CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Vast te stellen bestemmingsplan Leijoever.pdf

Oordeelsvormend 12 januari 2021, gemeente GoirleBij agendapunt: 3.: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Leijoever (Riel)27.879 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico.

33

Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Inrichtingen In dit bestemmingsplan liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Het bestemmingsplan maakt voorts geen ontwikkelingen mogelijk, die een vergroting van het groepsrisico met zich brengen. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. In Riel is geen sprake van transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In en rond het plangebied liggen geen leidingen welke relevant zijn voor de externe veiligheid Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés).

Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten. Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen.

34

Verantwoording groepsrisico Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen èn buiten het plan. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio. Het plangebied ligt echter niet binnen een invloedsgebied. Derhalve is een verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde. Overleg Brandweer Midden- en West- Brabant. In het kader van het overleg op grond van het Bro heeft onder meer overleg plaatsgevonden met de Brandweer Midden- en West-Brabant. Deze organisatie heeft aangegeven dat het standaard advies externe veiligheid van toepassing is. Dit standaard advies is als separate bijlage opgenomen. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de bouw van woningen binnen het plangebied Leijoever. 5.3.

Kabels, leidingen en straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.

5.4.

Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Industrie Het plangebied ligt niet binnen en zone/contour van een ingevolgde de Wgh gezoneerd industrieterrein. Ook zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen nieuwe industrieën voorzien. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van andere geluidhinderlijke inrichtingen die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen het plangebied. Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde.

35

Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Rielsedijk. Door Econsultancy is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen in het onderzoek betrokken. De rapportage van dit onderzoek is als separate bijlage opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het aspect geluid. 5.5.

Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Onderhavige ontwikkeling betreft het planologische mogelijk maken van een dermate laag aantal woningen (maximaal 14), dat dit niet behoort tot een categorie van gevallen waarvoor een luchtkwaliteitonderzoek nodig is. Het bestemmingsplan draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan een (verslechtering) van de luchtkwaliteit en kan op dit vlak dus onbelemmerd doorgang vinden. Conclusie Er bestaan voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.6.

Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij "het voorkomen van nieuwe geurhinder" voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.

36

Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een "dosis-effectrelatie"(de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven "normen" vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen bij te worden aangesloten. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering. Agrarische geur Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij ( 5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object.

De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening. Conclusie Het plan ligt in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van agrarische bedrijven. Geurhinder van agrarische bedrijven vormt daarmee geen belemmering. 5.7.

Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Voor het plangebied is in maart 2010 een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het verkennend onderzoek dat de aangetoonde achtergrondwaardenoverschrijdingen geen gevolgen heeft voor de

37

volksgezondheid. De aangetoonde verhoogde concentratie met chroom is nader onderzocht. Gezien de mate en omvang van de verontreiniging met chroom in de grond kan worden gesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In het nader onderzoek is de verontreiniging met chroom in de grond afgebakend. In maart 2013 is opnieuw een aanvullende onderzoek verricht. In dit onderzoek is vastgesteld dat er geen onaanvaardbare humane risico’s aanwezig zijn. Door middel van boringen is de omvang van de bodemverontreiniging met chroom bepaald. Deze verontreiniging zal voorafgaand aan de ontwikkeling van de nieuwbouw worden gesaneerd. Beide onderzoeken zijn als separate bijlagen opgenomen. In mei 2019 is nogmaals een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest (grond) uitgevoerd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de aangetoonde achtergrond- en streefwaardeoverschrijdingen dermate licht zijn dat deze wat betreft de volksgezondheid en de functionaliteit van de bodem geen gevolgen zal hebben. Het instellen van vervolgmaatregelen hieromtrent wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Ook is de sterke verontreiniging met chroom geactualiseerd. Op basis van de analyseresultaten wordt de totale omvang van deze grondverontreiniging met gehalten boven de interventiewaarde ingeschat op circa 750 m² met een diepte van 1 meter.

Aanbevolen wordt deze verontreiniging met chroom te saneren. Tot slot is tevens een sterke verontreiniging met koper ter plaatse van de voormalige bezinkput gesitueerd. Deze verontreiniging is aangetoond in de bodemlaag 1,00 - 1,50 meter beneden maaiveld en dient in verticale en horizontale richting nader in kaart te worden gebracht. Aanbevolen wordt de omvang van de verontreiniging met koper nader te bepalen. In één van de boringen wordt de aangetroffen bodemkwaliteit met betrekking tot asbest niet aanvaardbaar geacht. Aannemelijk is dat de sterke verontreiniging met asbest enkel aanwezig is ter plaatse van deze boring. Op het overige deel van het plangebied is geen asbest aangetoond in een concentratie boven de (helft van de) interventiewaarde. Vooralsnog is het niet mogelijk om de omvang van de verontreiniging met asbest ter plaatse van de betreffende boring te bepalen, vanwege de aanwezigheid van beplanting. In het najaar van 2019 heeft een verkennend bodemonderzoek op het voorkomen van PFAS plaatsgevonden en zijn de omvang van de verontreiniging met koper (en chroom) in de grond en verontreiniging met asbest zoals geconstateerd tijdens het verkennend asbestonderzoek bepaald.

38

Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat geen PFAS is aangetoond, behoudens een licht verhoogd gehalte in één grondmengmonster. De grond is minimaal geclassificeerd als klasse wonen. De tijdens het verkennend bodemonderzoek aangetroffen sterke verontreiniging met koper is tijdens het nader bodemonderzoek ten hoogste licht aangetoond. De omvang van de sterke verontreiniging met chroom is ingeschat op maximaal 600 m² in de bodemlaag 0 tot 1 meter beneden maaiveld. Op basis van de resultaten van het nader asbestonderzoek dient aanvullende onderzoek te worden uitgevoerd. Er is echter alleen asbest aangetroffen in de grove fractie. Het is niet aannemelijk dat elders binnen het plangebied asbest wordt aangetroffen in de fijne fractie. Nader onderzoek wordt derhalve niet zinvol geacht. Ook de onderzoeksrapporten uit 2019 zijn als separate bijlagen opgenomen. In de periode februari – maart 2020 heeft een aanvullend bodemonderzoek plaatsgevonden, omdat ter voorbereiding op de grondsanering aanvullende gegevens benodigd zijn, alvorens een deelsaneringsplan kan worden opgesteld. Aanvullend op het verkennend en nader bodemonderzoek en nader onderzoek asbest uit december 2019, is daarom de Chroom-6-verontreiniging in beeld gebracht en is ook aandacht besteed aan het verwerken van gegevens in Sanscrit.

Uit de aanvullende analyses blijkt dat het gehalte aan Chroom-6 circa 1 - 3,5% van het chroom-totaalgehalte is. De omvang van Chroom-6 is gelegen binnen de chroom-totaalverontreiniging. Het volume van de aanwezige bodemverontreiniging met chroom-totaal wordt geschat op 2.055 m³ waarvan 834 m³ boven de norm. Uit de Sanscrit-berekening blijkt dat sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens, ecologie en verspreiding. Dit laatste vanwege de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied. Er wordt aanbevolen om in het deelsaneringsplan op te nemen dat dient te worden vastgelegd of sprake is van een perceeloverschrijdende verontreiniging richting Vonderstraat 18 en 20. Op basis van de voorgenomen herontwikkeling tot woongebied wordt aanbevolen om een deelsaneringsplan op te stellen met een verdere uitwerking van een leeflaagvariant. De rapportage van het aanvullend bodemonderzoek is als separate bijlage opgenomen.

39

Conclusie De verontreiniging met chroom en asbest in de bodem dient te worden gesaneerd voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend. Hiervoor wordt een saneringsplan opgesteld dat ter goedkeuring aan het bevoegd gezag wordt voorgelegd. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de vereiste sanering. 5.8.

Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt sinds 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1988. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Doel van de Wnb is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wnb. Gebiedsbescherming In het kader van de Wnb en NNN (voorheen de Ecologische hoofdstructuur) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventuele buiten het NNN geleden bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen.

Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina, Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels Laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Door Econsultancy is een natuuronderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als separate bijlage opgenomen. 40

Uit het natuuronderzoek blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de grenzen maar wel in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Regte Heide en Riels Laag, bevindt zich op circa 60 meter afstand ten zuiden van het plangebied. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie grenst direct aan een Ecologische Verbindingszone (EVZ), de beek de Leij. In lijn met de regelgeving van de Provincie Noord-Brabant betekent dit dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze zone niet negatief mogen worden beïnvloed. Bij de inrichting van de ecologische zone zal rekening worden gehouden met deze kenmerken en waarden door geen verstorende verlichting toe te passen. Naar aanleiding van de resultaten van het natuuronderzoek is door Econsultancy een aanvullend onderzoek gebiedenbescherming uitgevoerd, dat als separate bijlage is opgenomen.

Uit de toetsing van het beoogde gebruik aan de mogelijke effecten, genoemd in de effectenindicator, blijkt dat negatieve effecten op de aangewezen habitats en soorten op voorhand zijn uit te sluiten. Vanwege de ligging buiten het Natura 2000-gebied kunnen versnippering en verontreiniging worden uitgesloten. Effecten zoals optische verstoring en verandering van populatiedynamiek kunnen worden uitgesloten doordat de nieuwbouw tegen bestaande bebouwing is gelegen en er boscompensatie plaatsvindt. Tevens kunnen negatieve effecten als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woningen worden uitgesloten. Uit de Aerius-berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/hectare/jaar (zie onderzoek stikstofdepositie in de separate bijlage) en er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof. Uit een toetsing van het beoogde gebruik aan de mogelijke effecten blijkt dat negatieve effecten op het Brabants Natuurnetwerk zijn uit te sluiten. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk zijn effecten als verstoring van de natuurlijke morfologie, vermindering van areaal en vermindering van uitwisselingsmogelijkheden uit te sluiten. Tevens zorgt de aanleg van compensatiegroen ervoor dat er geen sprake is van een toename van de verstoring van licht of niet-gebiedseigen geluidbelasting tijdens de gebruiksfase.

Verhoging van de niet-gebiedseigen geluidbelasting tijdens de aanlegfase is niet uit te sluiten. Echter indien de aanleg van de woningen buiten het broedseizoen gebeurt, kunnen negatieve effecten van een tijdelijke verhoogde nietgebiedseigen geluidbelasting worden voorkomen.

41

Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. IN de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht ten nemen voor in het wild levende dieren en planten.

Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, vernielen of te verstoren. Uit het natuuronderzoek blijkt dat de loods geschikte verblijfplaatsen biedt voor de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Om vast te stellen of de loods daadwerkelijk in gebruik is als verblijfplaats is door Econsultancy aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als separate bijlage. Tijdens de veldbezoeken is geen verblijfplaats van vleermuizen vastgesteld in het gebouw binnen het plangebied. Het plangebied betreft daarnaast geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en er is geen vliegroute aangetroffen voor vleermuizen. Met betrekking tot de voorgenomen woningbouwontwikkeling alsmede sloop is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van een vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen niet aan de orde. Conclusie De voorgenomen werkzaamheden en het toekomstige gebruik binnen het plangebied leiden niet tot overtreding(en) van de Wet natuurbescherming, mits de aanleg buiten het broedseizoen plaatsvindt.

42

5.9.

Milieueffectrapportage Algemeen Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer ín lijn brengen 'van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Onderzoek De activiteit die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., zijnde "de aanleg , wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." Vanuit de zogenaamde C-lijst geldt voor de ontwikkeling geen direct m.e.r.-plicht.

De activiteit valt vanwege de omvang ervan eveneens buiten de D-lijst (D11.2), omdat de activiteit geen betrekking heeft op: - een oppervlakte van 100 hectare of meer; - een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen, of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Een (vorm)vast m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Wel dient (vormvrij) gemotiveerd te worden dat niet alsnog belangrijk negatieve effecten op het milieu zijn die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Allereerst is van belang dat met de herontwikkeling van het voormalige bedrijfsperceel geen bedrijfsactiviteiten met bijbehorende verkeersbewegingen kunnen terugkeren op de locatie. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en in vergelijking met de huidige planologische situatie is sprake van een verbetering. De effecten van woningen zijn in vergelijking van de effecten van een bedrijfsactiviteit minder belastend voor het milieu. De verkeersaantrekkende werking van een bedrijf is uiteraard afhankelijk van het soort bedrijf. Bij de herontwikkeling naar woningbouw staat vast dat geen sprake zal zijn van verkeersbewegingen als gevolg van vrachtverkeer of andere bedrijfsauto’s. De verkeersbewegingen als gevolg van de woningbouwontwikkeling zijn beperkt tot personenauto’s en daarmee passend bij een woongebied.

In relatie tot het milieu kan worden geconcludeerd dat de effecten van woningbouw op het milieu te verwaarlozen zijn ten opzichte van het effect hierop (mogelijke hinder als gevolg van geur, stof, geluid en verkeersaantrekkende werking) van een bedrijfsmatige functie.

43

Op grond van de in dit kader van het onderhavige bestemmingsplan beschreven aspecten (zie hiervoor en de vorige paragrafen) en het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.beoordelingsplicht voortvloeit, wordt geconcludeerd dat bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maken. Voor het project is geen aanleiding om een MER op te stellen. Conclusie Vanuit de m.e.r. wet- en regelgeving zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het onderhavige bestemmingsplan.

44

Hoofdstuk 6 Water De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen , zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan. 6.1.

Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Provinciaal Milieu en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015 geeft de hoofdlijnen voor het milieu- en waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn: •voldoende water voor mens, plant en dier •schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) •bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s •verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Structuurvisie De provincie gaat ervan uit dat de wateroverlast in de regionale watersystemen in 2015 aangepakt is waarbij de trits "vasthouden, bergen, afvoeren" als uitgangspunt geldt. Het vasthouden van het water vindt zoveel als mogelijk bovenstrooms op de hoger gelegen gebieden plaats in de zogenaamde brongebieden. Hier liggen kansen voor de koppeling met natuurontwikkeling en droogtebestrijding.

Ook in de nabijheid van de grote steden liggen kansen voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is waterbeheerder van onder andere de gemeente Goirle en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. 45

Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt, voor zover relevant, hierna kort besproken: - Waterbeheerplan 2016-2021; - Kadernota 2018-2027; - Ruimte voor de Rivier; - Keur Waterschap Brabantse Delta. Waterbeheerplan Brabantse Delta 2016-2021 Het waterbeheerplan is het resultaat van een dialoog tussen alle verschillende partners die belang hebben bij goed waterbeheer. Het plan geeft inzicht in de doelen die het waterschap de komende zes jaar wil bereiken. Het is afgestemd op de gemeentelijke en provinciale plannen op het gebied van waterbeheer, de Europese Kaderrichtlijn Water en de Stroomgebiedbeheerplannen voor de Maas en de Schelde. Het gaat over verschillende onderdelen: • het watersysteem, bestaande uit het samenhangende geheel van oppervlaktewater en ondiep grondwater, inclusief kunstwerken zoals pompen en stuwen; het beheer gaat dan over de waterkwaliteit en de waterkwantiteit: over de stoffen in het water, de planten en dieren in en langs het water en over aan- en afvoer van water en het regelen van de waterstanden. • de dijken (waterkeringen) langs de grote en kleine rivieren; • de rioolwaterzuiveringsinstallaties, inclusief de bijbehorende pompen en transportleidingen (samen met de gemeentelijke riolering onderdeel van de afvalwaterketen); • de regionale vaarwegen voor beroeps- en recreatievaart.

Kadernota 2018-2027 Deze nota beschrijft hoe het waterschap onder meer omgaat met een aantal uitdagingen waarvoor ze gesteld wordt. In eerste instantie gaat het om klimaatadaptatie. De effecten van klimaatverandering zijn groter dan door velen gedacht en er zal een tandje bijgezet moeten worden. Een tweede uitdaging is de waterkwaliteit. Het waterschap is inmiddels gestart met het uitvoeren van een eerste serie watersysteemanalyses, die de komende jaren worden uitgebreid. Het waterschap evalueert daarbij de huidige aanpak en combineert dit met de nieuwste, lokale en (inter)nationale kennisinzichten. Daarbij zoekt het waterschap actief de samenwerking met bedrijven, inwoners, terreinbeheerders en medeoverheden. Keur Eén van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd.

46

Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: - het dempen of wijzigen van een watergang; - het aanleggen van kabels of leidingen; - het planten van bomen en struiken; - het brengen van water in een watergang. Gemeente Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 Als antwoord op de zorgplicht voortkomend uit de Wet milieubeheer, is door de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019 (VGRP) vastgesteld. Doelstellingen van het VGRP zijn: beschermen volksgezondheid; voorkomen wateroverlast; voorkomen grondwateroverlast; voorkomen milieuoverlast; voorkomen instortingsgevaar (riolering); voorkomen langdurige lozingsbeperking (riolering); De gemeente Goirle en waterpartners streven naar een integrale en duurzame benadering van het watersysteem en de afvalwaterketen. Hierbij wordt nadrukkelijk samenwerking tussen de ketenpartners gezocht. Integraliteit en samenwerking zijn hierbij geen doelen op zich, maar essentiële randvoorwaarden om kosten en kwetsbaarheid te verminderen en de kwaliteit en kennisuitwisseling te verbeteren. Door klimaatverandering wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld.

Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Het blijven verruimen van de ondergrondse riolering is geen optie, de afvoercapaciteit zal tijdens extreme neerslagomstandigheden niet toereikend zijn en het is bovendien te kostbaar. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolstelsel. Om droge voeten te houden en schade te voorkomen wordt ruimte gecreëerd in het groen, oppervlaktewater en/of de openbare ruimte. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater, aanpassing van waterpartijen en/of bovengrondse water regulerende constructies (bovengrondse waterslimme oplossingen). Indien doelmatig draagt de perceelseigenaar een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave. Afkoppelen is hierbij één van de middelen.

47

Nieuwe ontwikkelingen en reconstructies worden hydrologisch neutraal ingepast. Gestreefd wordt om de menselijke activiteiten zo veel mogelijk af te stemmen op de natuurlijke (grond)waterfluctuaties. 6.2.

Huidige en toekomstige situatie Verdeling verhard oppervlak Het planvoornemen voorziet in een herbestemming van het plangebied ten behoeve van een passende juridische en planologische regeling voor de realisatie van woningbouw. Ten behoeve van de waterkwaliteit maakt de voorgestelde ontwikkeling gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, en zink niet toegepast, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater wordt voorkomen. In de bestaande situatie is op de onderzoekslocatie een loods aanwezig en is het overig deel van de locatie deels verhard met klinkerverharding en betonplaten. De oppervlakte van de loods en de aanwezige terreinverharding (met versnelde afvoer) bedraagt respectievelijk 800 m² en 1.200 m². Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Op basis hiervan is zowel het verhard oppervlak op de woonpercelen als van het openbaar gebied bepaald. Ter indicatie van de toekomstige erfverharding is 50% van de woonpercelen buiten de bouwvlakken voor hoofdgebouwen aangehouden voor de zes tweeonder-één kapwoningen. Ten aanzien van de acht patiowoningen nabij de Leij en de gronden met een verkeersbestemming is uitgegaan van een worst-case scenario waarbij de gronden voor 100% zijn verhard.

Oppervlaktes *

Huidige m2 verhard

Toekomstige m2 verhard

Dak

800

Erfverharding

1.200

415 (Twee-onder-één kap) 1.861 (Patiowoningen incl. perceel) 583 (1.166*50%)

Verharding openbaar

-

927 (V-VB)

Totaal

2.000

1.786

*Het bestaande achterpad, de bestaande toegangsweg vanaf de Vonderstraat (tot aan het achterpad) en het bestaande profiel van ’t Leike zijn buiten beschouwing gelaten. Deze zijn/blijven verhard.

Het Waterschap Brabantse Delta hanteert als norm dat voor ontwikkelingen met meer dan 2.000 m² toename aan verharding compenserende waterberging dient te worden gerealiseerd. Aangezien het voorliggend initiatief naar verwachting leidt tot een toename van het verhard oppervlak van 1.786 m2 is geen compenserende waterberging benodigd.

48

Omdat bij de verdere technische uitwerking van het bouwplan rekening wordt gehouden met de voorkeursvolgorde voor waterberging zoals vastgelegd in het gemeentelijk beleid (infiltreren, bufferen, afvoeren), wordt versnelde afvoer op de Leij voorkomen. In het openbaar gebied worden bovengrondse hemelwatervoorzieningen aangebracht die geschikt zijn voor de opvang (en afvoer) van overtollig hemelwater. Om het plan klimaat robuust te maken en water langer vast te houden binnen het plangebied wordt onderzocht of het mogelijk is om een gedeelte van de groenzone langs de Leij in te richten als wadi (lager dan straat en hoger dan Leij). Tot slot wordt op verzoek van het waterschap bij de nadere uitwerking nog gekeken naar de volgende mogelijkheden:  Groene daken toepassen bij de patio's;  Toepassen van een IT-riool. Bodem en grondwater De planlocatie ligt op een maaiveldniveau van circa 17,7 m + NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand bevindt zich volgens www.bodemdata.nl op 40 cm onder maaiveld. De bodemsamenstelling ter plaatse van het plangebied bestaat globaal uit de grondsoort zand (moerige eerdgronden). Oppervlaktewater en watergangen Binnen het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Zoals eerder aangegeven, grenst het plangebied aan de beek de Leij waarlangs een ecologische zone zal worden aangelegd.

Afvalwater Uitgangspunt bij elke nieuwe ontwikkeling is een volledige scheiding van hemelen afvalwater. Voor afvalwater geldt dat uitsluitend huishoudelijk afvalwater zal worden afgevoerd naar de aanwezige riolering in de omliggende straten. Hemelwater Het planvoornemen leidt naar verwachting tot een toename van het verhard oppervlak van 1.786 m2. Gelet op de norm van het waterschap is geen compenserende waterberging benodigd. Ten behoeve van de waterkwaliteit zal geen gebruik worden gemaakt van de uitlogende materialen, waardoor ook de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater wordt voorkomen. Gebiedsspecifieke waterbelangen Om de waterbelangen in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld te hebben, heeft het Waterschap Brabantse Delta de Watertoets viewer ontwikkeld. In het kader van het watertoetsproces zijn hierbij de relevante en beschikbare wateraspecten digitaal beschikbaar gesteld. Hieruit is naar voren gekomen dat de onderzoekslocatie aan de oostzijde wordt begrensd door een A-categorie watergang. Dit betreft de beek de Leij welke is aangewezen als ‘bijzonder water’ vanwege de status als ecologische verbindingszone. Ter waarborging van de verwezenlijking, behoud, beheer en herstel van het natuurlijk watersysteem is in 49

zijn algemeenheid sprake van een bufferzone van 25 meter. Binnen deze beschermingszone worden beperkingen gesteld aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing en oppervlakteverhardingen. Vanwege dit specifieke beschermingsregime heeft vooruitlopend op de bestemmingsplanprocedure afstemming plaatsgevonden met het Waterschap Brabantse Delta. Er is overeengekomen om de bufferzone binnen de onderzoekslocatie tot de Leij te verkleinen tot 10 meter, met dien verstande dat een ecologische zone wordt gerealiseerd op het te ontwikkelen Landgoed Rielsedijk. Voor de ecologische zone (binnen en buiten het plangebied) wordt in samenspraak met Waterschap en de ontwikkelaar van het beoogde Landgoed Rielsedijk aan de overzijde van de Leij een inrichtingsplan gemaakt door een landschapsarchitect. In de landschapsvisie voor het landgoed (zoals opgenomen bij de toelichting van het gelijknamige bestemmingsplan) is rekening gehouden met de woningbouwontwikkeling zoals mogelijk wordt gemaakt met het voorliggende bestemmingsplan. Volledigheidshalve wordt tevens vermeld dat de onderzoekslocatie is gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Voor een grondwaterbeschermingsgebied geldt de minst strikte vorm van bescherming, namelijk behoud van de beschermende kleilaag in de bodem.

Over het algemeen is het daarom niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijk spoor op te nemen aangezien in de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant (PMV) al is voorzien in een systeem van melding van dergelijke activiteiten. In de PMV zijn namelijk de milieuregels opgenomen ter bescherming van het grondwater dat bestemd is om drinkwater van te maken. 6.3.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water. Waterschap Brabantse Delta heeft ingestemd met de inhoud van dit hoofdstuk.

50

Hoofdstuk 7 Opzet planregels In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen. 7.1.

Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2.

Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3.

Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: - bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; - bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; - nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; - afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; - specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; - afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ; - wijzigingsbevoegdheid. Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken.

51

In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen: - Groen - Natuur - Verkeer - Verblijfsgebied - Wonen - Waarde - Archeologie Groen Structurele groene gebieden in het plangebied hebben deze bestemming gekregen. Daarnaast zijn onder meer ook in-, uitritten, voet- en rijwielpaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, evenementen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, hondenuitlaatplaatsen en hondentoiletten, speelvoorzieningen, voorwerpen van beeldende kunst en straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen bouwwerken worden gebouwd en tevens zijn kleine gebouwtjes toegestaan. Natuur De zone langs de Leij zal, als onderdeel van een ecologische zone, tot natuur worden ontwikkeld. Om de natuurwaarden ter plaatse te kunnen waarborgen, zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten en is voor grondwerkzaamheden een omgevingsvergunning vereist. Hiermee worden de natuurwaarden gewaarborgd. Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is opgenomen voor de wegen van het plangebied en is gericht op de verblijfsfunctie. Binnen de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied zijn tevens speelvoorzieningen, markten en standplaatsen voor ambulante handel en evenementen toegestaan. Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is.

Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. De begrippen aan huis verbonden beroep en bedrijf zijn omschreven in artikel 1 van de planregels. Belangrijke voorwaarden voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep en bedrijf als nevenfunctie zijn onder meer dat de nevenfunctie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en dat degene die de nevenfunctie uitoefent ook zelf de bewoner van de woning is. Voorts geldt dat geen detailhandel mag plaatsvinden en dat aan huis gebonden bedrijven behoren tot de categorie A volgens de als bijlage bij de regels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten. De toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten is opgenomen als bijlage bij de toelichting.

52

Verbeelding Op de verbeelding zijn binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak en een gebied 'bijgebouwen' aangewezen. Woningen (hoofdgebouwen) zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens een algemene regeling voor overschrijding van bouwgrenzen. Bijgebouwen mogen zowel binnen het bouwvlak als binnen het gebied 'bijgebouwen' worden gebouwd. Voor de maximale goot- en bouwhoogte van woningen gelden de maxima zoals die op de verbeelding zijn aangegeven. Op de verbeelding zijn alle woningen in een bouwvlak opgenomen. De naastgelegen gronden worden opgenomen in het gebied 'bijgebouwen'. De grens van het gebied ‘bijgebouwen’ is 6 meter uit de voorste perceelsgrens gelegd, zodat in alle gevallen voor de garage ruimte aanwezig is voor een opstelplaats voor een auto. Bouwregels De bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan het begrip bouwperceel. De omschrijving van een bouwperceel luidt als volgt: 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan'. Daarmee beslaat het bouwperceel nagenoeg altijd het gehele perceel. Het begrip bouwperceel is in die zin direct toepasbaar voor alle particuliere percelen. Onder bouwwerken vallen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen. De bouwregels maken onderscheid tussen de woning (het hoofdgebouw), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Onder bijgebouwen worden begrepen alle vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen. De begripsomschrijving is in artikel 1 opgenomen. Bijgebouwen mogen zowel binnen het bouwvlak als binnen het gebied 'bijgebouwen' worden gebouwd. De bouwmogelijkheden binnen het gebied 'bijgebouwen' worden begrensd door een absoluut aantal m². De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen dat ter plaatse van het gebied 'bijgebouwen' wordt toegestaan, is afhankelijk van de oppervlakte van het (kadastrale) perceel. De volgende indeling en maatvoering wordt daarbij gehanteerd: 1 een bouwperceel met een bouwperceel maximaal 50 m² met een oppervlakte tot 150 m² 2 een bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 60 m² 150 m² tot 200 m² 3 een bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 68 m² 200 m² tot 250 m² 4 een bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 75 m² 250 m² tot 500 m² Deze bepaling geldt alleen voor het gebied 'bijgebouwen'. Voor het bepalen van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen is dus alleen de oppervlakte die ter plaatse van het gebied 'bijgebouwen' aanwezig is, 53

bepalend. De bepaling is dus niet van toepassing op het bouwvlak voor de woning. Een aangebouwd bijgebouw mag voor woondoeleinden worden gebruikt, mits dat niet leidt tot een toename van het aantal woningen. De goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,65 meter bedragen, de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen. Indien binnen een bouwvlak voor een woning, een gebouw de maximale hoogtemaat van een bijgebouw overstijgt, dan zal dat gebouw niet worden beschouwd als bijgebouw, omdat het in bouwkundige opzicht niet ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Toetsing vindt dan plaats aan de hoogtematen voor het hoofdgebouw, de woning. Voorwaardelijke verplichtingen Er zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Eén voorwaardelijke verplichting ziet toe op de vereiste sanering van de aangewezen gronden voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend. De andere voorwaardelijke verplichting stelt eisen aan de inrichting van de gronden met de bestemming ‘Natuur’ binnen 2 jaar na het tijdstip van het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. Carports In de bouwregels is een afzonderlijke regeling opgenomen voor carports. In artikel 1 wordt het begrip carport omschreven.

Op elk bouwperceel mag maximaal één carport van maximaal 30 m² worden opgericht, welke achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning moet worden gebouwd. Daarnaast geldt, dat een carport grotendeels moet worden opgericht naast de zijgevel van de woning. De hoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen. Erfafscheidingen In de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, is een regeling opgenomen voor erfafscheidingen. Erfafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van de woning mogen niet hoger zijn dan 1 meter; overige erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter. Onder omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Beroep/bedrijf aan huis Zoals hierboven aangegeven mogen de woning en de daarbij behorende bijgebouwen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Hierbij geldt, dat maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m² mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Het percentage van 30% wordt berekend over het bestaande totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen.

54

Mantelzorg In de gebruiksregels is, naast het algemene verbod om gronden in strijd met de bestemming te gebruiken, een verbod opgenomen om bijgebouwen (niet zijnde aangebouwde bijgebouwen) te gebruiken voor (al dan niet afhankelijke) bewoning. Van deze bepaling kan worden afgeweken ten behoeve van mantelzorg. De betreffende afwijking is afgestemd op de provinciale 'Voorbeeldregeling huisvesting ten behoeve van mantelzorg 'van 23 september 2003 en opgenomen in de planregels. Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' bestemde gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op deze gronden mag slechts onder voorwaarden worden gebouwd. Bovendien is een vergunningenstelsel opgenomen voor grondwerkzaamheden. 7.4.

Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels. Anti-dubbeltelbepaling In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De antidubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm opgenomen.

Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

55

Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels. Algemene procedureregels In dit artikel zijn de regels opgenomen die burgemeester en wethouders in acht dienen te nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regel over andere eisen. Overige regels Dit artikel bevat een bepaling over de wettelijk regelingen waar in de planregels naar wordt verwezen. 7.5.

Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2). Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

56

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 8.1.

Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening moet een exploitatieplan worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorzien, tenzij het verhaal van grondexploitatiekosten over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins, zoals bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, is verzekerd. Nu deze situatie zich voordoet, kan gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan worden besloten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Het project wordt op kosten van initiatiefnemer gerealiseerd. Het bestemmingsplan is eveneens opgesteld op kosten van de initiatiefnemer. Alleen de kosten voor begeleiding van de planologische procedure komen voor rekening van de gemeente (waarvoor leges bij initiatiefnemer in rekening worden gebracht). Omdat het verhaal van kosten daarmee is verzekerd, is het op- en vaststellen van een exploitatieplan niet vereist en kan als zodanig worden besloten. Tevens is met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Onderzoek uitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6, onder f.

Bro heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De kosten voor de woningbouwontwikkeling komen volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het gaat om, een economisch uitvoerbaar plan.

8.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het plan is onderworpen aan inspraak en heeft ter inzage gelegen voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode konden zij schriftelijk een zienswijze indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van de gevoerde inspraakprocedure is een eindverslag opgesteld, dat als bijlage is opgenomen. Van het gevoerde overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is een verslag gemaakt, dat als bijlage is opgenomen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Leijoever’ heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken, van 22 mei 2020 tot en met 2 juli 2020, ter inzage gelegen. Van de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen is vier maal schriftelijk gebruik gemaakt. Van de mogelijkheid om mondeling een zienswijze bij de gemeenteraad naar voren te brengen is geen gebruik gemaakt. 57

bestemmingsplan Leijoever

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan "Leijoever" (vastgesteld)

3

bestemmingsplan Leijoever

Bijlage 1 Eindverslag inspraakprocedure

4

bestemmingsplan "Leijoever" (vastgesteld)

gen gemeente

Goirle Eindverslag inspraakprocedure voorontwerpbestemmingsplan "Leijoever" (Riel)

Gemeente Goirle Afdeling Ontwikkeling Postbus 17 5050 AA Goirle

INHOUDSOPGAVE

1. Overzicht van de gevolgde procedure 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.

Algemeen Object van inspraak Subject van inspraak Inspraakprocedure Ontvankelijkheid

3

3 3 3 3 4

2.

Samenvatting en beoordeling van de naar voren gebrachte zienswijzen

5

3.

Tenslotte

15

2

1. Overzicht van de gevolgde procedure. 1.1. Algemeen.

Artikel 150 van de Gemeentewet draagt de gemeenteraad op een inspraakverordening vast te stellen, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken. Deze verordening is de door de gemeenteraad van Goirle op 20 december 2005 vastgestelde "Inspraakverordening Goirle" (hierna te noemen: de inspraakverordening). Ten aanzien van bestemmingsplannen is op 14 december 2010 door de gemeenteraad besloten inspraak te verlenen. Tevens is een inspraakprocedure vastgesteld (zie paragraaf 1.4. Inspraakprocedure). Conform artikel 5 van de inspraakverordening van de gemeente Goirle, dienen burgemeester en wethouders ter afronding van de inspraakprocedure een eindverslag op te maken. Voorliggend stuk behelst dit verslag en bestaat, zoals voorgeschreven in artikel 5, tweede lid, onder a, b, en c, van de inspraakverordening, uit een overzicht van de gevolgde procedure en, indien van toepassing, een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraaktermijn naar voren zijn gebracht en een reactie op deze zienswijzen. 1.2. Object van inspraak.

Object van inspraak is het voorontwerpbestemmingsplan "Leijoever". 1.3. Subject van inspraak.

Inspraak is verleend aan ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. 1.4. Inspraakprocedure. De wijze waarop inspraak wordt gegeven is geregeld in de inspraakverordening. Artikel 4, tweede lid, van de inspraakverordening bepaalt dat ons college voor één of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure kan vaststellen, waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de inspraakverordening (waarin een standaardprocedure is opgenomen). Van deze mogelijkheid is op 14 december 2010 gebruik gemaakt, waarbij de volgende

inspraakprocedure is vastgesteld. 1. Burgemeester en wethouders leggen het voorontwerpbestemmingsplan, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan, ter inzage. 2. Voorafgaand aan de terinzagelegging geven burgemeester en wethouders in één of meer dag- of nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud. 3. In de kennisgeving als bedoeld onder 2, wordt vermeld: - waar en wanneer de stukken ter inzage liggen; - wie in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen naar voren brengen en - op welke wijze dat kan geschieden. 4. Insprekers kunnen bij burgemeester en wethouders schriftelijk een zienswijze omtrent het voorontwerpbestemmingsplan naar voren brengen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1153/documents/19002