01 Bijlage 2 Ontwikkelperspectief Stedelijk Brabant.pdf
Tekst van het document
middelen die beschikbaar zijn voor het realiseren van het Natuur Netwerk Brabant
•
(NNB) blijven daarbij nadrukkelijk ingezet worden voor de realisering van het NNB. Het NNB is de ruggengraat van het landschappelijk raamwerk van Brabant. In het
Het Rijk betrekt de gemeenten, waterschappen en de provincie bij de het opstellen van een Handreiking Groen in en om de stad (naar verwachting eind 2023 gereed).
•
het formuleren van een juridisch kader dat een goede inzet op het versterken
Beleidskader Natuur en de bijbehorende Uitvoeringsagenda geeft de provincie
van het groen in en om de stad ondersteunt en het verkennen van de
aan welke mogelijkheden en verwachtingen er zijn over bijdragen aan de opgaven
mogelijkheden hiertoe (naar verwachting eind 2023 gereed).
van burgers, bedrijven en andere partijen (niet-overheden) aan groen in de directe
•
leefomgeving buiten het NNB.
het in beeld brengen van de financiële consequenties van een grotere inzet op groen in en om de stad in afstemming met de financiële verkenning van de Nationale Aanpak Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving;
6.
Herstel van Biodiversiteit in het stedelijk gebied is primair een taak van
•
gemeenten. De provincie richt zich op het ondersteunen van gemeenten en stimuleren van burgers. In de provinciale Uitvoeringsagenda Natuur geeft de
het overleg met de EU over het EU-voorstel voor een EU-verordening Natuurherstel.
•
het nader informeren van de Tweede Kamer in oktober 2023 over de stand van
provincie aan wat welke acties zij in aanvulling op de acties van gemeenten,
zaken van de ontwikkeling samen met betrokken partijen van de inhoudelijke
daartoe onderneemt:
en juridische kaders voor een grotere inzet op groen in en om de stad en van de
•
andere acties die in dit verband worden opgepakt.
a.
In 2023 heeft de provincie verder verkend op welke wijze de
verstedelijkingsopgave zowel binnen- als buitenstedelijk samen kan gaan met •
een noodzakelijke impuls voor groenblauwe versterking.
Zodra deze trajecten zijn afgerond, vertalen de gemeenten, waterschappen en
b.
provincie de uitkomsten hiervan in de herijking van de uitvoeringsafspraken voor
In 2023 is op het gebied van soortenbescherming binnen de bebouwde
kom een gebiedsgerichte aanpak doorontwikkeld: in het bijzonder
NOVEX gebied Stedelijk Brabant.
soortenmanagementplannen (SMP’s).
31
KAART. Landschap en natuur groeien mee met verstedelijking
32
•
Ruimte maken voor groen in de stad • Op de transformatieplekken richting stedelijk en hoogstedelijk ligt een vergroeningsopgave in het kader van wateroverlast en hittestress
•
Zoekgebied te ontwikkelen landschapsparken • Ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige landschappen als schakel tussen stad en natuurgebieden door landschapsverbtering, duurzaam perspectief voor landbouw, het slechten van barrières van infrastructuur of bebouwing, verbeteren groene dooradering.
•
Te ontwikkelen/onderzoeken groene scheggen • Groenblauwe dooradering voor mens, plant en dier tot in de haarvaten van het stedelijk systeem (mede op basis van ‘De casussen van BrabantStad – het volgende landschap’).
•
Te versterken groene buffer tussen de steden • Verbinden van landschappen tussen de stedelijke gebieden om zo aaneengroeien van stedelijk gebied te voorkomen en groen uitloopgebied te behouden.
•
Ontwikkelen icoonprojecten (in kader ambitie proeftuin groenblauwe verstedelijking Van Gogh Nationaal Park) • Projecten: Nieuwe Mark Breda, Verbinding drie groene wiggen Eindhoven, Stads-Aa Helmond, Zuid-Willemspark ’s-Hertogenbosch, vergroening centrum Tilburg en vergroening Veghel Natura 2000 gebieden
Natuur Netwerk Brabant
33
4.3
NIEUWE WONINGEN VERSTERKEN BESTAANDE STEDEN EN DORPEN
Transformatie naar hoogstedelijk milieu In Breda, ’s-Hertogenbosch, Tilburg en Eindhoven liggen kansen voor een
De grote woningbouwopgave zetten we in om de kwaliteit van de steden en
hoogstedelijk woon-, werk- en leefmilieu en de stap naar een hoog-stedelijke
dorpen van Brabant te versterken en de bestaande verouderde woningvoorraad
mobiliteitstransitie (zie ook 4.4. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp).
te vernieuwen en te verduurzamen. Dat betekent daar bouwen waar de mensen
Verdichten is een drijfveer om te vergroenen en te verduurzamen in de steden.
zijn, het werk is, waar de voorzieningen in stand gehouden moeten worden en
Stedelijke zones (o.a. spoorzones, binnensteden, leer-, werkomgevingen) waar nu
waar het bijdraagt aan mobiliteitstransitie, energietransitie en het aantrekkelijker
nog weinig gewoond wordt, worden leuker en aantrekkelijker door het toevoegen
en klimaatbestendiger maken van de openbare ruimten van onze steden en
van woningen en het meer mengen van functies. Het mengen van functies
dorpen. Het is belangrijk om nieuwbouw zo veel mogelijk in te zetten voor de
reduceert mobiliteit en daarmee neemt de druk op alle mobiliteitsnetwerken af.
sterk veranderende bevolkingssamenstelling: we hebben andere en nieuwe
Om de bijbehorende stedelijke nabijheid en voedingsbodem voor een hoogstedelijk
woonvormen en kwaliteiten nodig voor de sterk vergrijzende bevolking, een- en
gemengd milieu te creëren, vraagt dit om grote aantallen woningen per stad (tot
twee persoonshuishoudens en de opvang van migranten. Deze combinatie van
2040 20.000 tot 40.000 per stad), stedelijke woonvormen, om het mengen van
opgaven, van nieuwe woonvormen tot circulariteit, vraagt om een andere manier
stedelijke functies en het herinrichten van de openbare ruimte: meer ruimte voor
van bouwen en om nieuwe ruimtelijke concepten. Dit betekent niet dat bouwen aan
stedelijk groen, voetganger, fiets en OV, minder ruimte voor de auto.
de randen van bestaande bebouwing op voorhand verboden is. Het betekent dat de strategie is gericht op het bouwen van passende woningen op de plekken waar het
Transformatie naar stedelijk milieu
de meeste meerwaarde oplevert en de dorpen en steden van Brabant versterkt.
In de middelgrote steden is er de kans om een schaalsprong te maken naar een stedelijk milieu en daarmee draagvlak te bieden voor een stedelijk
Er is Brabantbreed binnen de bestaande steden en dorpen voldoende ruimte
voorzieningenaanbod en een sterke OV-knoop (treinstation of HOV-
om meer woningen toe te voegen. De afspraken zijn erop gericht om vanuit het
knooppunt). Ook dit vraagt om een substantiële toevoeging van woningen
generieke ontwerpprincipe ‘nieuwe woningen versterken bestaande steden en
(2.000 tot 10.000 per stad) in hogere dichtheden en om de realisatie van een
dorpen’ tot een concrete en uitvoeringsgerichte aanpak te komen. Deze aanpak
gevarieerder woningbouwaanbod (het toevoegen van woningen voor één- en
richt zich op de grote spoorzone-ontwikkelingen, centrumgebieden en HOV-knopen
tweepersoonhuishoudens). De grootschalige werkgebieden van de middelgrote
van steden en dorpen, nieuwe stedelijke interactie milieus voor wonen, werken en
steden willen we beter verbinden met de andere stadsdelen, zodat er interessante
voorzieningen en organische transformaties in naoorlogse wijken en de dorpen. In
nieuwe stedelijke interactie-milieus ontstaan en het draagvlak van de voorzieningen
de woondeals van maart 2023 zijn de eerste afspraken voor de ontwikkeling van
en de OV-knoop wordt versterkt.
woningen (130.600) tot 2030 reeds gemaakt.
34
•
Om alle meekoppelkansen te verzilveren zouden ongeveer twee keer zoveel woningen gerealiseerd moeten worden als de prognose tot 2040 als behoefte aangeeft.
•
De vraag is daarmee niet ‘waar laten we de woningen?’ maar ‘waar zetten we ze met voorrang in?’.
35
Versterken centrum dorpen
alternatieven voor OV (maatwerk, deelmobiliteit en gedeelde mobiliteit) en het
Brabant kent een sterrenhemel aan dorpen. Niet in alle kernen zijn alle
behoud en versterken van de identiteit van groen en landelijk woonmilieu. De
voorzieningen te handhaven. Voor de leefbaarheid van het landelijk gebied en de
woningbouwopgave in deze kernen willen we inzetten voor kwaliteitsverbetering
dorpen is het belangrijk om te kiezen voor centrumdorpen zodat er altijd, op korte
van het dorp, meer betaalbare woningen voor starters en levensloopbestendige
afstand voldoende voorzieningen aanwezig zijn. In de centrumdorpen zetten we
woningen voor ouderen.
de woningbouwopgave in als hefboom voor het versterken van het draagvlak van de voorzieningen, de leefbaarheid van die dorpen en de veranderende
Revitalisering naoorlogse wijken
bevolkingssamenstelling. Ook de dorpen hebben te maken met een sterke
Het grootste gedeelte van de woningvoorraad (ca 90 %) is in de periode na
vergrijzing, met arbeidsmigratie en voorzieningen die onder druk staan. Het is
de oorlog (periode 1950-1990) gebouwd. De kwaliteit van deze wijken is dus
belangrijk om de nieuwbouw zoveel als mogelijk in het hart van de kern in te
essentieel om in zijn totaliteit in 2040 een passende en kwalitatief goede voorraad
zetten, aantrekkelijk voor de eigen (vergrijzende) bevolking, betaalbaar en compact,
te hebben. Deze wijken zijn in de loop der jaren weinig mee veranderd met groei
ook voor de jongeren en arbeidsmigranten in het dorpen. Het vasthouden van
en veranderende woonwensen. In deze wijken moet flink geïnvesteerd worden om
jongeren en het bouwen voor arbeidsmigranten draagt bij aan de vitaliteit en is
vitaal, duurzaam en passend bij de toekomstige demografie te blijven.
goed voor het ondernemersklimaat. Daarnaast is het belangrijk om te investeren
Het inwoneraantal van deze wijken is in de loop der decennia sterk afgenomen
in de verblijfskwaliteit van de dorpen. Dit vraagt om een dorpenstrategie:
(gezinsverdunning), waardoor het draagvlak voor de voorzieningen en het beheer
gebiedsgerichte integrale aanpak om de kwaliteit van de dorpen te versterken.
van de openbare ruime onder druk is komen te staan. In deze wijken liggen grote
Een ontwikkelprogramma waarin gemeenten de kansen voor woningbouw in
opgaven en kansen om te komen tot een gevarieerder woonmilieu, klimaatadaptatie
het bestaand stedelijk gebied van de dorpen in beeld brengen met aandacht
en energietransitie. De opgave is om de naoorlogse wijken (niet alleen in de steden,
voor de lokale identiteit in relatie tot versterking van de voorzieningenstructuur
maar ook in de dorpen) een nieuwe ontwikkeldynamiek te geven met behulp van
en ondernemersklimaat, het verblijfsklimaat, een mobiliteitsstrategie en de
verdichting, transformatie en revitalisering. Hier liggen kansen voor het realiseren
energietransitie en het klimaatbestendig maken van de dorpen.
van een groot aantal woningen in groenstedelijke/dorps milieus op korte afstand van voorzieningen en OV (max ca 90.000 woningen in heel Brabant).
Inzetten op duurzame leefbaarheid kernen
36
Brabant kent een groot aantal kleinere kernen met een aantrekkelijk landelijk
Versnellen woningbouw
en groen woonmilieu, maar vaak met een beperkt aanbod aan dagelijkse
Op korte termijn is het belangrijk de woningbouw te versnellen en daarmee
voorzieningen. Kenmerkend voor deze kernen is veelal een grote onderlinge
het woningtekort te verminderen. Brabant heeft voldoende planaanbod voor
verbondenheid (veel bewoners-initiatieven gericht op vergroten leefbaarheid en
woningbouw in de komende 5-10 jaar. Voor het inlopen van de woningtekorten
zorg voor elkaar), maar er kan ook sprake zijn van vereenzaming, bijvoorbeeld bij
is het dus zaak om bestaande plannen daadwerkelijk en snel(ler) tot uitvoering te
het vergrijzende deel van de inwoners. Een goede en veilige (fiets) bereikbaarheid
brengen. Voor elke stedelijke regio hebben gemeenten, provincie en rijk afspraken
van de voorzieningen in het naburige centrumdorpen of stad is belangrijk, evenals
gemaakt over de minimale woningbouwprogrammering en wat er nodig is
INSPIRATIE. Meer ruimte voor groen, fietsers en voetgangers (Vestdijk, Eindhoven) Na twee jaar van werkzaamheden is de Vestdijk stapsgewijs veranderd in een
toch goed bereikbaar blijft. Voor de aanpak van de wateroverlast op de Vestdijk en
groene en aantrekkelijke stadsboulevard. Met meer ruimte voor voetgangers en
directe omgeving is een klimaatadaptieve waterberging aangelegd. Het regenwater
fietsers. En nog maar één rijstrook voor auto’s en één voor bussen. De nieuwe
stroomt nu vertraagd via een grote, ondergrondse berging naar de Dommel. Fietsers
Vestdijk is een belangrijke stap naar een gezond, aantrekkelijk en klimaatbestendig
kunnen over het hele heringerichte traject (Vestdijk-Hertogstraat-Kanaalstraat)
stadscentrum. Om de luchtkwaliteit te verbeteren, is er meer ruimte voor fietsers,
gebruikmaken van het nieuwe, vrijliggende tweerichtingenfietspad. Voor
voetgangers en groen, minder ruimte voor autoverkeer en geldt er een 30km-zone. De
voetgangers is aan beide zijden volop ruimte.
herinrichting draagt zo bij aan de gewenste verkeersreductie, waarbij de binnenstad 2010
2020
Foto’s: Nanda Sluijsmans
37
INSPIRATIE. Groei naar een gevarieerder woningaanbod (Kruiskamp, ‘s-Hertogenbosch) In de Bossche wijk de Kruiskamp wordt gewerkt aan een behoudende aanpassing
de buurt, gebaseerd op chirurgisch ingrijpen. Dat resulteert onder andere in
van binnenuit. De wijk bestaat voor grote delen uit buurten met laagbouw (veelal
onderstaande transformatie. Op de plek van 102 eengezinswoningen is een nieuw
gedateerde systeemwoningen) in een ruime groenstructuur. Er zijn in de buurt
blok verrezen met 58 eengezinswoningen, 17 zorgappartementen (afgenomen door
veel situaties met ‘blinde kopgevels’, die de kwaliteit en sociale veiligheid van
zorgaanbieder Vivent), 72 sociale huurappartementen en een ontmoetingsruimte.
de openbare ruimte onder druk zetten. Daarnaast is er toenemende vraag naar
Dit komt neer op 45% meer programma op dezelfde plot. Maar het zorgt vooral voor
betaalbare woonruimte, onder andere voor mensen die ouder worden en met
een kwaliteitstoevoeging aan de openbare ruimte en aan een woningaanbod dat
zorg thuis willen wonen. Corporatie Zayaz werkt aan een herstructurering van
veel beter past bij de actuele vraag.
2005
Foto’s: KAW 2020
38
INSPIRATIE. Verdichtingsverhalen: ‘het recente verleden bewijst dat het kan’ Sint-Oedenrode 2000
Sint-Oedenrode 2020
Het College van Rijksadviseurs heeft
af. Zwaartepunt heeft tot nu gelegen bij enkele
onderzoek gedaan naar Nederlands recente
stads- en dorpscentra en bij de naoorlogse wijken
verdichtingsverleden. Het onderzoek laat zien dat
in de schil daar direct omheen (uit jaren ‘50 en ‘60).
het inzetten op kwaliteitsverbetering van bestaande
Diverse casussen laten zien dat er zelfs in de plekken
buurten leidt tot meer woningaanbod. Daar profiteren
waar nu al veel bijgebouwd is nog volop ruimte ligt
zowel nieuwe en bestaande inwoners van. Het
voor kwaliteitsverbetering. Tegelijkertijd zijn er veel
permanent aanpassen en vernieuwen van gebouwde
gebieden waar tot nu zeer beperkt tot geen aandacht
buurten, dorpen en steden is een succesvol middel
voor is geweest.
om ze levendig en bij de tijd te houden.
•
Verdichting in stads- en dorpscentra tussen 2005 en 2020: Bergen op Zoom (+25%), Steenbergen (+20%),
Het verhaal van Sint-Oedenrode centrum
Oudenbosch (+30%), Etten-Leur (+70%), Breda (+50%),
In het dorpshart van Sint-Oedenrode zijn tussen 2005
Dongen (+20%), Loon op Zand (+30%), Waalwijk (+25%), Oisterwijk (+50%), Drunen (+120%), Best (+25%), Asten
en 2020 bijna 350 nieuwe woningen toegevoegd
(+40%), Valkenswaard (+25%), Bladel (+60%), Hapert
(+55%). De inbreidingslocaties verschillen sterk
(+30%), Eindhoven (+90%), Geldrop (+30%), Vlijmen (+40%),
van elkaar maar zijn allen op een vanzelfsprekende
Oss (+30%), Berlicum (+25%), Schijndel (+100%), Veghel
manier in de bestaande dorpse sfeer ingepast. Ze sluiten qua functie, maat, oriëntatie en architectuur aan bij het bestaande. Ze voegen naast woningen ook
(+30%), Uden (+35%) en Bernheze (+60%)
•
Verdichting in naoorlogse wijken tussen 2005 en 2020: Kalsdonk Roosendaal (+15%), Ypelaar Breda (+15%),
voorzieningen toe en hebben het mogelijk gemaakt
Heuvel Breda (+20%), Tuinzigt Breda (+35%), Doornbos-
openbare ruimte te verbeteren, onder meer door
Linie Breda (+15%), Schrijversbuurt Loon op Zand (+55%),
het maken van nieuwe voetgangersverbindingen
Naastenbest Best (+17%), Geenhoven Valkenswaard
en het behoud van doorzichten richting het Dommellandschap. Alles bij elkaar opgeteld is met de inbreidingsprojecten een substantiële bijdrage geleverd aan het versterken van de kwaliteit van het dorp.
(+20%), Molenakkers Eersel (+10%), Hapert Noord (+60%), D’Ekker Veldhoven (+35%), Hemelrijken Eindhoven (+35%), Barrier Eindhoven (+20%), Philipsdorp Eindhoven (+75%), Bennekel-Oost Eindhoven (+30%), Tuindorp Eindhoven (+20%), Sintenbuurt Eindhoven (+15%), Gerardusplein Eindhoven (+15%), Vossenberg Helmond (+40%), De Reit
Foto’s: Inbo
Het verhaal van Sint Oedenrode staat niet op zichzelf.
’s-Hertogenbosch (+30%), Molenhoek ’s-Hertogenbosch
In de vijftien jaar tussen 2005 en 2020 zijn op veel
(+20%), Kortfoort Oss (+30%), Oorlogsheldenbuurt Oss
plekken in Brabant woningen bijgebouwd om meer
(+25%) en Hoogeinde Veghel (+35%)
kwaliteit te maken. Deze opgave is nog lang niet
39
om de woningen te realiseren (woondeals 9 maart 2023). In het kader van dit ontwikkelperspectief maken we afspraken over de wijze waarop de woningbouw kan bijdragen aan de bestaande steden en dorpen voor de periode tot 2040. We brengen in kaart welke opgaven er liggen in bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen en hoe groot de opgave is voor uitleg in nieuwe, duurzame woongebieden. We komen tot afweging van nieuwe locaties voor de langere termijn op basis van een integrale ruimtelijke strategie voor de stedelijke regio’. Urgentie circulair en biobased bouwen De bouw in Nederland neemt naar schatting 50% van het grondstoffenverbruik voor zijn rekening, 40% van het totale energieverbruik en 30% van het totale waterverbruik. Bovendien heeft een groot deel van alle afval in Nederland betrekking op bouw- en sloopafval en is de sector verantwoordelijk voor circa 35% van de CO2-uitstoot (*6). Het uitgangspunt voor de bouw is het ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van bouwwerken, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten. Dit betekent dat materialen of producten met een zo laag mogelijke milieu-impact over de gehele levenscyclus van productie, toepassing, gebruiksfase inclusief onderhoud en afvalfase en hergebruik worden toegepast (*7).
(*6) Rijksbrede programma ‘Nederland circulair in 2050’ (*7) https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/02/03/ nationaal-programma-circulaire-economie-2023-2030
Eerste uitvoeringsafspraken 1.
Gemeenten, provincie en Rijk spreken af de woningbouw zoveel als
mogelijk wordt ingezet om bestaand stedelijk gebied van dorpen en steden te versterken. 2.
Steden, provincie en Rijk zetten in op het toevoegen van gemengde,
duurzame en aantrekkelijke (hoog)stedelijke en stedelijke woonmilieus in de Brabantse steden in samenhang met mobiliteitstransitie. Dit doen deze partijen door voor deze gebieden gebiedsuitwerkingen te maken in samenhang met het multimodale mobiliteitspakket dat voor de stedelijke regio’s wordt opgesteld. Op basis van deze gebiedsuitwerkingen worden afspraken gemaakt m.b.t. de ontwikkelstrategie voor deze gebieden en de inzet, rol en bijdrage die Rijk en provincie leveren aan de opgaven van deze steden om te komen tot een schaalsprong in stedelijkheid. In een aantal stedelijke zones is al sprake van een samenwerking gericht op deze schaalsprong, namelijk de grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties zoals Eindhoven XL, Spoorzones Breda, Tilburg en ’s-Hertogenbosch en Helmond Centrum inclusief stationskwartier. Er bestaat samenwerking tussen provincie en middelgrote gemeenten als Waalwijk, Roosendaal, Oosterhout, Maashorst en Bergen op Zoom gericht op inzet van het provinciaal (financieel) instrumentarium t.b.v. binnenstedelijke transformatie. 3.
Naast het werken aan grote en complexe binnenstedelijke transformatie
en herontwikkelingsopgaven brengen gemeenten de mogelijkheden voor het realiseren van flexwoningen en woningen op (kleinere) inbreidingsplannen in beeld. Realisering van hiervan draagt bij aan de versnellingsopgave tot 2030. Conform de afspraken in de woondeals inventariseren de stedelijke regio’s hiertoe in 2023 de mogelijkheden en obstakels.
40
4.
De Brabantse steden erkennen de opgave voor de revitalisering
ook wordt ingezet voor de andere regio’s.
van verouderde naoorlogse wijken en gaan hier aan werken. De gemeenten brengen de kansen voor het toevoegen van nieuwe woningen in deze gebieden
6.
Nieuwe uitlegplannen komen aan de orde als transformatie en
in beeld, in combinatie met het toekomstbestendig en duurzaam maken van
inbreiding onvoldoende mogelijkheden bieden en er sprake van is essentiële
deze wijken. Woningbouw wordt hier strategisch ingezet om de opgaven voor
meekoppelopgaven: het principe “inbreiden voor uitbreiden” staat centraal. Dit
water/klimaatadaptatie/vergroening/natuur in de stad/natuurinclusief en
principe betekent niet dat bouwen aan de randen van bestaande bebouwing op
circulair bouwen, energie, leefbaarheid, verduurzaming, vitaliteit, draagvlak voor
voorhand niet mogelijk is. Deze locaties worden op regionaal niveau en integraal
voorzieningen, functiemenging en tal van andere opgaven in de bestaande
afgewogen een en ander in lijn met de hierover reeds gemaakte afspraken in de
woningvoorraad aan te pakken. De provincie ondersteunt hierbij met capaciteit en
woondeals per stedelijke regio.
kennisdeling in de vorm van best-practices. Parallel hieraan wordt per stedelijke regio gestart met een aantal prioritaire wijken waarvoor een transformatieaanpak
7.
ontwikkeld wordt samen met de provincie. Resultaten van de inventarisatie c.q.
woonmilieus met:
ontwerpstudie en de ervaringen in de prioritaire wijken vertaald in een Brabantbrede
•
aanpak die de gemeenten in staat stelt de herstructurering op grote schaal ter hand te nemen. Vervolgens wordt bekeken welke wederkerige afspraken vastgelegd
Rijk, provincie en gemeenten zorgen voor kwalitatief hoogwaardige Voldoende betaalbare, passende en duurzame en toekomstbestendige woningen. Afspraken hierover zijn gemaakt in de woondeals;
•
kunnen worden in een actualisatie van de woondeals.
Locaties van nieuwe ontwikkelingen zo veel mogelijk langs (Hoogwaardig) OV-assen met parkeerbeleid passend bij de mobiliteitstransitie (lagere normen, meer dubbel- en deelgebruik);
5.
Provincie en stedelijke regio’s en hun gemeenten met dorpen en kleine
•
kernen daarbinnen, gaan samen de dorpenstrategie verder ontwikkelen. Deze vormen een wezenlijk onderdeel van de verstedelijksopgave en -aanpak in elke
Voldoende en kwalitatief goede werklocaties voor bedrijven met toegevoegde waarde;
•
Klimaat-, circulair & biobased en energieneutrale nieuwbouwwoningen
stedelijke regio. Aan de hand van een aantal pilots onderzoeken we hoe we
(energietransitie bestaande stedelijke omgeving en programma aardgasvrije
verdichting in de dorpen kunnen inzetten voor versterking van het dorpskarakter, de
wijken);
leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en beter kunnen inspelen
•
op de veranderende bevolkingssamenstelling met een meer gevarieerd woonmilieu. Best practices die in andere provincies worden opgedaan betrekken we hierbij. Het gaat daarbij niet alleen over het in beeld krijgen van de ruimtelijke kansen. We willen
Kwalitatief aantrekkelijke groenblauwe openbare ruimte inclusief toepassing van een regionale groennorm;
•
Beperken van milieu-/gezondheidsbelasting en bevorderen gezonde leefomgeving.
ook onderzoeken welke middelen (planologisch, financieel) of governance er nodig is om de kansen in het bestaand bebouwd gebied van de dorpen beter in beeld te krijgen en te benutten. In 2023 starten we met pilot-projecten (onder andere in de stedelijke regio Breda-Tilburg en ’s-Hertogenbosch) waarna de opgedane ervaring
41
8.
De provincie verkent waar zij een extra ondersteunende en actieve rol
voor gemeenten kan vervullen bij stedelijke transformaties. Op dit moment is de provincie betrokken bij transformatieopgaven in de spoorzones en de binnensteden van de 5 grote steden in Brabant. Samen stellen we voor die gebieden ontwikkelvisies op en bepalen we hoe die worden gerealiseerd. In lijn met dit Ontwikkelperspectief kan bij de uitwerking van de afspraken daarvan samen met de Brabantse gemeenten worden bepaald waar het accent voor de komende jaren komt te liggen voor deze actieve ondersteunende rol. De uitkomsten van het onderzoek naar de revitaliseringopgaven van de naoorlogse wijken en de dorpenstrategieën leveren daarvoor input. 9.
Rijk, provincie en gemeenten zetten in op duurzaam en toekomstbestendig
bouwen. De uitgangspunten hiervoor zijn randvoorwaardelijk en worden meegenomen bij het begin van iedere (plan) ontwikkeling: •
Dit betreft de uitgangspunten van het Grondstoffenakkoord (voor 2030 tot 50% reductie op gebruik van primaire grondstoffen en uitstoot van CO2)
•
Het stimuleren van duurzame en toekomstbestendige bouw via het manifest ‘Brabantse aanpak circulaire bouw’, kennisdeling en actief stimuleren van de toepassing van biobased materialen in nieuw te realiseren projecten.
•
Aansluiting op landelijke ontwikkelingen zoals het “nieuwe normaal” als uit te werken gedragen standaard op het gebied van circulair bouwen.
•
De inspanning om in 2030 het gebruik van hernieuwbare (biobased) bouwmaterialen en/of het hergebruik van bouwmaterialen te verhogen naar 25% in 2025 en 50% en om minimaal de helft van het aantal woningen circulair en industrieel te laten bouwen, zoals ook benoemd in het Programma Woningbouw van BZK.
42
Energietransitie als randvoorwaarde voor verstedelijking Goede energievoorziening is een randvoorwaarde voor duurzame verstedelijking. Door de groei in wonen, werken en mobiliteit, maar ook door veranderend gebruik (o.a. digitalisering, koeling, meer OV) stijgt de energiebehoefte flink de komende jaren. Parallel hieraan speelt de transitie van fossiele naar hernieuwbare energie (o.a. aardgasloos verwarmen, elektrisch rijden en produceren). Hierdoor loopt het huidige energiesysteem tegen haar grenzen aan met als gevolg een groot vraagstuk rond de warmtevoorziening van de (bestaande) gebouwde omgeving en een jarenlange schaarste in het stroomnet voor heel Brabant. Alleen door de verstedelijkingsstrategie en energietransitie hand in hand te laten verlopen kan worden gezorgd dat zij elkaar versterken in plaats van blokkeren.
programmeren en prioriteren. Een instrument voor het programmeren en prioriteren van uitbreidingen van het energienetwerk is het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (PMIEK). PMIEK is een nieuw instrument waarmee netuitbreidingen worden geprioriteerd op basis van de mate waarin zij van provinciaal belang zijn. Voor het PMIEK ligt een belangrijke regiefunctie bij de provincie. Om de verstedelijkingsstrategie en energietransitie elkaar te laten versterken zijn op niveau van een ontwikkeling en op het niveau van de verstedelijking de volgende principes opgesteld. •
Dit helpt ons ook om de urgente energie- en klimaatambities te behalen. De
Voor iedere ontwikkeling geldt: •
Minimaliseer de energievraag
•
Maximaliseer duurzame energieproductie door middel van een optimale mix van de (potentieel) beschikbare bronnen (zon/wind/(rest)warmte/
belangrijkste ambities voor 2030 zijn om 50% van de energie duurzaam op te
koude/energiedragers)
wekken (Omgevingsvisie) en een broeikasgasreductie van 55%-60% ten opzichte
•
van 1990 (Regeerakkoord). Zeker zo belangrijk in relatie tot verstedelijking is het
opwek, afname, transport, opslag en conversie én slim stedelijk ontwerp
nationale doel voor 2050 (Nederlandse Klimaatwet), dat van 95% reductie wordt
(oriëntatie en functies daken/gevels/openbare ruimte/ondergrond)
aangescherpt tot de verplichting om de netto-uitstoot van broeikasgassen tot nul te
•
reduceren (Regeerakkoord, Europese Klimaatwet). Vanuit dit Ontwikkelperspectief wordt daarom de stap gezet de energietransitie via twee lijnen te verbinden met de brede verstedelijkingsopgave. In de eerste plaats door op lokaal en regionaal niveau vraag en aanbod van energie op elkaar af te stemmen, de energievraag zo laag mogelijk te maken en slimme oplossingen en ruimtelijke keuzes te maken die het bestaande energienetwerk ontzien. Hiervoor is het nodig dat duurzame energie, inclusief het (extra) ruimtebeslag, een integraal onderdeel gaat vormen van de diverse verstedelijkingsopgaven. In de tweede
Draag bij aan een robuust en flexibel energiesysteem: slimme infra voor
Denk en acteer meerschalig, zodat gebieden en ontwikkelingen elkaar versterken
•
Voor de verstedelijking geldt aanvullend nog: •
Verstedelijk zoveel mogelijk nabij het regionale hoofdenergienetwerk;
•
Maak het energiesysteem boven- en ondergronds onderdeel van het ontwerp;
•
Ontwerp stedelijk gebied met minimale energievraag en maximale energieopwekking;
•
Realiseer energieopwekking zoveel mogelijk nabij stedelijke gebieden.
plaats is het belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen tijdig worden voorzien van een aansluiting op een energienetwerk of -bron. Hiervoor is afstemming nodig tussen onder andere stedelijke ontwikkelingen en investeringen in het energienetwerk: het
43
Het is belangrijk dat de verstedelijkingsstrategie en de energietransitie elkaar tijdens de strategiebepaling en planvorming blijven vasthouden. Op gemeentelijk en regionaal niveau maken partners bijvoorbeeld keuzes in het kader van de warmtetransitie (Transitievisies warmte), grootschalige opwek (Regionale Energiestrategieën en gemeentelijke omgevingsvisies), de verduurzaming van de industrie (Cluster Energiestrategieën) en de uitrol van laadinfra (RAL Zuidwest NL). Keuzes die niet los te zien zijn van de ontwikkelruimte voor wonen/werken/ mobiliteit/verstedelijking. Om te oefenen met het samenwerken aan een toekomstbestendig energiesysteem tegen de complexe achtergrond van verstedelijking en verduurzaming zijn diverse pilots gestart. In Noord-Brabant zijn in 2022 twee pilots gestart: De pilot Integraal programmeren West-Brabant (PNB, focus op ontwikkeling van vraag naar en aanbod van energie en de strategische keuzes die daarin gemaakt moeten worden in West-Brabant) en de pilot MIEK regio Moerdijk (PNB, Havenbedrijf, gemeente en ministerie van EZK, focus op complexe energie-infrastructuuropgave in het gebied Moerdijk-Drimmelen-Geertruidenberg). De pilot Integraal programmeren West-Brabant is begin 2023 afgerond met lessons learned voor het opstellen van provinciale MIEK’s voor alle 4 de RES-regio’s.
De pilot MIEK regio Moerdijk heeft een langere doorlooptijd en onderzoekt de integrale energie-infrastructuuropgave in relatie tot de industrie in dit gebied, de beperkt beschikbare ruimte (die eveneens nodig is voor de grondstoffentransitie) én meerwaardecreatie voor de lokale en regionale energietransitie.
Eerste uitvoeringsafspraken 1.
De uitkomsten van de pilot Integraal Programmeren in West-Brabant
en pilot MIEK-regio Moerdijk zullen, tezamen met de hierboven geformuleerde principes voor energie door de provincie en gemeenten meegenomen worden in de verdere uitwerking van dit ontwikkelperspectief richting concrete afspraken en ruimtelijke (principe)keuzes in 2023. Om te komen tot ruimtelijke principe keuzes is een integrale gebiedsgerichte aanpak en ontwerptafel voor de Powerport Moerdijk incl.energieknooppunt Amercentrale nodig, waarbij de kansen, opgaven en de ruimtelijke, infrastructurele en maatschappelijke impact van de energietransitie en grondstoffentransitie op dit gebied (Moerdijk, Drimmelen, Geertruidenberg e.o.) en op de verstedelijkingsstrategieën van SRBT, WBW, Stedelijk Brabant en ZuidNederland in beeld wordt gebracht 2.
Om de informatie-uitwisseling tussen netbeheerders enerzijds en provincie
en gemeenten anderzijds te verbeteren zal BZK in 2023 komen met een standaard vragenlijst om de uitwisseling van informatie te standaardiseren. 3.
Om de informatie-uitwisseling tussen netbeheerders enerzijds en provincie
en gemeenten anderzijds te verbeteren werkt de provincie met de netbeheerder, gemeenten, en het Rijk (BZK, EZK) via het provinciaal MIEK het eerste beeld uit van effecten van de verstedelijking op de energieopgave richting 2040. Dit eerste beeld zal in 2023 besproken worden met Rijk en regio in het BOL, MIEK of BO-MIRT.” 4.
In het volledige energiesysteem van Stedelijk Brabant zijn keuzes
nodig op zowel systeemniveau als op verstedelijkingsniveau. Op het moment van schrijven is het nog onduidelijk hoe het energiesysteem zich op deze twee niveaus zal ontwikkelen. Daarom moeten overheden, in samenspraak met netbeheerders, duidelijkheid scheppen over het energiesysteem van de toekomst voor de verschillende gebieden binnen Brabant. Dit betreft keuzes maken over energiedragers, het elektriciteitsnetwerk, de warmtevoorziening,
44
en eventuele andere oplossingen in relatie tot de beschikbare ruimte. Hiermee creëren wij duidelijkheid richting netbeheerders, woningeigenaren, en industrie. Zodat deze partijen op hun beurt kunnen bepalen wat zij moeten doen om hun opgaven te realiseren. Denk hierbij aan nieuwe ontwikkelingen en verduurzaming van bestaande activiteiten. Om de eerdergenoemde duidelijkheid te kunnen verschaffen zullen de provincie en gemeenten in de verdere uitwerking van het Ontwikkelperspectief onderzoeken op welke wijze de netcongestieproblematiek verminderd kan worden door naast het programmeren en prioriteren (in ruimte en tijd) te kijken naar technische oplossingen (zoals waterstof en electrolysers, energieopslag, decentraal/lokaal energiemanagement en het beter inpassen van duurzame energieproductie projecten) en niet-technische oplossingen die zorgen dat het energieverbruik wordt teruggedrongen (zoals gedragsverandering, preventie van energieverbruik, energiebesparing en het slimmer gebruiken van energie in de totale keten). Hierbij worden ook de nog op te stellen transitievisies warmte van de gemeenten meegenomen. 5.
Rijk en regio beseffen zich dat ook andere nutsvoorzieningen zoals de
beschikbaarheid van drinkwater (mede in relatie tot opgaven om te komen tot een meer circulair watergebruik, het te scheiden van watersystemen) belangrijke randvoordwaarden zijn voor een duurzame verstedelijking. Bij de verdere uitwerking van dit Ontwikkelperspectief onderzoeken partijen op welke wijze dit effecten heeft op de verstedelijkingsopgave.
45
KAART. Nieuwe woningen versterken bestaande steden en dorpen
46
•
Transformatie naar hoogstedelijk milieu • Op basis van uitkomsten nabijheidsindex Dashboard Verstedelijking, grootschalige woningbouwlocaties en afspraken SGE
•
Revitalisering van naoorlogse wijken • ‘Ruimte zat’ verdichtingsaanpak. Selectie grote aaneengesloten stedelijke buurten uit jaren 1960-1985 (op basis van BAG bouwjarenkaart)
•
Transformatie naar stedelijk milieu • Op basis van nabijheidsindex Dashboard Verstedelijking en potentie vanuit Bike Train Accessibility Level (BTAL)
•
Afmaken van uitleglocaties • Op basis van afspraken Verstedelijkingsakkoord SGE
•
Bestaand stedelijk gebied • Vooralsnog geen afspraken
•
Versterken van de centrumdorpen • Kernen met een toekomstbestendige centrumpositie voorzieningen (op basis van expert judgement)
•
Inzet op duurzame leefbaarheid van de kernen • Behoud van leefbaarheid en basisvoorzieningen (op basis van expert judgement)
•
Revitalisering aandachtswijken (in kader Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid) • Langjarige inzet om leefbaarheid en veiligheid op orde te brengen en bewoners perspectief te bieden (Breda Noord, Tilburg-Noordwest, Eindhoven Woensel-Zuid, Roosendaal-stad)
*
Voor de regio Zuidoost Brabant de ruimtelijke strategie nog niet is vastgesteld en dat uit dat proces nog voorstellen voor aanpassing kaart naar voren kunnen komen.
47
Nabijheid
Nabijheidsindex 2018 Bron: Dashboard Verstedelijking Hoogstedelijk Stedelijk Semi-stedelijk Suburbaan Dorps Landelijk
Relatie tussen nabijheid en generatie van mobiliteitstrips en reizigerskilometers. Langjarige analyse van het CBS-OViN (Onderzoek Verplaatsingen in Nederland) laat zien dat de mate van nabijheid (van inwoners en banen) correleert met het verplaatsingsgedrag van de inwoners in deze gebieden. Bijvoorbeeld: Inwoners in (hoog)stedelijke gebieden kiezen vaker voor de fiets, lopen of het OV. In suburbane milieus is het aandeel autotrips fors groter. In Brabant zijn de verschillen tussen stad en land nu relatief klein als we kijken naar dichtheden en nabijheid. Het ontwerpend onderzoek leert echter dat de B5 en M7 in veel gevallen een sprong in stedelijke nabijheid kunnen maken. Zeker voor de B5 (en daarbinnen Eindhoven en Tilburg) is er dus ruimtelijke voedingsmodem voor een mobiliteitstransitie gekoppeld aan de stedelijke tranformatie en verdichting.
48
4.4
MOBILITEITSTRANSITIE MAATWERK VOOR STAD EN DORP
•
Het creëren van een grotere nabijheid van wonen, werken en voorzieningen
In Stedelijk Brabant wordt ingezet op een mobiliteitstransitie voor personen- en
zodat zo veel mogelijk verplaatsingen lopend of fietsend kunnen worden
goederenvervoer die ervoor zorgt dat de toenemende behoefte aan uitwisseling en
afgelegd.
verplaatsing samen kan gaan met veiligheid, duurzaam ontwikkelen en schaarste
•
Het voorrang geven aan binnenstedelijke ontwikkeling en aan het concentreren
aan ruimte. Een samenhangende ontwikkeling van verstedelijking en mobiliteit
van verstedelijking rond openbaar vervoer knooppunten, zodat voor langere
met maatwerk voor stad en dorp biedt daarvoor de basis. Dit leidt tot de volgende
verplaatsingen zoveel mogelijk van het openbaar vervoer gebruik kan worden
strategische keuzes om de mobiliteitstransitie voor stad en dorp te doen slagen:
gemaakt. •
Het inzetten op een mobiliteitstransitie in het stedelijk gebied (met name in de steden en grotere kernen met stedelijke nabijheid en sterke OV-knopen). Hierbij wordt voor de groei van stedelijke mobiliteit vooral ingezet op schoner en
De figuur geeft voor de stedelijke regio ’s-Hertogenbosch het verschil tussen een compact stedelijk ontwikkelperspectief en een gespreid ontwikkelperspectief. Compact stedelijk neemt het autoverkeer af ten opzichte van de 2040 basisprognose. Bij gespreid ontwikkelen neemt het autoverkeer juist toe. Op de A59 en A50 is dit het verschil tussen wel of niet een extra rijstrook nodig.
efficiënter verplaatsen door het stimuleren van ruimte-efficiënte en duurzame vervoerswijzen (lopen, fietsen, deelmobiliteit en collectief vervoer), het autoluwer maken van stadcentra, het concentreren van verkeer op hoofdassen, het verduurzamen van mobiliteit (zero-emissie) en het verbeteren van de verkeersveiligheid. •
Het benutten van kansen voor slimme mobiliteit en het inzetten op een structurele gedragsverandering via werkgeversbenadering, onderwijsbenadering, etc.
•
Buiten het stedelijk gebied is de auto voor verplaatsingen buiten de kern het hoofdvervoermiddel met inzet op OV en slimme mobiliteit (deelmobiliteit, hubs) om voor alle doelgroepen bereikbaarheid te organiseren en de uitwisseling tussen stad en land te faciliteren.
•
Het inzetten op een schaalsprong van het OV-systeem door het beter verbinden binnen en tussen de Brabantse stedelijke regio’s en omliggende stedelijke regio’s en het verbeteren van de nationale en internationale bereikbaarheid om zo de groei op te vangen van het aantal verplaatsingen als gevolg van de verstedelijkingsstrategie (gericht op een concentratie van wonen, werken en voorzieningen op de stedelijke hoofdknopen). Het Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (bidbook Hink-Stap-Sprong van landsdeel Zuid) zijn bouwstenen voor deze beoogde schaalsprong.
49
SCHEMATISCHE WEERGAVE. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp In het stedelijk gebied is een keur aan dagelijkse en niet-dagelijkse voorzieningen nabij. Lopen en fietsen zijn dragend. Extern is dat de fiets-trein combinatie. In het stedelijk gebied zelf is het aandeel OV beperkt maar duidelijk groter dan nu, toegespitst op gebieden met stedelijke massa die buiten de directe fietscontour liggen. Die fietscontour wordt met snelfietsroutes groter voor de gebruiker die wat verder fietsen prima vindt. Dat biedt keuzeruimte aan bewoner en bezoeker. Stedelijk HOV en snelfietsroutes leggen ook de verbinding naar grotere werklocaties aan de stadsrand. De auto heeft een relatief kleine rol in het stedelijk gebied. Parkeren in wijkhubs, deelauto’s, gereguleerd parkeren, 30 km/uur en afwikkelen buitenom zijn de standaard. In de M7 is een compleet aanbod van dagelijkse voorzieningen binnen 10 minuten lopen of fietsen, geconcentreerd in aantrekkelijke gemengde centrumgebieden. Voor ruimere keuze in banen en hoogstedelijke voorzieningen wordt vaker dan in de B5 een beroep gedaan op de stedelijk regio. Extern is de auto het belangrijkste vervoersmiddel. Via trein of HOV is de M7 wel stevig aangetakt op het stedelijk netwerk. Via snelfietsroutes zijn omliggende kernen en stedelijke centra bereikbaar per e-bike.
OV en fiets blijven in de M7 duidelijk ondergeschikt aan de auto maar bieden wel de kwaliteit van multimodale bereikbaarheid en een lichte reductie van het huidige auto-aandeel. In de centrumgebieden zal gereguleerd parkeren op afstand ingezet worden, daarbuiten start de autorit meestal voor de deur. De kleinere kernen zijn een zeer diverse groep. Het voorzieningenaanbod dat in de eigen Schematische weergave resultaat mobiliteitstransitie voor B5, M7 en kleinere kernen. De figuur geeft typologisch en orde van grootte de rol en samenhang van de vervoerswijzen. Uit te werken per stad en dorp.
kern lopend of fietsend bereikbaar is, verschilt van beperkt tot compleet voor dagelijkse activiteiten. Maar meestal is voor een (steeds groter deel) van de dagelijkse en nietdagelijkse activiteiten is een externe verplaatsing in de stedelijke regio nodig. De auto vervult daarin een zeer belangrijke rol. De opgave is om met (snel)fietsroutes en maatwerk wel basisbereikbaarheid zonder auto te bieden. Zo blijft het dorp een prettige plek voor iedereen zonder auto (inclusief oudere kinderen) en blijft de dorpstad relatie twee kanten op stevig.
50
• •
Het benutten van het bestaande wegennet voor verplaatsingen waarvoor geen
Indien Rijk en regio het nodig vinden kunnen tijdens het BO MIRT 2023 afspraken
goed alternatief voor de auto is.
over de pakketten worden geagendeerd. Als in de pakketten onderdelen zitten die
Naast inzet op de mobiliteitstransitie blijven aanvullende ingrepen in de
betrekking hebben op de nationale infrastructuur, die de financiële draagkracht
bestaande infrastructuur, inclusief wegontsluiting en aanpak spoorse
van de regio’s overstijgen of onderdeel (kunnen) uitmaken van andere afspraken
doorsnijdingen, nodig om de ontwikkelopgave in de regio te kunnen realiseren.
met het Rijk, wordt overleg gevoerd met het Rijk. Indien Rijk en regio het nodig vinden kunnen tijdens het BO MIRT 2023 afspraken over de pakketten worden
Eerste uitvoeringsafspraken 1.
Gemeenten en provincie zetten in op een mobiliteitstransitie in het
geagendeerd. 3.
Regio en Rijk beogen een schaalsprong in het OV. Het Toekomstbeeld
personen- en goederenvervoer. Dit is een samenhangende aanpak die direct is
OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong) zijn hiervoor
gekoppeld aan de stedelijke transformatie, verdichting en functiemenging en die is
bouwstenen. Voor de fiets is de Brabantse uitwerking van het Nationaal
gericht op minder, schoner en efficiënter verplaatsen (lopen, fietsen, deelmobiliteit
Toekomstbeeld Fiets het vertrekpunt. Provincie en Rijk onderzoeken wat het
en collectief vervoer). Ingezet wordt op het creëren van meer stedelijke nabijheid,
effect is van de strategische hoofdkeuzes in termen van stedelijke ontwikkeling
het bij voorkeur binnenstedelijk bouwen en op met OV goed bereikbare locaties, het
en mobiliteitstransitie op de verwachte vervoersvraag van het openbaar vervoer
autoluwer maken van stadscentra, het verduurzamen van mobiliteit (zero-emissie)
en fietsverkeer tot 2030 en daarna. Afhankelijk van het onderzoeksresultaat en de
en het verbeteren van de verkeersveiligheid. Zo wordt ervoor gezorgd dat het
mogelijkheden van betrokken partijen wordt gekeken of er aanvullende afspraken
gebruik van duurzame mobiliteit voor zoveel mogelijk mensen aantrekkelijk wordt.
nodig zijn voor spoor- en busnetwerk, stallingen en fietsmaatregelen boven op lopende studies naar het Toekomstvast spoor Zuidoost-Nederland, de multimodale
2.
Om de groei van het aantal inwoners en arbeidsplaatsen per stedelijke
knoop EIK XL en de verkenning spoorknoop ‘s-Hertogenbosch.
regio te kunnen accommoderen wordt voor elke stedelijke regio een meerjarig en samenhangend pakket aan mobiliteitsmaatregelen opgesteld (inclusief kosten, financiering en fasering). Deze pakketten faciliteren de gewenste mobiliteitstransitie
4.
Gemeenten en provincie koppelen plannen voor het OV-netwerk in de vorm
en de beoogde schaalsprong in het OV-systeem. Hierin worden de uitgangspunten
van de realisatie van BRT (Bus Rapid Transit) en uitkomsten van het onderzoek
van nabijheid en duurzame mobiliteit vertaald in concrete doelstellingen en
Toekomstvast spoor aan het concentreren van ruimtelijke ontwikkelingen nabij
maatregelen en worden onder andere de volgende aspecten meegenomen:
OV-knooppunten. Betrokken gemeenten en provincie maken per corridor of knoop
bereikbaarheid van steden, dorpen en werklocaties, een sturende parkeeraanpak,
wederkerige afspraken. Daar waar het mogelijk ook Rijksinvesteringen betreft zal
een passende OV-exploitatie, mobiliteit voor iedereen, stadslogistiek, herinrichting/
het Rijk aansluiten bij de gesprekken.
herroutering stedelijke hoofdstructuur auto en de relatie met goederennetwerken. Provincie en betrokken gemeenten werken de genoemde mobiliteitspakketten in 2023 verder uit, waarbij het Rijk regelmatig wordt bijgepraat over de vorderingen.
51
52
5.
Provincie en stedelijke regio’s gaan de mogelijkheden voor HOV-ontsluiting
andere bestuurlijke overleggen te agenderen; zoals in het BO Leefomgeving Zuid
met Bus Rapid Transit in combinatie met stedelijke knooppuntontwikkeling
2023. Begin 2023 worden in de Stuurgroep de verschillende perspectieven en
verkennen voor de toplocaties Brainport, belangrijkste assen in en tussen de B5-
kaders besproken voor goederenvervoer en op het terrein van ruimtelijke ordening.
steden en de middelgrote plaatsen zonder station; Waalwijk, Oosterhout, Veghel,
Op basis daarvan worden de mogelijkheden besproken om tot een gezamenlijk
Uden.
handelingsperspectief te komen.
6.
Rijk, provincie en stedelijke regio’s beperken de groei van het autoverkeer
9.
Rijk en provincie voeren op basis van de opgaven uit de IMA (integrale
met de verstedelijkingsstrategie en de mobiliteitstransitie. Gekozen wordt voor
mobiliteitsanalyse) en de nieuwe programmering van werklocaties (zie 5.4)
een optimale benutting van het hoofdwegennet tot 2040 door onder meer
een quickscan uit naar de multimodale goederennetwerken (inclusief buis). De
slimme oplossingen, gedrag en Betalen naar Gebruik. Enige vertraging op het
quickscan richt zich op de vraag of alle opgaven nog steeds goed belegd zijn in
wegennetwerk tijdens piekmomenten wordt geaccepteerd zolang er sprake is van
bestaande projecten en programma’s en doet waar nodig aanbevelingen hierin te
voorspelbare en betrouwbare reistijden. De afspraken binnen het BO MIRT over de
actualiseren.
A58 en over de A2 Deil – Vught zijn daarbij kaderstellend. 10. 7.
Provincie en B5-steden zetten een ontwikkelprogramma voor stedelijke
logistiek op voor het bundelen, afstemmen en versterken van initiatieven
De provincie organiseert samen met de B5-steden kennisdeling,
monitoring en uitwisseling van data over de ontwikkeling van de mobiliteitstransitie in het personen- en goederenvervoer in Brabant.
(goederenhubs, zero-emissie voertuigen en bundeling van stromen). 8.
Rijk, provincies en stedelijke regio’s erkennen de spanning tussen de
opgave van binnenstedelijk bouwen en wonen in de spoorzones en het gebruik van het spoor voor goederenvervoer en specifiek voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Rijk en regio constateren dat het van gezamenlijk belang is om met elkaar in gesprek te blijven over een robuust Basisnet en verstedelijking langs het spoor. De Stuurgroep Basisnet is daarvoor het meest aangewezen overleg omdat dit in meer regio’s speelt. In de Stuurgroep kan worden afgesproken om punten in
53
KAART. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp
•
Hoogstedelijke mobiliteitstransitie • Locaties waar de sprong naar hoogstedelijke nabijheid gemaakt wordt. Op basis van uitkomsten nabijheidsindex Dashboard Verstedelijking.
•
Quick scan naar multimodale goederennetwerken • Op basis van de opgaven uit de IMA (integrale mobiliteitsanalyse) en de nieuwe programmering van werklocaties.
•
Stedelijke mobiliteitstransitie • Locaties waar de sprong naar stedelijke nabijheid gemaakt wordt en plekken met goede OV-bereikbaarheid. Op basis van uitkomsten nabijheidsindex Dashboard Verstedelijking en Bike Train Accessibility Level (BTAL).
•
Opwaarderen snelfietspadennetwerk • Voor de Fiets is de Brabantse uitwerking van het Nationaal Toekomstbeeld Fiets het vertrekpunt.
•
Opwaardering / verbetering stations • Op basis van Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong).
•
Afmaken verbetering bestaande hoofd- en regionaal autowegennet • Op basis van afspraken binnen het BO MIRT over de A58 en over de A2 Deil – Vught kaderstellend.
•
Ontwikkeling / verbetering internationale verbindingen • Op basis van Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong).
•
•
•
Mobiliteitstransitie • Aanpak gericht op deelmobiliteit, fiets en lopen en goede aansluiting op de mobiliteitshubs in de regio, verdichting in stationsomgevingen/HOV knooppunten. Hoogwaardig Openbaar Vervoer en/of Bus Rapid Transit • Regio en Rijk beogen een schaalsprong in het OV. Het Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong) zijn hiervoor bouwstenen. Frequentieverhoging spoor (IC en sprinter) • Op basis van Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong).
Zoekgebied nieuw sprinterstation Electrificatie spoorlijn PM. Buisleidingen bestaand en gereserveerd/in ontwikkeling
54
55
4.5
KWALITATIEVE WERKGEBIEDEN ALS RANDVOORWAARDE VOOR CIRCULAIRE ECONOMIE
netwerk, bijvoorbeeld: bouwhubs, retourlogistiek, aan- en afvoer van grondstoffen over water.
Vitale en toekomstbestendige werklocaties zijn een belangrijke randvoorwaarde voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige economie in Brabant. Zo wordt
De opgave om te komen tot passende werkmilieus is zowel kwalitatief als
45% van het Bruto Regionaal Product gerealiseerd op bedrijventerreinen. Ook
kwantitatief van aard. Het huidige harde planaanbod is onvoldoende om te voorzien
vinden we daar 38% van de werkgelegenheid
in de verwachte ruimtevraag tot en met 2030. Daarnaast sluit de kwaliteit van het harde planaanbod niet (altijd) aan op de vraag van bedrijven. Voor de periode
De grondstoffentransitie vraagt om een fundamentele herziening van onze
tot en met 2030 ligt er vooral een zoekopdracht voor nieuwe werklocaties in de
economie: van een lineaire economie waarin grondstoffen gewonnen,
segmenten grootschalige logistiek, grootschalige productie en reguliere MKB-
geproduceerd en verbrand of gestort worden, naar een circulaire economie, waarin
terreinen. In tegenstelling tot eerdere prognoses wordt ook een uitbreidingsvraag
we radicaal efficiënter omgaan met grondstoffen en materialen. De grondstoffen
verwacht na 2030. De prognoses gaan er van uit dat een deel van de vraag, ook na
transitie is net als de energietransitie geen gemakkelijke opgave en vraagt veel van
2030, gevonden kan worden op bestaande locaties.
mensen, bedrijven én overheden. Tegelijkertijd kan de grondstoffentransitie ook nieuwe businessmodellen en werkgelegenheid creëren, met kansen voor proactief
Het vinden van ruimte voor nieuwe werklocaties wordt steeds ingewikkelder
arbeidsmarktbeleid en meer leveringszekerheid van essentiële grondstoffen.
omdat de voor de hand liggende locaties vrijwel op zijn en de druk op de ruimte, het milieu, het infrastructuurnetwerk, het energienetwerk en de arbeidsmarkt
Bedrijventerreinen en bedrijven spelen bovendien een cruciale rol in de grote
toeneemt. Voor de transitie naar een meer circulaire economie en ruimte voor
transities op het gebied van energie, klimaat en circulaire economie. Hiervoor is het
een toekomstbestendige economie is een integrale ruimtelijke aanpak nodig.
belangrijk dat de kwaliteit van de Brabantse bedrijventerreinen zo optimaal mogelijk
Bij deze integrale aanpak gaat het om het integraal afwegen van locaties én het
aansluit bij de vestigingseisen van bedrijven. Er is vanuit bedrijven steeds meer
kijken vanuit een ruimtelijk economische visie op Brabant, in samenhang met de
behoefte aan aantrekkelijke werkmilieus op goed bereikbare plekken, vooral met
toekomststrategie en vestigingsvoorwaarden van bedrijven. Onderdeel van die
het oog op het vinden van geschikt personeel. Om dit te bereiken is samenwerking
integrale afweging is ook het verder aanscherpen van (sub)regionale profilering
en uitwisseling op allerlei niveaus steeds belangrijker, bijvoorbeeld in de triple helix
en het gebruik maken van de knooppunten in infrastructuur, energie, kennis en
verbanden in Brabant. Maatschappelijke en economische trends hebben daarnaast
stedelijkheid die Brabant biedt. Door de toenemende druk is het van belang dat
impact op de aard en omvang van de ruimtevraag van bedrijven. De meest
er scherpe keuzes gemaakt worden. Vaker dan voorheen bestaat de mogelijkheid
relevante trends hierbij zijn energie en klimaat, circulaire economie en digitalisering.
dat er geen plek geboden kan worden aan bepaalde ontwikkelingen of dat die
De verwachting is dat ruimte nodig is door investeringen in robotisering en
ontwikkeling een andere vorm moet krijgen.
automatisering (digitalisering). Ook is er ruimte nodig voor opslag, scheiding en bewerking door de ontwikkeling naar een circulaire economie. Daarnaast is de circulaire economie ook een systeem dat geïntegreerd moet worden in het stedelijk
56
•
Om richting de toekomst concurrerend te blijven is er in alle sectoren vernieuwing nodig in typologie voor gebouw en werkgebied.
57
Daarnaast kunnen concepten die inzetten op een vernieuwende manier van ruimtegebruik (voor bedrijven) leiden tot een win-win situatie; meer ruimtelijke kwaliteit, een hogere economische waarde, meervoudig ruimtegebruik en minder ruimtebeslag. Denk bijvoorbeeld aan de Brainport Industries Campus (Eindhoven) of gestapelde logistieke concepten. Het ontwikkelen en meer inzetten op dit soort concepten voor de economie van Brabant is een van de economische vernieuwingen die ook nodig is om over 10 of 15 jaar niet vast te lopen in het vinden van ruimte (fysiek, mobiliteit, natuurlijke systemen) voor economische ontwikkeling. Een andere strategie gericht op zorgvuldiger ruimtegebruik en een hogere economische waarde richt zich op ontwikkelingen op bestaande bedrijventerreinen. De provincie heeft in samenwerking met alle regio’s onderzoek uitgevoerd naar de vestigings- en herontwikkelingsmogelijkheden voor grootschalige logistiek (> De intensivering, verduurzaming en herstructurering van bestaande
3 ha). Uit dit onderzoek blijkt dat op veel bestaande bedrijventerreinen in Brabant
bedrijventerreinen is een belangrijk middel om een deel van de ruimtebehoefte
vestigings- en/of herontwikkelingsmogelijkheden zijn voor grootschalige logistiek.
te accommoderen en tal van opgaven op bestaande terreinen aan te pakken.
De provincie en gemeenten vinden dit ongewenst omdat niet alle terreinen geschikt
Het mengen van functies of de herstructurering van terreinen is geen makkelijke
zijn vanuit ruimtelijk en/of infrastructureel oogpunt. Onbeperkte grootschalige
opgave en stelt ook voorwaarden. Denk aan de noodzaak van schuifruimte
logistieke ontwikkeling zorgt voor verdringing van andere ruimtevragers (zoals het
om de herprofilering en intensivering vorm te kunnen geven. Met het project
lokaal MKB, (andere) regionale speerpuntbedrijven, maatschappelijke transities en
‘Grote Oogst’ versnellen provincie, gemeenten en andere lokale partners de
transformaties) en het doorkruist selectieve clusteringsbeleid en de aanpak gericht
vergroening en verduurzaming van bedrijventerreinen. Enerzijds omdat duurzame
op regionale meerwaarde Provincie en gemeenten hebben daarom een centrale
bedrijventerreinen een belangrijke voorwaarde zijn voor een toekomstbestendige
aanpak afgesproken. Zo kunnen we effectief sturen op de vestigingsmogelijkheden
economie. Anderzijds omdat bedrijventerreinen een substantiële bijdrage kunnen
van grootschalige logistiek op zowel green- als brownfields. De basis voor
leveren aan de beleidsdoelstellingen op het gebied van energie, circulariteit,
deze aanpak zijn regionale afspraken over de locaties waar ontwikkelingen
klimaatadaptatie, biodiversiteit en stikstof. Ook willen we inzetten op meervoudig
van grootschalige logistiek zijn toegestaan en waar niet. Voor de doorwerking
ruimtegebruik op bestaande en nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen. Dit willen
van dit beleid zet de provincie in samenspraak met de regio’s haar juridische
we integraal bekijken, ook vanuit het oogpunt van aan- en afvoer van goederen en
instrumentarium in, zoals de omgevingsverordening en een voorbereidingsbesluit.
de bereikbaarheid in algemene zin. Denk hierbij bijvoorbeeld aan combinaties met energieproductie, wateropvang, vergroten biodiversiteit/groene dooradering en sport.
58
INSPIRATIE. Fabriek van de Toekomst (Brainport Industries Campus, Eindhoven) De Brainport Industries Campus is het toonbeeld van typologische vernieuwing.
er optimaal gebruik gemaakt van kennis en kunde om tot innovatieve oplossingen
In een unieke parkachtige setting in de Brainport regio zijn verschillende bedrijven
en vernieuwing te komen. Behalve kennis en ervaring worden hier ook faciliteiten
in de hightech maakindustrie, onderwijs- en kennisinstellingen samen gevestigd.
gedeeld om te produceren en te innoveren. Door de kop en de staart van de complete
Smart Industry komt hier letterlijk en figuurlijk van de grond, in de geheel circulair
toeleverketen met elkaar te verbinden ontstaat een netwerk waarin alles mogelijk is. Korte
gebouwde ‘Fabriek van de Toekomst’ dat modulair is opgezet. Het is dé plek waar de
lijnen tussen talloze specialismes zijn een motor voor innovatie en flexibiliteit. De
hightech maakindustrie elkaar ontmoet (in het atrium), waar bedrijven leren van elkaar en
keten als netwerk is de kracht van de campus.
direct samenwerken met de nieuwe generatie technisch opgeleiden. Op deze manier wordt
59
Om de behoefte aan voldoende, aantrekkelijke en goed bereikbare werklocaties te accommoderen kiezen we voor: •
Inzetten op verduurzaming, intensivering en herstructurering van bedrijventerreinen. Bijvoorbeeld door meervoudig ruimtegebruik, het project Grote Oogst en concepten die inzetten op vernieuwende manier van ruimtegebruik (voor bedrijven).
•
Het zorgvuldig benutten van de huidige harde plannen en reeds geprogrammeerde bedrijventerreinen.
•
1.
profileringen. Een integrale afweging om te komen tot zoekgebieden voor nieuwe grootschalige werklocaties. In deze integrale aanpak ontwikkelen we afwegingscriteria. Deze criteria hebben zowel betrekking op de vestigingsvoorwaarden van bedrijven (ligging t.o.v. knopen, kennis, arbeidsmarkt, ontsluiting, stedelijkheid, beschikbaarheid energie etc), als op de ruimtelijke mogelijkheden en randvoorwaarden (o.a. water, bodem, landschap, natuur, buffers tussen stedelijk gebieden en de afweging met de ruimtelijke opgave voor bijv. wonen, concentratie van detailhandel, klimaatadaptatie, energietransitie, circulariteit of landbouw).
In lopende trajecten zetten provincie, rijk en regio in op meervoudig
ruimtegebruik, verduurzaming, intensivering, herstructurering en functiemenging. Nieuwe kansrijke inzichten zullen worden doorgevoerd in beleid. Wanneer hieruit nieuwe acties of onderzoeksvragen volgen, wordt gezamenlijk bekeken hoe deze het beste belegd kunnen worden. De lopende trajecten zijn: •
Actielijnen GRIP op grootschalige bedrijvigheid (o.a. duurzame ruimtelijke inpassing, handreiking regionale meerwaarde en toolkit herstructurering
Het ontwikkelen van een ruimtelijk duurzame economische visie voor Brabant en het ontwikkelen/aanscherpen van (sub)regionale (economische)
•
Eerste uitvoeringsafspraken
bedrijventerreinen); •
Grote oogst;
•
Gezamenlijke aanpak (X)XL logistiek;