt ter plaatse ook het bestemmingsplan “Parapluplan gemeente Goirle”. Dit plan is op 12 maart 2019 vastgesteld en bevat ten aanzien van een groot aantal bestemmingsplan wijzigingen die met dit parapluplan integraal zijn doorgevoerd. Het gaat dan om onderdelen terrassen, standplaatsen, evenementen, parkeren, zendmasten en ruimte tussen bouwwerken. Ook is bestemmingsplan “Buitengebied Goirle” is met dit parapluplan herzien. Voor het voorliggende bestemmingsplan geldt dat in beginsel de regels uit het bestemmingsplan “Buitengebied Goirle” zijn overgenomen. Waar deze regels zijn herzien via het parapluplan, zijn de regels met dat paraplu plan in overeenstemming gebracht.
1.4. Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5. Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
7
8
Hoofdstuk 2.
Beschrijving plangebied
Dit bestemmingsplan heeft uitsluitend als doel het bestaande bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ ter plaatse zodanig van vorm te veranderen dat daarmee een logisch nieuw bestemmingsvlak ontstaat waar de reeds bestaande opstallen (waaronder de in 2018 opgerichte veldschuur) binnen vallen. Het bestemmingsvlak zal niet van omvang veranderen en ook de bouw- en gebruiksmogelijkheden blijven verder ongewijzigd. In onderstaande afbeeldingen is de bedrijfsbestemming in de huidige situatie en de beoogde situatie weergegeven.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan (links) en beoogde situatie (rechts). Het plangebied is met de stippellijn (links) en lijn met bolletjes (rechts) weergegeven.
Dit bestemmingsplan zal verder rekening houden met het op dit moment geldende beleid op diverse overheidsniveaus. Waar nodig zal het bestemmingsplan hierop worden aangepast met aanduidingen en bijpassende regels. Ook wordt het bestemmingplan geactualiseerd aan de hand van de digitale standaarden voor bestemmingsplannen.
9
10
Hoofdstuk 3.
Ruimtelijk beleidskader
3.1. Rijk 3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 12 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (verder: structuurvisie) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van nationale belangen. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de structuurvisie worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie Rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. In totaal zijn 13 nationale belangen benoemd.
Beoordeling plan Voor het plangebied geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling van geringe aard en omvang waarbij geen nationale belangen in het geding zijn. Het plan voldoet daarmee aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de SVIR.
3.1.2. Ladder voor duurzame verstedelijking Nationaal belang 13 uit de SVIR vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een motiveringsplicht opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De zogenaamde ‘Ladder voor Duurzame Verstedelijking’ is bedoeld om te komen tot een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Per 1 juli 2017 is het aantal treden van de ladder gewijzigd van drie naar in beginsel één trede. In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening is het volgende opgenomen: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
11
De Ladder is alleen van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet in vormverandering van een bedrijfsbestemming waarbij de omvang, bouw- en gebruiksmogelijkheden niet zullen toenemen. Bij een dergelijke ontwikkeling is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan dan ook achterwege blijven.
3.1.3. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) opgesteld. De regels van het Barro en Rarro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. Hoewel daar in dit geval geen sprake van is, is het wel goed om ook voor een afwijking van het bestemmingsplan te beoordelen of dit past binnen de rijksregels voor ruimtelijke ontwikkelingen zoals bepaald in het Barro en Rarro. Beoordeling plan Uit het Barro en de Rarro blijkt dat het plangebied binnen het radarverstoringsgebied van Radarstation Herwijnen ligt. In de Rarro is binnen dit gebied een maximumbouwhoogte van 90 meter ten opzichte van NAP opgenomen voor het bouwen van windturbines. Aangezien dit project geen windturbines of andere bouwwerken van een dergelijke hoogte mogelijk maakt, levert dit artikel uit de Rarro geen belemmeringen op voor dit project. Verder zijn er geen regels uit het Barro of Rarro die rechtstreeks van toepassing zijn op dit bestemmingsplan.
3.2. Provincie 3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ met bijbehorende planMER vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Brabant. Deze ‘Brabantse Omgevingsvisie’ is opgesteld met het oog op de naderende invoering van de Omgevingswet, waarin onder andere het instrument structuurvisie wordt vervangen door het instrument omgevingsvisie. De achterliggende doelen van de Omgevingswet komen dan ook terug in de Brabantse Omgevingsvisie. Met de omgevingsvisie wordt de ambitie voor de Brabantse leefomgeving tot 2050 geformuleerd. Daarbij worden ook tussendoelen gesteld voor wat de provincie in 2030 voor elkaar wil hebben om de ambitie voor 2050 te kunnen verwezenlijken. Tot slot geeft de omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Draagvlak en draagkracht zijn daarbij belangrijke begrippen.
12
In de omgevingsvisie worden één basisopgave en vier hoofdopgaven uitgewerkt in een langetermijnvisie (2050) en middellangetermijndoelstellingen (2030): • Basisopgave: Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit; • Hoofdopgaven: o Werken aan de Brabantse energietransitie; o Werken aan een klimaatproof Brabant; o Werken aan de slimme netwerkstad; o Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Het beleid uit de Omgevingsvisie wordt verder uitgewerkt in programma’s en de Omgevingsverordening. De programma’s bevatten vooral concrete maatregelen die zelfbindend zijn voor de provincie. De omgevingsverordening bevat vooral bindende regels voor lagere overheden en burgers. In de aanloop naar de Omgevingswet heeft provincie Noord-Brabant voor de fysieke leefomgeving alvast een interim omgevingsverordening vastgesteld. Verderop in dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op deze Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Beoordeling plan De basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie zijn in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant nader uitgewerkt in bindende regels voor gemeenten, burgers en ondernemers. Om projecten te sturen op de belangen uit de Omgevingsvisie, moet aan de regels uit de Interim omgevingsverordening worden voldaan. Verderop in deze paragraaf wordt het plan beoordeeld in het kader van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.2.2. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld. De Interim omgevingsverordening (hierna: Iov) vervangt een aantal provinciale verordeningen: • Provinciale milieuverordening • Verordening natuurbescherming • Verordening ontgrondingen • Verordening ruimte • Verordening water • Verordening wegen Om straks als de Omgevingswet in werking treedt echt klaar te zijn, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Iov voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is nagenoeg beleidsneutraal. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen. Doordat de Omgevingswet volgens huidige planning pas in 2022 in werking treedt, kan er nog geen invulling worden gegeven aan deze wet. De Iov is opgebouwd volgens een doelgroepenbenadering. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel leidend is. Daarbij wordt
13
grofweg onderscheid gemaakt tussen de doelgroepen ‘Burgers en bedrijven’ (hoofdstuk 2, rechtstreeks werkende regels voor activiteiten), gemeenten (hoofdstuk 3, instructieregels), waterschappen (hoofdstuk 4, instructieregels), gedeputeerde staten (hoofdstuk 5, instructieregels), en faunabeheer en beheer waterwegen (hoofdstuk 7). Voor dit bestemmingsplan zijn vooral de bepalingen uit hoofdstuk 3 van belang. Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten door burgers en bedrijven Binnen het plangebied zijn voor de volgende werkingsgebieden rechtstreeks werkende regels van toepassing: • Stiltegebied • Diep grondwaterlichaam • Landelijk gebied • Verbod uitbreiding veehouderij • Stalderingsgebied • Bescherming Natura 2000 Stiltegebied Een stiltegebied komt voort uit de Wet milieubeheer. Binnen een dergelijk gebied wordt rust en stilte nagestreefd. In de Interim omgevingsverordening zijn dan ook rechtstreekse regels opgenomen voor het voorkomen en beperken van geluidshinder, waaronder een vastgelegde streefwaarde en grenswaarde voor milieubelastende activiteiten. Te allen tijde geldt daarnaast de zorgplicht om handelen waarmee rust en stilte in het gebied wordt verstoord achterwege te laten. Voor stiltegebieden zijn ook instructieregels voor gemeenten opgenomen. De voor dit bestemmingsplan relevante instructieregels komen verderop in deze subparagraaf aan de orde.
Diep grondwaterlichaam Dit werkingsgebied bevat rechtstreekse regels ten aanzien van milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen. Volgens artikel 2.20 van de Iov is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden boven, in of onder een diep grondwaterlichaam. Dit plan maakt geen onconventionele winning van koolwaterstoffen mogelijk. Landelijk gebied / Stalderingsgebied / Verbod uitbreiding veehouderij / Bescherming Natura 2000 Deze werkingsgebieden zijn relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van landbouw. Binnen of in de nabijheid van het plangebied is geen landbouw aanwezig of toegestaan. Om die reden zijn deze werkingsgebieden voor dit plangebied niet relevant. Instructieregels voor gemeenten De volgende werkingsgebieden van instructieregels voor gemeenten zijn aan de orde voor het plangebied: • Landelijk gebied • Groenblauwe mantel • Beperkingen veehouderij • Stalderingsgebied • Aardkundig waardevol gebied • Cultuurhistorisch waardevol gebied
14
• • • • •
Stiltegebied Natura2000 Attentiezone waterhuishouding Reservering waterberging Natuur Netwerk Brabant (direct aangrenzend, niet van toepassing op het plangebied)
Uitsnede Interim omgevingsverordening kaart 6: ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied’. Het plangebied is rood omlijnd. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Landelijk gebied Afdeling 3.6 (Vitaal platteland) van de Iov bevat regels over onder andere agrarische en nietagrarische bedrijven in het landelijk gebied. In de regels binnen deze afdeling wordt onderscheid gemaakt in het bestaande bedrijf, de uitbreiding van een bedrijf of de vestiging van een bedrijf. Er zijn geen regels opgenomen voor vormverandering van een bouwperceel of bestemmingsvlak wanneer geen sprake is van een vergroting van de totale oppervlakte. Wel dient in een dergelijk geval rekening te worden gehouden met omliggende waarden en functies in het gebied om af te wegen of de vormverandering aanvaardbaar is. In bovenstaande opsomming zijn de meeste relevante waarden genoemd. Verderop in deze paragraaf wordt hier dan ook dieper op ingegaan. Groenblauwe mantel De aanduiding ‘Groenblauwe mantel’ is opgenomen ter bescherming van groenblauwe mantel in het landelijk gebied. Een bestemmingsplan binnen dit gebied strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.
De Iov stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied en om te waarborgen dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Dit komt tot uiting in beperkingen aan grondgebonden teeltbedrijven, overig-agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven binnen het gebied.
15
Dit bestemmingsplan maakt geen grondgebonden teeltbedrijf, overig-agrarische bedrijf of glastuinbouwbedrijf mogelijk. De aanduiding ‘groenblauwe mantel’ is dan ook niet direct van toepassing voor dit plan.
Uitsnede Interim omgevingsverordening kaart 3: ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’. Het plangebied is rood omlijnd. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Aardkundig waardevol gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied moet mede gericht zijn op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant. Voor dit aspect wordt verder verwezen naar paragraaf 4.1.3 van deze toelichting. Cultuurhistorisch waardevol gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied moet mede gericht zijn op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart. Voor dit aspect wordt verder verwezen naar paragraaf 4.1.2 van deze toelichting. Stiltegebied Een bestemmingsplan van toepassing op Stiltegebied strekt mede tot behoud van stilte en rust in het gebied en houdt daarmee rekening bij de toedeling van functies en activiteiten. Uitzondering hierop zijn activiteiten die behoren tot het normale gebruik, beheer en onderhoud van binnen het gebied aanwezige functies en gronden. In dit geval gaat het om een reeds bestaande bedrijfsbestemming voor een werkeenheid voor het beheer en onderhoud van omliggende natuurgebieden. De bestaande bedrijfsbestemming wordt enkel van vorm veranderd en de omvang en bouw- en gebruiksmogelijkheden zullen niet toenemen.
De bedrijfsactiviteiten omvatten het normale beheer en onderhoud van omliggende natuurgebieden (op locatie) en ter plaatse van het plangebied gaat het om het normale gebruik van de opstallen voor berging van de machines en educatieve doeleinden.
16
Het plan maakt dan ook geen inbreuk op het stiltegebied en dit onderdeel vormt dan ook geen belemmering voor het plan.
Uitsnede Interim omgevingsverordening kaart 4: ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’. Het plangebied is rood omlijnd. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Natuur Netwerk Brabant Het plangebied grenst aan gronden aan die aangeduid zijn als Natuur Netwerk Brabant (NNB). Dergelijke gebieden zijn bedoeld voor behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken. Het bedrijf waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft is specifiek gericht op het beheer en onderhoud van dit soort gebieden. De bedrijfsactiviteiten vinden dan ook hoofdzakelijk plaats in de natuur en de bedrijfslocatie zelf wordt gebruikt voor het stallen van machines en gereedschappen. De voorgenomen vormverandering van het bestemmingsvlak heeft geen negatieve gevolgen voor het NNB. Natura2000 De recent opgerichte veldschuur staat, in tegenstelling tot de rest van de bedrijfsbestemming, binnen Natura2000-gebied “Regte Heide & Riels Laag”. Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Nieuwe ontwikkelingen zijn hier in beginsel niet mogelijk of wenselijk. In dit geval gaat het echter om een bestaand bedrijfslocatie die van vorm veranderd zonder uitbreiding van de oppervlakte en bouw- en gebruiksmogelijkheden. Bovendien staat het bedrijf specifiek ten dienste van de natuur, aangezien het een werkeenheid huisvest voor het beheren en onderhouden van natuur. Dit bestemmingsplan heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor Natura2000.
Attentiezone waterhuishouding Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Ter bescherming van de waterhuishouding stelt het plan in ieder geval regels over:
17
•
het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; • de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; • het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; • het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. In het bestemmingsplan worden hiervoor bepalingen opgenomen middels de gebiedsaanduiding ‘overige zone – reservering waterberging’. In beginsel is geen van bovengenoemde situaties aan de orde bij dit bestemmingsplan.
Uitsnede
Interim
omgevingsverordening
kaart
5
‘Instructieregels
gemeenten:
grondwaterbescherming,
waterveiligheid en -berging’. Het plangebied is rood omlijnd. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Reservering waterberging Een bestemmingsplan van toepassing op reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. In een bestemmingsplan moet worden verantwoord op welke wijze de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van functies. De reservering waterberging is voorzien in kleine hoek in het oostelijke deel van het plangebied. Voorheen lag hier de bedrijfsbestemming, maar vanwege de vormverandering van het bestemmingsvlak is de bedrijfsbestemming hier komen te vervallen en heeft deze plaatsgemaakt voor de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden’. Binnen deze bestemming zijn nieuwe ontwikkelingen uitgesloten. Dit komt de geschiktheid van het gebied voor waterberging ten goede.
18
Uitsnede Interim omgevingsverordening kaart 7: ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’. Het plangebied is rood omlijnd. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Beperkingen veehouderij / Stalderingsgebied Deze aanduidingen zijn van toepassing op uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een veehouderij en op de toename van bestaande oppervlakten aan gebouwen en bouwwerken binnen een veehouderij. Geen van deze situaties is bij dit bestemmingsplan aan de orde. Deze aanduiding met bijbehorende bepalingen vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In paragraaf 3.1.2 van de regels van de Iov zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de evenwichtige toedeling van functies. In de verordening is bepaald dat een bepaalde bestemming pas aan gronden mag worden toegekend als sprake is van een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Daarbij moet rekening worden gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering, en meerwaardecreatie. Van zorgvuldig ruimtegebruik is in dit geval duidelijk sprake. Er wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt, maar er is sprake van vormverandering van een bestaand bouwperceel. De vormverandering gaat niet gepaard met een uitbreiding van het ruimtebeslag. De omvang van de bedrijfsbestemming wordt niet vergroot en datzelfde geldt voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Bij de lagenbenadering komen de volgende lagen en thema’s aan de orde: • de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; • de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
19
•
de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Al deze aspecten komen terug in deze toelichting bij het bestemmingsplan. In het kort kan voor al deze aspecten geconcludeerd worden dat het plan voorziet in een duurzame ontwikkeling, waarbij voldoende rekening is gehouden met de thema’s binnen de lagen (zie planologische en milieuaspecten). Vanuit de verschillende thema’s zijn er geen belemmeringen voor dit plan en het plan voorziet in een veilig en goed woon- en leefklimaat. Meerwaarde De meerwaarde kan zitten in economische, ecologische en sociale aspecten die bij de ontwikkeling zijn betrokken. Ook de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is er weinig economische of maatschappelijke meerwaarde van het project. Een meerwaarde die behaald wordt is dat ter plaatse van de aanduiding ‘reservering waterberging’ (zie eerder in deze paragraaf) de bedrijfsbestemming is komen te vervallen en de bestemming ‘agrarisch met waarden’ hiervoor terug is gekomen. De geschiktheid van het gebied voor waterberging is daarmee vergroot. Verder kan worden opgemerkt dat de nieuwe veldschuur op een aanvaardbare manier in het landschap is ingepast.
Kwaliteitsverbetering Ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap is bepaald dat een ruimtelijke ontwikkeling gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving . Daarbij moeten de afspraken uit het regionaal overleg worden nagekomen. In het geval van gemeente Goirle gaat het om het “Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant” (november 2015). Voor wat betreft de benodigde bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit wordt in de regeling onderscheid gemaakt tussen drie categorieën: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen (extra kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist). • Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).
De beoogde ontwikkeling is benoemd onder categorie 2: “Vormverandering van een (agrarisch) bouwvlak of van een bestemmingsvlak (zonder afwijking van de geldende bouwregels).” De ontwikkeling moet zodoende gepaard gaan met een goede landschappelijke inpassing. In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de realisatie van de schuur heeft
20
initiatiefnemer hierover destijds afstemming gezocht met gemeente Goirle. Op verzoek van de gemeente is de schuur wat verder van de weg af en wat meer naar het erf toe verplaatst, zodat de groenstrook tussen de weg en schuur gehandhaafd kon blijven en daarmee het zicht op de schuur ontnomen wordt. Daarmee is de schuur op een goede manier in het landschap ingepast. Conclusie Het plan past binnen het beleid zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant.
3.3. Gemeente 3.3.1. Structuurvisie Goirle In de Structuurvisie Goirle (2010) is het ruimtelijk beleid vastgelegd voor de gemeente Goirle voor de periode tot 2020. Aan de hand van te onderscheiden beleidsthema’s en deelgebieden wordt ingegaan op de toekomstige beleidsdoelstellingen voor de gemeente. Deze ambities zijn per deelgebied nader uitgewerkt. Voor dit plan is deelgebied Buitengebied Midden aan de orde:
Uitsnede uit de Structuurvisie Goirle
Beoordeling plan In de Structuurvisie Goirle wordt voor deelgebied Buitengebied-Midden aangegeven dat de nadruk ligt op versterking van de landschaps- en natuurwaarden met daarbinnen ruimte voor extensieve recreatie. De belevingswaarde van het gebied wordt daarmee vergroot. De bedrijfsbestemming uit dit bestemmingsplan is geen doorsnee bedrijfsbestemming. De bestemming is specifiek opgenomen voor een werkeenheid voor het beheer en onderhoud van omliggende natuurgebieden en educatieve doeleinden. Dit bestemmingsplan voorziet in een vormverandering van die bedrijfsbestemming zodat een vergunde en bestaande veldschuur
21
binnen het bestemmingsvlak komt te liggen. De omvang, bouw- en gebruiksmogelijkheden worden niet verruimd. De vormverandering doet geen afbreuk aan de natuur of het landschap. Het plan past binnen de kaders van de Structuurvisie Goirle.
3.3.2. Omgevingsvisie De gemeente Goirle bereidt zich voor op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2023 in werking treedt. Een van de (verplichte) instrumenten voor gemeenten, die voortvloeit uit de aankomende Omgevingswet, is de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie zet de gemeente, samen met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners, de integrale koers uit op weg naar de toekomst, gericht op een fysieke leefomgeving waarin mensen gelukkiger, gezonder en veiliger zijn. De gemeente Goirle neemt de bestaande kwaliteiten van de gemeente als vertrekpunt en houdt daarbij rekening met uitdagingen die op ons afkomen in de aankomende decennia. Daarnaast bouwt de omgevingsvisie verder op eerder opgesteld beleid van de gemeente en andere overheden. De omgevingsvisie is op 21 december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Beoordeling plan In de Omgevingsvisie is per gebied de koers bepaald. Het plangebied bevindt zich binnen het gebied ‘Buitengebied Midden’. In dit gebied hebben natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit de hoogste prioriteit. Er vinden diverse natuurontwikkelingsprojecten plaats. Andere ontwikkelingen die plaatsvinden mogen geen afbreuk doen aan de natuur en staan bij voorkeur juist ‘in dienst daarvan’. Voor nieuwe landbouwactiviteiten, zonnevelden en bedrijvigheid is geen ruimte in dit deelgebied.
Dit bestemmingsplan voorziet in een vormverandering van een bestaande bedrijfsbestemming, specifiek bedoeld voor beheer en onderhoud van natuurgebieden alsmede natuurrecreatieve en educatie activiteiten. De vormverandering van de bedrijfsbestemming is nodig, zodat een vergunde en bestaande veldschuur binnen het bestemmingsvlak komt te liggen. De omvang, bouw- en gebruiksmogelijkheden worden niet verruimd. Bovendien heeft de eigenaar van het bedrijf (Brabants Landschap) juist als doel het beschermen en beheren van de natuur-, wateren landschappelijke kwaliteiten, waarbij een goede beheerlocatie met ruimte voor opslag, beheer en onderhoud van gereedschappen en materialen onontbeerlijk is. De vormverandering doet geen afbreuk aan de natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit van de omgeving.
22
Hoofdstuk 4.
Thematische beleidskaders
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken.
4.1. Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 4.1.1. Archeologie Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Per 1 juli 2016 zijn de bepalingen van de Wamz 2007 gedeeltelijk overgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen op te nemen op de verbeelding en ze te beschermen middels regels. Beoordeling plan In het geldende bestemmingsplan Buitengebied Goirle zijn gronden aangeduid waar zich mogelijk archeologische waarden in de bodem bevinden. Deze gronden zijn aangeduid met de aanduiding ‘archeologische verwachtingswaarde’. Binnen of nabij het plangebied komt deze aanduiding alleen voor ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch – Landschaps- en natuurwaarden’ ten noorden van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’. Dat is op de plaats waar de veldschuur staat en waar zodoende een stukje bedrijfsbestemming wordt toegevoegd. Binnen de aanduiding ‘archeologische verwachtingswaarde’ ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch – Landschaps- en natuurwaarden’ geldt een vergunningsplicht voor de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage.
Verder zijn er geen concrete beperkingen, maar in algemene zin is behoud van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden belangrijk. In dit geval gaat het plan niet gepaard met activiteiten die de bodem verstoren. Het plan voorziet in een vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’. Dit is nodig zodat een bestaande veldschuur met erf binnen de bedrijfsbestemming komt te liggen. Op de plaats waar de veldschuur al staat en de bedrijfsbestemming wordt toegevoegd, geeft het huidige bestemmingsplan alleen een vergunningplicht voor de aanleg van drainage. Daarvan is geen sprake. Om ook voor de toekomst mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden te beschermen, wordt een archeologische dubbelbestemming opgenomen voor dit deel van het perceel. Ten slotte geldt dat wanneer in dit gebied tijdens toekomstige (grond)werkzaamheden toch archeologische vondsten en/of structuren worden aangetroffen, dit op basis van de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 en 5.11) zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de
23
gemeente Goirle gemeld dient te worden. Op deze manier zijn ook toevalsvondsten tijdens toekomstige (grond)werkzaamheden op een goede manier verzekerd. De beoogde ontwikkeling ondervindt geen belemmeringen ten aanzien van het aspect archeologie.
4.1.2. Cultuurhistorie en monumentenzorg Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van provincie Noord-Brabant. Het plangebied is blauw omcirkeld.
Beoordeling plan Uit de CHW blijkt dat Het Hoefke is een historische geografische lijn van hoge waarde is. De laanbeplanting aan deze straat is aangemerkt als historisch groen. Het betreft laanbeplanting van eik, Amerikaanse eik, beuk, eik, wilde lijsterbes, sporkehout en valse salie (deels 1850-1916). Verder zijn er op basis van de CHW geen cultuurhistorische waarden binnen of in de directe nabijheid van het plangebied. Dit bestemmingsplan doet geen afbreuk aan de cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.
4.1.3. Aardkunde Het plangebied ligt binnen het aardkundig waardevolle gebied “Regte Heide, Poppelsche Leij, Rovertsche Leij”. Navolgende tabel bevat de belangrijkste kenmerken en behoudenswaardige elementen. De voorgenomen ontwikkeling gaat niet gepaard met activiteiten die de aardkundige waarden zoals beschreven in bovenstaande tabel aantasten.
24
4.2. Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur.
25
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Gebiedsbescherming Een deel van de nieuwe bedrijfsbestemming ligt binnen het Natura2000-gebied “Regte Heide” en het plangebied wordt verder ook grotendeels omsloten door dit gebied. Het plangebied grenst verder aan, maar ligt niet binnen, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, zoals deze is begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant). Dit bestemmingsplan zorgt alleen voor de juridisch-planologische verankering van een reeds vergunde situatie middels een vormverandering van een bestemmingsvlak. De bouw- en gebruiksmogelijkheden nemen niet toe en ook de omvang van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ blijft gelijk. Daarmee is het uitgesloten dat dit bestemmingsplan op zichzelf zorgt voor een toename van negatieve effecten (hetzij direct, hetzij indirect zoals stikstofdepositie) op beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming De juridisch-planologische bestemmingswijziging gaat niet gepaard met bouwactiviteiten.
Daarmee is uitgesloten dat bij het plan (verblijfsplaatsen van) (beschermde) soorten verloren gaan. Zorgplicht Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt kort gezegd in dat een ieder die weet dat zijn handelen of nalaten negatieve gevolgen zal hebben voor flora en fauna, verplicht is dit handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen die de negatieve gevolgen kunnen voorkomen, beperken of ongedaan maken. Zo dient het plangebied tijdig onaantrekkelijk gemaakt te worden als leefgebied voor de kwetsbare soorten die mogelijk in het plangebied kunnen voorkomen en dienen de werkzaamheden bij voorkeur plaats te vinden buiten kwetsbare perioden van deze soortengroepen. Als tijdens de sloop-, bouw- en aanlegwerkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, moeten dusdanige maatregelen worden genomen dat de schade aan deze soorten zo veel mogelijk wordt beperkt.
4.3. Verkeer en parkeren Ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren verandert er niets ten opzichte van de huidige vergunde situatie. Aangezien de omvang van de bedrijfsbestemming en de bouw- en gebruiksmogelijkheden gelijk blijven, is ook de parkeerbehoefte ongewijzigd. Ontsluiting van het plangebied blijft plaatsvinden via Het Hoefke.
26
Hoofdstuk 5.
Milieuaspecten
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuaspecten die het meest relevant zijn voor dit bestemmingsplan.
5.1. Milieuhinder en bedrijven In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet in de vormverandering van een bedrijfsbestemming. Daarmee komt de bestemmingsgrens dichter bij een andere woning te liggen. De bedrijfswoning komt niet dichter bij een andere functie met milieuhinder te liggen en is ook niet beschermd tegen milieuhinder van het eigen bedrijf. Daarom wordt in deze paragraaf alleen ingegaan op het effect van de vormverandering van de bedrijfsbestemming. Milieu-
afstand
categorie
Gevaar
Richt-
Geluid
Dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a.)
Richtafstanden
Stof
016,1
Omschrijving
Geur
SBI2008-code
30 m
10 m
50 m
10 m
50 m
3.1
30 m
10 m
50 m
10 m
50 m
3.1
loonbedrijven: b.o. > 500 m² 016,3
Dienstverlening t.b.v. de landbouw: plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m²
021, 022, 024
Bosbouwbedrijven
10 m
10 m
50 m
0m
50 m
3.1
91041
Kinderboerderij
30 m
10 m
30 m
0m
30 m
2
De bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn in de regels van het bestemmingsplan beperkt tot ‘beheer en onderhoud natuurgebieden alsmede natuurrecreatieve en educatie activiteiten’. Een dergelijke activiteit is te typeren als “Natuurbehoud (SBI2008-code: 91042). Deze klasse omvat ‘het beheren van grond of water gericht op natuurbehoud of extensieve dagrecreatie’. Deze klasse is niet concreet opgenomen in de VNG-publicatie. De activiteiten zijn wel gelijk te stellen met de activiteiten zoals genoemd in bovenstaande tabel.
27
De VNG gaat uit van een gemiddeld modern bedrijf en kent op basis daarvan de verschillende richtafstanden toe. In dit geval is geen sprake van een bedrijf dat overeenkomt met een gemiddeld bosbouwbedrijf, loonbedrijf, hoveniersbedrijf of kinderboerderij. De werkelijke milieuhinder zal daardoor kleiner zijn dan weergegeven met de betreffende richtafstanden. De dichtstbijzijnde gevoelige of kwetsbare functie is de recreatiewoning op ruim 80 meter van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ in de nieuwe situatie. Verderop ligt de eerste volwaardige woning, op ongeveer 140 meter van de bedrijfsbestemming in de nieuwe situatie. In de nieuwe situatie wordt dan ook ruimschoots voldaan aan richtafstanden van functies die vergelijkbaar zijn met de betreffende activiteiten ter plaatse. Er is dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.2. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen.
28
Beoordeling plan Op basis van de Risicokaart (www.risicokaart.nl) is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden. Het gaat dan om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) en of zones waarbinnen het risico op een luchtvaartongeval verhoogd is. Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied of vice versa. De dichtstbijzijnde risicobron is namelijk een bovengrondse propaantank (3 m³) aan de Oud Tilburgsebaan 3a in Riel. De veiligheidsafstand bedraagt 10 meter op basis van Activiteitenbesluit milieubeheer. De werkelijke afstand vanaf deze bron tot aan het plangebied in de nieuwe situatie bedraagt ongeveer 850 meter. Buisleidingen Op ruim 1,4 kilometer ten noorden van het plangebied liggen twee aardgasleidingen type NEN3650 van de Gasunie. Het betreft de leidingen A-657 en A-532 met een maximale werkdruk van 66,20 bar. Op de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van deze leidingen zich uitstrekt tot ongeveer 175 meter aan beide zijden van de leiding. Het invloedsgebied bedraagt 7 meter. Het plangebied ligt dan ook niet binnen de plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied van deze leiding.
Transportroutes Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) of het invloedsgebied van een spoor- of waterweg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied (4 km) van de rijksweg A58, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het toxisch scenario is hierop van toepassing. Groepsrisico Op basis van artikel 8.1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan waarvan het plangebied is gelegen binnen 200 meter van een transportroute, zoals bedoeld in de regeling Basisnet, aandacht worden besteed aan het groepsrisico. In dit geval is het plan gelegen op ongeveer 3,8 kilometer van de A58. Bovendien kan worden opgemerkt dat de personendichtheid niet zal veranderen als gevolg van dit bestemmingsplan, aangezien de reeds bestaande en planologisch toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden (bedrijf plus bedrijfswoning) worden bestendigd. Op basis van artikel 7 van het Bevt is wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Daarbij moet inzicht worden gegeven in bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid bij eventuele calamiteiten. Hiervoor wordt verwezen naar de Standaard Verantwoording Groepsrisico van gemeente Goirle die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.
29
5.3. Kabels, leidingen en straalpad Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels, leidingen, hoogspanningsverbindingen en straalpaden aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
5.4. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Wegverkeerslawaai Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) heeft elke weg een geluidszone, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Het Hoefke heeft een snelheidsregime van maximaal 60 km/uur. Het plangebied is dan ook gelegen binnen een wettelijke geluidzone. Dit bestemmingsplan voorziet echter in het bestendigen van de bestaande vergunde situatie. Daarbij worden geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige functies toegevoegd. Een akoestisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven.
Spoorweg-, industrie- en luchtvaartlawaai Het plangebied ligt niet binnen de wettelijke geluidzone van een industrieterrein, spoorlijn of luchthaven en voorziet ook niet in deze geluidbronnen. Deze aspecten zijn dan ook niet aan de orde voor dit plan. Conclusie Het aspect geluid vormt in zijn geheel geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
5.5. Lucht Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit
30
• ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2).
In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening.
Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. Beoordeling plan Dit plan voorziet in de vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’. De omvang, bouwen gebruiksmogelijkheden blijven daarbij gelijk. Het plan Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Bovendien wordt geen nieuwe gevoelige
31
bestemming conform het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Het is dan ook niet nodig om een luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN)
Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is bepaald of de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is. Daaruit is gebleken dat dat voor stikstofdioxide en fijn stof de grenswaarden (jaargemiddelde concentratie PM10: 40 µg/m³, PM2,5: 25 µg/m³ en NO2: 40 µg/m³) in 2025 niet overschreden worden. Zodoende kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.