03- Bijlage 1 Vast te stellen BP.pdf
Tekst van het document
G E ME E N T E G O IR L E
B E ST E M MI N G S PL A N G O O R W E G 3 (R IE L )
GEMEENTE BESTEMMINGPLANNUMMER
: :
GOIRLE NL.IMRO.0785.BP2022001 G O O R W E G 3 - VG0 1
SCHAAL VAN DE VERBEELDING : STATUS PLAN : DATUM TER VISIELEGGING ONTWERP : DATUM VASTSTELLING : DATUM UITSPRAAK ABRS : DATUM INWERKINGTREDING : DATUM ONHEROEPELIJKHEID : NAAM EN ADRES OPSTELLER :
1:1000 vastgesteld
ORDITO, NIEUWSTRAAT 5126 CC TE GILZE
87
PLANTOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING 1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer
5 5 6 7 7
2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4.
Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Technische infrastructuur Nieuwe situatie
8 8 10 10
3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4.
Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Regionaal Gemeente
15 19 26 27
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.
Thematische beleidskaders Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen Verkeer en parkeren
32 33 35 37 40
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8.
Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Kabels, leidingen en straalpad Geluid Lucht Geur Bodem Natuur
42 44 48 49 50 51 53 56
6. 6.1. 6.2.
Water Beleid Huidige en toekomstige situatie
60 63
3
7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.
Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel
67 67 67 70 71
8. 8.1. 8.2.
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
72 72
Bijlagen 1. Landschappelijk inpassingsplan 2. Standaardadvies groepsrisico 3. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 4. Verkennend bodemonderzoek 5. Quickscan natuurwetgeving 6. Stikstofberekening 7. Eindverslag inspraakprocedure voorontwerpbestemmingsplan 8. Eindverslag ex. artikel 3.1.1. Bro
4
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1.
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de wens om de groepsaccommodatie Vlaamse Schuur om te zetten in een burgerwoning en 3 extra recreatiewoningen op het perceel Goorweg 3 te Riel (gemeente Goirle) te realiseren. Sinds 2011 exploiteren de eigenaren recreatiewoningen vanuit het adres Goorweg 3 te Riel. De recreatiewoningen bestaan uit een Vlaamse schuur en het Karschop. De Vlaamse schuur is een groepsaccommodatie, geschikt voor maximaal 16 personen. Het Karschop is geschikt voor maximaal 5 personen. De Vlaamse schuur wordt gebruikt voor families of vriendengroepen met kinderen en andere gezelschappen. Naast recreatief gebruik wordt de Vlaamse schuur ook gebruikt voor de zakelijke markt zoals vergaderingen, teambuilding en workshops. De afgelopen jaren is het exploiteren van de Vlaamse schuur steeds meer gaan tegenstaan. Er is minder vraag naar dit soort groepsaccommodaties en bij boekingen dient zeer kritisch gescreend te worden of er bijvoorbeeld geen vrijgezellen feesten of vriendengroepen komen die vervolgens leiden tot overlast op het erf en in de omgeving. Het afgelopen jaar hebben de eigenaren, mede noodgedwongen vanwege corona, over hun toekomst nagedacht en overwegen ze te stoppen met de groepsaccommodatie. Het kleinschalige Karschop wordt geboekt door een ander publiek.
Veelal senioren (die willen fietsen in de omgeving), stelletjes of zakelijke reizigers. Dit past beter bij de eigenaren. Graag willen ze hun bedrijfsvoering er op aanpassen. Het college heeft op 20 juli 2021 besloten om medewerking te verlenen aan een planologische procedure voor één extra woning en de realisatie van 3 recreatiewoningen aan de Goorweg 3 in Goirle. Aan dit besluit zijn wel enkele voorwaarden verbonden. Om de bestemming te wijzigen is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels dit bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridischplanologisch mogelijk gemaakt.
1.2.
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Goorweg 3 te Riel, ten noordwesten van de dorpskern Riel. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Goirle, sectie K, nummers 172 en 775 en heeft een oppervlakte van 7.330 m2. 5
De begrenzing van het plangebied is gebaseerd op de kadastrale percelen. Ten noorden grenst het plangebied aan de Goorweg. De oostzijde van het plangebied grenst aan het perceel behorende bij de woning aan de Goorweg 2. Het plangebied grenst aan de zuid- en westzijde aan agrarische gronden.
Riel
Globale ligging plangebied
1.3.
Vigerend bestemmingsplan Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, gelden binnen het plangebied de volgende plannen: (Bestemmings)plan
Vastgesteld
Inwerking
ABRvS
Bestemmingsplan Buitengebied Goirle
20-04-2011
-
-
Parapluplan gemeente Goirle
12-03-2019
-
-
In 2019 is door de gemeente een parapluplan opgesteld. Een parapluplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen. Het parapluplan van de gemeente Goirle geeft extra regels over onder andere terrassen, evenementen, parkeren en ruimte tussen bouwwerken. Een paar onderwerpen hebben betrekking op het planvoornemen. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 3.3 Gemeentelijke beleid. 6
1.4.
Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5.
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijke beleidskader van het rijk, de provincie en de gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
7
HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. 2.1
Historische ontwikkeling Het dorp Riel is samengesteld uit de gehuchten Brakel, Zandeind en de dorpskom of Kerkeind. Brakel is daarvan het oudste buurtschap, waar al in de prehistorische en Romeinse tijd bewoners gevestigd waren. Zo zijn in 1840 op de heide onder Brakel meer dan 50 urnen opgegraven. Riel is een typisch Brabants esdorp. De dorpen zijn hier niet, zoals in Drenthe, concentrisch van vorm, maar langgerekt. De zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is dat de eerste ontginningsactiviteiten hier al in de 7e eeuw hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omringd werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd. Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers. In de 12e eeuw kwam er in Riel een opleving in de ontginning van de woeste gronden, doordat een kerkelijke instelling zich hierop toelegde.
Later, toen Brabant door de Staten-Generaal tot Generaliteitsland was verklaard en als een wingewest werd uitgebuit, hadden de boeren weinig reden en mogelijkheden om hun arsenaal uit breiden. De meeste boerderijen ter plaatse dateren uit het einde van de 19 e eeuw, omdat bij een grote brand in 1877 vele hoeven verloren gingen. Riel maakt deel uit van de heerlijkheid Hilvarenbeek, maar lag echter daarvan gescheiden door het grondgebied van Goirle.
2.2
Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied ligt binnen de bestaande bebouwingsconcentratie Zandeind/Goorweg met een afwisseling van (agrarische) bedrijven en woningen. Aan de noord- en oostzijde van het plangebied zijn burgerwoningen aanwezig. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan open agrarische gronden. Ten westen van het plangebied zijn agrarische gronden gesitueerd. 8
In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ (vastgesteld op 20 april 2011) heeft het plangebied de bestemming ‘Recreatie Golfbaan’ en is aangewezen als ‘gemeentelijk monument’. Het vermoeden bestaat dat hier iets fout is gegaan, aangezien het hier gaat om een Bed & Breakfast en groepsaccommodatie voor maximaal 25 personen, zoals in de tabel recreatie in de regels wel goed is verwoord.
Luchtfoto bestaande situatie
Momenteel bevinden zich op het perceel één woning (bedrijfswoning), twee recreatiewoningen (Vlaamse schuur en Karschop) en een tweetal schuren. Daarnaast is ook veel oppervlakteverharding aanwezig (onder andere bestrating en een voormalige mestsilo). De woning heeft een oppervlakte van circa 270 m2, bestaande uit één bouwlaag met kap. De Vlaamse schuur is een groepsaccommodatie geschikt voor maximaal 16 personen en heeft een oppervlakte van circa 230 m2. Karschop is geschikt voor maximaal 5 personen en heeft een oppervlakte van circa 75 m2. Op het perceel staat verder nog een grote verouderde schuur met een oppervlak van circa 680 m2. Daarnaast is nog een opslag schuur aanwezig met een oppervlakte van circa 285 m2. Deze dient voor opslag van materiaal en apparaten die nodig zijn om het perceel te kunnen onderhouden.
9
Aanzicht plangebied vanaf de Goorweg
2.3
Technische structuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.
2.4
Nieuwe situatie Planvoornemen Beoogd wordt om de groepsaccommodatie Vlaamse schuur om te zetten in een burgerwoning en 3 extra recreatiewoningen op het perceel Goorweg 3 te Riel (gemeente Goirle) te realiseren. Hierdoor zijn in de toekomstige situatie in totaal 2 woningen (bedrijfswoning en burgerwoning) en 4 recreatiewoningen aanwezig binnen het plangebied. Dit is overzichtelijk, kleinschalig en passend bij de omgeving. De Vlaamse schuur kan vanwege de indeling eenvoudig worden omgezet tot een burgerwoning. Initiatiefnemers willen de Vlaamse schuur afsplitsen en als burgerwoning verkopen. In het plan is rekening gehouden met de bouw van een garage of berging bij de nieuwe burgerwoning (voormalige Vlaamse schuur). Het vigerend bestemmingsplan laat geen burgerwoning en extra recreatiewoningen toe, waardoor de bestemming ‘Recreatie Golfbaan’ moet worden gewijzigd naar ‘Recreatie’ en ‘Wonen’. Met de opbrengst van de verkoop wordt de oude schuur (680 m2) gesaneerd, wordt het asbestdak van de opslag schuur vervangen, worden de recreatiewoningen gerealiseerd en wordt het perceel beter landschappelijk ingepast. Bedoeling is dat de huidige bedrijfswoning Goorweg 3 en de nieuwe burgerwoning (voormalige Vlaamse Schuur) gebruik gaan maken van dezelfde inrit, zodat er qua beeld sprake
10
blijft van een agrarisch erf (karakteristieke boerderijwoning met bijbehorende voormalige Vlaamse schuur waar de nieuwe burgerwoning in komt). De aanwezige oppervlakteverharding wordt grotendeels verwijderd. Hierdoor zal zowel het oppervlak aan bebouwing als het verhard oppervlak fors afnemen.
Toekomstige situatie
Voorwaarden gemeente Het college heeft besloten om medewerking te verlenen aan één extra woning en de realisatie van 3 recreatiewoningen aan de Goorweg 3 in Riel. Aan dit besluit zijn een aantal voorwaarden verbonden. In onderstaande tekst wordt het voornemen getoetst aan de opgestelde voorwaarden: 1. De extra woning moet gerealiseerd worden in of op de plaats van de bestaande bebouwing, zoals voorgesteld is in het principeverzoek; - Aan de Vlaamse schuur vinden geen externe sloop- of bouwwerkzaamheden plaats. De extra woning wordt in de bestaande bebouwing gerealiseerd. 11
2. De status als gemeentelijk monument mag niet worden aangetast; - De uiterlijke vertoning van de Vlaamse schuur, de huidige bedrijfswoning en het Karschop blijven behouden. Daarbij is het de bedoeling dat de woning Goorweg 3, het Karschop en de voormalige Vlaamse Schuur waar de nieuwe burgerwoning in komt gebruik gaan maken van dezelfde inrit, zodat er qua beeld sprake blijft van een agrarisch erf (karakteristieke boerderijwoning met bijbehorende voormalige Vlaamse schuur waar de nieuwe burgerwoning in komt). 3. Aansluiting moet worden gezocht bij de regels die voor wat betreft maatvoering gelden voor woningen en recreatiewoningen in het geldende bestemmingsplan Buitengebied; - De maatvoeringen behorende bij de bestemmingen ‘Recreatie’ en ‘Wonen’ worden overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. 4. De 3 recreatiewoningen moeten worden gesitueerd om en nabij de plaats van de bestaande verouderde schuur; - De extra recreatiewoningen zijn, evenals de verouderde schuur in de huidige situatie, gesitueerd aan de zuidoostzijde van het plangebied. 5. De bestaande verouderde schuur moet worden gesloopt en de hoeveelheid verharding op het perceel moet worden verminderd; - De bestaande verouderde schuur zal worden gesloopt, waarna de nieuwe recreatiewoningen (met een kleiner verhard oppervlak) op dezelfde locatie worden gerealiseerd.
Het voornemen leidt tot een afname van het verhard oppervlak (zie waterparagraaf voor berekening). 6. De woning en de recreatiewoningen moeten landschappelijk worden ingepast overeenkomstig de spelregels die voor erven in het Landschapsplan zijn opgenomen; - De woning en recreatiewoningen zijn, overeenkomstig de spelregels voor erven in het Landschapsplan, landschappelijk ingepast. De landschappelijke inpassing is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. 7. De woning en recreatiewoningen moeten worden ontsloten vanaf de bestaande ontsluiting en op eigen terrein moet worden voorzien in de parkeerbehoefte conform de geldende parkeernomen; - Bedoeling is dat de huidige bedrijfswoning Goorweg 3 en de nieuwe burgerwoning (voormalige Vlaamse Schuur) gebruik gaan maken van dezelfde inrit. Daarbij wordt ruimte vrijgehouden op eigen terrein om te voorzien in de parkeerbehoefte. 12
8. Uit milieuonderzoek moet blijken dat de woning geen belemmering vormt voor omliggende agrarische bedrijven; - In paragraaf 5.1 van deze toelichting is onderzocht of de woning een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven en omgekeerd. Vanuit het aspect milieuhinder en bedrijven bestaat er geen belemmering voor het planvoornemen. 9. Een omgevingsdialoog moet worden gevoerd; - Een omgevingsdialoog wordt gevoerd met omwonenden. In paragraaf 8.2 (maatschappelijke uitvoerbaarheid) wordt hier verder op ingegaan. 10. De aanvrager moet met succes een bibob onderzoek doorlopen. - De aanvrager zal een bibob onderzoek doorlopen. Dit zal bij de omgevingsaanvraag plaatsvinden. Landschappelijke inpassing De ruimtelijke ontwikkeling dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Hierbij dient het plangebied landschappelijk ingepast te worden overeenkomstig de spelregels uit het Landschapsbeleidsplan van de gemeente Goirle. Voor het planvoornemen is een Landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (toegevoegd als bijlage). In dit inrichtingsplan is de landschappelijk inpassing uitgewerkt. De uitvoering en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.
De landschappelijke inpassing vindt bij onderhavige ontwikkeling plaats door het duurzaam inrichten van het erf binnen ‘het landschap van esdekken’. Erven worden landschappelijk ingepast binnen dit landschap. Hiertoe zal bij de Goorweg 3 een groene kamer gerealiseerd worden in het landschap met het erf als zichtlijn naar het Esdek. Het ensemble van de drie karakteristieke gebouwen wordt landschappelijk ingepast door de westkant haar openheid te behouden. Aansluiting bij de kern Zandeind wordt gezocht door een nieuwe lage knip- en scheerhaag aan te planten. Aan de noordoostkant zal een grasstrook worden aangelegd. Het parkeren wordt deels verscholen achter de beukenhagen en een hoge haag scheidt het parkeren van de moestuin. Aan de oostzijde wordt het huidige voetbalveldje ingericht als weide voor kleinvee. In de weide worden zes hoogstamfruitbomen aangeplant Dit kunnen kersenbomen, 13
appelbomen, perenbomen of pruimenbomen zijn. Een houten hek begrensd de weide. Aan de zuidoost zijde zullen binnen het hek struiken worden aangeplant. Dit kunnen de meidoorn, esdoorn, hazelaar of lijsterbes zijn. De bestaande Oude schuur gaat plaats maken voor drie recreatiewoningen. De gebouwen worden ontsloten vanaf het erf. Elke woning heeft een eigen terras en parkeervak. Voor het creëren van privacy tussen de recreatiewoningen worden er knip- en scheerhagen aangeplant van 1,5 meter hoog. Inheemse struiken en kleine bloemen veldjes zullen de biodiversiteit vergroten. De bestaande opslagloods staat in het open landschap. De tuin van de Vlaamse schuur waar de nieuwe burgerwoning in komt wordt begrensd door een hoge knipen scheerhaag. Achter de nieuwe burgerwoning (voormalige Vlaamse schuur) wordt een garage gebouwd met twee parkeervlakken conform de parkeernormen.
14
HOOFDSTUK 3. BELEIDSKADER Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1
Rijk Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld.
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie De NOVI richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Verdere afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.
15
Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Conclusie Het Barro heeft geen betrekking op het onderhavig bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de Ladder voor duurzame verstedelijking – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en onaanvaardbare leegstand te voorkomen.
16
Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van de Bro gedefinieerd als: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. In de ‘overzichtsuitspraak’ van de Raad van State is gedetailleerd uiteengezet wanneer een stedelijke ontwikkeling vervolgens als ‘nieuw’ is aan te merken en aldus sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit de uitspraak volgt dat een voorziene ontwikkeling voldoende ‘substantieel’ moet zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te classificeren. Om te bepalen of een voorziene ontwikkeling voldoende ‘substantieel’ is, wordt in onderlinge samenhang bezien of sprake is van een substantiële toename van het ruimtebeslag en/of een substantiële functiewijziging. Uit de rechtspraak volgt dat voor de realisatie van een nieuw gebouw met een bruto vloeroppervlak kleiner dan 500 m² er in beginsel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voor bestaande gebouwen kan naar de toename in bruto vloeroppervlakte ten opzichte van de bestaande bruto vloeroppervlakte worden gekeken. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Toetsing plangebied Voorliggend initiatief maakt het mogelijk om 3 extra recreatiewoningen te realiseren en de voormalige Vlaamse Schuur om te zetten in een burgerwoning. Het toevoegen van een woonbestemming met ruimte voor één burgerwoning blijft onder de gestelde Ladderplichtige grens van 12 woningen. Met betrekking tot de extra toe te voegen recreatiewoningen dient bekeken te worden of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling, omdat de bestemming wijzigt van ‘Recreatie – Golfbaan’ naar ‘Recreatie’. In de bestaande situatie is (juridischplanologisch gezien) maximaal 680 m2 aan bedrijfsgebouwen toegestaan. De werkelijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen in de bestaande situatie bedraagt echter nog meer (1.270 m2). In de toekomstige situatie wordt een totale oppervlakte van 600 m2 aan bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt in de bestemmingsregels. Voor 17
bestaande gebouwen kan naar de toename in bruto vloeroppervlakte ten opzichte van de bestaande bruto vloeroppervlakte worden gekeken. Onderhavig planvoornemen leidt (op basis van de planologische mogelijkheden) tot een afname van de bruto vloeroppervlakte ten opzichte van de bestaande situatie. Daarbij neemt de werkelijke oppervlakte aan bebouwing binnen het plangebied met 685 m2 nog meer af (1.270 m2 - 585 m2). Werkelijke oppervlakte bedrijfsgebouwen Bestaand
Toekomstig
Opslagloods
285 m2
Opslagloods
285 m2
Karschop
75 m2
Karschop
75 m2
Vlaamse schuur
230 m2
Recreatiewoning 1
75 m2
Oude schuur
680 m2
Recreatiewoning 2
75 m2
Recreatiewoning 3
75 m2
Totaal
1.270 m2 Totaal
585 m2
Het voornemen wordt zodoende niet beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet verder doorlopen hoeft te worden. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden. Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort. Conclusie De Chw is niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan, omdat dit plan niet kan worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals omschreven in de Chw. 18
3.2
Provincie Omgevingsvisie Noord-Brabant De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultuur erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de provincie alvast een provinciale Omgevingsvisie gemaakt. De Omgevingsvisie is door de provinciale staten vastgesteld op 14 december 2018 en geeft de belangrijkste hoofdopgaven van het provinciaal beleid ten opzichte van de fysieke leefomgeving tot 2050. Ook geeft de Omgevingsvisie aan op welke manieren de provincie wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken met betrokkenen en de waarden die daarbij centraal staan. De visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat iedere overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan deze regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. In de Omgevingsverordening zijn de kaderstellende elementen uit de Omgevingsvisie vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is: “werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. De vier hoofdopgaven komen voort uit de basisopgave: •
Hoofdopgave I: werken aan de Brabantse energietransitie;
•
Hoofdopgave II: werken aan een klimaatproof Brabant;
•
Hoofdopgave III: werken aan de slimme netwerkstad;
•
Hoofdopgave IV: werken aan een concurrerende, duurzame economie.
Om de doelen voortkomend uit de hoofdopgaven te bereiken, zet de provincie Noord-Brabant in op een samenhangende ruimtelijke koers. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, SVRO, PVVP). Grote 19
delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks thuis in de programma’s. Conclusie De beleidsmatige uitgangspunten van de visie zijn, voor de aspecten waarop het provinciaal belang in geding is, zijn uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is de vervanger van verschillende provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte. De Omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening bestaat uit de samenvoeging van bestaande regels uit verschillende verordeningen. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve Omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening gaat tegelijk met de Omgevingswet van kracht. De verordening is één van de uitvoeringsreglementen van de provincie om haar doelen te realiseren. In de Omgevingsverordening vertaalt de provincie kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Het plangebied valt volgens de Interim Omgevingsverordening onder de volgende gebieden: •
Diep grondwaterlichaam (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)
•
Geen Attentiezone waterhuishouding (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)
•
Grondwaterbeschermingsgebied – maximale boordiepte 20 meter (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)
•
Grondwaterbeschermingsgebied (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen & instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en - berging) 20
•
Waterwinning voor menselijke consumptie (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)
•
Bescherming Natura 2000 (Rechtstreeks werkende regels: landbouw)
•
Stalderingsgebied (Rechtstreeks werkende regels: landbouw & instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen)
•
Verbod uitbreiding veehouderij (Rechtstreeks werkende regels: landbouw)
•
Concentratiegebied (Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed)
•
Stedelijk gebied (Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed)
•
Landelijk gebied (Rechtstreeks werkende regels: landbouw & instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied)
•
Verstedelijking afweegbaar (Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed)
•
Gemengd landelijk gebied (Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied)
•
Beperkingen veehouderij (Instructieregels gemeenten: ontwikkelingen)
specifieke
gebieden
voor
agrarische
•
Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied (Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid, en – berging)
•
Normen wateroverlast (Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid, en – berging)
Op basis van de Interim Omgevingsverordening worden de 3 extra recreatiewoningen deels binnen het Stedelijk gebied en gedeeltelijk binnen het Landelijk gebied (zie onderstaande uitsnede) gerealiseerd. Aangezien deze gebieden niet los van elkaar beschouwd kunnen worden, is voor alle recreatieve gronden binnen het voornemen aansluiting gezocht bij de eisen die gelden voor het Landelijk gebied. De realisatie van een nieuwe wooneenheid binnen de voormalige Vlaamse schuur vindt plaats binnen Stedelijk gebied. 21
Ligging plangebied t.o.v. het landelijk gebied
Landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel. Hierbij mag er geen splitsing plaatsvinden van het bouwperceel en dient alle overtollige bebouwing te worden gesloopt. Verder moet de vestiging passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Onderhavig planvoornemen voorziet, binnen de regelgeving voor Landelijk gebied, in de realisatie van 3 extra recreatiewoningen. De extra recreatiewoningen worden gerealiseerd ter vervanging van de verouderde schuur. De vervanging vindt plaats op hetzelfde bouwperceel en leidt tot een afname in zowel oppervlakteverharding als bebouwing. Daarbij vindt er geen splitsing plaats van het bouwperceel. Verder past de vestiging binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, omdat het gebruik ongewijzigd blijft en het voornemen geen negatieve effecten op de omliggende omgeving heeft, zoals verderopin deze toelichting getoetst is. Stedelijk gebied Voor het bouwen van woningen binnen het 'Stedelijk gebied' geldt als voorwaarde dat dit past binnen de regionale afspraken die over wonen en voorzieningen zijn gemaakt. Het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik staat hierbij centraal en is uitgangspunt voor elke stedelijke ontwikkeling.
Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen het ‘Stedelijk gebied’ en dat de ruimte binnen het ‘Stedelijk gebied’ zo goed als mogelijk wordt benut.
22
Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van een groepsaccommodatie (voormalige Vlaamse schuur) naar een burgerwoning. Hierbij wordt de nieuwe burgerwoning gerealiseerd in de bestaande bebouwing. Door de omzetting binnen de bestaande bebouwing is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Verder is in paragraaf 3.1 onder Ladder voor duurzame verstedelijking beschreven dat onderhavig planvoornemen niet aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het planvoornemen is derhalve in lijn met het gestelde in de Interim Omgevingsverordening ten aanzien van wonen in het stedelijk gebied. Overige gebieden De overige instructieregels en/of rechtstreeks werkende regels behorende bij de gebieden waar het plangebied onder valt zijn niet direct van toepassing op het plangebied en/of voornemen. Daarnaast geldt voor elke ruimtelijke ontwikkeling de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2, artikel 3.5 van de Interim Omgevingsverordening. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Hiervoor moet rekening worden gehouden met: •
Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6);
•
De waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7);
•
Meerwaardecreatie (art. 3.8).
Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel verstaan. Het beoogde initiatief heeft betrekking op het omzetten van de voormalige Vlaamse schuur naar een burgerwoning en de realisatie van 3 extra recreatiewoningen. De ontwikkelingen vinden plaats op een bestaand bouwperceel. Daarbij vinden de ontwikkelingen grotendeels plaats binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’. 23
Zodoende kan gesteld worden dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. De bebouwingsregelingen uit het vigerende bestemmingsplan worden zoveel mogelijk overgenomen. Daarbij wordt de overtollige bebouwing (verouderde schuur) gesloopt, waardoor de oppervlakte aan bebouwing afneemt. Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit zoals beschreven in artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening. Toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: •
De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
•
De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;
•
De bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Door actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in deze toelichting. Meerwaardecreatie (art. 3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: •
De mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;
•
De bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening kan deel uit maken van de 24
meerwaardecreatie. In de beoogde situatie wordt invulling gegeven aan de meerwaardecreatie door middel van een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Het planvoornemen betreft het omzetten van de voormalige Vlaamse schuur naar een burgerwoning en de realisatie van 3 extra recreatiewoningen. Voorafgaand aan de ontwikkeling zal de verouderde schuur binnen het plangebied worden gesloopt, waardoor de oppervlakte aan bebouwing per saldo afneemt. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Goirle is het afsprakenkader van de regio Hart van Brabant van toepassing. Op 26 november 2015 is de notitie ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ vastgesteld. In deze notitie worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: •
Categorie 1: ruimtelijke ontwikkeling waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist);
•
Categorie 2: ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist);
•
Categorie 3: ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).
Het voorliggende initiatief heeft een zeer beperkte invloed op het landschap. Het voorgestelde planvoornemen leidt ertoe dat het verhard oppervlak afneemt en er worden uitsluitend 3 extra recreatiewoningen gerealiseerd. Qua aard en karakter past de ontwikkeling binnen categorie 2. Dit houdt in dat er een landschappelijke inpassing moet plaatsvinden. Daarvoor is een landschappelijk inpassing opgesteld (toegevoegd als bijlage 1 en uitgewerkt in paragraaf 2.4 van deze toelichting). In het landschappelijk inpassingsplan is uitgewerkt hoe er aan de kwaliteitsverbetering wordt voldaan. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een bepaling in de regels van het bestemmingsplan.
25
Conclusie Gezien hetgeen hierboven wordt beschreven is de voorgestane ontwikkeling in overeenstemming met het provinciale beleid. 3.3
Regionaal Toekomstvisie verblijfsaccommodatiemarkt Regio Hart van Brabant Binnen de regio Hart van Brabant speelt de leisure sector, waaronder de verblijfsaccommodatiesector, een belangrijke rol. De regio heeft zichzelf bovendien ten doel gesteld om de leisure sector verder te doen groeien en ontwikkelen. Mede met het oog op deze ambitie is er binnen de regio behoefte aan onderzoek naar de stand van zaken en naar de kansen in de toekomst voor de verblijfsaccommodatiemarkt. De ‘Toekomstvisie verblijfsaccommodatiemarkt Regio Hart van Brabant’ betreft een rapportage van de bevindingen van dit onderzoek. Er zijn in totaal afgerond 11.200 verblijfseenheden, goed voor ruim 51.000 slaapplaatsen in de regio. De campingsector heeft hierin het grootste aandeel (circa 6.200 standplaatsen, waarvan 2.650 toeristisch). Maar ook het aantal verblijfseenheden in de andere typen accommodaties is substantieel. Zo zijn er afgerond 1.750 hotelkamers en 1.600 vakantiewoningen te vinden in de regio. De gemeenten Hilvarenbeek, Loon op Zand en Oisterwijk hebben het grootste totaalaanbod met elk meer dan 2.000 verblijfseenheden en rond de 10.000 bedden. Gilze en Rijen, Tilburg, Waalwijk en -op enige afstand -Heusden vormen ‘de middenmoot’. Het aanbod in Goirle en Dongen is betrekkelijk klein.
Voor de gehele verblijfsaccommodatiesector in Hart van Brabant is de bezettingsgraad bovengemiddeld, maar de ontwikkeling in de tijd blijft steken of is zelfs neerwaarts. Dit is in tegenstelling tot de positieve ontwikkelingen elders in Nederland. Uit de groeiprognoses kan afgeleid worden dat de vraag naar verblijfsaccommodaties in Hart van Brabant zich per segment geheel verschillend zal ontwikkelen. Bij zowel hotels als vakantiewoningen is marktruimte voor alle huidige plannen die een grote mate van zekerheid hebben. Daarbij geldt voor vakantiewoningen, nog meer dan in de andere sectoren, dat aanbod vraag creëert. Via een andere methode is berekend dat bij de campings min of meer marktevenwicht is, terwijl bij de groepsaccommodaties nog marktruimte is voor nieuwe plannen. Ondanks dat er in de sector voor groepsaccommodaties nog marktruimte is, zijn er nauwelijks plannen voor nieuwe accommodaties of uitbreiding daarvan. 26
Toetsing plangebied Voorliggend initiatief maakt het mogelijk om 3 extra verblijfseenheden te realiseren. Momenteel is het aanbod in de gemeente Goirle betrekkelijk klein. Binnen de sectoren voor groepsaccommodaties en vakantiewoningen is er nog marktruimte. Hierbij valt op te merken dat er nauwelijks plannen zijn voor nieuwe groepsaccommodaties of de uitbreiding daarvan en dat de vraag naar vakantiewoningen mee stijgt bij het vergroten van het aanbod. Het vergroten van het aanbod binnen de gemeente Goirle met 3 verblijfseenheden leidt hiermee niet tot een overschot in aanbod. Geconcludeerd kan worden dat een dergelijke (kleinschalige) uitbreiding van verblijfsaccommodaties past binnen de behoefte in de regio. 3.4
Gemeente Omgevingsvisie De Omgevingsvisie, vastgesteld op 10 januari 2022, is opgesteld ter voorbereiding op de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat een aantal instrumenten waarmee overheden de doelen van de wet in de praktijk gaan brengen. Eén van de (verplichte) instrumenten voor gemeenten, die voortvloeit uit de aankomende Omgevingswet, is de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie wordt - samen met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners - de integrale koers uitgezet op weg naar de toekomst, gericht op een fysieke leefomgeving waarin mensen gelukkiger, gezonder en veiliger zijn. De omgevingsvisie vormt hiermee een leidraad voor de inrichting van de fysieke leefomgeving voor de middel- (5-10 jaar) en lange termijn (>10 jaar). De ontwikkeling is gelegen in het deelgebied ‘Dorpskern Riel’. Dit deelgebied is ontstaan vanuit een historisch woonlint, op de hoger gelegen gronden ten westen van het beekdal, die wordt gevormd door de Kerkstraat – Dorpsstraat – Zandeind. Tussen het historisch dorpslint en de kleine woonwijken bevinden zich in de kern enkele groene, open ruimten. Deze achter-terreinen versterken het groene, landelijke karakter van de Riel en verzachten de strakke dorpsranden van Riel. Delen hiervan zijn ook aangemerkt als particulier waardevol groen. Bovendien blijft het historische dorpslint goed zichtbaar.
Deze cultuurhistorische structuur die Riel een blijvend dorps karakter geeft, moet ook in de toekomst zoveel mogelijk behouden blijven. Een randvoorwaarde binnen dit deelgebied is dat mogelijke ontwikkelingen in en rondom Riel niet voorbij mogen gaan aan het ‘dorps karakter’. Daarbij wordt ingezet 27
op vergroening van verhard oppervlak op openbaar én particulier terrein. Tot slot wordt (samen met eigenaren) gewerkt aan de verduurzaming van gebouwen. Het gaat daarbij om alternatieve warmtebronnen voor aardgas, energiebesparende maatregelen (bijvoorbeeld isolatie) en mogelijkheden tot kleinschalige opwekking van energie (zon op dak).
Uitsnede deelgebied ‘Dorpskern Riel’, plangebied rood omlijnd
De verouderde stal zal worden gesloopt, waardoor de oppervlakteverharding op het perceel afneemt. Het plangebied wordt daarnaast zorgvuldig landschappelijk ingepast, waarmee aangesloten wordt bij het omliggende landschap. Dit inrichtingsplan is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd (zie ook paragraaf 2.4). De situering en uitstraling van de gebouwen aan de straatzijde blijven hierbij behouden.
28
Hierdoor wordt het ‘historische dorpslint’ en ‘dorpse karakter’ op deze locatie in stand gehouden en voorziet het planvoornemen in een afname van circa 590 m2 aan verhard oppervlak. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie voor vergroening van verhard oppervlak op particulier terrein. Verder worden met het planvoornemen 3 extra recreatiewoningen toegevoegd, waardoor de mogelijkheid ontstaat om de nieuwe gebouwen duurzaam te ontwikkelen. Conclusie De onderhavige ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de ‘Toekomstvisie gemeente Goirle 2020’ vastgesteld onder de titel ‘Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend’. Deze visie –gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’– dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente. Goirle is Groen De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad. Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid.
Problemen worden door onze inwoners zoveel mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken aan handelen vanuit de ‘menselijke maat’. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun direct naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. 29
Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol. Conclusie Met de ontwikkeling wordt ruimte gegeven aan een particulier initiatief om 3 extra recreatiewoningen te realiseren ter vervanging van de sloop van een verouderde schuur. Daarbij wordt de voormalige Vlaamse schuur omgezet naar een burgerwoning. De beoogde ontwikkeling is passend binnen de beleidskaders van de toekomstvisie, omdat het planvoornemen een economische ontwikkeling betreft die een gewenste bijdrage levert aan het voorzieningenniveau voor verblijfsrecreatie en wonnen in de omgeving. Bestemmingsplan Het plangebied is in het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Goirle” gedeeltelijk bestemd als ‘Recreatie Golfbaan’ en gedeeltelijk als ‘Agrarisch Landschapswaarden’ en is aangewezen als ‘gemeentelijk monument’.
Het vermoeden bestaat dat hier iets fout is gegaan, aangezien het hier gaat om een Bed & Breakfast en groepsaccommodatie voor maximaal 25 personen, zoals in de tabel recreatie in de regels wel goed is verwoord. Op de recreatieve gronden ter plaatse van het plangebied is maximaal 1 bedrijfswoning en 680 m2 aan bedrijfsgebouwen toegestaan. De werkelijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen (exclusief bedrijfswoning en bijgebouw) bedraagt 1.270 m2, waardoor de bestaande situatie in strijd is met de vigerende planregels. Voor de bedrijfsgebouwen zijn een goot- en bouwhoogte van 3 en 6 meter toegestaan.
30
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
De initiatiefnemer wil in het plangebied 3 extra recreatiewoningen realiseren en de voormalige Vlaamse schuur (groepsaccommodatie) omzetten naar een burgerwoning. Het toevoegen van een tweede woning is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Om de nieuwe burgerwoning toch mogelijk te maken, dient de vigerende bestemming ter plaatse van de nieuwe woning omgezet te worden naar de bestemming ‘Wonen’. Verder dienen de overige gronden te worden bestemd ten behoeve van de bestemming ‘Recreatie’ met een maximale oppervlakte aan toegestane bedrijfsgebouwen van 600 m2, waardoor de gebruiks- en bouwmogelijkheden van het plangebied (in tegenstelling tot de huidige situatie) overeenkomt met de aanwezige situatie. Conclusie Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
31
HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema’s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1
Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Stedenbouwkundige uitgangspunten Om qua schaal en maat aan te sluiten bij de bestaande bebouwing en omliggende percelen, worden de stedenbouwkundige uitgangspunten uit het vigerend bestemmingsplan waar mogelijk aangehouden. Dit betekent dat een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter voor de woning (hoofdgebouw) wordt gehanteerd. De maximale oppervlakte aan toegestane bedrijfsgebouwen zal echter verlaagd worden van 680 m2 naar 600 m2. In de bestaande situatie wordt de maximale oppervlaktemaat ruim overschreden, waardoor de werkelijke situatie niet aansluit op de planologische mogelijkheden. Door de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen te wijzigen, is er weer overeenstemming tussen de feitelijke en planologische situatie. De reeds bestaande bedrijfswoning en recreatiewoning (Karschop) blijven behouden en de voormalige Vlaamse schuur wordt omgezet naar een nieuwe burgerwoning . Daarnaast blijft de opslag schuur tevens behouden. Deze dient voor opslag van materiaal en apparaten die nodig zijn om het perceel te kunnen onderhouden. Uitsluitend de realisatie van de 3 extra recreatiewoningen en de garage/berging behorende bij de nieuwe burgerwoning leiden tot de aanleg van nieuwe bebouwing.
Deze bebouwing wordt gerealiseerd met inachtneming van de planologische/stedenbouwkundige uitgangspunten uit het vigerend bestemmingsplan. Welstand Bouwplannen moeten onder meer worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’ aldus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de bouwplannen die in de gemeente worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde 32
welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de gemeenteraad moet worden vastgesteld. In Goirle is dat gebeurd op 11 maart 2014. De Welstandsnota heeft een duidelijke relatie met bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan beschrijft naast de toegelaten functies in stedenbouwkundige termen de toegestane bouwmassa’s in een gebied en de plaats waar deze mogen worden gebouwd. Het is de taak van het welstandsbeleid te borgen dat bij veranderingen de verschijning van de bouwmassa’s passend is en blijft in de omgeving. De Welstandsnota verdeelt de gemeente hiertoe in verschillende soorten gebieden, ieder met hun eigen gebiedsgerichte criteria. Voor de gedetailleerde regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota. 4.2
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europees archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologische erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: •
De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
•
De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.
In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek 33
vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historische, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijke onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventuele aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan. Toetsing plangebied Het plangebied is op de Archeologische monumenten kaart (AMK) niet aangemerkt als een locatie van bekende archeologische waarde. Daarbij is er ter plaatse van de vigerende recreatiebestemming geen aanduiding opgenomen voor een archeologische verwachtingswaarde. De grondroerende ontwikkelingen met het voornemen vinden uitsluitend plaats binnen de vigerende recreatiebestemming, waardoor naar verwachting geen archeologische waarden worden verstoord.
Zodoende wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing In het plangebied komt geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing voor. Rijksmonumenten In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. Gemeentelijke monumenten In het vigerend bestemmingsplan is het plangebied aangemerkt als ‘gemeentelijk monument’. Het betreft bebouwing die op grond van de gemeentelijke monumentenverordening is aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Binnen het plangebied zijn de langgevelboerderij (woonhuis), de voormalige 34
Vlaamse schuur en het Karschop aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Met betrekking tot onderhavig planvoornemen heeft de gemeente als voorwaarde opgenomen dat de status als gemeentelijk monument niet mag worden aangetast. Het planvoornemen voorziet niet in uiterlijke ingrepen in of aan de betreffende bebouwing. 4.3
Volkshuisvesting Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' (Actualisering 2020) geeft inzicht in de veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking van de provincie Noord-Brabant. Deze prognoses zijn voor beleidmakers op elk maatschappelijk terrein, waaronder woningbouw en volkshuisvesting, van belang. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose neemt het inwonertal van Noord-Brabant toe van 2.563.000 in 2020 tot bijna 2.842.000 mensen in 2050. Vergeleken met de vorige provinciale prognose uit 2017 ligt de bevolkingsgroei beduidend hoger, zal een hoger ‘bevolkingsmaximum’ worden bereikt en komt het omslagpunt van groei naar krimp naar verwachting buiten de prognoseperiode (na 2050) te liggen. De woningvoorraad bereikt eveneens een grotere omvang in vergelijking met de vorige prognose uit 2017. De hogere bevolkingsgroei speelt hierbij uiteraard een rol. Samen met de vergrijzing en de individualisering leidt dit tot een sterke groei van het aantal huishoudens (en dus woningen). Verwacht wordt dat er in Brabant anno 2050 circa 1.360.000 woningen nodig zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, bijna 100.000 woningen meer dan de ramingen uit 2017.
Dat betekent een toename van een kleine 220.000 woningen ten opzichte van de 1.140.000 die er aan het begin van 2020 in de provincie staan. De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognoseperiode groeien, al vlakt de groei in de loop van de prognoseperiode wel (sterk) af. Al met al wacht Brabant de komende tijd nog een flinke woningbouwopgave, met een accent op de eerstkomende jaren. Tot 2035 zal de woningvoorraad nog met ruim 160.000 woningen moeten toenemen, waarvan 120.000 in de eerstkomende 10 jaar. Dit betekent dat er tot 2030 jaarlijks zo’n 12.000 woningen (netto) aan de voorraad zullen moeten worden toegevoegd. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen.
35
In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden. Het beleid richt zich onder meer op: •
Het bouwen van voldoende woningen en;
•
Het voorzien in een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus.
Het is dan ook van provinciaal belang, dat de regionale woningmarkt goed functioneert. Daarvoor worden in regionaal verband afspraken gemaakt. De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' geeft daarvoor, aangevuld met regionale woningbehoefteonderzoeken, waaronder het 'Woningbehoefteonderzoek Hart van Brabant', de input. Regionale afspraken Hart van Brabant De gemeente Goirle maakt samen met de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk deel uit van de regio Hart van Brabant. Binnen deze regio maken deze gemeenten jaarlijks gezamenlijke afspraken met de provincie Noord-Brabant over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de, hiervoor genoemde, periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkingsen woningbehoefteprognose. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg Midden Brabant van 19 december 2018, zijn afspraken gemaakt tussen gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk over het maximum aantal te bouwen woningen tot en met 2027. Op basis van de provinciale behoefteprognose is in de gemeente Goirle de kwantitatieve woningbehoefte voor de periode 2017-2027 840 woningen. Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie.