CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

03- Bijlage 1 Vast te stellen BP.pdf

Besluitvormend 9 november 2022, gemeente GoirleBij agendapunt: 11: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Goorweg 323.952 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op 2 juli 2019 is de Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de volgende ambities benoemd: 1. Doelgroepen: De gemeente luistert goed naar woningzoekenden in de gemeente Goirle. 2. Duurzaamheid: De gemeente wil zorgvuldig omgaan met energie, water en grondstoffen zoals beschreven in het Milieubeleidsplan Duurzaam Goirle 2017-2022. Nieuwe woningen moeten weinig tot geen energie verbruiken en zo min mogelijk CO2 uitstoten. 36

3. Woonomgeving: De gemeente wil aantrekkelijk zijn voor jong en oud en een prettige alsmede groene omgeving bieden. Dit geldt zowel voor de woning zelf, maar ook voor de locatie, diens omgeving en de voorzieningen. 4. Nieuwbouw: De gemeente wil voldoende en de juiste woningen bouwen en de gewenste woonmilieus toevoegen. De gemeente neemt de woningbehoefte van Goirlenaren als uitgangspunt bij het bouwen en realiseren van nieuwe woningen. Bij de woningprogrammering houdt de gemeente rekening met de woningen en woonmilieus die door verhuizing beschikbaar komen. De woonvisie is tot stand gekomen op basis van een kwalitatief woonbehoefteonderzoek uit 2018 en twee bijeenkomsten (1 in Goirle en 1 in Riel) waar inwoners aan konden geven wat zijn belangrijk vinden in hun woonplaats. Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente woonmilieus toe die al in relatief ruime mate beschikbaar zijn.

Concreet zet de gemeente de komende jaren in op de toevoeging van koopwoningen in middeldure en dure categorieën om een verhuisstroom op gang te brengen. Het mogelijk maken van een nieuwe burgerwoning in de voormalige Vlaamse schuur aan de rand van de dorpskern van Riel behoort tot het middeldure tot dure segment. Gesteld kan worden dat het planvoornemen aansluit bij de ambities uit de Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022. 4.4

Groen en landschap In 2016 heeft de gemeente Goirle het Landschapsbeleidsplan vastgesteld. Het landschapsbeleidsplan bestaat uit een robuust groen raamwerk, wat verschillende ontwikkelingen in de tijd kan opvangen, wat een aantrekkelijk, beleefbaar en gevarieerd buitengebied oplevert en wat het natuurnetwerk ondersteunt en aanvult.

37

Het raamwerk bestaat uit de volgende lagen: het natuurnetwerk, de vier landschapsdelen, de drie beken, de lange lijnen van aantal doorgaande routes en het routenetwerk. Elke laag heeft zijn eigen ruimtelijke karakteristiek en eigen spelregels ter ontwikkeling. Het plangebied is gelegen in het “landschap van esdek en beemden van Riel met het Beekdal van de Leij”. Dit gebied bestaat uit een bijzondere compositie van diverse aspecten van een Middeleeuws agrarisch landschap in de hedendaagse tijd. Riel, Zandeind en Spaanse Hoek vormen een bijzonder historisch ensemble met het omringende landschap van esdekken, beemden en beekdal van de Leij. De kleinschalige linten omranden de open esdekken. Het beekdal is deels natuurlijk ingericht.

Landschap van esdek en beemden van Riel

Als concrete spelregels voor dit gebied worden aangedragen: - Essen openhouden; - Bebouwing langs de randen van de essen en kampen in ruime beplanting; - Wegen rond essen in laanbeplanting; - Netwerk van ommetjes, o.a. over verdwenen zandpaden creëren; - Beekdalranden verdichten met beplanting; - Versterking van de ecologische verbindingszone langs de Leij; - In beekdalen beplantingstructuur aanbrengen op twee manier:

38

o Bij de beemden lijnvormige houtwallen, loodrecht op de beek of parallel aan de kavelgrenzen; o Bij de moerassige laagtes en waterbergingen beekbegeleidend bos laten ontwikkelen. Voor erven en tuinen kan dit worden gecreëerd met onderstaande basisspelregels, beplantingssoorten en beheer: Schaal niveau

Basis spelregel

Materialisering

Landschap

Essen openhouden

Verbouwen van graansoorten en inzaai van akkeronkruiden stimuleren

Beplantingssoorten

Wegen rond de es is in Zomereik, wintereik of linde. laanbeplanting

Erf/tuin

Bebouwing langs Boomgroepen of solitaire Linden aan voorzijde erf, overige de randen in ruim groepen soorten elders op het erf, noot, opgaand groen kastanje, en fruitbomen, zoete kers, beuk of gewone esdoorn, es op rijkere plekken Struweel (vogel Vuilboom, kornoelje, meidoorn, bosje/geriefstruweel) sleedoorn, hondsroos, hazelaar, krentenboompje, veldesdoorn, lijsterbes, seringen, incidenteel mispel, Gelderse roos en appel

Erf

Beplanting/ bosjes Hoofdsoort zomer- wintereik, geriefhout in de lijsterbes, meidoorn, hazelaar, overhoeken rond de es sering etc. Voor het plangebied is op basis van bovenstaande een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Dit inrichtingsplan is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Zie ook paragraaf 2.4.

39

4.5

Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema’s verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Ten aanzien van deze thema's is van belang dat het onderhavige bestemmingsplan niet leidt tot een onevenredige toename van de verkeersgeneratie. Op basis van de CROW-publicatie kan de verkeersgeneratie van een ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. Voor een vrijstaande woning in de rest bebouwde kom wordt een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 vervoersbewegingen per dag voorgeschreven. Daarnaast worden 3 extra recreatiewoningen gerealiseerd binnen het plangebied. Deze recreatiewoningen kunnen geschaard worden onder de functie bungalowpark (huisjescomplex). Hiervoor geldt in de rest bebouwde kom een verkeersgeneratie van maximaal 2,3 mvt/etmaal per recreatiewoning.

Een totaal aantal van 3 recreatiewoningen leidt tot een bijkomende verkeersgeneratie van maximaal 6,9 mvt/etmaal. De totale bijkomende verkeersgeneratie voor een nieuwe burgerwoning en 3 extra recreatiewoningen bedraagt zodoende 15,5 mvt/etmaal. De woning is gelegen aan de Goorweg, welke via de Zandstraat, Tilburgseweg en Rillaerse Baan wordt ontsloten door de provinciale weg N630 richting Tilburg. Deze wegen beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met personenvervoer af te wikkelen. Daarbij wordt opgemerkt dat de verkeersgeneratie van de nieuwe burgerwoning hoogstwaarschijnlijk lager is dan het voormalige gebruik van de Vlaamse schuur als groepsaccommodatie (geschikt voor maximaal 16 personen). De verkeersgeneratie van de Vlaamse schuur weegt tevens niet op tegen de 3 extra recreatiewoningen, aangezien de nieuwe recreatiewoningen in het ideale scenario ruimte bieden aan 12 personen tegelijkertijd. Hierdoor neemt de verkeersgeneratie ten behoeve van recreatieve doeleinden af ten opzichte van de bestaande situatie. 40

Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de CROW-publicatie. Bij iedere nieuwe ontwikkeling waar nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van woningen wordt gerealiseerd geldt namelijk als voorwaarde dat het parkeren op eigen terrein wordt opgevangen. Volgens het CROW geldt voor een vrijstaande woning in een matig stedelijk gebied in de rest bebouwde kom een parkeernorm van 1,8 – 2,6 parkeerplaatsen per woning. Voor recreatiewoningen geldt (uitgaande van een bungalowparkhuisjescomplex) een parkeernorm van 1,6 – 1,8 parkeerplaatsen per recreatiewoning. Voor 3 recreatiewoningen komt dit uit op een parkeernorm van 4,8 – 5,4 parkeerplaatsen. Zodoende moet binnen het plangebied voorzien worden in een parkeernorm van 6,6 – 8,0 parkeerplaatsen voor de betreffende functies. Het plangebied biedt voldoende ruimte om aan deze eisen te voldoen. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zullen er geen belemmeringen ontstaan voor de afwikkeling van verkeersstromen. Het plangebied heeft voldoende ruimte om te kunnen voorzien in de benodigde parkeergelegenheid. Bovendien is de verplichting om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid geborgd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan, conform het “Parapluplan gemeente Goirle”.

41

HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.

Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakte van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.

Voorbeelden van objecten met gevoelige functies zijn woningen, ziekenhuizen en scholen. Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgende de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden: 1. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied); 2. Een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige 42

ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een gemengd gebied. Het plangebied zelf voorziet in de vestiging van recreatiewoningen. Daarbij komen binnen een straal van 300 meter (naast woningen) ook enkele veehouderijen, een boerderijcamping/ zorgboerderij, een adviesbureau, een atelier, bedrijfsmatige en hobbymatige statische opslag en een loon-grondwerkbedrijf voor. De minimale afstand per categorie is als volgt: Categorie

Richtafstand tot rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.5000 m

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De volgende bedrijven en inrichtingen zijn in de omgeving van het plangebied aanwezig: Locatie

Soort bedrijf

Cat.

Richtafstand

Goorweg 3 Goorweg 3a Goorweg 4 Zandeind 39

Recreatiewoningen Adviesbedrijf Atelier Teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden Boerderijcamping/ Veehouderij/zorgboerderij Melkveehouderij Overige opslag

1 1 1 2

0 meter 0 meter 0 meter 10 meter

Werkelijke afstand 0 meter 25 meter 60 meter 90 meter

3.2

50 meter

90 meter

3.2 2

50 meter 10 meter

90 meter 230 meter

Loonbedrijf t.b.v. de landbouw

2

10 meter

260 meter

Zandeind 32a Zandeind 38 Zandeind 41a Zandeind 44

Bij de ontwikkeling van de om te zetten woning in het plangebied wordt voldaan aan de vereiste richtafstanden tot de omliggende bedrijven en inrichtingen. Daarnaast 43

blijft het recreatieve gebruik binnen het plangebied behouden, waardoor de richtafstand ten opzichte van omliggende woningen ongewijzigd blijft. Met betrekking tot het planvoornemen is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor zowel de om te zetten woning (voormalige Vlaamse schuur naar burgerwoning) als de omliggende woningen in de omgeving met betrekking tot de recreatiebestemming. Conclusie Vanuit het aspect milieuhinder en bedrijven bestaat er geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.

Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

44

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10 -6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is.

Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico’s en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - De kans op een ongeval; - Het effect van het ongeval; - Het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; - De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het 45

invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Z-528-03

A58

Z-528-04

Uitsnede risicokaart

Inrichtingen In het plangebied liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. De dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd betreft de A58, die op een afstand van circa 830 meter van het plangebied is gelegen. Voor deze transportroute is een invloedsgebied van 4 km vastgesteld voor een toxisch scenario. Het plangebied is hier binnen gelegen. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verwoord moeten worden.

46

Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleiding (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied vindt transport van aardgas plaats via twee buisleidingen (de buisleidingen Z-528-03 en Z-528-04 van Gasunie). Deze leidingen zijn gelegen ten noorden (Z-528-03) en ten oosten (Z-528-04) van het plangebied op een afstand van respectievelijk circa 880 meter en 1.200 meter. Het plangebied is derhalve buiten de PR 10-6 contour van de buisleidingen gelegen. Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstanden wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst.

De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een groter afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts). In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Groepsrisicoverantwoording Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden indien het plangebied is gelegen in het invloedsgebied en er sprake is van het toevoegen van een kwetsbaar object. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico 47

(verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen én buiten het plan. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft voor de gemeente Goirle een standaardadvies opgesteld ten behoeve van kleine bestemmingsplannen die geen bijzondere of zeer kwetsbare objecten mogelijk maken, dan wel op voldoende afstand van een risicovolle inrichting of transportroute/buisleiding zijn gelegen. Zeer kwetsbare gebouwen hebben volgens het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Omgevingswet) een: - Gezondheidsfunctie met bed-gebied; - Woonfunctie voor zorg; - Onderwijsfunctie (basisschool); - Onderwijsfunctie (minderjarigen met lichamelijk of geestelijke beperking); - Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang; - Celfunctie. Met de ontwikkeling wordt geen zeer kwetsbaar object opgericht. De afstand tot het dichtstbijzijnde risicovolle transportroute en buisleidingen is circa 830 meter en er worden met het ruimtelijk plan geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied toegevoegd.

Voor wat betreft de ligging van het plangebied binnen de invloedsgebieden van de risicovolle transportroute A58 kan derhalve gebruik worden gemaakt van het standaardadvies. De standaard groepsrisicoverantwoording en het standaardadvies van de Veiligheidsregio zijn opgenomen als bijlage bij de toelichting. Conclusie Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor voorliggend planvoornemen. 5.3.

Kabels, straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.

48

5.4.

Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteiten en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Wegverkeer Het plangebied ligt net binnen de bebouwde kom en valt binnen de geluidzone van de Goorweg (binnen de bebouwde kom 30 km/uur en daar buiten 80 km/uur). Onderhavig planvoornemen voorziet in het juridisch-planologisch mogelijk maken van 1 extra burgerwoning in de voormalige Vlaamse schuur en 3 extra recreatiewoningen. Voor de recreatiewoningen geldt dat dit op basis van de Wet geluidhinder geen ‘geluidsgevoelige ruimten’ of ‘ander geluidsgevoelig gebouwen’ zijn. Hiervoor is een akoestisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk. Voor de extra woning is dit echter een ander verhaal. Hiervoor is het wel noodzakelijk een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uit te voeren. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ten behoeve van de bestemmingsplan wijziging aan de Goorweg 3 te Riel heeft K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai (toegevoegd als bijlage). Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Goorweg, Zandeind en Spaansehoek.

Goorweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 46 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. Zandeind De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 42 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. Spaansehoek De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 27 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. 49

De Wet geluidhinder legt ten gevolge van de bovengenoemde wegen geen restricties op aan het plan. Industrie Uit paragraaf 5.1 is gebleken dat het planvoornemen voldoet aan de gestelde richtafstanden op het gebied van geluid uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Een nader akoestisch onderzoek industrielawaai is daarmee niet noodzakelijk. Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde. Conclusie In het kader van de Wgh gelden geen restricties voor dit bestemmingsplan. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.5.

Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen negatieve effecten van luchtverontreiniging. Niet in betekende mate In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. Voorliggend initiatief maakt het mogelijk om 3 extra recreatiewoningen te realiseren en de voormalige Vlaamse Schuur om te zetten in een burgerwoning. De realisatie van de burgerwoning en 3 extra recreatiewoningen draagt ‘Niet in betekende mate’ 50

bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen betekend dat een verdere toetsing niet noodzakelijk is. Luchtkwaliteit ter plaatse Omgekeerd dient aangetoond te worden dat ter plaatse van een het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. In de wet zijn grenswaarden opgenomen ten aanzien van de jaargemiddelde concentraties voor onder andere stikstofdioxide en fijnstof. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/ m3

Fijnstof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/ m3

Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

20 µg/ m3

Volgens de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bedraagt de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse ongeveer 18 μg/m³ (PM10) en ongeveer 10 μg/m³ (PM2,5) en de achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NO2) ter plaatse ongeveer 16 μg/m³. Er wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldaan. Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Conclusie Er bestaan voor het initiatief geen belemmeringen ten aanzien van het aspect lucht. 5.6.

Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de 51

toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er worden in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij “het voorkomen van nieuwe geurhinder” voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een “dosis-effectrelatie” (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonende) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven “normen” vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen bij te worden aangesloten. Voor enkele bedrijfscategorieën is derhalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering.

Agrarische geur Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald.

52

Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3 2,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3

Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buitende bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Het perceel aan de Goorweg 3 ligt op de overgang van de bebouwde kom naar het buitengebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is uitgegaan van een minimum afstand van 100 meter, oftewel een ligging binnen de bebouwde kom. Voor de inventarisatie van de veehouderijen is gebruik gemaakt van de kaart ‘veehouderijbedrijf’ van de provincie Noord-Brabant. Het dichtstbijzijnde actieve agrarische bedrijf in de omgeving betreft het perceel Zandeind 39, op een afstand van circa 90 meter vanaf de grens van het plangebied. De afstand vanaf de nieuwe woning (voormalige Vlaamse schuur) is echter meer dan 100 meter, waardoor voldaan wordt aan de vaste afstand van de Wgv. In onderhavige situatie is daarnaast sprake van een reeds bestaande recreatieve groepsaccommodatie (Vlaamse schuur), waarbij de situatie qua ligging niet wijzigt. De nieuwe burgerwoning in de voormalige Vlaamse schuur komt niet dichter bij de veehouderij te liggen. De drie nieuwe recreatiewoningen komen tevens op een afstand groter dan 100 meter van de veehouderij te liggen.

Gesteld kan worden dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor de nabijgelegen veehouderij(en). Conclusie Het aspect geur staat daarmee de bestemmingswijziging niet in de weg. 5.7.

Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet –ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. 53

In het belang van de bescherming van het milieu, zijn om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de nieuwe bestemming. Verkennend bodemonderzoek Ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Goorweg 3 te Riel (toegevoegd als bijlage). Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Daarbij is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Er zijn behoudens de dakbedekking op de twee zuidelijke panden geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Uit de analyseresultaten blijkt dat bovengrondmengmonster MM1 (dieptetraject 00,5 m-mv., bovengrond onder de klinkerverharding) licht verhoogd is met kwik en zink. In de overige boven- en ondergrond(meng)monsters zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het grondwater afkomstig uit beide peilbuizen blijkt licht verhoogd met barium.

In peilbuis 01 is tevens een licht verhoogd gehalte aan cadmium en zink gemeten ten opzichte van de streefwaarde.

54

Situatietekening onderzoekslocatie met boor- en fotopunten

De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek asbest in bodem onderzoek conform de NEN 5707 verricht naar het voorkomen van asbest in de bodem. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende bodem zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn zuidelijk twee agrarische opstallen aanwezig welke voorzien zijn van een intacte asbestverdachte golfplatendakbedekking. Deze deellocatie (voornamelijk de druipzone) is als verdacht te beschouwen. Geadviseerd wordt om ter plaatse hiervan een asbest in bodemonderzoek conform de NEN 5707 uit te voeren om het eventueel voorkomen van asbest in de bodem te onderzoeken. Dit 55

onderzoek kan ook na de eventuele sloop plaatsvinden ter vaststelling van een eindsituatie. Zodoende is een voorwaardelijke verplichting voor het uitvoeren van een asbestonderzoek naar asbest in de bodem opgenomen in de planregels. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Conclusie De bodemkwaliteit is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.8.

Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt per 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. Bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. Decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. Vereenvoudiging van de regels. Gebiedsbescherming In het kader van de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het NNN gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld.

Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.

56

Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Soortenbescherming De soorten beschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft Aeres Milieu in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie Goorweg 3 te Riel (toegevoegd als bijlage). Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. Natura 2000 De plannen zullen naar verwachting geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te 57

verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb. De te verwachten stikstofdepositie is verderop in deze paragraaf nader uitgewerkt. Natuurnetwerk Brabant De werkzaamheden en de toenemende verkeersbewegingen hebben naar verwachting geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde Asoorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Vogels In de schuren en de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de sloopwerkzaamheden en het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Stikstof Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op circa 1,2 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. 58

Met behulp van een stikstofdepositieonderzoek met de AERIUS-calculator is inzichtelijk gemaakt of het planvoornemen van invloed is op de Natura 2000gebieden. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. Hierdoor is uitsluitend de gebruiksfase bekeken. Uit de berekeningen blijkt dat gedurende de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn berekend. Een vergunning inzake de Wet natuurbescherming is dus niet vereist. Vanwege de aard en omvang van het voornemen wordt geen significant effect op het Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ verwacht. Geconcludeerd kan worden dat stikstof ook geen problemen oplevert voor voorgenomen ontwikkeling. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied ondervindt ten aanzien van natuur geen belemmeringen.

59

HOOFDSTUK 6 WATER De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan. 6.1.

Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationaal waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een voortuitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) vastgesteld.

Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. 60

Doelen van het Provinciaal Milieu- en Waterplan: • Voldoende water voor mens, plant en dier; • Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); • Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; • Verduurzaming van onze grondstoffen, energie- en voedselvoorzieningen. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. Waterbeheerplan Brabantse Delta 2016-2021 Het waterbeheerplan is het resultaat van een dialoog tussen alle verschillende partners die belang hebben bij goed waterbeheer.

Het plan geeft inzicht in de doelen die het waterschap de komende zes jaar wil bereiken. Het is afgestemd op de gemeentelijke en provinciale plannen op het gebied van waterbeheer, de Europese Kaderrichtlijn Water en de Stroomgebiedbeheerplannen voor de Maas en de Schelde. Het gaat over verschillende onderdelen: •

Het watersysteem, bestaande uit het samenhangende geheel van oppervlaktewater en ondiep grondwater, inclusief kunstwerken zoals pompen en stuwen; het beheer gaat dan over de kwaliteit en de waterkwantiteit: over de stoffen in het water, de planten en dieren in en langs het water en over aan- en afvoer van water en het regelen van de waterstanden;

•

De dijken (waterkeringen) langs de grote en kleine rivieren;

•

De rioolwaterzuiveringsinstallaties, inclusief de bijbehorende pompen en transportleidingen (samen met de gemeentelijke riolering onderdeel van de afvalwaterketen);

•

De regionale vaarwegen voor beroeps- en recreatievaart. 61

Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is, zijn: - Het dempen of wijzigen van een watergang; - Het aanleggen van kabels of leidingen; - Het planten van bomen en struiken; - Het brengen van water in een watergang. Gemeente Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan Als antwoord op de zorgplicht voorkomend uit de Wet milieubeheer, is door de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (VGRP) vastgesteld.

Doelstelling van het VGRP zijn: - Beschermen volksgezondheid; - Voorkomen wateroverlast; - Voorkomen grondwateroverlast; - Voorkomen milieuoverlast; - Voorkomen instortingsgevaar (riolering); - Voorkomen langdurige lozingsbeperking (riolering). De gemeente Goirle en waterpartners streven naar een integrale en duurzame benadering van het watersysteem en de afvalwaterketen. Hierbij wordt nadrukkelijk samenwerking tussen de ketenpartners gezocht. Integraliteit en samenwerking zijn hierbij geen doelen op zich, maar essentiële randvoorwaarden om kosten en kwetsbaarheid te verminderen en de kwaliteit en kennisuitwisseling te verbeteren. 62

Door klimaatverandering wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Het blijven verruimen van de ondergrondse riolering is geen optie, de afvoercapaciteit zal tijdens extreme neerslagomstandigheden niet toereikend zijn en het is bovendien te kostbaar. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolsysteem. Om droge voeten te houden en schade te voorkomen wordt ruimte gecreëerd in het groen, oppervlaktewater en/of de openbare ruimte. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater, aanpassing van waterpartijen en/of bovengrondse water regulerende constructies (bovengrondse waterslimme oplossingen). Indien doelmatig draagt de perceelseigenaar een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of de opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave. Afkoppelen is hierbij een van de middelen.

Nieuwe ontwikkelingen en reconstructies worden hydrologisch neutraal ingepast. Gestreefd wordt om de menselijke activiteiten zo veel mogelijk af te stemmen op de natuurlijk (grond)waterfluctuaties. 6.2.

Huidige en toekomstige situatie Verdeling verhard oppervlak Binnen het plangebied zijn op dit moment één bedrijfswoning (270 m2), twee recreatieve accommodaties (Vlaamse schuur (230 m2) en Karschop (75 m2)) en twee schuren (680 m2 en 280 m2) aanwezig. Daarnaast is er terreinverharding aanwezig in de vorm van een op- en afrit. De meeste terreinverharding ligt rondom de grote verouderde schuur. In de beoogde situatie worden 3 extra recreatiewoningen gerealiseerd ter vervanging van de bestaande schuur van 680 m2. Uitgaande van het stedenbouwkundig ontwerp krijgen de recreatiewoningen een oppervlakte van circa 75 m2 per verblijf, waardoor een totale dakoppervlakte ontstaat van circa 225 m2. De overige bebouwing binnen het plangebied blijft qua oppervlakte ongewijzigd. 63

Hierdoor neemt het dakoppervlak af ten opzichte van de bestaande situatie. Daarbij vindt tevens een afname plaats van de erfverharding op het perceel. In de onderstaande tabel is de geschatte afname aan verhardingen weergegeven. Hieruit blijkt dat in de beoogde situatie een afname van verhard oppervlakte plaatsvindt van circa 590 m2. Oppervlaktes Daken

Huidige m2 (circa) -Opslagloods: 285 m2 -Karschop: 75 m2 -Vlaamse Schuur: 230 m2 -Oude schuur: 680 m2 -Bedrijfswoning: 270 m2

Toekomstige m2 (circa) -Opslagloods: 285 m2 -Karschop: 75 m2 -Nieuwe burgerwoning (voormalige Vlaamse Schuur): 230 m2 -Nieuwe garage/berging: 75 m2 -3 extra recreatiewoningen 225 m2 -Bedrijfswoning 270 m2

Terrein verhardingen

1.540 1.150

1.160 940

Onverhard terrein

4.640

5.230

Totaal

7.330

7.330

Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van het verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening. Daarbij is in de Verordening Hemel- en grondwater Goirle 2021 opgenomen dat bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur wordt gehanteerd. Zoals weergegeven in bovenstaande tabel is er sprake van een afname aan verhard oppervlak. De beoogde ontwikkeling voorziet daarmee in een hydrologische verbetering ter plaatse. Er kan namelijk meer hemelwater infiltreren in de bodem, waardoor compenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Bodem en grondwater In het kader van de Wro dient aangetoond te worden of de bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de nieuwe functie en hoe toekomstige verontreinigingen voorkomen kunnen worden. Het plangebied ligt op ruim 15 meter boven Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Het gebied ligt op riviergrind met een zanddek dat tot de Formatie van Sterksel wordt gerekend. De Formatie van Sterksel is een rivierafzetting afkomstig van de Rijn en 64

later van de Maas en wordt gekenmerkt door een groep van grofkorrelige sedimenten in de vorm van grindhoudende zanden aan de oppervlakte die later bedekt zijn met een dun laagje dekzand.

Bodem plangebied

De waterdoorlatendheid (k-waarde) van ‘fijn grind’ en ‘dekzand’ is respectievelijk 1.000 tot 10.000 en 1 tot 5 meter per etmaal. Daarmee is de doorlatendheid van ‘fijn grind’ zeer goed en van ‘dekzand’ goed. Het grondwater bevindt zich twee tot drie meter onder maaiveld. De bodem heeft ruime infiltratiemogelijkheden. Grondwater Binnen het plangebied worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de grondwaterstand beïnvloeden (zoals drainages en onttrekkingen). Wel ligt het plangebied (volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Hiervoor gelden rechtstreeks werkende regels ten aanzien van verboden en/of meldingsplichtige activiteiten en geldt (onder bepaalde omstandigheden) een meldingsplichtig voor het lozen van afstromend hemelwater. Oppervlaktewater en watergangen

Uitsnede Leggerkaart Brabantse Delta

65

Aan de noordzijde van het perceel is een waterloop aanwezig. Deze waterloop is door Brabant Keur gecategoriseerd als B-water. Een categorie-B waterloop is vooral van lokaal belang om voor een goede waterhuishouding te zorgen. Voor dergelijke watergangen geldt dat de onderhoudsplicht in het algemeen berust bij de eigenaar of gebruiker van de aan het oppervlaktewaterlichaam grenzende gronden, voor de halve breedte van dat oppervlaktewaterlichaam. Met het voornemen vinden geen ingrepen plaats in of aan (de onderhoudszone van) de betreffende B-waterloop. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijke afvalwater wordt geloosd op de gemeentelijke drukriolering. Het mogelijk maken van een burgerwoning in de voormalig Vlaamse schuur en de realisatie van 3 extra recreatiewoningen leidt niet tot een substantiële toename van de hoeveelheid afvalwater. Hemelwater Het hemelwater zal in de toekomstige situatie, net als in de huidige situatie, op de omliggende gronden verwerkt worden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied ongewijzigd blijft. De beoogde situatie levert derhalve geen veranderingen op voor de hydrologische situatie ter plaatse.

66

HOOFDSTUK 7. OPZET PLANREGELS In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen. 7.1.

Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkebare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2.

Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan betreffende begrippen toegerekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomen dan geldt de uitleg/interpretatie die daarin in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3.

Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: - Bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; - Bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; - Nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; - Afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; - Specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; 67

-

Afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid.

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen. Recreatie De bestemming 'Recreatie' is toegekend aan gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen in de vorm van 4 recreatiewoningen en een opslagloods. Deze bestemming sluit aan bij de bedrijfsvoering van de eigenaren. De goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 en 6 meter. De maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 600 m2. Naast het recreatief nachtverblijf is tevens een bedrijfswoning toegestaan. Hiervoor is een maximale goothoogte van 5,5 meter en bouwhoogte van 10 meter opgenomen. Verder is ter plaatse van de bedrijfswoning en één recreatiewoning (Karschop) de aanduiding ‘gemeentelijk monument’ opgenomen voor de instandhouding en bescherming van deze gebouwen. Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop ‘wonen’ de hoofdfunctie is. Daarnaast zijn in de woning en in de bijbehorende bouwwerken onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. De begrippen aan huis verbonden beroep en bedrijf zijn omschreven in artikel 1 van de planregels. Verbeelding Op de verbeelding is binnen het bestemmingsvlak één bouwvlak aanwezig.

Woningen (hoofdgebouwen) zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens een algemene regeling voor overschrijding van bouwgrenzen. Verder is ter plaatse van de (voormalige) Vlaamse Schuur de aanduiding ‘gemeentelijk monument’ opgenomen voor de instandhouding en bescherming van dit gebouw.

68

Bouwregels De bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan het begrip bouwperceel. De omschrijving van een bouwperceel luidt als volgt: 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan'. Het begrip bouwperceel is in die zin direct toepasbaar voor alle particuliere percelen. Onder bouwwerken vallen gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen. De bouwregels maken onderscheid tussen de woning (het hoofdgebouw), bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. De maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 100 m2 per bouwperceel. Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag voor woondoeleinden worden gebruikt, mits dat niet leidt tot een toename van het aantal woningen. De goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 3 meter bedragen en de bouwhoogte maximaal 5,5 meter. Indien binnen een bouwvlak voor een woning, een gebouw de maximale hoogtemaat van een bijbehorend bouwwerk overstijgt, dan zal dat gebouw niet worden beschouwd als bijbehorend bouwwerk, omdat het in bouwkundig opzicht niet ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Toetsing vindt dan plaats aan de hoogtematen voor het hoofdgebouw, de woning.

Carports In de bouwregels is een afzonderlijke regeling opgenomen voor carports. In artikel 1 wordt het begrip carport omschreven. Op elk bouwperceel mag maximaal één carport van maximaal 30 m² worden opgericht, welke minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning moet worden gebouwd. Daarnaast geldt, dat een carport grotendeels moet worden opgericht naast de zijgevel van de woning. De hoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen. Erfafscheidingen In de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde is een regeling opgenomen voor erfafscheidingen. Erfafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van de woning mogen niet hoger zijn dan 1 meter; overige erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1306/documents/23983